LEEFREGELEN VOOR DE ZWANGERSCHAP.

Zooals wij opmerkten zijn allerlei veranderingen in het levensproces

der vrouw, met de beschreven verschijnselen en onaangenaamheden, het

gevolg van veranderingen in en aan de geslachts-organen.

Naarmate het ei groeit en in omvang toeneemt, wordt ook de ruimte,

waarin het zich ontwikkelt, grooter. De aanvankelijke peervorm van de

baarmoeder maakt plaats voor een rondere, die overgaat in den vorm van

een ballon, welke steeds grooter en grooter wordt, zoodat het kind

daarin de noodige ruimte vindt. Langzamerhand wordt die toename in

grootte zichtbaar door uitzetting van den buik, terwijl de van buiten

onderzoekende hand de vergrooting van de baarmoeder tastend

onderscheiden kan.

Omstreeks het einde van de vierde maand is de bovengrens van de

baarmoeder, de baarmoederbodem, ongeveer een handbreed boven den

Venusheuvel te voelen. Van dien tijd af is een gestadig rijzen met de

hand na te gaan. Zoo staat de bodem in het midden der zwangerschap even

hooger dan het midden van den afstand tusschen Venusheuvel en navel.

Gewoonlijk zal de aanstaande moeder dan voor het eerst de bewegingen

van het kind, het „leven” kunnen waarnemen. Vrouwen die reeds vroeger

zwanger waren kennen dit teeken en voelen het dan ook dikwijls aan het

einde van de vierde maand, vaak nog eerder. Daaruit blijkt, dat aan het

leven voelen geen al te groote waarde mag toegekend worden voor de

berekening van het tijdstip der bevalling. Ook is het voelen der

kindsbewegingen afhankelijk van de gevoeligheid der vrouw, van den

toestand der buikwanden, van ligging en levendigheid van het kind. In

den aanvang slechts zwak, worden de bewegingen sterker naarmate het

kind grooter en krachtiger wordt, zelfs zoo, dat in de laatste maanden

niet alleen de moeder ze voelt, doch zij door de opgelegde hand en, bij

dunnen buikwand, ook door het oog zijn waar te nemen. Somtijds maakt de

vrouw zich beangst, omdat zij, vooral in de laatste maand, gedurende

eenige dagen het leven niet voelt. Dat is echter geen ongewoon

verschijnsel en behoeft zij zich dus niet bezorgd te maken dat het kind

niet meer leeft, tenzij het al te lang duurt. Dan kan inderdaad het

vermoeden, als zou het kind gestorven zijn, gewettigd zijn, doch zal

zij ook andere verschijnselen, zooals kleiner worden van den buik,

slapper worden der borsten, kunnen waarnemen.

In andere oogenblikken kunnen de bewegingen onafgebroken en zoo sterk

gevoeld worden, dat het verschijnsel inderdaad hinderlijk is. Dat is

dikwijls afhankelijk van sterke gemoedsbewegingen der vrouw.

Het rijzen van de baarmoeder gaat geleidelijk voort tot het einde van

de achtste maand. Dan staat de bovengrens ter hoogte van den maagkuil.

Daarna begint eene daling, nu eens vroeger, dan weder later,

afhankelijk van verschillende oorzaken. Met die daling wordt de

spanning in het bovengedeelte van den buik geringer, voelt de vrouw

zich verlicht van de tot nu toe toegenomen beklemming. Eerstzwangeren

kunnen daaruit de berekening maken, dat ongeveer 3 à 4 weken daarna de

bevalling zal plaats vinden. Doch ook hieraan hechte men niet te veel

gewicht. De daling is voornamelijk het gevolg van eene verplaatsing van

het kind naar de bekkenholte toe, waarin het hoofd met een kleiner of

grooter gedeelte wordt opgenomen. Een andere reden is het uitrekken van

den buikwand, waardoor het mogelijk is dat de baarmoeder meer naar

voren overhelt. Aan de verminderde hoogte beantwoordt dan een grooter

worden van den buikomvang. De eenige ondersteuning van de zwangere

baarmoeder wordt, in staande houding, gegeven door den voorsten

buikwand en zij valt zoover naar voren als de rekbaarheid van den

buikwand toelaat. Als bij herhaalde zwangerschap de daling wordt

waargenomen, is zij hoofdzakelijk aan de laatste oorzaak toe te

schrijven, aangezien alsdan het kinderhoofd gewoonlijk eerst hij het

begin van of zelfs eerst gedurende de baring in de bekkenholte wordt

geperst. Hieruit volgt reeds de belangrijke invloed van den buikwand op

de ligging van het kind.

Bij eerstzwangeren is de omvang van den buik aan het einde van de

laatste maand, gemeten wanneer de vrouw plat op den rug ligt, ongeveer

91 c.M., gemeten in staande houding ongeveer 98 c.M. Veel waarde is aan

die cijfers niet te hechten, tenzij de omvang veel grooter mocht

blijken.

