Amsterdam, 26 Februari 1907.
Teruggekeerd in de heerlijke rust van het eigen tehuis en
het eigen werkvertrek, met al de intieme eigen dingen weer
om me heen, mijn schrijfpapier, m'n inktkoker, m'n boeken,
m'n lamp, met van buiten gedempt tot mij doordringend het
vertrouwelijk-bekende straatrumoer, lijken mij de laatste dagen,
aan den Hoek doorleefd, een bange droom. Ja, zóó bang, dat men
dien liefst vergeten zou, zeker niet willens de schrikbeelden
ervan weer voor den geest zou roepen, wanneer ook dàt niet deel
uitmaakte van den arbeid des verslaggevers. Zoolang er nog eenige
wetenschap, zoolang er nog één indruk in mij is van het droeve
feit dat den 21en Februari aan den Hoek van Holland voorviel,
dien ik nog niet aan het papier toevertrouwde, zoolang is mijn
taak niet volbracht, màg in mij de mensch niet over den
journalist triomfeeren.
En heb ik ook al alles wat ik aangaande de ramp wist in volgorde
van het gebeuren meegedeeld, veel algemeene indrukken moest ik
bewaren tot thans, wijl daarvoor eerder in mijn telegrammen geen
plaats en--vermoed ik--bij mijn lezers geen belangstelling was.
In mijn telegrammen geen plaats. Want met een feitenopsomming
alleen, uitsluitend met het treurige nieuws, vulden wij reeds
kolommen in onze bladen, overstelpten wij--mijn collega's en
ik--de telegraafkantoren aan den Hoek, Den Haag en Rotterdam met
zulk een berg van werk, dat wij er vaak verlegen mee werden als
wij voor de zóóveelste maal op een dag of laat in den nacht nog
weer met zoo een draadbericht van vier-, vijf-, achthonderd,
duizend woorden of meer voor het loket verschenen.
Vooral gaat onze dank en bewondering uit naar het
telegraafkantoor aan den Hoek, dat, schoon veel minder--ja,
misschien wel wat al te weinig--op de bij een gebeurtenis als
deze onvermijdelijke drukte berekend dan de beide andere genoemde
kantoren, ons vooral na den tweeden dag zoo goed heeft bediend
als wij slechts wenschen konden. De ambtenaren, wier aantal
met telegrafisten uit Rotterdam was versterkt, hebben onder
hun directeur, den heer P. Hacquébard Jzn., met Morse- en
Hughes-toestel, ja zelfs tusschen den Hoek en Scheveningen
met de Radiograaf zóó hard gewerkt, dat wij ze met onze
kopijaanbiedingen niet bij konden houden. En dat zegt wat!
Trouwens, hierover nu eenmaal het eerst aan 't schrijven geraakt,
wil ik tevens met dankbaarheid getuigen dat alle autoriteiten
zoowel de gemeentelijke met den burgemeester en den secretaris
van 's-Gravezande, de heeren Mr. J. Brunt en P. van Nierop
aan het hoofd, als de militaire, vertegenwoordigd door den
1e-luitenant fortcommandant, de heer Van Beek, zoowel de
gezaghebbers der H. IJ. S. M. als die der Great Eastern Railway
(Hudig en Pieters) en die der Holland-Amerikalijn, aan de
vertegenwoordigers der binnen- en buitenlandsche pers het werken
aan den Hoek van Holland zoo gemakkelijk mogelijk hebben gemaakt.
Natuurlijk toonde bij het vervullen zijner beroepsplichten de een
wel eens wat minder takt dan de ander,--engelengeduld is dan ook
wel noodig om bij overstelpende, enerveerende drukte tegenover de
overal doordringende, steeds vragende verslaggevers altijd even
welwillend en voorkomend te zijn--maar allen bleken te erkennen
dat "de pers" daar aan den Hoek niet uit bloote nieuwsgierigheid
en zeker niet voor haar pleizier werkte. Die erkenning vinden
wij, helaas, niet overal en ten allen tijde!
Niet voor ons pleizier! Neen, waarlijk niet. Reeds eenmaal
ontgleed mij de verzuchting bij 't schrijven van een mijner
telegrammen, en ik herhaal haar thans: benijdbaar is het niet,
bij een ramp als deze op verslaggeven uitgezonden te worden.
