De Duitsche dokter, die even was gaan telegrafeeren, keerde nu in den
trein terug en verjoeg ons, zoodat wij met een handdruk en herhaalden
gelukwensch afscheid namen van den geredde met zijn sympathiek, echt
Duitsch gezicht, dat zoo bleek was en om de zachtblauwe oogen met diepe
lijnen doorgroefd.
Glückliche Reise wenschten wij hem en blijde aankomst in zijn veilig
thuis, bij zijn jonge gade.
Een bezoek aan het wrak.
Terwijl ik met enkele collega's zat te ontbijten kwam het denkbeeld in
mij op, dat nu misschien bij laag water het wrak wel te bereiken zou
zijn. De wind was gaan liggen, de zee was veel rustiger. Wellicht zou
men thans met een boot of te voet het nog op de pier liggende gedeelte
van de _Berlin_ kunnen naderen.
Hoe vriendschappelijk ook de samenwerking met binnen- en buitenlandsche
collega's is, zulk een denkbeeld bewaart men voor zich als een diep
geheim en een mooien kans op een primeur.
Quasi om een rijtuig te gaan bestellen voor de begrafenis van vier
slachtoffers, die 's middags plaats zou vinden, verliet ik het station
en wandelde door den »Ouden Hoek« naar het strand.
Mijn berekening was goed geweest. Het water was laag en het wrak was,
wandelend langs het Noorderhoofd, te bereiken. Na mij eerst overtuigd te
hebben, dat het getij mij gunstig was,--»'t water is wassende, meneer,
maar als u gauw loopt zal u nog net heen en weer kunnen« werd mij
gezegd--begaf ik mij op weg.
Een triestige wandeling. De mist hangt laag op de zee en het land. Het
eind van den dam lijkt verdwenen in het grauw van water en lucht. De
misthoorn op den Hoek scheurt telkens door de stilte zijn bang geloei.
Enkel 'n paar duikelende blanke meeuwen brengen wat vroolijkheid aan.
[Illustratie: Het seintoestel bij het Noorderhoofd.]
De golven, nog witgekuifd, rollen dreigend aan, maar breken op de
buitenste steenen, gooien mij hoogstens wat nijdige, zoute spetters om
het hoofd. Nu eens mijn weg zoekend over de hobbelige bazaltkeien dan
weer over de rondgesleten balken van het hoofd, soms op een drafje
loopend op nieuwe piergedeelten, nader ik het eind van den dam.
Het wrak ligt zeer schuin over de rechterzijde, zoodat het
bakboordsberghout zich een meter of vier boven het hoofd bevindt. Het
achtergedeelte ligt diep in het water, dieper dan de roode waterlijn.
Het voorste deel van het wrak daarentegen, wat dus vroeger het
middendeel van het schip was, ligt te rijden op de steenen van het
hoofd. Platen aan flarden gescheurd, hangen er bij. Een brok van het
berghout, waar een der vrouwelijke schipbreukelingen wel een half uur op
gezeten heeft, steekt naar buiten met een kromgebogen stuk ijzer. In de
ruwe, dwarse doorsnee van het schip door de breuk ontstaan, ziet men den
ketel, menierood, met verbogen en verroeste wielen, krukken en kranen.
Schuin daarboven de helft van een hut met twee ijzeren kapstokken nog
aan den wand. Langs bakboordzij hangen stukken van de verschansing af,
brokken ijzerwerk, een groot houten dekrooster. Een ladingluik staat
wijd open. Het water dat achter in het schip slaat, stroomt daaruit.
Een buitenwand van de rooksalon staat nog overeind. Einden touw hangen
van het schip af; ook de lijn waarlangs de schipbreukelingen zijn gered.
Alleen sta ik bij het wrak. Alles is verlaten en doodstil. Even doet mij
een kermend geluid dat aan boord klinkt het hart naar de keel schieten.
Maar beter luisterend herken ik het gepiep van een losse deur.