Die toename in omvang van buik en baarmoeder is niet alleen toe te

schrijven aan den groei van het kind.

Het maakt, vooral in de laatste maanden, den indruk alsof de gedaante

van den buik veroorzaakt wordt door de aanwezigheid van een eenigszins

in de lengte uitgerekten bol. In dien bolvormigen zak, de baarmoeder,

is het kind gelegen in de eivliezen of den vruchtzak, een dunne,

gladde, doorschijnende, overal gesloten blaas, welke gevuld is met een

vocht, dat zich gedurende den groei van het kind daarin ophoopt en den

naam van vruchtwater draagt. Daarin ligt het kind met gebogen rug en

nek, het hoofd met de kin op de borst, de bovenarmen tegen het lichaam,

de onderarmen naar elkander gericht voor de borst, de beenen

opgetrokken met de knieën op de borst, zoodat het gemakkelijk plaats

vindt in de bolvormige holte van de baarmoeder. De overblijvende ruimte

wordt door het vruchtwater ingenomen. Meestal ligt het kind, tenminste

in de laatste maanden van de zwangerschap, met het hoofd naar beneden

gericht, somtijds met den stuit, zeldzamer met het aangezicht of het

voorhoofd het laagst, of geheel dwars in de baarmoederholte.

De eivliezen bekleeden de binnenvlakte van de baarmoeder, ongeveer als

de voering van een gevoerden zak, losjes, doch op een enkele plaats

zijn zij vaster verbonden. Daar ligt de moederkoek, welke, als een

sponsachtig geweven, vleezige platte koek, met eene oppervlakte ter

grootte van omstreeks twee handen en een dikte van een paar

centimeters, innig verbonden is met den baarmoederwand, ongeveer op de

plaats waar het eitje zich, na de intrede in de baarmoeder, als het

ware ingeplant had.

Zooals wij weten ontwikkelden zich, spoedig nadat het eitje in de

baarmoeder was opgenomen, aan zijne oppervlakte bloedvaatjes, welke in

verbinding traden met de moederlijke bloedvaten in den wand der

baarmoeder, waardoor het mogelijk was dat het eitje gevoed werd. Die

verbinding breidde zich, gelijken tred houdende met de ontwikkeling van

het eitje, over eene grootere oppervlakte uit en nam geleidelijk in

dikte toe. Die dikkere verbinding, niet alleen uit bloedvaten

bestaande, doch tevens uit een weefsel, gevormd door het optreden van

cellen, welke met elkander in samenhang bleven en zoowel de aanhechting

steviger maakten als de bloedvaten tot steun en onderlaag dienden, is

de moederkoek.

Naarmate zich het kind in het eitje aanlegde, werd daarin ook het

vruchtwater gevormd, dat, daar het ei zich langzamerhand in een blaasje

veranderde, waarin het kind ruimte kreeg ter ontwikkeling, dat blaasje

vulde. Met toenemende ontwikkeling van eiholte en kind puilt het ei in

de holte van de baarmoeder, welke door haren groei meer ruimte

aanbiedt, uit, zoodat de dunner wordende wand van het eitje, later de

eivliezen genoemd, ten slotte overal de binnenvlakte van de

baarmoederholte aanraakt en er losjes mede vergroeit, terwijl de

verbinding ter plaatse waar de moederkoek ligt veel inniger is.

