ANDERE ZWANGERSCHAPSVERSCHIJNSELEN, ONAANGENAAMHEDEN EN KWALEN.

Aan de beenen treedt vaak uitzetting der bloedvaten (aderen) op, welke

bij de eene vrouw van weinig beteekenis, bij anderen zeer belangrijk

zijn kan. De bloedvaten zijn over korten of langen afstand vrij

gelijkmatig uitgezet, in eigenaardig geslingerden loop, of wel zij

vertoonen, bij hoogen graad van uitzetting, knobbelige verhevenheden,

zakvormige uitpuilingen, van allerlei vorm en uitgebreidheid,

blauwachtig zwart van kleur. Dikwerf beperkt tot omschreven plaatsen,

op een of beide beenen, kunnen zij ook voorkomen aan de uitwendige

geslachtsdeelen, zelfs in de huid van den onderbuik, zeldzamer in de

lendenstreek of billen. Zij dragen den naam van aderspatten en treden

gewoonlijk niet voor de vijfde maand op. Gedurende het kraambed kunnen

zij geheel verdwijnen, ofschoon dat gewoonlijk niet het geval is en zij

in geringen graad blijven bestaan, om, met het getal der

zwangerschappen, in aantal en grootte toe te nemen. Dan worden zij

reeds vroeg in de zwangerschap duidelijk, zelfs zoo vroeg, dat sommige

vrouwen beweren aan het uitzetten van de aderen allereerst te bemerken,

dat zij weder zwanger zijn. Het verschijnsel kan vergezeld gaan van

zwelling der deelen, van jeuk, pijn en ontstekingachtige roodheid.

Wanneer pijn, die aan ontsteking doet denken, en roodheid mochten

optreden, houde de vrouw het bed en zende om den geneesheer. Men neme

zich in acht voor stooten dier plekken en voor krabben, hoe

verleidelijk dat bij hevigen jeuk ook zijn moge, omdat bij het opengaan

van zulk een bloedvat belangrijke bloeding optreden kan. Dit zal

gemakkelijk gebeuren bij zeer oppervlakkig gelegen, sterk uitpuilende

knobbels met dunnen wand. Mocht onverhoopt zoo iets geschieden, dan is

het noodzakelijk onverwijld den geneesheer te ontbieden. Onderwijl kan

men de bloeding beheerschen door een flinke dot zuivere verbandwatten,

eene reine hand- of zakdoek, stevig en voortdurend op de bloedende plek

te drukken. Wanneer alleen de huid daar ter plaatse gewond wordt,

vertoont de wond weinig neiging tot genezing. Doch zonder deze

verschrikkingen, welke betrekkelijk weinig voorkomen, kunnen de

aderspatten onaangename gevoelens genoeg geven en het gaan, door gevoel

van zwaarte en moeheid, bemoeilijken.

Daartegen helpt liggen, of zitten met de beenen in de hoogte, het

omwikkelen met een windsel, hetzij van katoen, tricot-weefsel of

elastiek, het dragen van elastieken kousen, zonder naad. De zwangere

vermijde langen tijd achtereen te staan. Men zorge voor beweging,

regelmatige, ruime ontlasting en vermijde het dragen van kousebanden om

het been. Gunstigen invloed kan het dragen van een goeden buikband

hebben. In vele gevallen zag ik belangrijke vermindering der gevoelens

van zwaarte en moeheid, en ten gevolge daarvan gemakkelijker worden der

bewegingen in het gaan, door het gebruik van groote hoeveelheden melk.

Minder onaangename gevoelens veroorzaakt zuchtige zwelling der beenen,

wanneer zij zich beperkt tot de voeten en de streek om de enkels. Bij

geringe ontwikkeling bemerkt de vrouw het bestaan daarvan gemakkelijk

door de indrukken van de figuren der kousen en, wanneer ook het

onderbeen mededoet, door een kringsgewijze verdikking daar waar de

schoen ophoudt. ’s Avonds het sterkst, verdwijnt de zwelling ’s nachts

bij horizontale ligging in bed.

