Met spanning wordt de geboorte van het kind tegemoet gezien en
uitgerekend, wanneer die heuglijke gebeurtenis plaats zal vinden. De
berekening gaat gewoonlijk uit van een tijdstip, dat bekend kan zijn.
Dat tijdstip is de begindag van de laatste menstruatie. Wanneer bij
dien datum zeven dagen worden opgeteld en van den aldus verkregen datum
drie maanden worden teruggeteld, verkrijgt men den vermoedelijken datum
der geboorte. Gesteld dat de begindag van de laatste menstruatie 3
October was, dan verkrijgt men door optelling 10 October en door
terugtelling 10 Juli. De bevalling kan dus omstreeks den 10en Juli,
volgende op dien Octobermaand, tegemoet gezien worden.
De duur der zwangerschap bedraagt vrijwel 280 dagen, dat is 10 maal 4
weken, dus 40 weken. De verloskundigen spreken dan ook van een
zwangerschapsduur van 10 maanden, waarbij elke maand op 4 weken
gerekend wordt. In het gewone spraakgebruik stelt men dien duur op 9
kalendermaanden, hetgeen ongeveer op hetzelfde neer komt. Afwijkingen
van den duur der zwangerschap zijn evenwel, zonder dat men aan iets
buitengewoons te denken heeft, niet zeldzaam. Lichamelijke gesteldheid
en bouw schijnen daarop invloed te hebben. Zoo wordt tenminste beweerd,
dat de duur bij krachtige vrouwen 278,6 dagen zou bedragen tegenover
276,8 bij zwakkere, alsook dat veel rust gedurende de zwangerschap den
duur zou verlengen. Hierdoor zou misschien verklaard kunnen worden, dat
de duur bij gehuwde vrouwen berekend wordt op 282,4 dagen en bij
ongehuwden op 278,2 dagen. Daarop zullen wij niet verder ingaan, doch
alleen vermelden, dat vergissingen, tot 3 weken toe, nauwelijks te
vermijden zijn. De berekening zou eenige meerdere zekerheid verkrijgen,
wanneer men weten kon, wanneer de bevruchting tot stand komt, doch uit
het vroeger gemelde omtrent de bevruchting blijkt duidelijk, dat zelfs
wanneer slechts eenmaal geslachtelijke gemeenschap heeft plaats
gevonden, de berekening geen zuivere wezen kan. Inderdaad zijn
dergelijke berekeningen, gegrond op den datum waarop eenmaal
gemeenschap had plaats gehad, gemaakt geworden en kwam men op een duur
van 268,2–269,9 dagen. Intusschen kan men uit al dergelijke
berekeningen geen ander dan een gemiddeld cijfer trekken, dat voor elke
vrouw afzonderlijk niet de minste beteekenis heeft. Wanneer wij dan nog
vermelden, dat men als kortsten duur der zwangerschap vermeld vindt 236
dagen en als langsten duur 334 dagen, dan meenen wij goed te doen, met
vast te houden aan de in den aanvang vermelde wijze van berekening.
Het blijkt dus van belang, dat iedere vrouw aanteekening houde van den
begindag der menstruaties. De meeste kans op eene goede berekening zal
zij hebben, wier menstruaties steeds met geregelde tusschenpoozen op
elkander volgen. Is reeds daarom het houden van aanteekening van
gewicht, nog meer is dat het geval, wanneer wij weten, dat—in het
algemeen genomen—onregelmatigheid der tusschenpoozen, alsook in den
duur der bloedige uitscheiding en in de hoeveelheid daarvan, eene
afwijking beteekent, welke niet altijd van de geslachtsorganen behoeft
uit te gaan, en waartoe het wenschelijk is, dat de vrouw zich tot den
geneesheer wendt.
