J. L. P.

De morgen van den ramp.

Het was in den morgen van Donderdag den 23sten Februari 1907, omstreeks

half tien, juist toen het dagelijksch bureau-leven--voor zoover men

daarvan bij een dagblad spreken kan--een aanvang zou nemen, dat uit

Rotterdam een telegram binnenkwam, luidende:

»Volgens hier in den loop van den morgen ontvangen telegraphische

berichten is de inkomende Harwichboot _Berlin_ te ongeveer 6 uur op het

Noorderhoofd van den Nieuwen Waterweg gestrand.

»Onmiddellijk werden door sleepbooten en reddingbooten pogingen

aangewend om passagiers en bemanning te redden, maar door den vliegenden

storm en de hemelhooge zee konden deze het schip niet naderen.

»Later zag men dat het schip gebroken moest zijn, althans het

achterschip verdween in de diepte en de jongste telegrammen laten geen

twijfel over of ook het lot van het voorschip werd bezegeld, zoodat

niemand van de opvarenden gered is kunnen worden.

»Uit den aard konden de Agenten der lijn hier ter stede geen opgaaf doen

van het aantal passagiers aan boord. Het gemiddelde bedraagt gemeenlijk

60.

»Dit is de eerste maal dat aan een Harwichboot zulk een ramp overkomt.«

En even later telegrafeerde men:

»Het voorschip van de _Berlin_ is weggezakt. Een groot gedeelte van de

passagiers en bemanning, welke zich daarop bevonden, zijn verongelukt.

»Het achterschip zit nog op den dam. Eenige overgeblevenen bevinden zich

daarop, doch hunne positie is zeer hachelijk.

»De reddingsboot is in de nabijheid. Pogingen om langszijde te komen,

bleven vruchteloos. De in de nabijheid zijnde sleepbooten en

reddingsbooten visschen de drijvende menschen op, dood of levend.«

Een oogenblik staat men, zelfs op het redactiebureau van een groot

dagblad, waar men op zulke gebeurtenissen steeds voorbereid moet zijn,

tegenover zulk een bericht verbijsterd. Niet dat men aan de waarheid

ervan twijfelt. Daarvoor heeft men zijn ~betrouwbare~ correspondenten.

Maar men omvat niet zoo spoedig den omvang van zulk een ramp, denkt aan

overdrijving, hòòpt in stilte op overdrijving...

Doch die verbijstering duurt slechts een minuut--nauwelijks. Dan stelt

zich ook plotseling het gansche raderwerk der journalistieke machine in

beweging. Een kort beraad wordt gehouden; naar »boven«, naar de

zetterij, wordt getelefoneerd »gauw, gauw een bulletin te leggen,« per

telegraaf en per telefoon krijgen verschillende correspondenten opdracht

dadelijk en zoo uitvoerig mogelijk te seinen... en per eerste

gelegenheid vertrekt »onze eigen berichtgever.«

* * * * *

O, die trein naar den Hoek leek mij veel te langzaam te gaan. Popelend

van ongeduld zat ik aan elk station seconden te tellen en altijd scheen

het mij toe, dat de trein veel langer stopte dan noodzakelijk was.

In den Haag de eerste aanwijzing, dat er in de buurt iets gaande was.

Heeren met petjes--ongewoon verschijnsel in ons land--en binocles aan

riemen. Dames ostentatief in een avonturen-kostuum gestoken. Eindelijk

Schiedam! En overstappen voor den Hoek. Reeds staat het perron zwart van

menschen en verdringt men zich in de wachtkamers. Over z'n tijd stoomt

een trein binnen. Veel te kort natuurlijk. Wagens worden erbij

geschoven.

Er is onder de langs den trein dravende, plaats zoekende passagiers een

pretstemming, als zouën ze straks naar een kermis rijden. Je hoort ze

in volle bagagewagens stampen en zingen. In ons compartiment, gelukkig

rustiger, gaat het gepraat over het ongeluk: wat er al van bekend is,

hoe 't moet zijn gebeurd, hoeveel lijken er al zijn aangebracht....

Wij, verslaggevers,--'n paar collega's heb ik reeds in Schiedam

aangetroffen--zitten daarbij op heete kolen.

Schiedamschendijk... Vlaardingen... Maassluis... Nieuwlandschepolder...