Ik klim langs de ijzeren ladder van den lichtopstand omhoog en kijk over
het dek, zonder er iets bijzonders te zien. Weer op de steenen van den
dam afgedaald vind ik daar wat menschen, een paar waterstaatsambtenaren,
een stuk of wat schippers en den onvermijdelijken photograaf.
Een ambtenaar en een schipper klauteren langs de reddingslijn omhoog,
de fladderende dekplaten en het berghout als treden gebruikend. Ik hen
achterna. Het dek staat erg schuin en het slingeren van het wrak maakt
het gaan moeilijk. Alles ziet er aan boord vreeselijk ontredderd uit.
Van een rooksalon is geen sprake meer. Dat de schipbreukelingen daarin
konden schuilen moet dus op een vergissing berusten. Alleen is er
tusschen de beide stellen van sloepdavids in een beschutte plaats tegen
den linkerwand van de rooksalon aan.
Daar staat een bank en een kist daarnaast, waar de schipbreukelingen
hebben zitten wachten op redding. Zij hebben er droog kunnen zitten.
Thans, nu het weer stil is, kan men ook de trap bereiken naar het
tusschendek. Daar vindt men de hutdeuren openstaan en nog droge kooien,
maar daar konden de schipbreukelingen niet komen. Immers terwijl zij op
het wrak waren, sloeg het water over de trap en door de gangen heen.
Hier ligt in een hut nog een lederen doos met boorden op tafel, ginds is
een valies tegen den wand geschoven, daar staat een halfvol Eau de
Cologne-fleschje.
[Illustratie: Het wrak.
(De ladder die men op de foto ziet, werd eerst Dinsdag tegen het schip
geplaatst.)]
Maar lang tijd om te kijken hebben we niet. Het water is wassende, we
moeten terug naar den wal. Naar boven dus weer en opnieuw langs de plek
van jammer, de bank en de kist op het promenadedek. Er ligt rommel van
oliegoed, lappen, misschien wel stukken van dekens, maar kletsnat, een
shawl van een dame.
Doch ginds slaat het water reeds over het hoofd. We moeten weg, laten
ons weer glijden langs de lijn. Ieder heeft een kleinigheid als
herinnering meegenomen. De een 'n glas, de ander een schroef, ik een
paar gordijnringen. En van de lijn, de reddingslijn, snijd ik een stuk
geplozen touw.
[Illustratie: Bank en kist.]
Een der waterstaatsbeambten die bij het lijken bergen op Zaterdagmiddag
geholpen heeft, verzekert mij, dat hij op de bovengenoemde kist twee
lijken vond met de hoofden naar elkaar toe en dicht daarbij lag een
mannenlijk, geheel naakt, met gebroken schedel onder een ketting. Een
door zijn lotgenooten gedoode krankzinnige, meende mijn zegsman. Door de
golven neergesmeten op het dek, den schedel verpletterd en het goed van
't lijf gerukt, meende ik. Wie zal het zeggen welke drama's zich daar
aan boord hebben afgespeeld?
* * * * *
Over het ruimen van het wrak lichtte mij een anderen ambtenaar der
waterstaat in, die in den loop zijner werkzaamheden bij den dienst bij
het ruimen van wrakken, »al tienduizend kilo dynamiet verschoten« heeft.
Ook het voorgedeelte van het schip dat thans ter linkerzijde van het
hoofd diep onder water ligt, zal met dynamiet worden weggeruimd na de
wettelijk voorgeschreven aankondigingen in de _Staatscourant_ en wanneer
de betrokken reederij niet zelf de verplichting van het wrakruimen op
zich neemt.
Wat het achtergedeelte betreft, is men nog in twijfel omtrent de beste
ruimingsmethode. Misschien zal het in zijn geheel gesloopt moeten
worden, wijl het niet diep genoeg onder water zit om het te laten
springen zonder den lantaarn van den lichttoren te beschadigen, waarvan
elk der lenzen f 2000 kost. Een geluk is het daarom dat de _Berlin_
niet iets meer naar binnen is gestrand, anders was hij zeker tegen
den toren geworpen, zou deze zijn vernield en had men weer den houten
reserveopstand in gebruik moeten nemen die daar nog van een vroegere
beschadiging van den vuurtoren staat.
