Het kind ontstaat ten gevolge eener vereeniging van man en vrouw, uit
samensmelting van het mannelijke en het vrouwelijke, van ei-cel en
zaad-cel, tengevolge van bevruchting. Want bevruchting is
samensmelting, éénworden van ei-cel en zaad-cel. Ei-cellen of eieren en
zaad-cellen of zaaddiertjes noemt men geslachts-cellen.
Om eenigermate tot begrip te brengen wat daaronder te verstaan is, gaan
wij in gedachte een oogenblik terug tot de eenvoudigste dieren die
bekend zijn, tot die welke slechts bestaan uit een, alleen door het
mikroskoop zichtbaar, klompje eiwit, waarin nog een kleiner klompje,
dat men „kern” noemt, is waar te nemen. Dat eiwitklompje, met
ingesloten kern, noemt men een cel en een diertje, dat slechts uit één
cel bestaat, een één-cellig dier.
De vermenigvuldiging van zulk een diertje, zijn voortplanting,
geschiedt aldus, dat de kern en het eiwit, dat er omheen ligt, zich
deelen, zoodat er twee zulke klompjes eiwit ontstaan, ieder van een
kern voorzien.
Elke nieuw ontstane cel deelt zich, op dezelfde wijze, weder in twee
cellen, zoodat, door voortgezette deeling, een groot aantal cellen, een
groot aantal één-cellige diertjes ontstaat. Dat gaat evenwel niet
eindeloos zoo door. Er komt een einde aan die vermenigvuldiging door
deeling en de diersoort zou te gronde gaan, indien er niet, na eenigen
tijd, iets anders gebeurde, waardoor een cel weder het vermogen krijgt,
om zich, door voortgezette deeling, te vermenigvuldigen. Dat andere
noemt men bevruchting.
Door het mikroskoop het leven van die één-cellige diertjes gadeslaande,
kan men waarnemen hoe er een oogenblik komt, waarop twee zulke diertjes
elkander naderen, zóó dicht, dat zij elkander aanraken en ten slotte
samensmelten, zich vereenigen tot één eiwitklompje met één kern, tot
één cel. Als dat geschied is, heeft bevruchting plaats gevonden en
begint de deeling van het dier, nu moederdier te noemen, opnieuw, in
twee, vier, acht, enz. deelen, die, als dochter-cellen, als op zichzelf
levende één-cellige dieren, de soort in stand houden, tot na eenigen
tijd opnieuw de behoefte aan vereeniging, aan bevruchting, optreedt.
Als zulk een cel, dus als een eiwitklompje met een kern, heeft men zich
het ei, waaruit de hoogere dieren, ook de mensch, zich ontwikkelen,
voor te stellen. En evenals de één-cellige diertjes ontstaan door
deeling van de ééne, de moeder-cel, ontstaat de mensch door deeling van
de ei-cel. Daarbij valt evenwel het volgende op te merken.
De dochter-cellen, door de deeling ontstaan, leiden bij de één-cellige
dieren een afzonderlijk leven. Bij de hoogere dieren en bij den mensch
is dat niet het geval. Het lichaam van den mensch bestaat uit een
ontelbaar aantal cellen, die, oorspronkelijk door deeling der ei-cel
ontstaan, met elkander vereenigd blijven en te zamen het menschelijke
lichaam vormen.
Daarom rekent men het menschelijke lichaam tot de veel-cellige
organismen.
Men zou nu kunnen meenen, dat uit de vereeniging van twee cellen,
onverschillig welke, van een veel-cellig organisme, evenals bij de
één-cellige dieren, één nieuwe cel zou kunnen ontstaan, waaruit een
nieuwe reeks van cellen, een nieuw individu, zich kan ontwikkelen. Dat
gebeurt echter niet. Wel is waar zijn er organismen, bestaande uit
koloniën van cellen, waarvan, na een bepaalden levensduur, alle cellen
geslachts-cellen worden, doch waar de ontwikkeling van een organisme
tot hoogeren graad gekomen is, houdt dat op. In hooger ontwikkelde
organismen, zooals de hooger ontwikkelde planten en dieren, scheidt de
ontelbare hoeveelheid cellen van het lichaam zich in twee groepen,
namelijk in cellen die tot den bouw van weefsels en organen van plant
of dier dienen, en in cellen die tot bevruchting bestemd zijn, tot
geslachts-cellen. Dat is dan ook de reden, waarom, met de vereeniging
van twee geslachts-cellen, met de bevruchting dus, het hooger
ontwikkelde dier niet als zoodanig verdwijnt, doch behouden blijft; het
zondert alleen de geslachts-cellen af om zich te vermenigvuldigen, tot
het eindelijk, door verbruik van zijne lichaams-cellen of door een
andere oorzaak, ten onder gaat.
