MISKRAAM.

Wanneer de zwangerschap voor het einde van de zevende maand wordt

afgebroken, spreekt men van miskraam. Zij komt vooral veelvuldig voor

in de eerste en in het begin van de tweede maand.

Gewoonlijk gaat het in zoo vroegen tijd der zwangerschap als volgt.

Nadat de menstruatie niet op den verwachten tijd is ingetreden, neemt

de vrouw aan, dat zij zwanger is. Dan komt het eenigen tijd later tot

bloeding, meestal sterker dan gewoonlijk, met wat bloedstolsels

vermengd, vergezeld van wat lendenpijn en .... zij meent zich vergist

te hebben en dat de „opgestopte” menstruatie te voorschijn is gekomen.

De vrouw, die tegen eene zwangerschap opzag, is gerust gesteld en

dankbaar dat zij „niet zwanger was”; zij, die in blijde verwachting

verkeerde omdat het eindelijk zoover gekomen was, meent dat zij ten

onrechte geloofde zwanger te zijn en is bedrukt. Geen van beiden

evenwel heeft gelijk, beiden waren zwanger, bij beiden is het bevruchte

eitje onbemerkt met de bloeding uitgestooten, beiden hadden een

miskraam.

Afgezien van deze gevallen komt miskraam wel het meest voor in de

tweede en derde maand, het menigvuldigst in de derde maand. Een groot

aantal valt samen met den tijd, waarop de menstruatie had moeten

verschijnen, indien geen zwangerschap bestaan had. Vrouwen, die

gedurende het zoogen niet menstrueerden en in dat tijdsverloop zwanger

werden, vatten gewoonlijk het eerste teeken van de dreigende miskraam,

de bloeding, op als de eerste menstruatie welke weder verschijnt.

Het hoofdverschijnsel is, zooals uit het voorgaande blijkt, bloeding,

meer of minder sterk, aanhoudend, al of niet in hoeveelheid toenemende,

of ook afwisselende met zeer geringe, alleen vlekken gevende bloeding,

zelfs eenigen tijd geheel ophoudende. Ten slotte komt dan, ten minste

in de tweede en in het begin van de derde maand, het ei gewoonlijk in

zijn geheel, vergezeld van krampachtige pijnen in den onderbuik en

pijnen in de lenden, te voorschijn. In de latere maanden wordt

gewoonlijk de vrucht, die reeds betrekkelijk groot is, onder bloeding

en pijnen, die het karakter van weeën dragen, uitgestooten. Dan treedt,

wat de pijnen betreft, een korter of langer tijdperk van rust in, doch

de bloeding houdt aan en weldra wordt de rest van het ei, als

nageboorte, uitgedreven. Naarmate de zwangerschap verder gevorderd was,

gelijkt de miskraam dus reeds meer op de baring, waarbij het verschil

voornamelijk bestaat in de grootte van vrucht en nageboorte.

Van belang is vooral de bloeding. Zij kan zeer hevig zijn, waarom het

in ieder geval aan te raden is den geneesheer te ontbieden. Dat zal te

meer noodig zijn, wanneer de miskraam niet zoo geleidelijk gaat als

zooeven beschreven werd. Stoornissen toch worden juist hierbij vaak

waargenomen, voornamelijk wat de nageboorte, hoe klein die ook wezen

moge, betreft. Niet zelden wordt zij niet, òf niet spoedig genoeg, òf

niet geheel en al uitgedreven. Dan houdt de bloeding aan en kunnen de

in de baarmoeder gelegen overblijfselen van het ei, in rotting

overgaande, tot infectie aanleiding geven, met al de gevaren daaraan

verbonden. Tijdige behandeling door den geneesheer kan die gevaren

voorkomen.

Na elke miskraam is bedrust, als na eene gewone bevalling, noodig.

De oorzaken voor het optreden van miskraam zijn velerlei. Wij zullen

die niet alle opnoemen. Behalve ziekelijke aandoening van de vrucht en

hare omhulsels, kan men in ’t algemeen zeggen, dat acute ziekten, welke

met belangrijke en langdurige temperatuurs-verhooging, dus koorts,

gepaard gaan, veelal de zwangerschap afbreken. Onder de chronische

ziekten zijn het wel voor het meerendeel hart- en nierziekten,

vergevorderde tuberculose en syphilis, welke daartoe leiden, en, onder

de plaatselijke ziekten, de infectie met druipergif en de aandoeningen,

welke tegenwoordig alom bekend zijn onder den naam van

blinde-darmontsteking.