Met die uitpuiling gaat toeneming in omvang en binnenruimte van het ei

gepaard, waarin het kind dus ruimte vindt en zich meer en meer van de

plaats verwijdert waar de moederkoek ligt. Doch met die moederkoek

blijft het kind verbonden, ter wille van de voeding, welke het

verkrijgt uit de bloedvaten der moeder. Die verbinding bestaat ten

slotte uit eene ongeveer ½ meter lange, dunne, licht gedraaide streng,

de navelstreng genoemd, welke van de moederkoek uitloopende zich bij

het kind iets beneden het midden tusschen hoofd en voeten inplant. Door

die streng heen loopen drie bloedvaten, welke eenerzijds, door

bemiddeling van de moederkoek, in verbinding staan met den bloedsomloop

der moeder, anderzijds met den bloedsomloop van het kind. Langs dien

weg ontvangt het kind van de moeder alles wat het noodig heeft. En wat

heeft het kind noodig? Allereerst voedsel, ter ontwikkeling. Doch ook

zuurstof, een gasvormig bestanddeel van de lucht, dat voor het leven

van den mensch even onontbeerlijk is. De geboren mensch verkrijgt dat

bestanddeel uit de lucht door de ademhaling. De zuurstof wordt door de

longen uit de lucht in het bloed opgenomen en door het lichaam

gebruikt. Een ander gas, ontstaan bij de processen welke zich in het

menschelijke lichaam afspelen, doch dat schadelijk is als het in het

lichaam zou blijven, wordt bij de ademhaling, door de longen, uit het

lichaam verwijderd. Dat moet dus ook bij den ongeboren mensch

geschieden. Ook het kind moet de zuurstof, welke het noodig heeft,

ontvangen en het andere, schadelijke, gas, het koolzuurgas, kunnen

verwijderen. Doch daar het kind in eene holte ligt, welke geen

gemeenschap met de buitenlucht heeft en daarenboven met vocht gevuld

is, waarin het onmogelijk is adem te halen, wordt in de gaswisseling op

andere wijze voorzien. Dat gebeurt door middel van de bloedvaten, welke

door de navelstreng loopen. Door een van de drie bloedvaten vloeit het

bloed van de moederkoek naar het kind toe en brengt het de noodige

voedingsstoffen en de zuurstof in opgelosten toestand, door de twee

andere bloedvaten vloeit het bloed van het kind naar de moederkoek toe,

met zich voerende de stoffen welke het kind niet gebruiken kan, dus ook

het schadelijke koolzuurgas, ten einde die daar af te geven aan het

moederlijke bloed. Door middel van den bloedsomloop in de moederkoek en

hare verbinding met het kind langs de navelstreng, voorziet dus de

moeder, door eigen ademhaling en spijsvertering, haar kind van alles

wat het noodig heeft en bevrijdt zij het van schadelijke en onbruikbare

stoffen. De moederkoek blijkt dus een zeer belangrijk orgaan, als de

eenige onmiddellijke verbinding tusschen moeder en kind, waarin alle

wisselwerking tusschen beiden plaats grijpt.

Moederkoek en eivliezen vormen te zamen de nageboorte, welke eenigen

tijd na de geboorte van het kind, wanneer het die hulp van de moeder

niet meer behoeft, wordt uitgedreven.

Dit alles bedenkende, namelijk den groei van een tot ontwikkeling

komend levend wezen in het lichaam der aanstaande moeder, waar binnen

het ruimte vergt, met terzijde schuiving van wat de toeneming in omvang

van zijn schuilplaats zou kunnen belemmeren, van een organisme dat zijn

voedsel ontvangt uit de bloedsbestanddeelen der vrouw, dat, in grootte

toenemende, in dien groei het moederlijk lichaam op vele en velerlei

wijzen betrekt, is het te begrijpen, dat onaangename verschijnselen

zich bij de aanstaande moeder kunnen voordoen.

Wij weten echter uit ervaring dat, van nature alles geleidelijk

geschiedende, de gezonde vrouw over het algemeen die onaangenaamheden

slechts in betrekkelijk geringe mate ondervindt en zij kan nu

eenigermate begrijpen, hoe zij, door zorg voor eigen welzijn, ook en

vooral gedurende dezen belangrijken tijd, veel tot den gunstigen

toestand van haar zelve en van haar kind kan bijdragen.

Eenige algemeene en bijzondere beschouwingen in die richting willen wij

hier geven.

Heel in ’t algemeen kan men zeggen, dat alles wat de gezondheid bewaart

of der gezondheid bevorderlijk is, ook van toepassing is op de zwangere

vrouw. Zij heeft te begrijpen, dat zoowel het zwanger worden als het

zwanger zijn en het baren, natuurlijk is, dat van nature—dus

natuurlijk—alles geschiedt zooals het geschiedt en zelfs afwijkingen

natuurlijke afwijkingen zijn. Dat sluit evenwel niet in zich, dat men

afwijkingen als zoodanig maar moet laten doorwerken of bestaan.

Integendeel, het is even natuurlijk dat de mensch, die de natuur tracht

te beheerschen, ook hier dat doel najaagt en tracht afwijkingen te niet

te doen of te verkleinen. Zoo begrepen is elk geneesheer

natuurgeneesheer, een woord dat gewoonlijk niet op hem wordt toegepast.

Het moet begrepen worden, ook door de zwangere vrouw, dat men in

oogenblikken van onbehaaglijke gevoelens, hoe en wanneer zich die ook

voordoen, of men slechts van onaangename gevoelens dan wel van ziekte

spreekt, zich met vertrouwen alleen kan en mag wenden tot die menschen,

die, door studie en ervaring in de praktijk, meer en beter weten wat er

in het menschelijke lichaam gebeurt dan alle anderen, die—zonder

dat—beweren beter op de hoogte te zijn. Deze waarschuwing is te meer

noodig, en kan niet dikwijls genoeg herhaald worden, omdat iedere vrouw

die kinderen gebaard heeft, maar ook zij die dat niet gedaan heeft,

doch bij dergelijke gebeurtenissen tegenwoordig geweest is, meent de

aanstaande moeder, vooral in de eerste zwangerschap, van raad te moeten

dienen, een euvel dat nog steeds bestaande en waartoe, wij ontkennen

het niet, aanleiding bestaat, omdat het voortspruit uit den

onwillekeurigen drang om anderen te helpen, in niet geringe mate

nadeelig op de zwangere vrouw kan inwerken. Het feit dat gewoonlijk

geen enkele dier raadgeefsters ook maar de geringste kennis heeft van

den bouw van het menschelijke lichaam, van de verrichtingen der

organen, van de invloeden, zoowel die van buitenaf als die van binnen

uit op bouw en verrichtingen inwerken kunnen, moest de denkende vrouw

reeds van te voren doen begrijpen, dat zij van die zijde geen juiste

inlichtingen bekomen kan.