Poortershaven treuzelt het treintje over de baan. Maar we komen aan den

Hoek. 't Is over tweeën.

Wij volgen niet den menschenstroom die uit den trein breekt en rechtsaf

van het station zijn weg zoekt naar het Noorderhoofd. Waar het

nieuwsgierig publiek heentrekt vindt een verslaggever juist doorgaans

zijn nieuws ~niet~.

Wij gaan ons voorstellen bij Hudig en Pieters, de agenten van de

Harwichlijn, op het kantoor, ondervragen een der leden van de directie

daar, haasten ons later naar de loods waar de lijken worden neergelegd

en waar ons voorloopig den toegang geweigerd wordt, ijlen dan weer terug

naar het station waar men in de derde klasse wachtkamer bezig is de

signalementen van lijken op te nemen, interviewen er wat dokters en

den secretaris van 's Gravezande, zoeken haastig onzen weg naar de

haven, maken er kennis met loodsen, fooien er een »uitkijk», leenen

zijn kijker, turen naar het wrak, vragen hier, vragen daar... En even

vóor drieën bied ik mijn eerste telegram aan, in duizend vrezen voor

het òverkomen, want de spoortelegraaf blijkt met dienstdepêches en

particuliere telegrammen overstelpt.

Langzaam, telkens in zijn werk onderbroken om aan 't loket kaartjes te

gaan afgeven, telt de ambtenaar de woorden van het volgende bericht, dat

het eerste resultaat van mijn verslaggeverswerk vormde.

»Met een trein die stampvol was van personen die op het treurige

nieuws van de ramp, der Harwichboot _Berlin_ overkomen, naar den Hoek

van Holland togen om er bijzonderheden betreffende het ongeval te

vernemen, velen ook om te zien of bloedverwanten en vrienden onder

de verongelukten waren, kwam ik hedenmiddag te twee uur alhier aan.

»Het weer was bedaard, maar nog stonden hooge, witgekuifde golven in

den Waterweg. Op den Noorderdam vlak voor den vuurtoren stak nog omhoog

het achtergedeelte van het gezonken schip. Het voorgedeelte was reeds

verdwenen. Midden tusschen de pijpen is de stoomboot doormidden

gebroken.

»Te vijf uur had men het vaartuig, dat op den gewonen tijd uit Harwich

was vertrokken, zien aankomen. Vlak voor den Waterweg zag men het

plotseling dwarszee gaan liggen en sloeg het op den dam. Er moet het een

of ander gebeurd zijn met de stuurinrichting; de plotselinge afwijking

van het schip uit zijn koers is anders, tenzij dan door een zeer

onverwachte en heftige windvlaag, niet te verklaren.

»De gezagvoerder Precious was een ervaren zeeman, die reeds jarenlang de

maatschappij diende en ontelbare reizen had gemaakt.

»Vuurpijlen rezen direct na het stranden van het schip op, doch schoon

dadelijk reddingbooten en sleepbooten ter assistentie vertrokken, er

viel geen hulp te bieden.

»Even halfzes zag men het electrische licht aan boord uitgaan. In

het duister moet toen een vreeselijk drama zich hebben afgespeeld.

De personen die zich in het voorgedeelte bevonden, de eerste klasse

passagiers dus, moeten door de golven weggeslagen, stuk voor stuk hun

graf in de zee hebben gevonden; wat van die op het thans nog omhoog

zittende achtergedeelte geworden is, is zelfs nog niet bekend, daar men

hier aan den wal niet weet of reeds een boot het wrak heeft kunnen

bereiken.

»Groot is de vrees dat het overgroote meerendeel der passagiers,

waarschijnlijk ongeveer negentig in getal en de bemanning uit 53

koppen bestaande, is verdronken. Reeds zijn 26 lijken aangespoeld of

opgevischt: 21 van mannen en 4 van vrouwen en een van een jongetje van

5 jaar ongeveer.

»In de wachtkamer derde klasse van het station Hoek worden zij

neergelegd en wordt ter identificatie het signalement opgenomen, waarna

zij worden overgebracht naar de loods der Nederlandsch-Amerikaansche

Stoomvaartmaatschappij.