Ook deze zwelling wordt sterk bevorderd door het dragen van

kousebanden, vooral elastieken.

Niet altijd blijft de zwelling beperkt tot het onderste gedeelte der

beenen. Zij kan zich uitstrekken over het geheele been, over de

uitwendige geslachtsdeelen en het onderste gedeelte van den buik, zelfs

worden waargenomen aan de handen en het gelaat. Is het in het algemeen

gewenscht den geneesheer van zulke zwellingen in kennis te stellen,

dringend noodzakelijk is het zijn raad in te winnen bij uitgebreide en

sterke zwellingen. Ook tegen de zwelling der beenen kan het noodig en

nuttig zijn een goeden buikband te dragen.

Oprispen, vergezeld van scherpen of bitteren smaak, soms van een zuur

vocht in den mond, zooals dat in meer dan de helft der gevallen

gewoonlijk in de laatste maanden der zwangerschap voorkomt, berust

dikwijls op ondoelmatige voeding, vooral door het gebruik van

meelspijzen. In de eerste maanden kan het zich evenwel ook voordoen.

Behalve oplettendheid in de keuze van voedsel, vermijding van

overmatige voeding en goede zorg voor ontlasting, kan men trachten,

door het gebruik van zuiveringszout of magnesia, met of zonder

citroensap, telkens een halve eierlepel, of van spuitwater, het lastige

euvel te bezweren.

Hiermede gepaard, doch ook zonder dat, bestaat vaak tegenzin tegen

bepaalde spijzen, allereerst tegen vleesch, minder tegen meelspijzen,

koffie en bier, nog minder tegen groenten, aardappelen en melk.

Daartegenover staat somtijds een vermeerderde lust tot het gebruik van

sommige spijzen, vooral met betrekking tot zure spijzen, zuur, haring

en ooft, minder vaak tot zoet, vaak tot alcoholische dranken en zelfs

tot stoffen die geen voedingsmiddelen zijn, zooals: krijt, kalk, zout,

enz., enz. Opmerkelijk is het ook, dat soms lievelingsspijzen worden

afgeweerd, terwijl juist die spijzen en dranken worden begeerd, waarvan

de vrouw in gewone omstandigheden een afkeer heeft. De zoogenaamde

lusten der zwangere vrouwen behoeft men niet, op grond van allerlei

verhalen, tegen te gaan, tenzij zij zich uitstrekken tot stoffen die

geen voedingsmiddelen zijn of tenzij de behoorlijke maat overschreden

wordt.

In enkele gevallen komt het tot versterkte speekselafscheiding. Dat

verschijnsel begint dan, afgezien van het in enkele gevallen optreden

gedurende de eerste weken, in de derde of vierde maand, is zeer lastig

en verschillend lang van duur. Meestal eindigt het met het voelen der

eerste bewegingen van het kind, zelden duurt het tot het einde der

zwangerschap.

In onze streken minder veelvuldig voorkomend is de zoogenaamde

zwangerschapskrop, bestaande in eene belangrijke vergrooting van eene

klier, aan de voorzijde van den hals gelegen. Toch kunnen ook onze

vrouwen wel eens eene zwelling aldaar waarnemen, meestal van de zesde

maand af, in de eerste zwangerschap dikwijls later. Van groot belang is

deze zwelling, althans hier te lande, waar de krop niet als inheemsch

te beschouwen is, niet. Zij verdwijnt gedurende het kraambed, waarbij

het al of niet zoogen geen invloed uitoefent.

Een veelvuldig voorkomend verschijnsel, nu eens vroeg dan weder later

optredende, is herhaalde drang tot urineeren, bij weinig gevulde blaas.