Oh, hoe vaak hadden wij gaarne zwijgend ons afgewend van
tafereelen vol aangrijpende tragiek en diepe treurnis, waren wij
gaarne na een kort woord vol medelijden of na een handdruk ter
erkenning van bewonderenswaardigen moed bescheidenlijk onzes
weegs gegaan... in plaats van te dringen en te kijken, en te
vragen en nieuws te visschen en druk te doen met schrijven en
telegrafeeren. Maar het mocht niet zijn. De zeer begrijpelijke,
zeer te rechtvaardigen, ja zelfs verheffende belangstelling van
het publiek eischte het van ons ànders.
Men zie in wat ik hier schreef geen klacht. Liever een
onwillekeurige "oratio pro domo", een verontschuldiging voor wat
in ons verslaggeverswerk bij deze ramp ons zelf--meer dan anderen
wellicht--onbescheidenheid en verhardheid leek. Wel geeft het
voldoening, te bemerken hoe wat wij schreven belangstelling
wekte, hoe het ons gelukte anderen te doen meeleven, meelijden
en meebewonderen datgene wat wij bijwoonden en in onze verslagen
weergaven. Meeleven het tragische gebeuren. Meelijden de
vreeselijke ervaringen van de slachtoffers, meebewonderen vooral
den heerlijken moed der redders.
Laat ons nogmaals spreken van deze laatsten. Het is zoo
verheffend; het stemt, bij al den jammer van het ongeluk zelf,
zoo dankbaar.
* * * * *
Er is daar onder de dappere mannen aan den Hoek van Holland een
ware wedijver, een edele wedijver geweest in moedsbetoon. En
zooals ik reeds meldde, in dien wedstrijd zijn het--zooals meer
gebeurt--de "outsiders" geweest die gewonnen hebben.
Op Jansen en zijn makkers, op de bemanning der stoomreddingsboot
van de Zuid-Hollandsche Reddings-Maatschappij, was aller hoop
gevestigd toen het gold de laatstoverlevenden van het wrak der
"Berlin" te redden. "Als zij het niet kunnen, kan niemand het,"
werd algemeen verklaard. Toch waren het anderen, die ten slotte
de redding volbrachten: de matrozen van het loodswezen, en dat
eenvoudige viertal, de schipper van een blazerschuit en zijn drie
knechts.
Aan een verklaring van dit feit doet men wèl, zich niet te
wagen. Honderd-uit is er geredeneerd, in 't wilde is er gepraat
door "stuurlui-aan-den-wal" over wat er gedaan had moeten worden
en over wat "men" zou hebben gedaan. Maar wat er inderdaad
gedaan worden moest is niet te zeggen, omdat ten slotte,
gegeven de weersgesteldheid en de wijze waarop de "Berlin"
op het Noorderhoofd gestrand was, voor het welslagen der
reddingspogingen alles afhing van het profiteeren van een op
het onverwachtst zich aanbiedend gunstig oogenblik; met andere
woorden van het geluk.
Dit geluk heeft de bemanning van de reddingsboot van het eerste
oogenblik der stranding af ontweken. Alle vroeger wel met succes
aangewende reddingsmiddelen faalden, het breken van het schip
geschiedde onverwacht, juist toen de reddingboot een ander anker
en een nieuwe tros was gaan halen, hooge zee en felle branding
maakten nadering van het schip onmogelijk. Wat is meer
verklaarbaar en meer te verontschuldigen dan dat Vrijdagmiddag,
na bijna 36 uren kampens met weer en wind en golven, de energie
van Jansen en zijn mannen niet meer zoo groot was als die der
loodsleerlingen, die versch op de plaats des onheils aankwamen,
zoodat het deze laatsten waren die van het gunstige oogenblik
gebruik maakten om het hoofd en daarna het wrak te bereiken?
En ligt het ook niet alleszins voor de hand, dat de mannen van
het loodswezen, gewend als die zijn om met hun kleine bootjes
verplettering tegen grootere vaartuigen te trotseeren, een
stouter reddingsplan dorsten te ontwerpen en uit te voeren dan de
bemanning der reddingsboot die, van den aanvang af met grooter
verantwoordelijkheid èn met den last eener hoog te houden
reputatie bezwaard, minder "durf" mochten toonen?
Neen, ik heb me wel geneigd gevoeld instemming te betuigen, toen
ik over de houding der mannen van de reddingsboot harde woorden
hoorde spreken, maar in de rust van deze nabetrachting de feiten
en omstandigheden nog eens goed overwegend, kom ik tot deze
overtuiging: Klaas Ree en zijn makkers van het loodswezen waren
helden, die hun roem ten volle verdienen; schipper Sperling, zijn
neef Sparling en Moerkerk van den blazer "Van der Tak", die zoo
handig hun voordeel deden met de ervaring van de eerstgenoemden
en de voldoening mochten smaken de drie laatst-overlevenden van
het wrak te bevrijden, waren helden evenzeer. Maar niet minder
dapper waren de mannen der reddingsboot; helden waren ook zij,
schoon de eer der overwinning hun niet was weggelegd.