»De geneesheeren Diamant van den Hoek, Ten Kate en Van Arkel uit

's-Gravenzande en Tiebout uit Maassluis verleenen assistentie, doch

schoon bij enkelen nog gepoogd is de levensgeesten op te wekken, bij

geen der aangespoelden is dit gelukt.

»Reeds zijn herkend de heer A. Kruger, verbonden aan de rijschool te

's-Gravenhage; L. H. Lamotte, woonplaats onbekend; Woods, een stoker;

mrs. Boomes, een stewardess en haar zoon, een matroos; W. J. Moor, de

chief steward; Patricks, matroos; en mr. C. W. B. Anderson, een

passagier uit Hull.

»Een passagier, zelf een gezagvoerder ter koopvaardij, is zwemmende

opgevischt in den Waterweg door de reddingsboot en ondergebracht in het

Hotel Amerika. Hij is echter nog te uitgeput om inlichtingen te geven.

»Naar verluidt heet hij Paterson. Men beweert, dat er nog een viertal

levende personen op het boven den dam uitstekende scheepsgedeelte zich

bevinden. Het wrak ligt echter midden in de branding op den keidam en de

golven stuiven er overheen.

»Tot de verdronkenen moet ook behooren een koerier van het Engelsche

Hof, op weg naar Berlijn en Kopenhagen.

»Enkele postzakken zijn opgevischt. Honderden menschen verdringen zich

aan het strand en op den dam, voor zoover die begaanbaar is. Men

verwacht dat nog tal van lijken zullen aanspoelen wanneer straks de

vloed opkomt. Reeds spoelen groote stukken wrakhout aan.«

Intusschen hadden mijn collega's, medewerkers aan het _Handelsblad_ niet

stil gezeten en een hunner, de vertegenwoordiger van ons blad te

Rotterdam, had geseind:

»Toen ik ongeveer één uur Hoek van Holland verliet, hing het achterschip

van de _Berlin_ nog altijd op de pier en zag men er van tijd tot tijd de

zeeën overheen slaan. De groote vraag is nu maar, of zich op dit stuk

nog menschen bevinden, hetgeen vermoedelijk bij laag tij zal zijn uit te

maken. Indien het schip het zoo lang houdt.

»Zelfs met de scherpste kijkers was niet na te gaan of wellicht nog

personen met den dood voor oogen hoopten op redding. Maar dit lag voor

zooverre voor de hand, wijl deze zooveel mogelijk beschutting zullen

hebben gezocht en zich niet aan de hooge golven en fellen wind zullen

hebben blootgesteld.

»Verder zal ook veel van het uithoudingsvermogen dier eventueele

overlevenden afhangen. Immers het was op den vasten wal al bitter koud

met die incidenteele sneeuwbuien; hoeveel te meer dan moest dit het

geval zijn op open zee.

»De stoomreddingboot _President Van Heel_ kon door de ongelukkige

positie van het schip dit tot dusver niet benaderen. Het stuk toch

hangt aan den noordkant, dus aan de buitenzijde van de pier, ten gevolge

waarvan de boot buitenom moet om het te bereiken en tot nog toe heeft de

woeste zee het vaartuig nog steeds teruggeworpen. Daarbij komt dat de

uiterste zeemanschap noodig is om het scheepje zelf niet te pletter te

laten loopen.

»De wachtkamer derde klasse van het spoorwegstation te Hoek van Holland

is ingericht voor het opnemen der aangespoelde lijken. Het station is

door militairen van het fort afgezet.

»Onder de verongelukten zijn er verscheidenen met zware kwetsuren. O. a.

was er het lijk eener dame, waarvan een arm was afgescheurd.

»Tot nog toe heeft men 25 lijken opgevischt. Zooals gemeld, is er onder

de aangespoelden een gebleken, die nog zoo volkomen bij zijn bewustzijn

was, dat hij iets van de ramp wist te vertellen. Het is kapitein

Parkeson, die als passagier de reis meemaakte. Hij is nog op de brug

bij den gezagvoerder geweest toen het schip vastvoer. Later zag hij

dezen en den loods van de commandobrug spoelen.

»Hij en ongeveer 100 opvarenden waren toen op het voorschip, dat

ongeveer half negen van het achterdeel afbrak en alle opvarenden naar

de diepte meenam. Het gelukte kapitein Parkeson een stuk wrakhout te

grijpen en zich daarop zoo lang drijvende te houden tot hij nog zelf de

stoomreddingboot kon aanroepen.