Meestal is die drang overdag sterker dan ’s nachts. Somtijds is het

moeilijk, zelfs onmogelijk, de urine op te houden, zoodat die

onwillekeurig afloopt. Dat komt vooral voor bij herhaalde zwangerschap,

in de latere maanden der zwangerschap en in het koude jaargetijde, het

meest bij hoesten, lachen, bukken, het op- en afgaan van trappen en bij

sterke bewegingen. Men trachte daaraan te gemoet te komen door minder

drinken, vooral van koffie, thee en bier en door het gebruik van tot

urineeren aanzettende spijzen, zooals asperges, peterselie en

prikkelende stoffen in ’t algemeen, te vermijden. Een goed zittend

buikverband kan ook hierbij, vooral in de latere maanden der

zwangerschap, verlichting aanbrengen.

Herhaalde drang tot urineeren vindt ook zijn oorzaak in de

omstandigheid dat de hoeveelheid urine, door zwangeren te loozen,

grooter is dan bij niet zwangeren, hetgeen zich tegen het midden der

zwangerschap pleegt voor te doen. Na de baring neemt dan de hoeveelheid

weder af.

Over het braken, als een onzeker teeken van ingetreden zwangerschap,

spraken wij reeds met een enkel woord. Somtijds kan het zeer belangrijk

worden, zelfs zoodanig, dat de vrouwen niets meer kunnen binnenhouden

van hetgeen zij genuttigd hebben en reeds braken bij de minste

bewegingen die zij maken. Dit overmatig braken is een ernstig

verschijnsel, de voeding lijdt er sterk onder, de krachten der vrouw

raken, somtijds zeer spoedig, uitgeput. Vooral vrouwen die aan een of

anderen vorm van zoogenaamde bloedarmoede lijden hebben er neiging toe.

Dat zijn zij, die ook bij de menstruatie lijden aan duizelingen,

onmachten, misselijkheid, slechte spijsvertering, maagkrampen en braken

bij volle of ledige maag. Maagziekten kunnen de oorzaak zijn, doch ook

ondoelmatige levenswijze en voeding, darmstoornissen, verkeerde ligging

van de baarmoeder, losse nier en overprikkelde geestestoestand.

Gewoonlijk begint het in de derde maand, zelden eerst in de laatste

vier maanden.

In den beginne slechts na den maaltijd, terwijl in den tusschentijd

misselijkheid, speekselvloed of droogte in den mond met kwellenden

dorst, duizeligheid en maagpijnen bestaan, met tegenzin in voedsel,

prikkelbaarheid of lusteloosheid en neerslachtigheid, neemt het

zoodanig toe, dat ook zonder voedselopname het braken optreedt,

vergezeld van andere verschijnselen, welke de vrouw inderdaad ziek doen

zijn. Met het oog hierop is het dus aan te raden, wanneer de gewone

misselijkheid en het looze braken sterker worden, den geneesheer te

raadplegen. Tegen de gewone misselijkheid en het braken in den vroegen

morgen is het dikwijls voldoende, dat de vrouw, vóór zij opstaat, een

gemakkelijk verteerbaar ontbijt gebruikt, en, wanneer het ook overdag

mocht plaats vinden, zich minder aan de gewone maaltijden houdt, doch

met korte tusschenpoozen geringe hoeveelheden van smakelijke en

gemakkelijk verteerbare spijzen tot zich neemt. Somtijds is het noodig

daarna eenigen tijd te rusten. Steeds trachte zij zich zooveel mogelijk

tegen dit onaangename en hinderlijke verschijnsel te verzetten, waarbij

afleiding, buitenshuis of door huiselijken arbeid, van grooten invloed

zijn kan. Zij bedenke, dat het gewoonlijk niet langer dan de eerste

drie maanden aanhoudt. Beweging in de frissche lucht, vermijding van

alle spijzen welke oprispen of tegenzin verwekken, geregelde ontlasting

en het drinken van koud, ook koolzuurhoudend, water is van gunstigen

invloed.