Wanneer wij nu overgaan tot bespreking van verschijnselen, welke zich
gedurende de zwangerschap veelal voordoen of kunnen voordoen, bedenke
de aanstaande moeder, dat zij in de vermelding daarvan geen redenen tot
bezorgdheid of angst mag vinden. De meeste toch, vooral die welke
betrekking hebben op veranderingen in den vorm van het lichaam en op
verrichtingen van sommige organen, zijn natuurlijk, terwijl andere,
hoewel onaangenaam, meestal van korten duur en betrekkelijk zoo gering
zijn, dat zij met eenige wilskracht en met de verwachting op een
gelukkig einde wel te dragen zijn. En zelfs wanneer zij een zekere
grens overschrijden, bedenke men, dat de geneesheer gereed is de
klachten aan te hooren en de onaangenaamheden zooveel mogelijk weg te
nemen of te verminderen. Liever dan in een onvruchtbaar nadenken of
tobben daarover te verzinken, liever dan raad in te winnen bij
familieleden of vriendinnen, die, van hoe goede bedoeling ook,
uiteraard niet bekend zijn met wat daaraan ten grondslag ligt, wende
men zich dus tot den geneesheer, die, door studie en ervaring, gerekend
mag worden de aangewezen raadsman te zijn.
Het uitblijven der menstruatie bij eene vrouw op geslachtsrijpen
leeftijd kan dus beschouwd worden als een teeken, dat een eitje
bevrucht geworden, dat zwangerschap ingetreden is. Mocht zij
desniettemin twijfelen, dan raadplege zij den geneesheer. Twijfel kan
ontstaan wanneer de menstruatie is uitgebleven en na eenigen tijd weder
bloed te voorschijn komt. Gebeurt dit omstreeks den tijd dat de
menstruatie, indien geen zwangerschap bestond, had moeten komen, dan
wordt veelal die bloeding als eene menstruatie gedurende de
zwangerschap opgevat en niet altijd ten onrechte. Het komt inderdaad
voor, dat na ingetreden zwangerschap nog één of een paar malen, door
regelmatige tusschenpoozen gescheiden, bloeding optreedt, doch dan zal
eene opmerkzame vrouw kunnen bespeuren, dat de duur der bloeding
meestal korter, de hoeveelheid bloed geringer is, kleur en
samenstelling afwijken van het tijdens eene gewone menstruatie
afgescheidene. Men doet dan, met het oog op de berekening voor de
bevalling, het best die bloeding, welke geheel den aard en het karakter
van de gewone menstruatie droeg, te beschouwen als de laatste
menstruatie.
Het kan echter ook voorkomen, dat, nadat de menstruatie éénmaal is
uitgebleven, eene bloeding optreedt, welke zich niet houdt aan de
gewone tusschenpooze, doch binnen dien tijd te voorschijn komt. Dat
wordt dan gewoonlijk opgevat als de menstruatie, welke te laat komt.
Dit kan het geval zijn, doch evenzeer kan die bloeding, bij de vrouw
die werkelijk zwanger is, op eene afwijking wijzen en is het in
dergelijke gevallen een dringende eisch, den geneesheer te raadplegen.
Twijfel kan ook ontstaan wanneer de vrouw haar kind zoogt en zij
zoogenaamd blind zwanger of blind opgezet wordt. Ook dan wende zij zich
tot den geneesheer.