Een groot aantal miskramen is verder te wijten aan ziekte van het

slijmvlies der baarmoeder. Het is vooral deze oorzaak, welke veelal

miskend wordt, wanneer men miskraam ziet optreden na invloeden, welke

van buiten af op het lichaam der zwangere vrouw hebben ingewerkt,

zooals belangrijke lichamelijke vermoeienis en inspanning, vallen,

stooten, enz., waarover reeds vroeger het een en ander gezegd werd.

Ofschoon niet ontkend mag worden, dat daarin wel eens de oorzaak

gelegen is, moeten zij toch meestal opgevat worden als de laatste

aanleiding, waardoor een miskraam, die anders wat later zou zijn

opgetreden, verhaast werd. Dezelfde beschouwing kan worden toegepast op

zoogenoemde psychische invloeden, werkingen van het zenuwstelsel,

voornamelijk van de hersenen, uitgaande zooals angst, wanhoop, schrik,

overspanning, enz. Als oorzaak mag ook gelden veelvuldige en al te

hartstochtelijk uitgeoefende geslachtsgemeenschap, b.v. kort nadat het

huwelijk gesloten werd.

De middelen ter voorkoming zijn eigenlijk reeds uit deze algemeene

opsomming van oorzaken af te leiden. In het algemeen bestaan zij in het

volgen van de leefregelen voor de zwangerschap aangegeven. Meer in ’t

bijzonder kan van het pogen om een miskraam te voorkomen eigenlijk

alleen gesproken worden in gevallen, waarin zwangerschap al een- of

meermaal op die wijze afgebroken werd. Behalve dat vooral dan de

leefregelen streng moeten gevolgd worden, vermijde de vrouw alle

overdaad, iederen overmatigen prikkel, overspanning, vermoeienis,

reizen en rijden, onthoude zij zich van het gebruik maken van koude

baden of warme zitbaden, van geslachtelijke gemeenschap, drage zij zorg

voor doelmatige kleeding, vooral in den winter, voor warme voeten,

lette zij zorgvuldig op de voeding en op gemakkelijke, geregelde

ontlasting en vrage zij den geneesheer om raad in alles, ook al moge

het haar soms minder gewichtig toeschijnen. Of het al dan niet noodig

is rust te houden, hoe lang, op welke tijdstippen van den dag of van de

zwangerschap, zal hij te beoordeelen hebben.

Ten slotte geven wij dezen raad. Wat ook met de bloeding moge te

voorschijn gekomen zijn, alles moet bewaard en den geneesheer getoond

worden, omdat hij daaruit steeds een oordeel kan vellen omtrent hetgeen

er vóór zijn komst gebeurd is. Maar al te vaak moet deze, op zijn vraag

om te mogen zien wat er voor den dag gekomen is, vernemen: „Het is

weggeworpen”, met welk antwoord hem, in de meeste gevallen, een

uitstekend middel ter beoordeeling van den toestand en van het al of

niet noodzakelijke eener ingrijping onthouden wordt. Menige

onaangenaamheid zal der vrouw bespaard worden, wanneer zij deze

raadgeving ter harte neemt.

De vrucht is bij een miskraam steeds verloren. Zelfs indien zij levend

uitgedreven wordt, heeft zij geen levensvatbaarheid, afgezien misschien

van eene hoogst enkele uitzondering, bij vergevorderde ontwikkeling,

welke voor eene algemeene beschouwing geen waarde heeft.

Anders wordt het, wanneer de zwangerschap na de zevende maand wordt

afgebroken. Dan spreekt men van vroeggeboorte en levensvatbaarheid der

vrucht. Naarmate de zwangerschap verder gevorderd is, gelijkt de

vroegtijdige baring meer op de baring aan het einde der zwangerschap.

Dat een te vroeg geboren kind meer zorg vereischt dan een voldragen, is

zonder meer duidelijk.

Een verschijnsel dat allicht eenige angst verwekt, is het volgende.

Vooral na de zesde maand, doch soms ook wel in de eerste weken der

zwangerschap, kan het gebeuren, dat plotseling eene betrekkelijke

groote hoeveelheid geel- of rose-gekleurd vocht uit de geslachtsdeelen

te voorschijn komt, dat zich nog wel eens op dezelfde wijze herhaalt of

eenigen tijd, als druppelsgewijs vochtverlies, blijft aanhouden,

terwijl de zwangere zich dan eenigszins onlekker gevoelt. In het

algemeen heeft het niets te beteekenen, doch daar het toch niet

onmogelijk is, dat de zwangerschap daarna een einde neemt, is het van

belang den geneesheer daarvan in kennis te stellen, te meer omdat er

eene vergissing in het spel kan zijn en blijken kan, dat het

weggeloopen vocht slechts urine was.

Moeder en kind · 第 11 / 28 题