Zooals nu bij de één-cellige dieren eene samensmelting van twee cellen
noodig is om een nieuw, volledig individu te voorschijn te brengen, zoo
moeten ook de geslachts-cellen van den mensch samensmelten om het
ontstaan van een nieuw individu, dat uit bij de deeling ontstane cellen
wordt opgebouwd, mogelijk te maken. Die samensmelting heeft op ongeveer
dezelfde wijze plaats als wij voor de één-cellige diertjes beschreven.
De vrouwelijke geslachts-cellen, de eieren, ontwikkelen zich, door
cel-deeling, in grooten getale, in de eierstokken, de mannelijke
geslachts-cellen, ook door cel-deeling, in nog grooteren getale,
eveneens in daartoe aangelegde organen.
De eierstokken der vrouw liggen in het onderste gedeelte der buikholte.
De ei-cellen, welke zich daarin ontwikkelen, kunnen zich niet uit
zichzelf bewegen, zoodat van een samenkomen met de mannelijke
geslachts-cellen al heel weinig zou terecht komen, indien niet aan deze
laatsten eene beweegkracht was toebedeeld, waardoor in dat gemis
voorzien wordt. Deze hebben eigen beweging, waardoor zij, in het
lichaam der vrouw gebracht, zich met groote snelheid voortbewegende,
door daartoe aanwezige kanalen, het ei te gemoet gaan, om, bij de
ontmoeting, er mede saam te smelten. Op dien langen weg, lang in
verhouding tot de kleinheid der zoogenaamde zaad-cellen, zal er menige
cel niet tot het doel geraken, doch daarin wordt voorzien door het
groote aantal dat tegelijkertijd in het vrouwelijke lichaam gebracht
wordt. Daardoor is het mogelijk, dat ten slotte toch één dier cellen
het ei ontmoet en tot de noodzakelijke samensmelting overgaat. Eén dier
cellen, omdat met duidelijkheid is aangetoond, dat slechts één zaad-cel
in het ei binnendringt, waarna aan het ei oogenblikkelijk zulk eene
verandering plaats grijpt, dat het binnendringen van andere zaad-cellen
belet wordt.
Nadat de zaad-cel het ei is binnengedrongen en de samensmelting
zoodanig heeft plaats gevonden, dat beiden tot één cel met één kern
vereenigd zijn, is de bevruchting afgeloopen, is het ei bevrucht
geworden. Van stonde aan begint het bevruchte ei zich te deelen in een
steeds grooter wordend aantal cellen, die, vereenigd blijvende, ten
slotte, na allerlei groepeeringen en veranderingen, een nieuw individu,
de vrucht of het kind, vormen. Van het oogenblik der samensmelting af
begint dus de aanleg van het kind, en, daar beide cellen levende cellen
waren, kan men van de eerste deeling af spreken van eene levende
vrucht, zij het ook dat die vrucht, als vrucht in aanleg, nog in geen
enkel opzicht gelijkt op die, welke bij de geboorte als eene
menschelijke vrucht te voorschijn komt.
Voor de ontwikkeling van de bevruchte ei-cel tot ontwikkelde vrucht is
tijd noodig en die tijd is de tijd der zwangerschap. Voortdurend heeft
in dien tijd nieuwvorming van cellen plaats, die, door rangschikking
volgens vaste wetten, het lichaam, met al zijne weefsels en organen,
opbouwen.