Mogelijk is het echter dat men toch tot het opruimen ook van het
achtergedeelte van het wrak met dynamiet overgaat, doch dan zal de
lantaarn eerst met ijzeren platen ompantserd moeten worden.
De schade aan het hoofd zelf aangericht, is grooter dan men zoo op het
oog als leek zou zeggen. Eenige hoofd- en bijpalen zijn verbrijzeld en
weggeslagen. De daartusschen liggende basaltblokken zijn meters ver door
de kracht van het water weggeslingerd. De schade wordt zeer globaal op
f 20,000 geschat, maar met het oog op het nog slechte jaargetijde dat
hooge zeeën met zich brengt, zal het wel ver in den zomer worden voor
zij geheel is hersteld.
De positie van den voormast van de _Berlin_, die eenige meters boven
water uitsteekt, zal ten behoeve der scheepvaart zoo spoedig mogelijk
nauwkeurig worden bepaald en bekend gemaakt.
* * * * *
Teruggaande langs het hoofd kwamen wij een ouden man tegen, lang en
schraal, het hoofd in peinzing gebogen.
»Are there any more bodies on the ship?«, vroeg hij.
Wij antwoordden ontkennend.
»Ik zoek mijn zoon«, zei hij.
Het was de vader van den jongen man die als 2e-stuurman voor de
_Myrmidon_ gemonsterd was. Ik vroeg nog zijn naam, maar de oude man
hoorde mij niet meer. Wij waarschuwden hem tegen het opkomend water,
maar hij hoorde ons niet.
Zijn oude oogen zochten het water langs.
Hij wandelde verder het hoofd af. Zoekende....
Uitvaart en begrafenis.
Toen ik mijn ervaringen op het Noorderhoofd aan de goede zorgen der
telegraafambtenaren op het kantoor-Hoek van Holland had toevertrouwd en
naar het station was teruggekeerd, vond ik daar reeds de toebereidselen
gemaakt voor de begrafenis van vier slachtoffers, de dames Hoppe,
Bertram en Sternberg en een onbekende vrouw.
De pantserfort-artilleristen in groot uniform zetten het station en het
emplacement af, drie sombere rouwkoetsen en een als zoodanig ingerichte
open boerenwagen stonden aan de perronsoprit te wachten en zij, die bij
de begrafenisplechtigheid tegenwoordig zouden zijn, begaven zich
langzamerhand naar de loods waar de lijkdienst gehouden zou worden.
Of het allen personen waren die er werkelijk bijbehoorden, zou ik hier
niet gaarne beweren, want langzamerhand had het publiek er wel wat op
gevonden om zich van de firma Hudig en Pieters toelatingsbewijzen voor
de doodenhal te verschaffen. Maar gelukkig waren de afzettings- en
contrôlemaatregelen nog scherp genoeg om te waarborgen dat een stil en
stemmig publiek in de loods bijeenkwam.
Alle herkende lijken waren reeds bedekt, anderen waren al gekist, zoodat
de bloot-nieuwsgierigen niet veel te kijken kregen. De vier kisten die
straks grafwaarts gedragen zouden worden waren onder bloemen bedekt.
Vele herkende lijken waren ook reeds vervoerd, zoodat tal van
rouwbritsen leeg waren. Maar die ledige plaatsen zouden echter spoedig
weer ingenomen worden, want nog steeds spoelden aan het strand benoorden
en bezuiden den Waterweg lijken aan.