Gewoonlijk paren zich aan het verschijnsel van uitblijven der
menstruatie andere, welke de waarschijnlijkheid der zwangerschap doen
toenemen. Die verschijnselen, uitingen van wijzigingen in het
levens-proces, gaan uit van de veranderingen welke in de baarmoeder
plaats grijpen, tengevolge van de daarin zich ontwikkelende vrucht en
oefenen in mindere of meerdere mate invloed uit op den algemeenen
toestand der vrouw en op sommige verrichtingen. In den aanvang gering,
worden zij sterker, verdwijnen somtijds of wel treden andere op,
naarmate de zwangerschap voortschrijdt. Die verschijnselen noemt men,
voorzooverre zij in het begin der zwangerschap optreden en gebruikt
worden om de waarschijnlijkheid van het bestaan daarvan te
ondersteunen, onzekere zwangerschapsteekenen. Zij hebben veel geringere
waarde dan het uitblijven der menstruatie, ofschoon er vele vrouwen
zijn, die, uit ervaring gedurende vroegere zwangerschap opgedaan,
daaraan terecht waarde hechten. Daartoe kan men rekenen gevoelens van
moeheid, slaperigheid, onbehaaglijkheid, duizeligheid, wegraken,
veranderde gemoedsstemming, veranderenden eetlust, verandering in de
spijsvertering, herhaalden drang tot urineloozing, onwillekeurig
afloopen van urine, verstopping of diarrhee, het ontstaan van aambeien
(haemorrhoïden), opgezet zijn van den buik, benauwdheid, slapeloosheid,
hartkloppingen, snelle wisseling van gelaatskleur, sterke afscheiding
uit de geslachtsdeelen (zoogenaamde witte vloed), braken, hoofdpijn,
tandpijn, zwelling van de halsstreek, sterkere speekselafscheiding, het
zwellen van oppervlakkig gelegen bloedvaten (aderen) aan en zuchtige
zwelling van de beenen, enz. Deze verschijnselen treden niet altijd op,
noch komen zij tegelijkertijd of in denzelfden tijd der zwangerschap
voor, doch steeds geven zij min of meer onaangename gevoelens en
gewaarwordingen. Voor een deel worden die verschijnselen in een
afzonderlijk gedeelte van dit boek besproken.
Tot de meest opvallende verschijnselen, reeds vroeg in de zwangerschap,
behoort het braken. Meestal geschiedt dat in den ochtend, op de
nuchtere maag, waarbij niets of slechts eene waterachtige vloeistof te
voorschijn komt. Dit is het zoogenaamde looze braken. Vaak houdt het op
als de vrouw iets nuttigt, doch niet altijd. Ook na het ontbijt en
gedurende het overige gedeelte van den dag, onregelmatig, of regelmatig
soms na elken maaltijd, kan het optreden, doch gewoonlijk wordt kort
daarna weder met smaak gegeten, zoodat de voeding er niet onder lijdt.
De tong is daarbij niet beslagen.
Het komt vooral in de eerste zwangerschap voor, minder dikwijls in
volgende zwangerschappen en eindigt meestal als de eerste drie maanden
voorbij zijn.
Vrij spoedig beginnen de borsten te zwellen, niet opeens doch
langzamerhand, hetgeen gepaard gaat met zekere gevoeligheid, met een
gevoel van spanning, prikkelen, steken en trekken in de borsten.
Naarmate de zwangerschap vordert nemen grootte en zwaarte der borsten
toe. Daarbij komen belangrijke verschillen voor, afhankelijk van de
hoeveelheid vet, welke de borstklier, waarin het zog gevormd wordt,
omgeeft.
De meisjesborst, halfkogelvormig, vast en gespannen, verandert vooral
in de tweede helft der zwangerschap in die mate, dat zij meer en meer
gevuld wordt en eenigszins hangend worden kan, waarbij zij vrijwel den
oorspronkelijken vorm, met naar voren gerichten tepel, behoudt. Dat zal
dus over het algemeen het geval zijn in de eerste zwangerschap. Bij
vrouwen die reeds gebaard hebben, is de borst hangend, met lager en
meer zijdelings naar buiten gelegen tepel, terwijl zij aan de plaats
van aanhechting week en los aanvoelt. Soms zijn er knobbelachtige,
eenigszins hardere deelen in te voelen. Dat zijn de afzonderlijke
kwabjes, waaruit de klier bestaat en waarin het zog gevormd wordt. Bij
andere vrouwen weder is de borst over het geheel vaster op aanvoelen.
Ligt men zulk eene hangende borst op, dan bespeurt men daaronder vaak
een plooi van de huid, alsook een roode of open streep of vlakte, als
gevolg van druk of wrijving der huid.
De huid van de borst is teeder en dun, zoodat, vooral in de tweede
helft der zwangerschap, uitgezette bloedvaten (aderen) als blauwachtig
gekleurde strepen daardoorheen schemeren.