»De oorzaak van het onheil moet waarschijnlijk in wind en zee worden

gezocht. De gezagvoerder van de _Berlin_, kapitein Precious, was een der

meest ervaren schippers van de Maatschappij. Men tast omtrent het aantal

omgekomenen in het duister, doordien van de passagiers, die met deze

schepen worden vervoerd, geen lijsten worden gehouden.

»In elk geval zullen alles en alles wel een honderd passagiers aan boord

zijn geweest, wat, gevoegd bij de ongeveer 60 man equipage, ongeveer 160

dooden zou aangeven.«

Eerste indrukken.

Zoo was dan het publiek van de eerste bijzonderheden van den ramp

onderricht en kon ik mij rustiger wijden aan het verzamelen mijner

indrukken, kon ik ook wat tijd vinden om persoonlijk te trachten de

plaats des onheils zoo dicht mogelijk te naderen.

[Illustratie: De Noorderpier.]

Op den open weg, die over den havendijk, langs het pantserfort en het

dorp, dat »de oude Hoek« genoemd wordt, voert naar het strand en het

Noorderhoofd, blies recht van uit zee de felle Noordwester met zulk een

kracht vaak, dat het onmogelijk was er tegenin vooruit te komen. Het

hoofd diep gebogen, de pet ver over de ooren gehaald en met de handen in

de zakken mijn fladderende regenjas tegen 't lijf klemmend, bokste ik

tegen den wind op, tot ik stond aan het strand, te midden der honderden

toeschouwers die met ontzag staarden over de zee, waarvan de golven,

huizenhoog, op het strand losstormden. En de gebogen lijn van den

hoofdbouw volgend met het oog, trachtte men aan het einde van het

hoofd het wrak te ontdekken. Dáar, dicht bij den lichtopstand, dien

wij, landrotten, al een »vuurtoren« noemen, moest het liggen, het

jammerlijk overblijfsel van het ongelukkige schip met zijn twee, vier,

acht--hoeveel zou 't wezen?--rampzalige overlevenden aan boord.

[Illustratie: Nieuwsgierigen aan het strand.]

»O, de storm«--zoo schreef ik later neer wat ik daar dacht aan het

strand--»o, de storm die over onze lage polderlanden briescht, de popels

zwiepen doet, fluitend door de boerenlaantjes blaast, het slootwater

rimpelt en opstuwt tegen den wal, hij is een dartele knaap, onschuldig

in zijn onstuimigheid. En de storm, die over onze stad buldert, er met

schoorsteenen smijt en telephoonpalen omkegelt, hij is een lastige

kwajongen, niet meer. Neen zeker niet meer, vergeleken bij den

Noordwester Orkaan op onze kusten, dien Titan losgebroken uit zijn

cyclopenhol, die het zeewater geeselt, tot het woedend in torengolven

omhoog rijst, de dijken berent en de duinen beukt, die wolken de lucht

doorjaagt als reuzenhorden, die hagel en regen neerklatert op de aarde

als in ontzaglijken hoon over de gansche menschheid. 't Is als een dag

van wraak der elementen, zoo'n dag van storm op de kust; wraak der

elementen, lang meestentijds gebreideld door de kunst der menschen, maar

soms in vreeselijke rebellie opgerezen.

»Ver, ver in zee zijn uitgelegd de lange keidammen, de onwrikbare

bermen, die de golven dwingen tot rust, uitgelegd als armen, die de

schepelingen lokken tot de veiligheid van het land.

[Illustratie: Een drenkeling aangebracht.]

»Maar de noordwester breekt los, de golven zwellen, zwart is de nacht.

Sneeuw en hagel jagen in oogverblindende warreling door de lucht. Daar

nadert de groote boot, de nog nieuwe, sterke mailstoomer. Reeds ziet de

uitkijk op de brug de lichten op den wal. Daar is de haven. De reis is

volbracht. Nu grijpt de noordwester verraderlijk het schip, werpt zich

tegen den scheepsromp, klemt zich aan het roer, roept kolken en

grondzeeën als bondgenooten op.

»En op dienzelfden dam, op die »zeewerende« berm,--o bittere ironie van

het noodlot!--strandt het schip.