Meer dan een vierde deel der zwangere vrouwen lijdt aan verstopping

(constipatie), waarvan hoofdpijnen en congesties, doch ook

haemorrhoïden en, bij harde ontlasting, scheurtjes in het slijmvlies

aan de opening, waardoor de ontlasting te voorschijn komt, het gevolg

zijn. Zelden bestaat diarrhee, welke dan meestal met verstopping

afwisselt. Voor een deel hiermede samenhangend is opzetting van den

buik, door sterke gasophooping in de darmen, hetgeen aanleiding tot

benauwdheid en krampen in de beenen geven kan. Benauwdheid en

bemoeilijkte ademhaling worden veelal waargenomen bij eerstzwangeren.

Hoofdpijnen worden, vooral in den laatsten tijd der zwangerschap, ook

door andere oorzaken teweeg gebracht. Wanneer zij gepaard gaan met

zwelling der beenen, maar vooral met zwelling der handen en van het

gelaat, somtijds ook met stoornissen in het zien, is het noodzakelijk

den geneesheer daarvan mededeeling te doen. De opmerkzame vrouw zal

tevens kunnen waarnemen, dat dan dikwijls de hoeveelheid urine welke

zij loost geringer is dan vroeger en die urine, donkerder van kleur,

vaak een branderig gevoel bij het loozen opwekt. Die „branderigheid”

wordt vooral duidelijk wanneer er sterke afscheiding uit de

geslachtsdeelen, zoogenaamde witte vloed, bestaat. Niet zelden is die

afscheiding zoo sterk, dat het ondergoed onophoudelijk vochtig of nat

is en zoowel de dijen, als de plooien tusschen de schaamlippen en

tusschen deze en de dijen, open zijn, waardoor het gaan pijnlijk is.

Behalve de vroeger genoemde verkleuringen van sommige gedeelten der

huid, worden nog andere verschijnselen op de huid waargenomen. Vooral

bij haar die in de eerste maanden veel braken, treedt vaak een uitslag

op, gelijkende op die welke ontstaat bij het aanraken van brandnetels.

Zij wordt dan ook netelroos genoemd en kenmerkt zich door het optreden

van kleine en groote, min of meer platte, verhevenheden, lichter van

kleur dan de omgevende huid, die sterk jeuken en lang bestaan blijven

of, wanneer zij verdwijnen, spoedig weder keeren. Behalve regeling van

de ontlasting brengt bepoedering, vooral na afwassching met azijnwater,

verlichting.

Niet zelden vertoonen zich, vooral op borst en rug, schouders en

onderste deelen van den hals, in de okselholte en in de buigvlakte der

gewrichten, licht- tot donkerbruin getinte vlekken, in vorm en

uitgebreidheid zeer verschillend, waarop bij nauwkeurige beschouwing

schilfertjes zijn waar te nemen. Verwijdert men die door krabben, dan

komt de onveranderde huid te voorschijn. Van belang zijn zij niet. Het

eenige verschijnsel is jeuk. Daar zij vooral te voorschijn komen op

plaatsen, welke weinig gewasschen worden, is de behandeling als van

zelf aangewezen. Zij bestaat in het betrachten van reinheid. Wanneer

men ze ’s avonds met wat groene zeep insmeert en ’s morgens met

lauwwarm zeepwater afwrijft, verdwijnen zij spoedig. Overigens veel

baden en verschoonen.

In het algemeen kan men zeggen, dat de zwangerschap eene zekere

voorbeschiktheid geeft tot huidziekten, zooals ook de menstruatie dat

doet, en dat de zwangerschap een ongunstigen invloed heeft op

chronische huidziekten.

Aan de uitwendige geslachtsdeelen, vooral op de vochtige plaatsen

tusschen de groote en kleine schaamlippen, tusschen deze laatsten en

den ingang der scheede, maar ook op de schaamlippen en aan den bilnaad,

komt het vaak tot het optreden van uitwasjes, als waren ’t wratjes,

alleenstaande of tot groepjes en groepen vereenigd, ook zonder dat er

gesproken kan worden van onreinheid of van witten vloed. Behandeling is

gewoonlijk niet noodig, tenzij de uitwasjes heel groot of zeer pijnlijk

mochten worden. Na afloop van het kraambed verdwijnen zij.