In het algemeen behoeft de mensch, om gezond te blijven, afwisseling

tusschen arbeid en rust, heeft hij zorg te dragen voor zijn lichaam,

d.w.z. voor behoorlijke samenwerking van alle organen, die, hoewel

ontleedkundig te scheiden, toch—en vooral in hunne werkingen—verband

houden. Geen lichaam kan gezond heeten, waar een of meer organen

afwijkingen vertoonen. Wie begrijpt dat het levende lichaam voortdurend

slijt en voortdurend zich herstelt, begrijpt ook, dat de mensch heeft

zorg te dragen, dat slijtage en herstel zoo regelmatig mogelijk plaats

hebbe, omdat elke onregelmatigheid daarin zich voordoet als ziekte.

Niet ten onrechte spreekt men van ziekte en herstel, al wordt niet

bedacht, dat men met het woord ziekte zich eenzijdig beperkt tot het

noemen van verschijnselen, die eene tijdelijke versterking of

opeenhooping aan het licht brengen van de verschillen, welke altijd

geldig, in den regelmatigen gang van het levensproces niet tot

bewustzijn komen.

Het lichaam heeft behoefte aan arbeid, frissche lucht, voeding,

reinheid, uitscheiding van afgewerkte stoffen, in regelmatigen gang en

afwisseling, en de mensch, die gezond wil zijn, behoort daarop te

letten, met inachtneming van de verschillen welke elk individu, in

verhouding tot anderen, openbaart. Hieruit volgt, dat regelen, daarvoor

aan te geven, niet anders kunnen zijn dan algemeene regelen.

Hetzelfde geldt voor de zwangere vrouw. Zij zorge dus voor regelmatige

beweging in de frissche buitenlucht. In de steden zoeke zij daarvoor de

plaatsen op, waar zij die frissche lucht zooveel mogelijk kan genieten.

Reeds daardoor kan zij gunstigen invloed uitoefenen op gemoedsstemming,

op slaap, op goede werking van zenuwstelsel, bloedsomloop en

spijsverteringsorganen. Het weder mag daarop in zooverre van invloed

zijn, dat zij zorg drage voor eene kleeding, waarbij rekening gehouden

is met de weersgesteldheid. Kan zij zich moeilijk bewegen of wordt zij

spoedig moe, dan is het rijden in de frissche buitenlucht toch altijd

beter dan een voortdurend verblijf binnenshuis. Ook binnenshuis zorge

zij dat frissche lucht en zonnelicht onbeperkt kunnen binnentreden, de

eerste ook des nachts. Als van zelf sluit zich daarbij de raad aan, om

alle ruimten te vermijden, waarin, door aanwezigheid van veel menschen,

de lucht te warm en bedorven wordt, te meer omdat zwangere vrouwen

gemakkelijk aan duizeligheid of onmacht ten prooi zijn. Zelfs sterke

behoefte aan rust, zooals dat nog al eens voorkomt in de eerste en

laatste maanden der zwangerschap, vooral wanneer de slaap te wenschen

overlaat of allerlei ongemakken bestaan, mag niet leiden tot

verwaarloozing van beweging in de reine frissche buitenlucht. Er blijft

nog genoeg tijd over om rust te nemen. Voortdurend rusten wordt geacht

nadeelig te werken o.a. in dien zin, dat het gewicht van het kind

toeneemt en het tijdstip der bevalling wordt verschoven.

Is arbeid goed, te inspannende arbeid en bewegingen, welke het lichaam

aan sterk schokken kunnen blootstellen, zooals springen, dansen, sport,

ook paardrijden en het rijden in wagens over hobbelige wegen, zijn te

vermijden, evenals het tillen en dragen van zware lasten, het langdurig

arbeiden met de naaimachine en dergelijke. Het wielrijden als zoodanig

zou geen bezwaar zijn, indien, afgezien van eenige begrijpelijke

moeilijkheid bij toenemenden omvang van den buik, het gevaar niet

bestond van vallen, zoo niet door eigen toedoen dan toch door toedoen

van anderen. Hetzelfde geldt voor het schaatsenrijden. Automobielrijden

kan geen kwaad, doch niet te lang achtereen en niet te snel, wegens

gevaar van stooten en snelle schokken.

Het reizen behoeft niet te worden nagelaten, als de ontwikkeling van de

zwangerschap en die van vorige zwangerschappen regelmatig geweest is.