* * * * *
Een kleine rouwkansel was in het midden van den doodenhal neergezet,
waaraan even na éenen de predikant Ruysch van Dugteren van de Hervormde
Gemeente plaats nam. Rond hem schaarden zich, met de vertegenwoordigers
der Koningin, der Koninginmoeder en van den Prins, de jonkheeren Van der
Wijck en van Tets, de burgemeester in ambtskleedij, de secretaris met de
wethouders van 's-Gravezande, de predikanten Van Minne en Van Haeringen
(Gereformeerde Gemeente), respectievelijk van 's-Gravezande en den Hoek
van Holland, de Engelsche consul, vertegenwoordigers van de Great
Eastern Railway Company en van de firma Hudig en Pieters, de Engelsche
Gezantschapskapelaan uit 's-Gravenhage en de predikanten der Duitsche
gemeente te Rotterdam.
De burgemeester, Mr. J. Brunt, heette eerst allen welkom op deze droeve
plaats, in het bijzonder de heeren Jhrs. Van der Wijck en Van Tets,
en verleende dadelijk daarop het woord aan den predikant Ruysch van
Dugteren. Deze ving aan met de voorlezing van den 90sten Psalm:
»Heer, gij zijt een toevlucht van geslachte tot geslacht,» enz., en
sprak daarna de aandachtig luisterende schare ongeveer als volgt toe:
»Er zijn in ons leven van die oogenblikken, waarin alles rondom
ons schijnt neergedrukt, van die gebeurtenissen waarvan de
ontroering ons doet denken aan niets anders dan aan dat ééne
schrikkelijke, waardoor alles voor ons wordt ter zijde geschoven.
Soms worden we dan moe van het denken. We kunnen als het ware
niet meer. We waanden ons in een droom, maar keeren terug tot
de harde wreede werkelijkheid.
Ons kwelt de smart en we roepen het uit, roepen het uit om
verluchting te krijgen van het hart, dat niet meer weet waarheen
zich te wenden.
We berusten ten slotte, trachten althans te berusten. Zoo is het
gegaan in de dagen welke nu achter ons liggen. De menschen hebben
moeten bedenken dat ze eenmaal sterven moeten en een diep, een
onbeschrijfelijk gevoel van medelijden en deernis hebben we gehad
met de armen, die leden onder dezen schrikkelijken slag. We
hebben gebeden dat de treurenden mochten worden vertroost,
vertroost in hunne smart, die we niet kunnen zeggen aan anderen,
maar voelen, voelen zoo diep in ons harte.
Zoo dicht nabij de kust waren de ongelukkigen, zoo dicht bij de
veilige haven, bijna aan land, nog eenige oogenblikken en zij
hadden het doel hunner reis bereikt. Het heeft zoo niet mogen
zijn. En we vragen ons af: Waarom moest het aldus geschieden?
Waarom heeft God den storm niet doen bedaren, de sneeuwjacht niet
doen verminderen? Waarom brak het anker en waarom mochten niet
allen de haven bereiken!
We zouden op die vragen een antwoord willen hebben, maar krijgen
het niet. Moet ik u op deze plaats zeggen waarom dat antwoord
niet komt? Omdat we moeten gelooven dat God liefde is, al
begrijpen we dingen niet die geschieden, zoo wreed en zoo
smartelijk. Moet ik het u zeggen dat ik als antwoord op uw vraag
breng het Evangelie der genade, dat ons leert: Hij die gelooft
zal het eeuwige leven hebben. Onze Heiland is de opstanding en
het leven. Gelooft dan allen, opdat ge het eeuwige leven moogt
hebben tot in eeuwigheid.«
De prediker ging daarna voor in gebed en in de stille zaal, waar het
electrisch licht nu mat scheen op het witte laken over de dooden, gedekt
met de teere witte bloemen, klonk het innig:
»O, God, gij die de tranen der bedroefden wegwischt, schenkt den
treurenden uwen troost; wil dat doen en hen sterken, want Gij
troost als eene moeder. Troost hen met uwe nabijheid, spreekt tot
hen woorden van vrede, richt ze op met uwe kracht, want er is
zooveel dat hen neerdrukt, dat ze dreigen te bezwijken als niet
uwe hand hen staande houdt. O, grijpen ze dan allen die hand die
weer opbeurt en vertroost, het moede hoofd richt naar omhoog, uwe
rechterhand, die hen zal beschermen tot in eeuwigheid.