»Zoo ging het de _Berlin_, de schoone mailboot van de Harwichlijn, thans

een reddeloos wrak, dat honderd passagiers en vijftig man der equipage

niet eens meer tot laatste rustplaats dienen kan. Gebroken, versplinterd

is het her- en derwaarts langs de kust verspreid als wrakhout en de

opvarenden zijn verdronken, behalve een heel enkele.

»De Hollandsche kust heeft een scheepsramp te meer gezien.«

* * * * *

Nu en dan zag men op het strand, verderop naar den kant van

Scheveningen, een troepje menschen samenscholen om een donkere figuur

die neergestrekt lag op het bleeke zand. Dan holden de nieuwsgierigen

bij tien- en twintigtallen daarheen, onbegrijpelijk-belust op een

luguber schouwspel: dan was er een lijk aangespoeld.

Ze drongen er zenuwachtig omheen, half-angstig--de vrouwen vooral--om te

kijken naar het verwrongen, roodgezwollen gelaat en de spierwitte handen

van den doode, totdat een open wagen kwam aangerold over het strand, de

veldwachters met gezaghebbend gebaar ruimte kwamen maken en het lijk,

met een deken of wat zakken overdekt, werd weggereden naar het

station...

Of er kwamen sleepbooten en visschersschuiten den Waterweg binnen.

De vlag halfstoks... Dan werden er weer drenkelingen aangebracht.

Drie-en-dertig waren er 's avonds reeds, die in de loods der

Noord-Amerikalijn werden neergelegd. Wat er aan geld, waarden en

papieren op hen bevonden werd, werd in genummerde sigarenkistjes

geborgen en door den Burgemeester van 's-Gravezande, mr. J. Brunt,

in bewaring genomen. Dan werden de lijken gewasschen,--vreeselijke

arbeid, met bewonderenswaardige toewijding verricht door dr. Van Arkel,

zuster Postma, juffrouw Stolze van het station aan den Hoek, Kwikkel,

sergeant van den hospitaaldienst aan het fort en den ambtenaar der S.S.

Broekhout--vervolgens in witte lakens gewikkeld, zoodat alleen het

gelaat ter identificatie vrij bleef, en zoo neergelegd op in der haast

getimmerde met wit en zwart laken overtrokken britsen. Die werden in

lange rijen neergezet in de loods waarvan de wanden met krip, wit koord

en kransen behangen werden. Zoo werd het ruime lokaal ingericht tot een

groote doodenhal, waar de toeschouwers met ontblooten hoofde zwijgend

omgingen en de plechtige stilte alleen werd gestoord door den somberen

loei van een stoomboot in den Waterweg, een wanhoopsgil van een

locomotief buiten, en dof geklop uit de aangrenzende loods.... waar

men mèèr britsen timmerde èn doodkisten....

[Illustratie: De doodenhal.]

Ze lagen er zoo stil en vredig, de dooden, als rustten zij uit van den

vreeselijken strijd om het leven welken de meesten hunner gestreden

hadden, als vergaten zij in een weldadigen slaap alle doorgestane

ellende. Om meer dan éen in den dood verstarde lip was een lachje

bewaard gebleven, of een trek van vrede en berusting. Een knaapje van

vijf jaar, dat, in zijn matrozenpakje gekleed, was komen aandrijven,

lag er nu op de doodenbank zóo lieftallig in 't wit met de zwarte

krulletjes, nog vochtig van het wasschen, om de slapen, dat het leek of

hij zoo was ingesluimerd en straks door moeder naar z'n bedje zou worden

gedragen.

Men vertelde dat het ventje, Gustav Hirsch heette hij, alleen op weg was

van Londen naar Hamburg; en 's morgens was juist een telegram ontvangen,

waarin aan den stationchef werd verzocht het ventje goed op den trein te

zetten en te zorgen dat hij in Osnabrück zou overstappen. Daar zouden

vader en moeder hem wachten....

[Illustratie: De reddingsboot aan het werk.]

Diep ontroerend is de aanblik van de zaal der dooden, waar over het wit

en zwart der rouwkleeden en de roerlooze gezichten een rosse schijn van

de electrische gloeilampen ligt.

Maar, wonderlijk, minder hevig grijpt ons daar de tragiek van de ramp

in haar totalen omvang aan, dan de gedachte aan die twee, drie of vier

ongelukkigen, die nu nog op het op den dam vastzittende achterschip

zitten, wachtende hun redding of den dood.