Als dat laatste niet het geval was, mag de reis slechts indien

onvermijdelijk ondernomen worden. Men hoort gewoonlijk beweren, dat

door het reizen miskraam, d.i. afbreken der zwangerschap in de eerste

maanden, kan voorkomen. Die bewering wordt niet geheel ten onrechte

geuit, doch men bedenke daarbij, dat door de reis de miskraam, bij

daartoe bestaanden aanleg, vroeger tot stand komt dan het geval zou

geweest zijn, als de reis niet ondernomen was. Wij bedoelen hiermede te

zeggen, dat een gezond ei, in eene gezonde baarmoeder, niet of hoogst

zelden door een reis, vermoeienis, schok of gemoedsbeweging zal worden

uitgestooten, in het algemeen dus de reis en de andere invloeden de

uitstooting van een ziek ei verhaast hebben. Korte reizen kunnen zelfs

weldadig werken, doordien zij lichaam en geest verfrisschen, de

gemoedsstemming verbeteren. Lange reizen zijn evenwel te vermijden,

alsmede het reizen in den tijd dat de menstruatie had moeten intreden,

en vooral omstreeks het einde van de derde maand en tegen het einde der

zwangerschap. Kan een lange reis niet vermeden worden, dan is het

gewenscht daarin langere of kortere tijden van rust op te nemen. De

beste tijd voor reizen is dan tusschen de vierde en achtste maand.

Wordt eene vrouw op de huwelijksreis zwanger, dan vermijde zij alle

inspannende toeren te voet en het bestijgen van bergen, en verblijve

zij zoo lang mogelijk rustig op dezelfde kalme plaats.

Ook de geslachtsgemeenschap behoeft niet te worden nagelaten, doch

behoort die met mate en omzichtigheid te geschieden. Voorzichtigheid is

vooral aan te raden gedurende den tijd dat de menstruatie had moeten

intreden. Men vermijde haar wanneer de vrouw er tegenzin in heeft of de

onaangenaamheden der zwangerschap er door versterkt worden. Anderszins

moet, wanneer de vrouw vermeerderden lust daartoe vertoont, door den

echtgenoot daaraan worden tegemoet gekomen, terwijl de man zijne

lusten, waar dat der vrouw hinderlijk is, moet weten in te binden.

Door zelfbeheersching kan hij in dit en andere opzichten veel bijdragen

tot den goeden toestand der vrouw gedurende hare zwangerschap. Dan toch

is hare gemoedsstemming, zooals wij reeds opmerkten, dikwerf zeer

wisselend, is zij vaak prikkelbaar, zoodat alle gebeurtenissen sterker

op haar inwerken. Dan heeft de man de schoone taak, door geduld en

liefdevolle toewijding, door het aanbrengen van afleiding en

afwisseling, door vermijding van driftige toespraak of prikkelende

handelingen, tot steun te zijn; door behoedzame mededeeling zoowel van

zeer aangename als van treurige tijding het zijne bij te dragen tot een

zoo rustig mogelijk voorbijgaan van dien voor vrouw en kind zoo

belangrijken tijd. Vooral zal dat noodig zijn bij de vrouw van zwakken

wil. Wanneer er aanleg toe bestaat, kan de zwangerschap ontijdig worden

afgebroken door angst, hevigen schrik en groote vreugde. De vrouw met

sterken wil, met sterk verlangen naar het moederschap, zal de

onaangenaamheden der zwangerschap gewilliger en gemakkelijker dragen en

te boven komen. In de zwangerschap, als in alle ernstige gebeurtenissen

des levens, blijkt vooral van hoe grooten invloed de opvoeding, ook in

geestelijk opzicht, is.

Een rustige slaap werkt gunstig en weldadig op het zenuwleven. Hij

wordt, behalve door het bovengenoemde, bevorderd door vermijding van

langdurige avondgezelschappen tot laat in den nacht en van het uitgaan,

waarbij de zenuwen geprikkeld worden. In het algemeen geldt, dat, wie

’s nachts goed geslapen heeft, overdag niet behoeft te rusten. De

slaapkamer zij ruim, hoog, goed gelucht, zonnig, gemakkelijk te

reinigen en, voor wie ’t behoeft, ’s winters matig verwarmd, het bed

niet te zacht, de bedekking niet te zwaar en te warm.

Van groot belang is reinheid van het geheele lichaam en reinheid op

lijf- en beddegoed. Het gebruik van lauwwarme baden, (33°–36° C.,

27°–29° R.) in den winter, ’s zomers wat kouder, gedurende de geheele

zwangerschap is aan te bevelen. Men moet zich goed met zeep afwasschen,

zich goed afdrogen en na het bad schoon goed aantrekken. De meening,

dat zulke baden een bijzonder gunstigen invloed op het verloop der

baring zouden uitoefenen mist, als daarmede een rechtstreekschen

invloed bedoeld wordt, allen grond. Bij prikkelbaarheid van het

zenuwstelsel en slechten slaap kan een dergelijk bad, dagelijks

genomen, gunstig werken, doch men raadplege daaromtrent den geneesheer.