»Wil de treurenden brengen door uwe goedheid op de plaatsen, waar
geen dood meer zal zijn, maar het leven alleen. Wil ons allen het
besluit nemen tot overgave aan den Heiland. Heb dank voor de
sterkte, geschonken aan de mannen die hun leven waagden, voor uwe
liefde die hun streven wilde kronen met zoo goeden uitslag. En
wil met ons medegaan uit deze doodenzaal op de treurige tocht
dien wij nog moeten volbrengen; erbarmt U over de treurenden,
om Christus' wille. Amen.«
De lijkdienst was ten einde.
Hooggebeurd op de schouders van stoere werklieden werden de kisten
uitgedragen. Achter die van de bekende lijken gingen de weinige, ach,
zoo weinige rouwdragers: een snikkende grijze vader, een echtgenoot,
geknakt onder het grievende leed, een verloofde, die het gelaat
in de handen verborg. En achter het onbekende lijk volgden de
vertegenwoordigers der gemeente en der verschillende maatschappijen.
Daarachter ging een deputatie uit het loodswezen en dan volgden schipper
Jansen met zijn mannen. Zoo vreemd, die kranige zuidwesterkoppen nu
onder de hooge ouwerwetsche rouwhoeden te zien.
De weinigen op het station groetten eerbiedig, de soldaten der afzetting
salueerden. Toen werd de stoet opgesteld. Een eerewacht van de
fortbezetting voorop en soldaten ook ter geleiding van elken lijkwagen
waarop de koetsiers zaten met groote vale lamfers aan hun uit den tijd
geraakte »huilebalken«.
Dadelijk achter de lijkwagens volgde het rijtuig der beide vorstelijke
vertegenwoordigers, waarbij de beide lakeien in lichtgrijs hofliverei
een vreemde vlek van kleur vormden in den zwarten lijkstoet.
Achteraan kwamen nog twaalf volgrijtuigen.
De weg van den Hoek naar 's-Gravezande loopt met tal van krommingen
eerst voor een groot deel langs de duinheuvels ter linkerzijde en
langs bouwakkers met onbegrensde vergezichten ter andere zijde. Enkele
boerenhofsteden liggen hier en daar erlangs verspreid. Bij zonnig weder
is een tocht naar 's-Gravezande, vijf kwartier loopens door het echt
Hollandsche landschap langs den slingerenden weg naar het eenvoudige
landwaarts gelegen dorpje, een waar genot.
Nu hing er een triest-stemmende nevel over den duinrug en het land was
in treffende overeenstemming met de indrukwekkende
begrafenis-plechtigheid.
Voor de hofsteden stonden de bewoners bij het hek geschaard. Eerbiedig
groetten zij. In het dorp waren de huizen gesloten, hadden velen de vlag
halfstoks uitgehangen. Deelneming, werkelijk gevoelde deelneming, werd
overal betoond.
Het kleine kerkhof was door veldwachters en rijkspolitie afgezet om den
stroom van menschen die den stoet begeleidden te kunnen keeren, wat een
zeer lastige en ondankbare taak bleek. De militairen sloten wel het hek,
maar in troepen holden de menschen over het land naar den kerkhofmuur
die in een ommezien was beklommen. Het publiek scheen zich niet te
bekommeren om begrippen van fatsoen en eerbied. Men drong, men riep
en joelde als was er van een teraardebestelling geen sprake.
Toen bij het oprijden van de begraafplaats aan een grooten drom
menschen gelegenheid werd gegeven achter den stoet aan te dringen,
werd het kerkhof, dat reeds voor het overgrootste deel was gevuld met
belangstellenden, overstroomd met zich allesbehalve kalm gedragende
kijklustigen. Dat was jammer! Van wijdende stilte kon nu geen sprake
zijn en erger werd het toen bij het sluiten van het hek de honderden
teleurgestelden rondom den muur draafden en schreeuwden om een plaatsje
machtig te worden.