Wij spraken reeds een paar malen van witten vloed. Dat is niet te

vermijden, omdat bijna iedere vrouw kan opmerken, hoe, gedurende de

zwangerschap, bestaande afscheiding sterker wordt, of bemerkbaar wordt

bij haar, die tot nu toe daarvan niets of nagenoeg niets bespeurde. Het

is dus tot op zekere hoogte een gewoon verschijnsel. Is die afscheiding

al te sterk, dan moet daartegen iets gedaan worden. Ook hierbij is

reinheid een eerste vereischte. Die bestaat in vaak afwasschen der

geslachtsdeelen met warm water en zeep, nooit met een spons, doch het

best met zuivere verbandwatten of met een zuiveren zachten doek, welke

dan evenwel niet weder gebruikt mag worden dan nadat hij zorgvuldig

gereinigd is. Het gebruik van watten is te verkiezen, omdat die worden

weggeworpen. Ook de open vlakten aan de dijen en in de omgeving der

geslachtsdeelen moeten op dezelfde wijze gereinigd, goed afgedroogd en

daarna gepoederd of wel met eene zalf, b.v. zinkzalf, bedekt worden.

Een uitstekend poeder bleek mij alsol-strooipoeder te zijn.

Daarmede kan men bij minder sterke afscheiding volstaan. Is de

afscheiding overvloedig, daarbij etterig of bijtend, dan kunnen

voorzichtig scheedeuitspoelingen gedaan worden, het best met zuiver

lauwwarm water (het water moet men laten koken en daarna laten

afkoelen), waarin een paar theelepeltjes soda, een eetlepel zout, een

eetlepel boorzuur of aluin (alles per liter vocht) opgelost worden. Men

make voor de uitspoeling gebruik van een glazen irrigator, met lange

slang en glazen aanzetstuk (canule), met meer dan één opening, en

spoele uit in liggende houding, n.l. liggende op een zoogenaamd

ondersteek (slofmodel), waarin het spoelvocht wordt opgevangen. Om

verontreiniging van het bed te voorkomen, bedekke men het met een stuk

guttapercha-zeil, waarop een stuk molton, een handdoek of iets

dergelijks. Daarbij komt dan het ondersteek te staan. De irrigator moet

steeds zuiver worden gehouden, de canule, na gebruik, van de slang

genomen, met zeep afgewasschen, met zuiver water doorgespoeld en daarna

bewaard worden in eene antiseptische (desinfecteerende of

bederf-werende) vloeistof, b.v. in een glas met lysoform (1 %), lysol

(1 %) of iets dergelijks. Bij het gebruik worde de irrigator

opgehangen, niet hooger dan één meter, en de canule niet in de scheede

gebracht voor men wat van de vloeistof door slang en canule heeft laten

loopen, opdat die geheel met vocht gevuld zijn en dus geen lucht

bevatten. De canule behoeft niet ver te worden ingebracht, ongeveer ter

lengte van een vinger. Zij wordt weder uit de scheede getrokken voordat

de irrigator geheel is leeggeloopen. Het verdient echter aanbeveling

den geneesheer te raadplegen en dringend noodig is dat bij hardnekkige

gevallen.

Het zenuwstelsel der zwangere vrouw is betrekkelijk gemakkelijk uit

evenwicht te brengen, is prikkelbaarder dan buiten zwangerschap. Ten

deele berusten daarop enkele reeds genoemde verschijnselen, zooals b.v.