Die nieuwvorming, die rangschikking, dat opbouwen uit teedere cellen
heeft plaats in een gedeelte van het vrouwelijke lichaam, dat, geborgen
in de buikholte, in zijn binnenste de zich ontwikkelende vrucht
herbergt, tot den tijd dat zij, tot volkomen ontwikkeling gekomen,
buiten het moederlijke lichaam een betrekkelijk onafhankelijk leven kan
beginnen.
Dat gedeelte van het vrouwelijke lichaam, dat orgaan, noemt men de
baarmoeder, die, door eene kleine opening, welke zoowel ingangs- als
uitgangsopening is, door middel van de scheede met de lichaamsopening
in de uitwendige geslachtsdeelen der vrouw in verbinding staat. Langs
dien weg, door scheede en ingangsopening der baarmoeder, den
baarmoedermond, bewegen zich de zaad-cellen in de richting der
buikholte, om het te bevruchten ei te ontmoeten. Langs dien weg ook
wordt de ontwikkelde vrucht uitgedreven, om voor het eerst het licht
der wereld te aanschouwen.
Het is duidelijk dat de cellen, welke zich uit de bevruchte ei-cel
ontwikkelen, dit slechts kunnen doen wanneer daarvoor voldoende
voedingsstoffen aanwezig zijn. Die voedingsstoffen vindt het ei niet in
zichzelf, daartoe is het te klein. Het is immers nauwelijks met het
bloote oog waar te nemen. De noodige voedingsstoffen nu vindt het
eveneens in de baarmoeder.
Alvorens te bespreken hoe dat geschiedt, behooren wij na te gaan hoe
het eitje in de baarmoeder komt, waarbij tegelijkertijd kan worden
medegedeeld, waar en wanneer de bevruchting plaats vindt.
Zooals wij reeds zeiden, worden de eieren in de eierstokken gevormd.
Deze—er zijn er twee—liggen in de onmiddellijke nabijheid van de
baarmoeder, in het onderste gedeelte der buikholte. Van het bovenste
gedeelte der baarmoeder gaat, beiderzijds, een zeer nauwe buis uit, die
tot vlak aan den eierstok nadert en daar eene kleine trechtervormige
opening heeft, welke, door eenige franjevormige strookjes omkranst, het
ei, dat uit den eierstok losraakt, opneemt. Ofschoon het ei geen eigen
beweging heeft, bereikt het toch door een dier buizen of kanalen de
holte der baarmoeder, en wel doordien er eene strooming bestaat in een
laagje vocht, dat de binnenvlakte der buizen, der eileiders, bedekt.
Die vloeistofstrooming is gericht naar de baarmoederholte en zij
beweegt het kleine eitje naar de baarmoeder, waar het tot verdere
ontwikkeling zal komen. Ergens op dien weg van eierstok tot
baarmoederholte ontmoeten ei en zaad-cel elkander, welke laatste zich
tot zóó ver, door de baarmoeder heen, heeft voortbewogen. Op dien weg
heeft dus de bevruchting plaats.
Ter beantwoording van de vraag, wanneer de bevruchting geschiedt,
hebben wij na te gaan hoe en wanneer een eitje uit den eierstok
losraakt.
Het is bekend, dat het gewoonlijk niet eerder tot bevruchting en
zwangerschap komt, voor het meisje zekeren leeftijd en zekeren graad
van ontwikkeling bereikt heeft, voor zij geslachtsrijp is. Die
ontwikkeling maakt zich, behalve door eenige opvallende veranderingen
in den lichaamsbouw, vooral kenbaar door het optreden der maandstonden
(onwelzijn, regels, menstruatie, periode), hetgeen dan ook als
uiterlijk kenteeken van bereikte ontwikkeling wordt opgevat, waaraan,
onzichtbaar, het rijpworden en het uitstooten der eieren uit den
eierstok beantwoordt.