Op den doodenakker was een groote vierkante kuil gedolven, waarin reeds
drie kisten waren bijgezet. O.a. rust daar de kleine Gustaaf Hirsch, het
ventje dat van Londen alleen op reis was naar zijn ouders in Hanover.
Een handvol witte seringen was op zijn kist
gespreid.
Een voor een werden de nieuwe kisten in den grafkuil neergelaten. Op elk
daarvan lag een krans van de firma Hudig en Pieters; op die der twee
Duitsche vrouwen een bloemtak van den Duitschen consul.
De vier kisten werden twee aan twee naast elkander geplaatst. Blijkbaar
was het de bedoeling in deze gemeenschappelijke groeve ook de lijken van
andere slachtoffers bij te zetten.
Toen het neerlaten van de dooden had plaats gehad en de reusachtige
kring zich nauwer rondom het graf had saamgetrokken was het de Duitsche
predikant ds. Freimark uit Rotterdam die als eerste spreker naar voren
trad, gekleed in toga en baret.
In de Duitsche taal herinnerde ds. Freimark aan het bijbelwoord: »Wir
müssen sterben aufdass wir klug werden« (wij moeten sterven om wijs te
worden), aan de hand van welken tekst de predikant een korte hartelijke
toespraak hield.
Spreker wees er op hoe in deze dagen vooral de menschen samen voelen en
tezamen dragen smart en leed, zooals Christus dat uitsprak: menschen
moeten tezamen leven. Hoe heerlijk verwarmend is voor de treurenden die
hun dierbaren beweenen, de deelneming, waarin de vorstelijke families
voorgingen en werden gevolgd door schier de geheele wereld. Dat is de
goed doende troost van menschen.
Spreker hoopte dat ook de blik ondanks den fellen slag zou worden
geslagen omhoog, waar de hemelsche trooster nabij is.
Aan dit graf van twee jonge Duitsche vrouwen wenschte ds. Freimark op
dien troost te wijzen, daartoe gedrongen als landsman niet minder ook
als Christen.
Daarbij vond de spreker gelegenheid te schetsen het ontzaglijk tragische
in deze ramp, die aan meer dan honderd menschen het leven kostte, hoewel
het land voor aller oogen oprees, het land waarvan redding en hulp werd
verwacht, het land dat hun hoopvol had tegengelachen en dat bereikt was,
nagenoeg bereikt. Weldra zou men de pieren binnenstoomen. Met den blik
op het land gericht verloren die honderd het leven.
Hulde bracht spreker aan de koene mannen, die eigen lijf waagden om dat
van anderen, die in nood verkeerden, te kunnen behouden.
Ds. Freimark eindigde zijn lijkrede op de naar Duitsche gewoonte
gebruikelijke wijze: »Keert terug tot stof, zooals ge uit stof zijt
voortgekomen. Gelooft in Christus, Hij is de opstanding en het leven;
wie in Hem gelooft leeft tot in eeuwigheid«.
Dit zeggende hield de geestelijke zijn hand zegenend boven de groeve, op
iedere kist een weinig aarde strooiend en, even wachtend, bad hij
vervolgens met bewogen stem: »Unser Vater, der Du bist im Himmel«.
Alvorens van de groeve afscheid te nemen hief ds. Freimark nogmaals
zegenend de hand op, zeggende: »De Heer behoede u dan en zegene u; Hij
doe zijn vriendelijk aanschijn over u lichten en schenke u Zijnen vrede.
Amen«.
Over het kerkhof daalde een nevel als een lichte rouwsluier. Van de
takken rondom drupten zachtkens heldere droppels, als weenden de boomen
mede.