In het algemeen geldt de regel, dat men niet minder, doch ook niet meer

moet baden, dan men voor de zwangerschap gewoon was. Voetbaden, water

van 33°–41° C., (27°–33° R.), kunnen genomen worden, doch beter is het,

als de vrouw het zelf niet doen kan, de voeten door eene hulp te laten

wasschen. Zee- of koude rivierbaden behoeven door haar, die er aan

gewend zijn, niet altijd te worden nagelaten, tenzij de temperatuur van

het water beneden 19° C. (15° R.) daalt. Ook mag het bad niet lang

duren. Vooral bij zeebaden lette men er op, dat de golfslag niet te

sterk mag zijn en beperke men den tijd tot eenige minuten. Ook zwemmen

kan worden toegestaan, waarbij men evenwel te bedenken heeft, vooral

bij het zwemmen in diep water, dat de zwangere vrouw gemakkelijk

onderhevig is aan duizeligheid en flauwten.

De geslachtsdeelen moeten dagelijks, een of tweemalen, met schoon

lauwwarm water en zeep gereinigd en daarna goed afgedroogd worden. Te

lange haren daar ter plaatse knippe men af. Nooit wassche men met een

spons, doch met de hand of met zuivere ontvette verbandwatten, ook kan

men een zachten doek gebruiken die dan telkens, het best door uitkoken,

gezuiverd moet worden. Bij neiging tot opengaan van de huid aan de

binnenvlakten der dijen en in de omgeving der geslachtsdeelen, in de

plooi van den buik boven den Venusheuvel en onder de borsten, bepoedere

men deze deelen na reiniging en zorgvuldig afdrogen, met een of ander

strooipoeder, b.v. talkpoeder, witte pijpaarde of alsol-strooipoeder.

Als scheedespoelingen noodig zijn, verrichte men die als op bl. 30 is

aangegeven. Bij sterke afscheiding (witten vloed) verdient het

aanbeveling, nadat de geslachtsdeelen voor het naar bed gaan gereinigd

zijn, een propje verbandwatten in de schaamspleet te leggen, waarin,

gedurende den nacht, het uit de scheede komende vocht wordt opgevangen.

Ook lauwwarme zitbaden gedurende 5 à 10 minuten, niet langer, zijn

aangenaam en reinigend en bevorderen vaak gemakkelijke ontlastingen; de

temperatuur van het water ongeveer 40° C., (32° R.). Men houde een

ketel met heet water naast zich gereed, om nu en dan wat heet water bij

te gieten, teneinde het water op temperatuur te houden en te sterke

afkoeling te voorkomen. De geschiktste tijd daarvoor is onmiddellijk

voor het naar bed gaan.

Deze reinigingen kunnen vaak veel bijdragen tot het bestrijden van jeuk

aan de uitwendige geslachtsdeelen.

De voeding zij zooveel mogelijk de gewone, met inachtneming van de

gevoeligheid der spijsverterings-organen; de hoeveelheid voedsel in ’t

algemeen noch te klein noch te groot. Meestal is in het begin van de

zwangerschap de eetlust verminderd, na de vierde maand dikwijls

vermeerderd. Men trede daartegen niet op met de opmerking, dat, wat het

eerste verschijnsel betreft, de zwangere vrouw voor twee moet eten; wat

het tweede betreft, dat hongeren en vasten den buikomvang zouden

verminderen, het kind klein zou blijven en de baring dus gemakkelijker

gaan zou. Als vermindering van den eetlust gepaard gaat met stoornissen

in de spijsvertering heeft men daarop bij de voeding te letten. In ’t

algemeen is matigheid in het stillen van honger en dorst te betrachten,

dus geen maagoverlading. De laatste maaltijd worde, met het oog op een

gerusten slaap, niet later dan twee of drie uren voor het naar bed gaan

genomen. Doch ook hierbij hangt veel af van gewoonte, vele vrouwen

slapen juist geruster als zij kort van te voren iets nuttigen.

De beste drank is frisch, koud water. Geringe bijvoeging van wijn

alsook licht bier zal geen nadeel brengen, doch alle dranken, welke

veel alcohol bevatten, zooals dessert-wijnen, likeuren, zwaar bier,

zijn af te keuren. Zij werken zenuwprikkelend en slaapstorend.

Met kracht moet worden opgetreden tegen het aanprijzen van zoogenaamde

versterkende middelen, voornamelijk tegen het gebruik van groote

hoeveelheden melk. Wanneer het noodig is, zal de geneesheer ook hier

den weg wijzen. Vóór alles dient gezorgd, dat alle voedsel behoorlijk

gekauwd wordt, waartoe een goed gebit een hoofdvereischte is. Daarmede

wordt het voedsel niet alleen behoorlijk verkleind en met speeksel

vermengd, doch wordt het ook geschikter voor verwerking in de

spijsverteringsorganen, zoodat het lichaam er het grootst mogelijke nut

van trekt. Bovendien zal zij die daarop let—en dit geldt ook buiten de

zwangerschap—niet alleen minder last hebben van stoornissen, als

zuuroprispen, abnormale gisting en rotting in de ingewanden, met de

gevolgen daarvan, als opgezetten buik door gasophooping in de darmen,

hoofdpijnen en allerlei andere onaangenaamheden, maar inderdaad in vele

opzichten haar weerstandsvermogen tegen ziekten verhoogen. Behalve goed

kauwen van het voedsel, is eenzijdigheid in de voeding te vermijden.