De gekleurde hof om den tepel wordt donkerder van kleur, bij blondines
van roserood tot geelachtig bruin, bij brunettes donkerbruin tot bij
het zwarte af. In dien hof, tepelhof genoemd, worden, langs den
buitenrand kringsgewijs geplaatste, kleine verhevenheden duidelijker
zicht- en voelbaar, welke somtijds eenig vocht afzonderen. De huid van
den tepelhof verkrijgt vele plooitjes.
In het begin van de zwangerschap is dikwijls, soms van de tweede week
af, door voorzichtig drukken van de met volle hand gevatte borst, uit
den tepel eenig waterhelder vocht te voorschijn te brengen, dat in
lateren tijd troebel is, met geelachtig gekleurde strepen er in. Voor
haar die dit in den beginne als een teeken van zwangerschap meenen te
mogen opvatten verdient opgemerkt te worden, dat het alleen van waarde
mag geacht worden bij vrouwen, die nog niet zwanger waren. Datzelfde
geldt trouwens ook voor de verkleuring van den tepelhof en het grooter
worden van de kleine verhevenheden daarin, terwijl omgekeerd die
verschijnselen langen tijd kunnen ontbreken bij ingetreden
zwangerschap, vooral bij slecht gevoede vrouwen met kleine slappe
borsten. Het gebeurt ook wel, dat tegen het einde der zwangerschap van
zelf wat zog uit de borsten loopt. Dat dit kans zou opleveren voor
later, in het kraambed, optreden van ontsteking (zweer) in de borst, is
volkomen onjuist en mag dus geen reden tot ongerustheid zijn. Ook is
daaruit niets met zekerheid af te leiden omtrent de al of niet
mogelijkheid om het kind te zoogen.
De huid van het geheele lichaam neemt veelal eene vaal gele kleur aan,
een tint van onreinheid; zomersproeten en moedervlekken worden
donkerder. Bovendien verschijnen geelachtig of bruinachtig gekleurde
vlekken in het gelaat, vooral op het voorhoofd, de oogleden, den rug
van den neus, op bovenlip en kin, te zamen het zoogenaamde
zwangerschapsmasker vormende; verder op borst en armen. Ook hierbij
komen individueele verschillen voor, zoodat het verschijnsel bij
vrouwen met lichte huidtint en lichte haarkleur, als ook bij haar die
de huid goed verplegen, zoomede in den winter, veel minder duidelijk
is. Meestal verdwijnt die verkleuring in het kraambed spoedig, om
evenwel dikwijls in eene volgende zwangerschap opnieuw te verschijnen.
Eene zelfde verkleuring wordt waargenomen langs eene lijn, welke van
den behaarden Venusheuvel naar den navel loopt. Buiten zwangerschap
bestaat die verkleuring ook wel bij brunettes, doch dan neemt zij in de
zwangerschap sterk toe. Daarom is het voor de zwangerschap kenmerkend,
dat ook de navel door een donkergekleurden hof omgeven wordt en
daarboven de bruingetinte lijn zich voortzet. Vooral bij vrouwen met
bloedarmoede kan zij duidelijk zijn. Donkerder kleur wordt verder
waargenomen aan de uitwendige geslachtsdeelen, voornamelijk aan de
groote schaamlippen en aan den bilnaad.
Betrekkelijk vroeg neemt de omvang der heupen toe, als gevolg van
vermeerderde vetafzetting. In den beginne is er van omvangstoename van
den buik geen sprake. Gewoonlijk wordt die eerst duidelijk als de
baarmoeder reeds vrij groot is, omstreeks het einde der vierde maand.
Naarmate de vrucht zich verder ontwikkelt, wordt die toename grooter en
de buikwand gerekt, waarbij op sommige plaatsen de neiging bestaat tot
sterke verdunning, vooral daar, waar de bovengenoemde donkergekleurde
lijn onder den navel loopt. Daar liggen, ter weerszijden van die lijn,
in den buikwand, overlangsloopende spieren, welke uiteenwijken, hetgeen
bij menige vrouw, na de baring, zich uit als een zoogenaamde buikbreuk.