Aan het losraken van het ei gaat eene zwelling van den eierstok vooraf,
maar vooral van dat gedeelte waar een eitje, gereed tot uitstooting,
gelegen is. Bij toenemende spanning, ten gevolge dier zwelling,
ontstaat daar ter plaatse een scheurtje aan de oppervlakte van den
eierstok, en het eitje wordt, met eene geringe hoeveelheid vocht,
uitgestooten en vindt zijn weg, door vloeistofstrooming, naar den
eileider. Dan is de gelegenheid tot bevruchting gegeven en deze zal
geschieden, wanneer levende zaad-cellen van den man aanwezig zijn. Dat
zal menigmaal het geval zijn, omdat, na gemeenschap tusschen man en
vrouw, de zaad-cellen, door baarmoeder en eileiders heen, zich reeds in
de richting van den eierstok bewogen hebben en gewoonlijk lang genoeg
in leven blijven om de uitstooting van een eitje, als die nog niet
mocht hebben plaats gevonden, af te wachten.
Is het tijdsverschil tusschen de gemeenschap en de uitstooting van het
eitje al te groot, dan zullen de zaad-cellen kunnen sterven of aan
levenskracht hebben ingeboet, en zal het eitje onbevrucht blijven. Zoo
niet, dan zal de bevruchting weldra zijn tot stand gekomen.
Reeds tegen den tijd dat een eitje uit den eierstok zal worden
gestooten is het slijmvlies, dat de binnenvlakte van de baarmoeder
bekleedt, gezwollen en bloedrijker geworden, als maakte het zich gereed
het bevruchte eitje in ontvangst te nemen. Heeft bevruchting plaats
gevonden, dan nemen zwelling en bloedrijkdom toe; is bevruchting echter
uitgebleven, dan gaat het eitje te gronde en zwelling en bloedrijkheid
van het slijmvlies verdwijnen, doordat daaruit bloeding optreedt en het
bloed zich naar buiten ontlast. De menstruatie treedt in. De
menstruatie kan dus worden opgevat als een teeken, dat een eitje,
hetwelk te voren uit den eierstok ontsnapt is, niet is bevrucht
geworden, waaruit volgt, dat bevruchting voor den tijd, waarop de
menstruatie verwacht wordt, plaats grijpt.
Als van zelf dringt zich hierbij de vraag aan ons op, wanneer het den
geschiktsten tijd is voor de gemeenschap tusschen man en vrouw, om de
kans te hebben dat een eitje bevrucht wordt. Om die vraag te
beantwoorden moeten wij nog mededeelen, dat er niet alleen in de
eileiders een vochtlaagje aanwezig is, dat, door eene bijzondere
inrichting, eene strooming heeft naar de baarmoederholte toe, doch dat
hetzelfde het geval is in de baarmoeder, met dien verstande, dat de
strooming in de baarmoeder gericht is naar de opening, welke, in het
onderste gedeelte van dat orgaan aanwezig, zich in de scheede bevindt.
Wanneer wij nu bedenken dat die strooming aan de zaad-cellen, die zich
juist in tegenovergestelde richting moeten bewegen, moeilijkheden in
den weg legt, dat zij—om het zoo te noemen—tegen den stroom op moeten
gaan, dan ligt het voor de hand om aan te nemen, dat, na het ophouden
der menstruatie, waarbij het slijmvlies der baarmoeder geleden heeft,
die vloeistofstrooming niet zoo sterk is, als dat later het geval zal
zijn, wanneer het slijmvlies weder hersteld is, en dus de belemmering
voor de voortbeweging der zaad-cellen tegen den stroom op het geringst
is. Dat aannemende zal de gemeenschap tusschen man en vrouw voor het
beoogde doel de meeste kans op welslagen hebben, eenige dagen nadat de
menstruatie is afgeloopen. En al is er dan ook geen eitje aanwezig dat
bevrucht kan worden, de zaad-cellen hebben genoegzaam langen
levensduur, om den tijd af te wachten tot er een eitje uit den eierstok
losraakt. Daar is aangetoond, dat de zaad-cellen wel twee weken lang in
het lichaam der vrouw kunnen blijven leven, zou dus de geschiktste tijd
ongeveer een zevental dagen na het ophouden der menstruatie beginnen.
Men kent de oorzaken voor het ontstaan van het geslacht nog niet,
waaruit volgt, dat men ook niet in staat is daarop eenigen invloed uit
te oefenen. Alles wat daaromtrent wel eens gezegd of geschreven en, met
het oog op het verlangen naar een jongen of een meisje, te doen of te
laten aangeraden wordt, heeft derhalve niet de minste beteekenis. Ook
gedurende de zwangerschap is niet met zekerheid uit te maken, welk
geslacht het kind, waarvan de vrouw zwanger is, heeft. Eenig vermoeden
kan wel opkomen naar aanleiding van de meer of minder snelle
opeenvolging van de hartkloppingen der vrucht.