Wie lust heeft gedurende den maaltijd te drinken, behoeft dat niet na

te laten, uit vrees daardoor de spijsvertering te storen. Ook hier

geldt het voorschrift van maathouden, en wie maat houdt stoort de

spijsvertering daardoor niet, kan haar integendeel bevorderen.

Het zij hier nog eens aangestipt, dat dit alles, in het algemeen, geldt

voor de gezonden. Wie ziek is, wende zich tot den geneesheer en volge

diens voorschrift, ook waar het betreft het gebruik van spijzen en

dranken.

In ieder geval hoede men zich voor het gebruik van sterk gekruide,

gepeperde en gezouten spijzen, ook voor die welke opblazen of

verstoppend werken. Het gebruik van zoogenaamde genotmiddelen beperke

men tot een minimum. Van belang is deze opmerking vooral voor het

dikwerf zoo geliefde kopje koffie, dat—als het werkelijk goed is—de

spijsvertering benadeelt en het optreden van hoofdpijnen, duizeligheid,

hartklopping, slapeloosheid kan bevorderen.

Zoo is ook het gebruik van zoetigheden af te keuren. De tegenwoordig

aangeprezen smakelijke chocolades en suikerwerken, in zoodanigen vorm

en verpakking, dat ze gemakkelijk en gaarne als geschenk gegeven en

aanvaard worden, hebben het groote nadeel, dat daarmede al te veel

zoetigheid in het lichaam gebracht wordt. Veel beter is het gebruik van

vruchten, waarmede men menig dokters-recept buiten de deur houdt.

Van groot gewicht is eene voldoende en regelmatige uitscheiding van

afgewerkte stoffen. In dat opzicht wordt het allermeest geleden aan

slechte ontlasting. Door dagelijks voldoende ontlasting worden velerlei

bezwaren verminderd of opgeheven.

In de allereerste plaats is de gewoonte, om steeds op een bepaald uur

van den dag daarvoor zorg te dragen, aan te bevelen; in de tweede

plaats het vermijden van een euvel, waaraan zoo goed als alle vrouwen

mank gaan. Dat is, dat zij zich daartoe niet den behoorlijken tijd

gunnen.

Tot de eenvoudige middelen om ontlasting te bevorderen, behooren,

behalve het nemen van beweging, het gebruiken van een glas frisch water

op de nuchtere maag, soms ook ’s avonds, ook van een glas suikerwater,

eenige vijgen op de nuchtere maag, vruchten, zoowel gestoofd als

versch, vooral druiven, karnemelkspap met stroop, het drinken van

koolzuurhoudende wateren met vruchten-limonade, karnemelk, enz. Bij

verstopping vermijde men rooden wijn en cacao. Moet men tot eenig

geneesmiddel overgaan, dan kan men afwisselend inwendige middelen en

lavementen te baat nemen. Van de inwendige middelen die welke zacht

werken, zooals magnesia, rhabarber, groene poeder, tamarinde, cascara

in tabletjes of vloeibaar (bitter), vijgenstroop, nu en dan een glas

bitterwater of wat wonderolie, doch niet te lang achtereen. Lavementen

van ½–1 liter lauwwarm of koud water, al of niet met bijvoeging van

1–1½ lepel wonderolie of glycerine, ook van zeepwater of van zoutwater

(9 gram zout op 1 liter water), somtijds ook enkel glycerine, met een

zoogenaamd glycerinespuitje in te brengen. Wanneer dergelijke,

meerendeels eenvoudige, middelen niet helpen, vrage men liever den

geneesheer om raad, dan gebruik te maken van allerlei in de dagbladen

aangeprezen middelen, waarvan het gebruik niet altijd zoo onschuldig is

als de aanprijzingen zouden doen denken. Men vergete bij dergelijke met

veel ophef aangeraden middelen nooit, dat zij ten doel hebben de beurs

van het publiek te ontlasten en die van den verkooper te vullen.

Bij vele vrouwen wisselt verstopping af met diarrhee. Wanneer deze

laatste van korten duur is, is het niet steeds noodig daartegen eenig

middel aan te wenden; toch doet men in ieder geval het verstandigst den

geneesheer te raadplegen.

Goede en gemakkelijke ontlasting is ook een van de beste middelen om

aambeien (haemorrhoïden) en scheurtjes in de aarsopening, welke beide

veel pijn kunnen veroorzaken, te voorkomen. Die scheurtjes zijn veelal

te wijten aan het dóórpersen van harde ontlasting en vereischen meestal

een bijzondere behandeling ter genezing.