De Engelsche predikant uit de Residentie, rev. H. Redford Campbell, in
witte toga, met wit bonten kraag, trad, een Engelsch gebedenboek in de
hand, als tweede spreker op het graf toe, om een gedeelte voor te lezen
uit: »The order for the burial of the dead«.
Als derde spreker voerde mr. J. Brunt het woord: Zeker werd men--zeide
hij--aan iedere groeve herinnerd aan het Memento Mori, maar aan dit
graf, dat nog zoo vele andere schipbreukelingen zal gaan bevatten, is de
herinnering aan die woorden sterker dan ooit en ervaart de mensch dat
tusschen hem en den dood slechts een schrede ligt.
Dank bracht deze spreker aan de vertegenwoordigers der Koninklijke
familie, wier daadwerkelijke sympathie bij deze schipbreuk en de
gevolgen daarvan de harten heeft verwarmd van honderden; dank ook aan de
mannen, die met ongekende zelfopoffering streden tegen de elementen om
de enkelen te redden, die op het wrak hadden stand gehouden; dank ten
slotte aan allen, die hunne medewerking verleenden om de ellende te
verzachten, de smart te lenigen, de helpende hand te bieden aan hen die
onverzorgd en van alles beroofd achterbleven, alleen met hun droeve
herinneringen aan dien stormachtigen nacht, alleen met hun herinneringen
aan hun lieve dooden.
Ten slotte was het de heer Pieters (lid der firma Hudig en Pieters), die
namens de maatschappij de Great Eastern Railway Company met stokkende
stem een laatsten groet bracht aan de gestorvenen, om tevens te huldigen
allen, die met woord en daad in deze smartvolle dagen hebben getroost,
onze koninklijke familie vooraan, gevolgd door de vorsten van Engeland
en Duitschland. Die deelneming was ook der maatschappij tot troost, en
gaarne zei ze daarvoor dank, niet het minst het gemeentebestuur dezer
gemeente dat niets ongemoeid liet om in den nood te voorzien. Hulde
verdienden ook de doktoren en pleegzusters, die met hun liefdevolle
toewijding zich ganschelijk gaven aan allen, die zorg van noode hadden.
»Nogmaals hartelijk, hartelijk dank voor al die sympathie in deze
moeilijke dagen bewezen«, besloot spreker.
* * * * *
Jhr. Tets, de vertegenwoordiger van H. M. de Koningin en Z. K. H. prins
Hendrik, had inmiddels een grooten krans van witte bloemen op het graf
gelegd; op de zijden linten prijkten de gekroonde letters W. en H.
Zoo eindigde de begrafenis. Wonderlijk-naïef na al het plechtig spreken
kwam het gewoonte-speechje van een der bidders die dankte voor de
betoonde deelneming en verzocht in goede orde uiteen te gaan.
Wij lieten de dooden achter. Veilig slapen zij in 't duin.
* * * * *
Het was mijn collega, die den stoet naar 's-Gravezande volgde. Ik bleef
achter in het dorp aan den Hoek en oogde, staande op den dijk, de stoet
na, die zachtjes den weg langs schommelde, de duinen in.
Een brok schoot mij in de keel.
Vreemd... Waarom juist toen.
Straks, in de doodenzaal, waar de lijkplechtigheid plaats vond, bleef ik
koud. Koud bij de troostende toespraak--troost, troost, ach, het wil er
niet in bij het aanschouwen van zóoveel ellende--koud bij het ootmoedig
gebed van den predikant.
Daar was in die zaal, die wij wel zoo indrukwekkend stil hebben gevonden
met de roerlooze lijken die er te slapen lagen, 's avonds heel laat, als
er nog maar weinigen zwijgend langs de doodenrijen gingen en uit de
voorzaal zachtjes klonk het mompelend gepraat van de wachthebbende
veldwachters, er was nu, zeg ik, in die zaal te veel onbewogen
begrafenisstemming, te veel koud ceremonieel.