het braken in den aanvang, duizeligheid, wegraken of flauwten. De

gemoedsstemming is vaak veranderd, waaraan bij herhaalde zwangerschap

zorg wegens toenemende familie, bij eerstzwangeren vooral angst voor de

bevalling, voor afwijkingen en allerlei gebeurlijkheden, schuld zijn

kan, niet zelden als gevolg van verhalen, waarmede onverstandige

familieleden en kennissen meestal blijk meenen te moeten geven van

bezorgdheid, hetgeen gewoonlijk op niets anders berust, dan op een

pogen om met eigen, gewaande, kennis te geuren. Die bezorgdheid is in

de meeste gevallen eene kwelling, vooral voor de jonge vrouw die voor

het eerst moeder zal worden. Zij is maar al te geneigd het oor te

leenen aan allerlei raadgevingen en beschouwingen, meestal

voortgesproten uit verhalen van oudere vrouwen, die geacht worden het

toch wel te zullen weten, doch die gewoonlijk hare zoogenaamde kennis

ook alweer van hooren zeggen hebben. Wanneer telkens nu de een, dan de

ander met dergelijke verhalen of raadgevingen voor den dag komt, blijft

er allicht iets van hangen. Het zijn voor een niet gering gedeelte

zulke mededeelingen, welke ons noopten een hoofdstuk hierbij te voegen,

waarin sprake is van bijgeloof, gewoonten als anderszins, bij

zwangerschap, baring en kraambed. Daarvoor verwijzen wij naar dat

gedeelte.

Het is, dit bedenkende, dan ook niet zonder reden, dat de veranderde

gemoedsstemming bij zwangeren, in een overgroot gedeelte, zich uit in

toestanden van neerslachtigheid bij anders rustige of vroolijke

vrouwen, welke stemming begunstigd wordt door de onaangename gevoelens

en gewaarwordingen, welke de zwangerschap zoo nu en dan vergezellen,

doch die meestal verbeteren nadat de eerste bewegingen van het kind

gevoeld worden. Dan wordt gewoonlijk de stemming kalmer, daar de jonge

vrouw het zich ontwikkelende wezen van nu af als het hare beschouwt en

zij zich gemeenzaam maakt met de gedachte, hoe heerlijk het zijn zal,

wanneer zij haar kind in de armen sluiten kan.

Tot die onaangename gevoelens welke, ten minste voor een deel, op

prikkelbaarheid van het zenuwstelsel berusten, behooren pijnen, vooral

aangezichtspijnen, waarvoor onverstandige vrouwen zich wel eens gezonde

tanden laten trekken; ook hartkloppingen, slapeloosheid en jeuk over

het geheele lichaam, meestal zonder dat er op de huid eenige

verandering is waar te nemen. Moeheidsgevoel, duizeligheid en onmacht

(flauwten) komen veelvuldig bij zwakke vrouwen, in den laatsten tijd

der zwangerschap, voor en worden dikwijls veroorzaakt door het verblijf

in slechte lucht en onbeweeglijk zitten in lokalen, waar vele menschen

bijeen zijn, zooals in kerken en schouwburgen, doch ook door langdurig

zitten aan tafel, bij diners, enz. Wanneer zij duizeligheid of flauwte

voelen aankomen, is het verstandig horizontaal te gaan liggen, het

hoofd lager dan het overige lichaam. De natuur zelve wijst dat aan,

zooals blijkt uit het woord „flauwvallen”. Welnu, het is zeker

verstandiger te gaan liggen voordat men flauw zal „vallen”, waarbij men

toch ook komt te liggen, doch op onaangenamer wijze. Tegen

hartkloppingen kan het drinken van koud water, het leggen van koude

compressen op de hartstreek helpen. De algemeene jeuk kan men trachten

te bestrijden door dagelijksche afwasschingen met zeep in een warm bad

of door warme baden met wat azijn, ook door koele afwasschingen, in het

algemeen dus door reinheid. Daarbij zorge men voor goede ontlasting,

dieet, kleede men zich niet te warm en dekke men zich in bed niet te

warm.

In de laatste maanden treden in vele gevallen kuitkrampen op, meestal

dubbelzijdig, in enkele gevallen of rechts of links, alsmede een

eigenaardig gevoel, dat men mierenkruipen noemt, vooral in de beenen.

Van belang acht ik het, hier te waarschuwen tegen de meening, dat het

zenuwstelsel, en vooral de werkzaamheid der hersenen, van zoo grooten

invloed op de gebeurtenissen in de zwangerschap zou zijn als veelal

wordt aangenomen.