In het einde der zwangerschap geeft ophooping van de ontlastingsstoffen

vaak weeënachtige pijnen, zoogenaamde valsche pijnen of valsche weeën.

Ook daartegen is dus goede ontlasting een voorbehoedmiddel. Daar uit al

het voorgaande reeds genoegzaam blijkt, van hoe groot belang geregelde

en voldoende stoelgang gedurende de zwangerschap is, meenen wij met het

genoemde te kunnen volstaan.

Wat de kleeding betreft houden wij ons eveneens aan enkele algemeene

opmerkingen, zonder partij te kiezen voor een of andere richting. Men

drage zorg dat voeten en onderlijf steeds warm gehouden worden,

pantalons gesloten zijn. Zwangere vrouwen zijn gevoeliger voor de

invloeden van het weder, voor koude, tocht en vochtigheid. Daarmede

moet bij de keuze der kleeding worden rekening gehouden, zonder dat van

verweekelijking sprake is. Veel hangt echter van gewoonte af. De

kleeding zij ruim, geenerlei druk mag daardoor op onderlijf of borsten

worden uitgeoefend. Het corset, mits voor de draagster vervaardigd,

behoeft niet te worden afgelegd, doch vermijde men elke snoering.

Naarmate de zwangerschap vordert is het dragen van een oud corset, dat

gemakkelijk medegeeft of een voor de zwangerschap vervaardigd corset

aan te bevelen voor haar, die toch een steun wil hebben, waaraan zij

gewoon geraakt is. Wie het corset aflegt, kan lijfjes of borstophouders

dragen. Het dragen van kousebanden is, om vroeger reeds genoemde

redenen, beslist af te keuren. Een buikband of buikgordel, welke

gemakkelijk rekt en toch goed draagt, kan vele ongemakken der

zwangerschap, zooals pijnen in den buik en in de lendenstreek,

urine-drang, moeilijk gaan in het einde der zwangerschap, vooral bij

zwangeren met sterk uitgezetten of hangbuik, doen verdwijnen of

verminderen, en kan reeds van de 5e of 6e maand af gedragen worden.

Niet alleen de houding van de vrouw wordt daardoor verbeterd, maar ook

de ligging van het kind in de baarmoeder, ten opzichte van het bekken,

ondervindt daarvan een gunstigen invloed.

De schoenen mogen niet nauw zijn, en niet voorzien van hooge hakken.

Gelukkig neemt tegenwoordig het verlangen der moeders, om zooveel en

zoolang mogelijk haar kind te zoogen, weder toe. Daarom wordt ook, nog

meer dan geruimen tijd het geval geweest is, meer de aandacht gevestigd

op de behandeling der borsten.

Vooreerst drage de zwangere vrouw zorg, dat de borsten op geenerlei

wijze gedrukt worden, tweedens zorge zij voor reinheid, waarbij alle

overmaat van wasschingen of afwrijvingen moet vermeden worden.

Gewoonlijk wordt aangeraden de tepels, om ze te harden, zooals ’t heet,

dagelijks te wasschen met brandewijn, rum, verdunden cognac, rooden

wijn, enz., enz., in ’t algemeen met een verdunden alcohol. Als het

noodig mocht zijn, behoeft men daarmede niet reeds in den aanvang der

zwangerschap te beginnen en kan men zich daarmede in de laatste maanden

bezighouden. Het komt mij voor, dat wasschen met frisch en zuiver water

evenveel, of evenweinig, het ontstaan van wondjes of kloven in de

tepels gedurende het zoogen voorkomen zal, als alle andere tot dat doel

aanbevolen middelen. Heeft men zulke middelen aangewend en komen er

geen wondjes of kloven in de tepels, dan heet de behandeling van nut te

zijn geweest, ontstaan zij wèl dan heet het dat de behandeling niet

goed of niet lang of niet flink genoeg is toegepast geworden, treden

zij zonder voorafgegane behandeling op, dan kan men het verwijt hooren,

dat de tepels niet behandeld waren zooals was aangeraden, komen ze in

dat geval niet, dan.... wordt er niet over gesproken. Wanneer er

korsten op de tepels aanwezig zijn, doet men goed die week te maken

door de tepels in te smeren met zuivere olijfolie, slaolie, vaseline of

eenig ander vet, en, na verweeking, den tepel af te wasschen met water

en zeep. Het dagelijksch wasschen van de geheele borst, met lauw warm

of koel water, heet voor hare ontwikkeling bevorderlijk te zijn.

De pogingen om zoogenaamde vlakke of holle tepels, door het dagelijksch

uittrekken of door het dragen van ringen en dergelijke werktuigjes, te

verbeteren, heeft nooit het gewenschte gevolg, omdat de oorzaak gelegen

is in slechte ontwikkeling van den tepel. Men kwelt daarmede zich zelf

en loopt gevaar van infectie.

Moeder en kind · 第 9 / 28 题