Eervol mogen in dit herinneringsboek daarom nogmaals vermeld zijn
de namen van allen, die in de redding een daadwerkelijk aandeel
namen.
Het waren:
Van de blazer "Van der Tak": schipper Martijn Sperling, Cornelis
Sparling, L. Sparling[1] en G. Moerkerk.
[1] De oorzaak van dit wonderlijk naamsverschil deel ik mede kort
en krachtig zooals ik die van Kees Sparling vernam: »Toen mijn
grootvader m'n vader kwam aangeven, was de burgemeester ~in den
olie~. Die schreef 'n _a_ in plaats van 'n _e_".
Van de afhaalkotter aan den Hoek van Holland: K. Ree, T. van
Duyn, P. Jansen en Jac. B. Schoonbeek.
Van het stoomloodsvaartuig "Hellevoetsluis": H. Vermeulen, C. de
Gorter, J. Braam, P. Ruijg, M. J. Regoort en J. Steehouwer.
Van de reddingsboot: G. Jansen, F. Seekles, P. de Zeeuw, P.
Hoogeraad, A. Boon, F. Blokland, H. v. Mastrigt, J. van Mastrigt,
C. van der Haven en J. Boel.
* * * * *
En welk een redding was het, die deze mannen volbrachten! Mij
zelf uitgelachen heb ik, toen ik Maandag op mijn tocht over
het Noorderhoofd naar 't wrak soms hard liep om aan zeetjes te
ontkomen, waarvan de golven nauwelijks mijn schoenen nat maakten.
Haha, wat 'n helden zijn wij, wij ridders van de pen!
Drie, vier voet hoog stond het water op den dam, gierend joeg
de storm en bulderend sloeg de zee erover heen, toen mannen
als Klaas Ree, en Schoonbeek en Sperling het hoofd betraden.
Elk paaltje, glad van zeewier, moest hoûvast wezen, tegen elke
glibberige basaltkei moesten ze zich schrap zetten; in hun
oliegoed, zwaar van water moesten ze als gymnasten balanceeren en
hard loopen om op de been te blijven. En ze deden het, wat zeg
ik, ze deden het met een vrouw op hun rug, met een zwakken, in
doodsangst zich aan hen vastklemmenden schipbreukeling onder den
arm, ze deden het terwijl om hen heen de zee in branding brulde
als in woede over 't ontsnappen van den prooi. De brave, forsche,
handige kerels! De helden der zee in vredestijd!
Laat ons hen huldigen. 't Is goed dat wij geld voor hen
verzamelen, ik hoop dat ze allen een fiksche som krijgen in
klinkende munt hun persoonlijk uitbetaald--want 'n fonds met al
zijn administratieven omslag lijkt mij nu juist niet het beste
middel ter erkenning van hun verdiensten.--Maar laat ons vooral
van hen spreken, onzen kinderen van die mannen vertellen in huis
en op school.
Liever heb ik dat later mijn jongen van een Jacobus Berend
Schoonbeek en een Martijn Sperling afweet, dan van Dirk den
Eerste die een tol stichtte, of Karel den Kale die weer wat
anders deed, dat ik voor mij allang vergeten ben.
* * * * *
Twee onderwerpen in verband met de ramp leenen zich thans nog ter
nabeschouwing.
Niet van de geredden wil ik spreken, blij als ik ben dat ik niet
langer met een collega-zwerm het tot hospitaal ingerichte »Hotel
America« behoef te belegeren, niet langer Mevrouw Diamant behoef
te dwingen op de trap te staan, als weleer Horatius Cocles op
de brug over den Tiber, om de patiënten van haar echtgenoot te
verdedigen tegen de op hen aandringende journalisten. De rust,
die de geredden naar lichaam en naar geest zoo onvoorwaardelijk
behoeven, zij althans door niets meer gestoord, tot zij allen
geheel hersteld naar hun verwanten en vrienden terug mogen
keeren.