Is het bevruchte eitje in de baarmoeder aangekomen, dan vindt het daar
een zacht, gezwollen, bloedrijk slijmvlies, dat uiterst geschikt is om
het in ontvangst te nemen. Dat geschiedt dan ook. Het vindt er, als een
zaadje in vruchtbare aarde, een geschikten bodem ter ontwikkeling, en,
doordien zich weldra bloedvaatjes aan zijne oppervlakte vormen, welke
in gemeenschap treden met die van het slijmvlies der baarmoeder, dus
met de moederlijke bloedvaten, kan het eitje daaruit de voedingsstoffen
verkrijgen welke het noodig heeft, terwijl het tevens beschut is door
zijne ligging in een orgaan, dat van de buitenwereld gescheiden is. In
de baarmoeder dus, gelegen in het voedselverschaffende binnenbekleedsel
van het moederlijke orgaan, zal het eitje zich zoo lang en zoo ver
ontwikkelen, tot het, tot volkomen vrucht gerijpt, dien voedingsbodem
kan ontberen en wordt uitgedreven. Zoo is het moederlijke orgaan in
zekeren zin te vergelijken met den vruchtbaren akker, waarin het zaad
zich ontwikkelt tot een gewas.
Niet overbodig schijnt het mij toe, te trachten begrijpelijk te
schetsen, waar de inwendige geslachtsdeelen der vrouw in haar lichaam
gelegen zijn.
Denkt men zich de vrouw op den rug liggend, dan kan men bij de normaal
ontwikkelde vrouw de groote schaamlippen zien, tegen elkander gelegen,
als twee met gewone huid bekleedde en van haren voorziene kussens,
welke naar boven samenkomen en overgaan in den, eveneens behaarden,
Venusheuvel, en naar onderen, naar de aarsopening vlakker wordende, in
de omgeving en in den bilnaad overgaan. Tusschen deze beide
schaamlippen loopt, in overlangsche richting, de schaamspleet, welke
naar onderen toe door den bilnaad van de aarsopening gescheiden is.
Door de beide schaamlippen van elkander te trekken opent zich de
schaamspleet en worden twee, gewoonlijk rose-rood gekleurde, gladde
plooien, de kleine schaamlippen, zichtbaar. Worden ook deze
uiteengehouden, dan worden, dieper inliggend, twee openingen zichtbaar.
De onderste daarvan is de, van het maagdevlies voorziene, ingang der
scheede; de bovenste, in eene verdikking verscholen als een
halvemaanvormig spleetje, is de uitgangsopening van den urine-weg. Het
maagdevlies sluit, min of meer volkomen, de opening der scheede af,
doch bezit toch altijd eene opening, somtijds twee of in enkele
gevallen meer, waardoor het menstruatie-bloed kan wegvloeien. Het is
deze als een vliezig tusschenschotje zich voordoende afsluiting, welke
bij de eerste geslachtsgemeenschap gewoonlijk scheurt en waaraan Cats
de regelen wijdde: „Een die haar maechdom vindt, die is haar maechdom
kwijt.”
De scheedeingang geeft toegang tot de scheede, een buisvormig kanaal,
ter lengte van ongeveer 8 à 10 c.M., welks wanden tegen elkander
liggen. Dat kanaal eindigt in de diepte als een blinde zak en omgeeft
daar het onderste gedeelte der baarmoeder, dat door den ingebrachten
vinger te voelen is als een in de scheede uitpuilend, dik en tamelijk
breed bultje, met een deukje of groefje juist in het midden. Dat deukje
of groefje is de opening, welke toegang geeft tot de holte der
baarmoeder.
