MEERVOUDIGE ZWANGERSCHAP.

Bij het bespreken van de bevruchting vermeldden wij, hoe eene zaad-cel

met een eitje te zamen komende, daarmede versmelt tot één

ontwikkelingskiem, waaruit een kind zich ontwikkelen kan. De vrouw zal

dan één kind baren. Het is echter bekend, dat eene vrouw niet alleen

aan tweelingen, doch zelfs aan drielingen het leven schenken kan. De

hoogst enkele mededeelingen, waarin van een nog grooter aantal gewag

gemaakt wordt, zullen wij niet in beschouwing nemen.

Onwillekeurig vraagt men zich af, hoe dat komt. Ontstaan uit één

bevrucht ei b.v. twee kinderen of komen zij voort uit twee bevruchte

eieren? Het antwoord op die vraag luidt, dat beide mogelijkheden

voorkomen, waarbij wij op bijzonderheden niet ingaan.

Het ligt voor de hand, dat, wanneer de vrouw zwanger is van meer dan

één kind, die kinderen niet alleen meer ruimte vergen, maar die

meerdere ruimte zich zal kenbaar maken door snellere toeneming van den

omvang van den buik. Dat is vooral waar te nemen van de 5e maand af,

zoodat ongewoon groote omvang van het onderlijf moet doen denken aan de

mogelijkheid, dat, laat ons maar zeggen, tweelingen aanwezig zijn. De

buik ontwikkelt zich daarbij opvallend in de hoogte en in de breedte.

De baarmoeder bereikt in de achtste maand reeds de hoogte, welke anders

aan het einde der zwangerschap wordt waargenomen. Omstreeks dien tijd,

dikwerf ook vroeger, begint dan ook het vermoeden op meervoudige

zwangerschap op te komen en wordt dat den geneesheer kenbaar gemaakt

met de vraag, of hij daaromtrent eenige zekerheid kan geven. In het

algemeen kan, ter geruststelling, wel gezegd worden, dat, wanneer de

omvang van den buik aan het einde van de zwangerschap niet meer dan 100

c.M. bedraagt, aan tweelingen niet te denken valt.

De ongemakken gedurende de zwangerschap zijn meestal grooter. Braken,

bemoeilijking van urine-loozing en ontlasting zijn sterker, aderspatten

treden vroeger op, zoo ook de lastige zwelling der beenen, welke zich

eerder uitbreidt over de uitwendige geslachtsdeelen en den buik, zelfs

over armen, handen en het gelaat. De ademhaling is bemoeilijkt, de

beweging eveneens.

Dikwijls treedt de baring voor het berekende einde der zwangerschap in,

gemiddeld in drie vierden der gevallen. De kinderen zijn over ’t

algemeen minder ontwikkeld in dien zin, dat het gemiddelde gewicht,

zelfs als de zwangerschap haar einde bereikt, beneden dat van het kind

bij enkelvoudige zwangerschap blijft, terwijl de lengte van het kind

geen afwijking behoeft te vertoonen. Dit geldt voor tweelingen. Bij

drielingen betreft de mindere ontwikkeling zoowel lengte als gewicht,

waarbij nog komt, dat de zwangerschap, in de helft of meer dan de helft

der gevallen, het normale einde niet bereikt. Daarom zijn de

levenskansen bij drielingskinderen geringer.

Betrekkelijk zelden hebben tweelingskinderen hetzelfde gewicht, terwijl

bij verschillend geslacht de jongen zwaarder is.

Volgens berekening, uit een groot aantal geboorten opgemaakt, komt op

80–89 geboorten een tweeling, op 7500–7900 geboorten een drieling voor.

De neiging tot tweelingsgeboorten is erfelijk. Volgens sommige

schrijvers schijnt die erfelijkheid bijna uitsluitend bij tweeëiige

tweelingen voor te komen en hebben erfelijke tweelingen menigvuldig

verschillend geslacht, omdat zij van twee eieren afkomstig zijn. Ook

meent men te hebben opgemerkt, dat, voor het verwekken van tweelingen,

de vruchtbaarheid en de ouderdom der ouders in aanmerking komen. De

gemiddelde ouderdom is voor den vader 37,5, voor de moeder 33,5 jaar.

Terwijl bij éénlingsgeboorten de vruchtbaarheid tot het 25e jaar

toeneemt om dan te dalen, is voor de tweelingsgeboorten de verhouding

juist omgekeerd, waaruit te verklaren is, dat tweelingmoeders vaak

meerbarenden zijn van hoogeren ouderdom. De eigenlijke

tweelingsvruchtbaarheid valt tusschen het 30e en 40e jaar.

Het geslacht der tweelingen zou van den betrekkelijken ouderdom der

ouders zóó afhangen, dat, als de vader ouder is dan de moeder,

gelijkslachtige mannelijke, in het omgekeerde geval vrouwelijke, bij

ongeveer gelijken leeftijd ongelijkslachtige tweelingen ontstaan.

Drielingen worden het vaakst geboren uit meerbarenden, vooral in de

zesde zwangerschap en latere; eerstbarenden die drielingen ter wereld

brengen, zijn meestal oudere vrouwen.

Gewoonlijk zal de geneesheer wel met eenige mate van zekerheid kunnen

uitmaken of de vrouw van tweelingen zwanger gaat, en vrage zij, die

daar vrees voor koestert, hem liever daarnaar een onderzoek te doen,

dan zich aan vaak onnutte angst en bekommering over te geven.

Behalve door aanwezigheid van meer dan één kind, kan de omvang van den

buik grooter zijn, dan gewoonlijk beantwoordt aan het tijdstip van de

zwangerschap, door eene overmatige hoeveelheid vruchtwater. De sterke

uitzetting van den buik gaat dan gepaard met pijn in den buik, in de

lendenstreek en in de liezen, met bemoeilijkte ademhaling en trage

ontlasting. De buikwand vertoont een matten glans, gewoonlijk wordt

urine in geringere hoeveelheid geloosd, braakt de vrouw dikwijls en

zijn de beenen en de buikwand zuchtig gezwollen. Juist bij

tweelingzwangerschap kan zich dit voordoen.

Algemeen gesproken kan de oorzaak voor eene overmatige hoeveelheid

vruchtwater gelegen zijn in het ei en bij de zwangere vrouw,

voornamelijk in hart- of nierziekten der laatste.

Wat in dergelijke gevallen te laten of te doen valt, zal de geneesheer

te beoordeelen hebben.

Moeder en kind · 第 10 / 28 题