* * * * *

Hun redding... De hoop van ons allen daar aan den Hoek is ervoor

gevestigd op de kloeke mannen van de stoomreddingsboot der

Zuid-Hollandsche Reddingmaatschappij »De President van Heel«, die reeds

van 's morgens even na vijven af zich met korte tusschenpoozen bij het

wrak ophoudt. Die korte tusschenpoozen, ze zijn niet om de bemanning

tijd tot rusten te geven, want zoolang er nog te redden valt willen

die moedige trotseerders van weer en wind en zee niet hooren van

rust. Maar als de vloed op 't hoogste is kunnen zij nabij het wrak

niets uitrichten, gaat zelfs elke ~poging~ tot naderen gepaard met

doodsgevaar, zou elk ~trachten~ om de redding te bewerkstelligen reeds

een roekeloosheid zijn.

[Illustratie: Kapitein Jansen.]

Maar telkens als het getij en het weder dienstig geacht worden gaat de

reddingboot weer uit; de mannen in hun oliegoed zwijgend op hun posten;

aan het roer kapitein Jansen, die 336 menschenlevens redde in veertien

jaar en wiens gelaat door dien langen strijd met orkanen en stormgolven

in droeve trekken van hardnekkigheid, van ietwat-sombere vastberadenheid

is gezet.

Ik sprak hem, toen hij te zes uur in den avond van dien noodlottigen

Donderdag weer even met zijn boot aan de ligplaats in de Berghaven

terugkeerde, vermoeid natuurlijk, maar kalm en welberaden als immer,

na zich den geheelen dag bij het wrak te hebben opgehouden.

»Zoo als wij 's morgens van de stranding hoorden»--vertelde hij--»zijn

wij er met de boot op uitgegaan. Het weer, meneer, was zoo slecht als

ik het ooit heb bijgewoond. Slechter mag ik niet zeggen, want ik heb al

heel barre stormen meegemaakt, maar wat in dit geval ons werk--negen man

had ik op de stoomreddingboot meegenomen--zoo moeilijk maakte, was de

positie van het schip. Buiten de berm erbij komen was onmogelijk, de

branding was te hevig, en binnen de berm hadden we geen ruimte. Al

dadelijk waren we dus op ons schietapparaat aangewezen en daarom had ik

dan ook een extra-man meegenomen. Maar de lijnen vlogen over het schip

heen en werden niet gegrepen. Eens hadden ze er een vast, maar toen

werden we net weer achteruit gesmeten en brak onze ankertros. Zonder

tros en zonder anker moesten we terugkeeren en toen we terugkwamen,

halfzeven ongeveer, was het schip gebroken. Je kon anders wel zien dat

het een sterk schip was, want waar andere vaartuigen van bovenaf door

midden breken, deukte deze boot slechts langzamerhand van onder en brak

daar het eerst,--natuurlijk op die harde steenen van den dam--en pas

daarna ook van boven. Voor dat dit gebeurde waren, meen ik, de kapitein

Precious en de vaste Hollandsche loods Bronders reeds van de brug

geslagen. Misschien bevonden zij zich ook te midden van de talrijke

passagiers, die zich op het voorschip bevonden en met dat gedeelte

onmiddellijk na het breken van het schip afgleden van den dam en

verdwenen in de diepte.

»Waren we door dat ongeluk met onze tros niet genoodzaakt geworden om

terug te keeren, dan hadden we misschien toen het schip brak nog enkele

schipbreukelingen kunnen oppikken; maar toch, de meesten zullen, zóo

als zij in 't water vielen, wel versteven zijn geweest van de koû of

verpletterd zijn geworden tegen de keien van het Noorderhoofd. We vonden

er maar éen levend ronddrijven op een stuk hout. Die haalden we op aan

een boothaak, maar anders zagen we rondom het wrak niets dan lijken...

Niets dan lijken»--herhaalde hij peinzend. »Maar op het wrak zijn nu nog

levenden. Hoeveel, dat weet ik niet, 't kunnen er twee, maar ook wel

vier of vijf zijn. Duidelijk is het niet te zien. Heel den dag zijn we

in de buurt van 't wrak geweest, soms wel naderend tot 10 M., maar dan

moesten we weer met volle kracht achteruit stoomen om vrij te blijven en

zelf niet verpletterd te worden. Langszij komen of een lijn uitbrengen

bleef onmogelijk.