Ook van de dooden voegt het thans niet te spreken. Hun is de eer
gebracht en zij de eer gelaten, die aan dooden toekomt. Gelukkig
is de doodenhal zoo goed als geheel vrijgehouden geworden van
kijklustig publiek. De enkelen, die er kwamen anders dan om er
familieleden of bekenden onder de lijken te vinden, namen nu van
die zaal der treurnis een weemoedige herinnering mede, die zij
vol piëteit hun leven lang bewaren zullen.
Maar over de oorzaak van den ramp en de mogelijkheid der
voorkoming daarvan in de toekomst valt nog iets te zeggen.
Misschien maakt het inwendig vrijwel intact blijven van het
achterschip het mogelijk door expertise te laten uitmaken of
inderdaad, zooals door sommigen wordt verondersteld, de
stoomstuurmachines in het ongereede zijn geraakt. Doch
scheepvaartdeskundigen beweren met steeds meer stelligheid, nu de
koers van de boot vóór en de positie van het wrak nà de stranding
beter bekend worden, dat het de samenwerking van een krachtige
grondzee met den fellen stroom van het Zuiden naar het Noorden,
die voor de hoofden loopt en den hevigen Noordwesterstorm moet
zijn geweest, die de »_Berlin_« op het Noorderhoofd heeft gezet.
Mag hieruit de slotsom volgen, dat de ramp veroorzaakt werd door
wat de Engelschman zelfs in zijn officieele akten noemt »an act
of God« en wat wij minder verheven van uitdrukking samenvatten
als »overmacht«, dan blijft de vraag over, of de »_Berlin_« zulk
een overmacht had mogen trotseeren, m. a. w. of zij had mogen
trachten den Waterweg binnen te loopen, zelfs of zij wel de
veilige haven van Harwich had mogen verlaten.
Het antwoord op beide deelen dezer vraag kan, dunkt mij,
bevestigend luiden. Roekeloosheid valt ten laste van den
gezagvoerder der "_Berlin_" noch van de directie der Harwichlijn
te bewijzen. Andere stoombooten zijn even na de "_Berlin_"
den Waterweg binnengevallen, andere zijn gelijk met haar
uitgegaan,--trouwens in Harwich ~kan~ de Noordwesterstorm niet
zoo gewoed hebben als hier op de kust;--tal van gezagvoerders
handelden onder overeenkomstige omstandigheden geheel gelijk
kapitein Precious.
Dus treft niemand een verwijt van schuld voor de ramp. Dat geen
herhaling er van zich zal voordoen, men mag het hopen en bidden,
doch in menschen macht ligt het niet dat te voorkomen.
Of dan geen middelen uit te denken zijn, vraagt men, die
in den vervolge een redding vergemakkelijken en bespoedigen
kunnen? En bij 't zoeken van een antwoord op die vraag
doet men reddingssystemen aan de hand, die--hoe goed ook
bedoeld--lachwekkend zijn voor ieder die met den toestand ter
plaatse bekend is. Zoo wilde iemand in allen ernst een "ballon
captif" als reddingsboot laten gebruiken. Alsof zulk een
luchtschip beter op zijn plaats zou blijven dan een reddingsboot
te water!
Een ander dacht een zweefbaan over de pier uit. De
ondoelmatigheid van dat middel springt dadelijk in het oog voor
allen, die weten dat bij deze redding de moeilijkheid niet was,
de schipbreukelingen van het eind der pier naar den wal te
krijgen, maar wel om hen van het wrak op het hoofd te brengen.
Had er een zweefbaan bestaan, hun marteling zoude nog heviger
geweest zijn. Dan toch hadden zij hun verbinding met den wal
voortdurend kunnen zien, zonder er gebruik van te kunnen maken.
En ik zwijg nog maar over de schatten gelds, die het onderhoud
van zulk een voortdurend aan zeewater en stormwind blootgestelde
zweefbaan eischen zou. Een seinkabel, waardoor vroeger
automatisch de waterstand aan het eind van het hoofd aan wal werd
aangegeven, kan reeds niet meer gebruikt worden, omdat hij al te
vaak herstelling behoefde; en toch lag deze vlak òp het hoofd,
beschut achter de rails, die over de dammen naar buiten
loopen....
Neen, indien ooit, dan is in deze noodig berusting in het
onvermijdelijke bij gestadig bidden om afwending van gevaar.
Goddank, op onze Hollandsche kusten, zoo gevaarlijk met haar
zandbanken, met haar breede stranden, die weer den bouw van
basaltdammen als kunstmatige rotsen noodig maakten, Goddank op
die kusten zijn ook gekweekt die kloeke, welberaden, moedige
mannen, de Redders. Op hen blijft ons vertrouwen!