De baarmoeder, welke een zoo belangrijke rol speelt in het leven der
vrucht, heeft den vorm van een in de richting van voren naar achteren
eenigszins saamgedrukte peer, waarin, als holte, zich een kanaal
bevindt, dat in de lengte van het orgaan loopend, in het bovengedeelte
daarvan eenigermate naar links en rechts wijder wordt, zoodat de
doorsnede van de holte op een gelijkbeenigen driehoek gelijkt, waarvan
de tophoek naar de scheede gericht is. In elk der beide andere hoeken,
dus het verst van de ingangsopening verwijderd, is eveneens eene
opening aanwezig, welke openingen toegang verleenen tot de eileiders.
Het orgaan is voorzien van een dikken stevigen wand, welke geheel uit
spierweefsel bestaat, en dus op te vatten als een gespierden zak, met
eene zeer kleine holte, ter lengte van ongeveer 7 c.M.
De eileiders gaan van terzijde uit, naar links en rechts, en reiken tot
aan de eierstokken.
De plaats waar de baarmoeder gelegen is, kan men zich ongeveer aldus
voorstellen. Wanneer men, bij de staande vrouw, van uit het midden van
den Venusheuvel zich eene rechte lijn getrokken denkt midden door het
lichaam, eenigszins oploopend naar de lendenstreek, dan zal die lijn
den bodem van de baarmoeder juist raken of misschien er doorheen gaan.
Zij ligt dus diep in de buikholte, in het gedeelte dat men aanduidt met
den naam van bekkenholte, terwijl zij met eene kromming naar voren op
de urine-blaas rust, en boven haar de overige ingewanden van den buik,
de darmen en—het hoogst gelegen—de maag, zich bevinden. Denkt men zich
de maag gelegen boven den navel, in de streek van den hart- of
maagkuil, onder het onderste gedeelte van het borstbeen, dan is het van
belang te vermelden, dat boven de maag, dwars door het lichaam heen,
bij wijze van een koepeldak, een scherm, het middenrif genaamd, zich
uitspant, dat de buikholte scheidt van de boven het scherm gelegen
borstholte, waarin de longen en het hart geborgen zijn. Bovendien is
het van belang te weten, dat de maag eveneens is op te vatten als een
zakvormig orgaan, dus als een hol orgaan met een wand. Later, in een
hoofdstuk gewijd aan verkeerde opvattingen omtrent gebeurlijkheden
gedurende de zwangerschap, zal blijken hoe groote waarde er aan gehecht
moet worden, dat iedere vrouw zich, althans eenigermate, eene
voorstelling kan maken van de ligging der genoemde organen in eigen
lichaam.
De streek van het lichaam waar de inwendige geslachtsdeelen gelegen
zijn, is omgeven door een beenigen ring, welke bedekt wordt door de
huid, een laag vet en spieren. De ring wordt gevormd door verschillende
beenderen. Aan de achterzijde vindt men het heiligbeen en het
stuitbeen. Daaraan sluiten zich beiderzijds de heupbeenderen aan, welke
naar voren toe overgaan in de al smaller wordende schaambeenderen, die
juist in het midden, aan de voorzijde, bedekt door den Venusheuvel, tot
vereeniging komen. Te zamen vormen zij, zooals gezegd, een ring, welke
men den bekkengordel of het bekken noemt.
Boven het heiligbeen bevindt zich de beenige ruggestreng, ter zijde en
iets naar achteren zijn, in het heupbeen, door middel van een gewricht,
het heupgewricht, de dijbeenderen ingeplant. Het bekken, boven wijder
dan beneden, rust bij het zitten op de zitbeenderen. Aan de buitenzijde
wordt het omgeven door spieren, vetweefsel en huid. Vooral aan de
achtervlakte zijn de spieren, die de billen vormen en zich voortzetten
op de dijen, sterk ontwikkeld. In het bekken liggen de
geslachts-organen, rustende op lagen van spieren en vetweefsel, door
zachte doch stevige weefsellagen met de binnenvlakte van den beenigen
ring verbonden. Door dat harde bekken, in- en uitwendig met zachte
weefsels bekleed, zal het kind, als de zwangerschap haar einde bereikt
heeft, door de kracht der weeën worden heengedreven, om het levenslicht
te aanschouwen. Hoe dat geschiedt kunnen wij hier niet beschrijven,
omdat wij daarvoor te veel in bijzonderheden zouden moeten treden,
welke eene uitgebreide studie vereischen.