»Een van de menschen aan boord schijnt wel uniform te dragen, misschien

de stuurman of een steward, en ook lijkt er nog wel een vrouw bij te

wezen. En dan is er een bij, die z'n schreeuwen hoor je boven den storm

uit. God, meneer, dat krankzinnige gegil gaat je door merg en been, en

maakt je gek bij de gedachte dat je er toch maar machteloos tegenover

staat Je mag nou eenmaal geen levens met levens koopen.... Maar vanavond

om elf uur gaan we weer naar buiten.«

De eerste geredde.

Eén enkele man van de ongeveer 150 personen, die aan boord van de

_Berlin_ waren, was op den dag van de schipbreuk gered. Men hoopte en

bad dat meerderen het leven er bij af zouden brengen, maar de nacht ging

in en nog altijd was het maar die éene.

Wij, de verslaggevers--ons aantal groeide bij 't uur--volgden elkander

op den voet, verloren elkaar niet uit 't oog, bang als we waren dat

de een eer dan de ander den geredde,--kapitein Parkinson heette

hij--spreken zou en de primeur van diens interessante ervaringen zou

hebben.

Dadelijk bij onze aankomst des avonds in het Hotel Amerika, waar de

geredde was ondergebracht, vernamen wij reeds het consigne: »Niemand

wordt bij den geredde toegelaten,« doch een _Handelsblad_-collega wenkte

mij terzijde en fluisterde geheimzinnig: »Ik heb 'm al.«

Hij, de bekende Haagsche »hoefijzer«-correspondent van ons blad, was uit

niet veel meer dan persoonlijke belangstelling naar den Hoek gekomen,

behoefde dus niet zooveel tijd te besteden aan het verzamelen van

bijzonderheden en was kalm in het Hotel Amerika gaan zitten wachten tot

Parkinson wakker zou worden.

Trouwens het geluk diende ook mij, want, tijdens een haastig middagmaal

mij even op het bovenportaal van het Hotel bevindend, zag ik hoe juist

iemand door mej. Tuin, de dochter van den hotelhouder, die den geredde

verpleegde, tot hem werd toegelaten. En ik zou geen goed journalist zijn

geweest als ik toen niet was meegegaan.

Ik combineer thans de interviews welke mijn collega en ik met den heer

G. W. Parkinson hadden.

Wij vonden hem natuurlijk nog te bed. Het bleek een forschgebouwde

vijftiger, met regelmatige gelaatstrekken, peper-en-zoutkleurig kort

geknipt haar en ernstige blauwe oogen. Blijkbaar was hij nog uitgeput

door het vreeselijke avontuur, dat hij had meegemaakt, en ik moest mij

zelf geweld aandoen om meer reporter dan mensch te zijn door hem te

komen lastig vallen om het verhaal van zijn wedervaren.

Vermoeid sloeg mr. Parkinson de oogen op toen ik de kamer binnentrad en

er klonk meer ernst dan scherts in zijn woorden, toen hij mij toevoegde:

»You reporters are terrible fellows.« Toch deelde hij mij welwillend

mede, wat hij vertellen kon, maar, zooals hij zelf zeide, van de oorzaak

der stranding wist hij niets. Hij bevond zich toch in zijn kooi toen het

ongeluk gebeurde, maar sliep niet, want juist was, zooals op de

Harwichbooten gebruikelijk is, de reveille geblazen.

»Zoodra ik door een hevigen schok voelde dat er iets niet in den haak

was, trok ik vlug enkele kleedingstukken aan en vervolgens vernemende

wat er gaande was, kleedde ik mij verder nagenoeg geheel aan, deed een

zwemgordel om, daar overheen mijn overjas en spoedde mij naar het dek.