Terloops spraken wij van het laten trekken van gezonde tanden, wegens

aangezichtspijnen. Dat neemt niet weg, dat pijnen, uitgaande van de

tanden, evengoed kunnen voorkomen als bij niet-zwangeren. Meestal heeft

men te doen met een verschijnsel van carieuse tanden (zgn. wolf), welke

door de zwangerschap regelmatig verergerd wordt. Het zal dus noodig

zijn, waar tandpijn bestaat, het gebit te laten nazien. De tanden

moeten zorgvuldig verpleegd worden, tandsteen door den tandarts

verwijderd, aangestoken tanden of kiezen (wolf of caries) behandeld,

gevuld, zoonoodig getrokken worden. De vrees welke daarvoor gewoonlijk

bestaat is overbodig en eene dergelijke behandeling zou alleen dan

achterwege moeten blijven, wanneer te groote prikkelbaarheid bestaat.

Bestaat deze niet, dan kunnen die kunstbewerkingen, zonder nadeeligen

invloed, gerust verricht worden.

Somtijds is de pijn niet afhankelijk van slechte tanden of kiezen, doch

van eene aandoening van het tandvleesch, welke, gewoonlijk eerst in de

vierde maand ontstaande, in verschillend sterken graad de geheele

zwangerschap door kan blijven bestaan. Zij begint met roodheid, zoo,

dat vlak tegen den tand aan een rood gekleurd half maantje te zien is;

later komt daarbij zwelling, het sterkst bij de snijtanden, welke

zwelling zich tusschen de tanden uitbreidt, waardoor die losraken. Het

tandvleesch bloedt gemakkelijk bij reiniging, kauwen en aanraking, doch

ook wel zonder dergelijke oorzaak. Soms worden licht gekleurde plekken,

iets boven het tandvleesch uitstekende en door een rooden hof omgeven,

waargenomen, meestal op de binnenvlakte van de lippen, de wangen en de

tong.

In de meeste gevallen is de aandoening niet belangrijk, vooral niet bij

vrouwen die den mond reinhouden. Mondreiniging door het borstelen der

tanden met een zachten borstel, spoelen van den mond met een licht

samentrekkend of ontsmettend mondwater en het doen genezen van zieke

tanden is dus een voorbehoedmiddel.

Vooral in de laatste maanden klagen zwangere vrouwen vaak over pijn in

de streek der ribbogen, welke meestal veroorzaakt wordt door sterke

rekking der spieren van den buik, door uitzetting van den buik of door

hangbuik. Daartegen vermag een goede buikband, welke steun geeft en den

buik draagt, heel veel. Ook ondervinden zij pijnen in de beenen, rug,

lendenen en stuit, waardoor het gaan bemoeilijkt wordt. Daar dit alles

samenhangt met den toestand is behandeling niet mogelijk, en trooste

men zich met de gedachte, dat vaak met het zakken van den buik

dergelijke pijnen minder worden, of dat weldra de tijd nadert, dat, met

de geboorte van het kind, ook deze onaangenaamheden een einde nemen.

Het lichaamsgewicht neemt gedurende de laatste drie maanden toe.

Wanneer dat niet het geval is of zelfs het gewicht afneemt, bestaan

stoornissen, welke trouwens gewoonlijk al eerder aanleiding gegeven

hebben tot het raadplegen van den geneesheer.

Aan het einde van dit gedeelte verzoeken wij haar, die dit alles

gelezen hebben, toch vooral te bedenken, dat wat geschreven staat een

reeks van verschijnselen en onaangenaamheden vormt, welke niet altijd,

niet steeds tegelijkertijd, niet steeds in den hoogsten graad aanwezig

zijn en dat de vrouw, die ook gedurende de zwangerschap op hare

gezondheid let, zonder angst en vrees, doch in blijde stemming, met het

moedergeluk voor oogen, aan eigen lijf geen kennis zal maken met veel

wat, ter wille der volledigheid, werd aangestipt.

Moeder en kind · 第 8 / 28 题