Rouw, waren doodenjammer alleen vond ik in den grijzen Duitschen man,
die maar snikkend bij de met bloemen bedekte kist van zijn dochter
stond, de oude handen gevouwen in woordeloos gebed. En rouw was er in
het gekrijsch der meeuwen buiten, en rouw in den eenzamen gil nu en dan
van den verren misthoorn of in den doffen loei van een stoomboot, die
zoo zacht kon inzetten met een waarlijk harmonieuzen toon, als van een
kerkorgel dat te spelen begint, om dan te eindigen in een rauwen
wanhoopsroep.
Maar rouw niet in het preekgeluid, rouw niet op de officieele
begrafenisgezichten; rouw niet in uniform- en statierokgeglimmer dat
valsch deed in den rossen schijn der gloeilampen en bij de stemmigheid
van de chapelle ardente; rouw niet in het optochtachtige samenstellen
van den stoet.
Doch toen daar over den dijk naar de duinen wegreed de lange zwarte
lijkstatie, wijl er een tranenfloers lag over het landschap en de zee in
mist haar gelaat verborg, als schaamde zij zich harer daad, toen greep
mij plots het naamloos wee van dat gansche vreeselijke gebeuren aan en
met de treurenden treurde ik; rouwde ik, niet om die vier dooden alleen
die daarginds met bloemen bedekt en met eere begeleid ter laatste
rustplaats werden gevoerd, maar ook om al die anderen die achter mij en
voor mij in de lijkenloods, in het wrak nog, misschien in de zee en aan
de overzij daarvan of op eenzame stranden lagen; rouwde ik om al de
slachtoffers van deze wereldschokkende ramp.
Eén troost voor hen, een troost ook voor ons allen; de tocht waarop zij
zijn uitgevaren, kent geen schipbreuk.
* * * * *
Toen ik 's avonds aan het station wachtte op den trein om naar
Amsterdam terug te keeren, gingen nog van het stationsgebouw in diepe
verslagenheid een oude vrouw en twee jonge meisjes, zoekend naar een
zoon en broeder. En ik drukte nog de hand van den heer Holden uit
Manchester, die ook al dagenlang zijn broeder zocht.
In het halfduister van den vallenden avond werden er nog lijken naar de
loods gebracht, waarop de vlag nog altijd halfstoks uitwoei.
Reeds waren toen herkend: A. Kruger, Fred. Elsworth, L. H. Lamotte,
Rosinquist, Pells, Capt. Russel, Bishop, miss J. M. Bakes, Mead, miss
Holle, Mozes Raisman, Raisman Jr., Woods, Bonnett, Wennberg, Barton,
miss Mable Marton, Oosterling, C. W. Anderson, miss Boomes, W. J. Moor,
Bulmer, Gysin, Woodham, Davies, Pattock, Brockett, Aug. Hirsch, A. J.
Coope, N. H. van der Meulen, Garnsworthy, Frau Bertram Westerling, A.
Grosfils, mevrouw Süsz Artz, Bullock, J. Keen, J. Hilfenstein, Durrand,
Mourve, Lamotte, Wilding, G. Easter, Charles Mills, Willian Dunnette, W.
Jennings, fräulein Sternberg, Bratton, Gibson, fräulein Wennberg,
Gibbons, M. A. Rank, dr. Ernst Schichhold, fräulein M. Lehman, T.
Rolassen, Catchpole, Salter, Reeves, Watson, Rouse, miss Brown, Samkin,
Kind, Gregory, Baartman, Lauringer, James Bell, te zamen 65.
En nog altijd gaf de zee de lijken van haar slachtoffers terug.
Wellicht waren ook in het gezonken wrakgedeelte nog enkele lijken
aanwezig.
Mijn collega bleef daarom achter, om van de laatste gebeurtenissen,
het wrakonderzoek door duikers, het wrakruimen en het goederen bergen
verslag te geven, en de doodenlijst bij te houden.
Doch ~mijn~ droeve taak was ten einde.