Bij vrouwen die voor het eerst zwanger zijn, en soms ook bij haar die
meermalen baarden, is de buikwand flink gespannen, waardoor de
uitzetting van den buik, zelfs bij vergevorderde zwangerschap, niet
overmatig groot is. Zij die meermalen baarden, vertoonen echter
gewoonlijk een slappen buikwand, die gemakkelijk voor de groeiende
baarmoeder uitwijkt en zich het sterkst vertoont bij en als hangbuik.
Tusschen deze twee uitersten worden alle graden van uitzetting
waargenomen, voornamelijk naar voren toe, tengevolge van sterk
uiteenwijken der zooeven aangeduide overlangs loopende spieren. Ook
bestaat er groot verschil in dikte van den buikwand.
Wanneer de zwangerschap tot het einde der achtste maand gevorderd is,
staat de bodem van de baarmoeder, dat is haar bovengrens, het hoogst en
is de spanning het sterkst. Vooral zij die voor de eerste maal zwanger
zijn, en een stevigen buikwand hebben, bespeuren dan die spanning, in
het bovengedeelte van den buik, als eene onaangename, vaak gepaard
gaande met pijnen. In de laatste maand neemt de spanning daar ter
plaatse merkbaar af, daar de baarmoederbodem, het hoogst gelegen
gedeelte dus, met het geheele orgaan en zijn inhoud, daalt. Dan voelt
de vrouw zich verlicht en sluiten de kleederen daar gemakkelijker dan
te voren.
Met toenemenden omvang van den buik treden ook aan de navelgroeve
veranderingen op. Allengs wordt die groeve minder diep, bij zeer vette
buikbekleedselen vaak in den beginne juist dieper. Aan het einde van de
zwangerschap wordt de navelstreek gewoonlijk vlak en de huid van den
navel dun, zoodat deze kan uitpuilen en een navelbreuk ontstaan.
Wanneer de buikwand zeer dun is, kunnen krachtige bewegingen van het
kind niet alleen gemakkelijk gevoeld, doch dikwijls ook duidelijk
gezien worden.
Bij het uitzetten van den buik neemt de voor de eerste maal zwangere
vrouw soms niet zonder eenigen schrik waar, hoe er strepen, kleine en
groote, in de huid te voorschijn komen, niet alleen in den buikwand en
aldaar kringsgewijs om den navel gerangschikt of, boven de lies en naar
de zijden toe, in dezelfde richting als de liesplooi loopend, doch ook
op de voorvlakte van de dijen en op de billen. Ook op de borsten, in
eene richting van den tepel naar den omtrek loopend, worden zij
duidelijk waarneembaar. Bij sommige vrouwen vertoonen zij zich in groot
aantal, bij anderen slechts spaarzaam, nu eens vroeg, dan laat in de
zwangerschap. Soms ontbreken zij geheel en al. Pas ontstaan hebben zij
meestal eene roodachtige, blauwachtige of naar het violette zweemende
kleur. Zij verdwijnen niet meer, doch de kleur verandert later in als
atlas-glanzend wit, terwijl zij in de dwarse richting geplooid worden
en een geribd aanzien verkrijgen. Haar ontstaan hebben zij te danken
aan rekkingen in het weefsel van de dieper gelegen lagen der huid. Men
noemt ze zwangerschapsstrepen of -striemen, ofschoon zij niet
kenmerkend zijn voor zwangerschap. Overal waar sterke uitzetting van
den buik plaats vindt, b.v. ook bij groote gezwellen, komen zij voor;
eveneens bij snelle vetafzetting in de huid, ook bij mannen.
Vet- en zweetklieren vertoonen verhoogde werking, vooral aan de
uitwendige geslachtsdeelen, in den zomer en bij donkerharige vrouwen,
gepaard met een onaangenamen geur naar kaas. Ook vetpuistjes en
roodachtige kleine puistjes die sterk jeuken, alsmede buitengewone
ontwikkeling van haren, worden dikwerf waargenomen.
Hiermede komen wij onwillekeurig tot verschijnselen, welke in minder of
meerder mate onaangenaam zijn, ja zelfs den naam van kwalen kunnen
dragen. Omdat de grens niet altijd scherp te trekken is, behandelen wij
dat alles te zamen in het volgende gedeelte.