»Op weg van Londen naar Harwich had ik nog iemand gezien dien ik kende,

een zekeren Holden, die voor zaken naar Moskou ging en vóór zijn

vertrek, evenals anderen, een verzekering van 500 pond sterling had

gesloten. Toen hij mij dat verteld had, zei ik hem dat hij de polis niet

bij zich had moeten houden, waarop hij antwoordde, dat ik gelijk had en

dat hij het document van Harwich uit terug zou zenden. Of hij dat nog

gedaan heeft, weet ik niet. Ik zag hem het laatst terwijl hij half uit

zijn kooi was gekomen en ik riep hem toe: »Good bye, Holden, perhaps

we'll never meet again.»«

Boven gekomen zag kapitein Parkinson dat het schip zich dwars over

een dam bevond, liggende in een vreeselijke branding, die er meters

boven uitsloeg, en vlak bij een vuurtoren. Zelf gezagvoerder ter

koopvaardij--hij was op weg naar Amsterdam om er het bevel op zich te

nemen over het stoomschip _Myrmidon_ van de Maatschappij »Ocean»--zag

Mr. Parkinson dadelijk de hachelijke positie van het schip in en deelde

hij zijn opinie daaromtrent dan ook onmiddellijk mede aan zijn collega

Precious dien hij op de brug aantrof met den loods en den stuurman.

»This is going to be a bad job,» zeide hij tot laatstgenoemden, en deze

antwoordde lakoniek: »It is.»

De hoofdmachinist kwam op dat oogenblik op de brug melden, dat de

machines fullspeed achteruitsloegen. De kapitein hoopte dan ook het

schip nog vlot te krijgen, doch spoedig bleek die hoop ijdel. Met

ontzaglijke stooten werd de »Berlin» telkens weer op den dam geslagen

en Mr. Parkinson begreep dat van behoud van het vaartuig geen sprake

kon zijn.

Intusschen zag hij de reddingsboot naderen en hij zoowel als zijn

mede-passagiers geloofden, dat deze buiten het hoofd om het wrak zou

kunnen bereiken. Dit was waarschijnlijk oorzaak, dat van een eigenlijke

paniek aan boord geen sprake was. Het einde kwam nog onverwacht: de boot

brak plotseling. Parkinson, die nog juist met zijn tweede stuurman had

staan praten, welke ook naar Amsterdam moest, werd, een oogenblik vóór

het schip in tweeën viel, overboord geslagen door een stortzee. Zijn

zwemgordel bracht hem echter weer boven water en dadelijk sloeg hij de

armen uit en begon te zwemmen. »Eerst trachtte ik»--zoo vertelde de heer

Parkinson--»een groot stuk wrakhout te bereiken, maar dat gelukte mij

niet. Zee na zee sloeg mij over het hoofd. Een tweede maal zag ik weer

iets in mijn nabijheid. Ik slaagde er in het te bereiken en te grijpen.

Het was een lijk, drijvend met het hoofd en de ledematen onder water.

Toen ik dat had losgelaten, zocht ik weer iets anders en slaagde er

eindelijk in een stuk hout te grijpen. Ik zag een boot die uitging, het

was een Engelsche boot en ik stak mijn stuk hout op om hun aandacht te

trekken. Ze zagen mij en schreeuwden mij iets toe, doch zij konden niet

bij mij komen. Telkens sloegen de zeeën over mij heen, ik kreeg veel

water binnen en werd koud en zeer slaperig. Ik voelde mij alsof ik zacht

en aangenaam in slaap begon te gaan.

»Toen kwam daar opeens de reddingsboot. Zij staken mij een bootshaak

toe, die ik greep en daarna trokken zij mij aan beide handen aan boord.

Nog juist bijtijds.

[Illustratie: Kapitein Parkinson verlaat hersteld den Hoek.]

»Maar even ben ik aanboord der reddingsboot bewusteloos geweest, doch

spoedig kwam ik weer bij kennis, trok wat jassen over mij heen en vroeg

om cognac. Anders gebruik ik dit wel nooit maar nu dacht ik dat het mij

goed zou doen. Ik kon echter geen druppel binnen krijgen.

»Ja, inderdaad, ik ben zeer gelukkig en dankbaar dat ik gered ben, maar

»oh, I am so sorry to hear, that I am the only one.««

Vol lof sprak de geredde schipbreukeling over de liefderijke verpleging

welke hij in het Hotel Amerika ontving, en van anderen hoorden wij hoe

hij uit dankbaarheid een gouden Chineeschen ring van zijn vinger had

genomen en die geschonken had aan mej. Tuin, zijn vriendelijke

verzorgster.

Reddingsplannen en -pogingen.

De nacht van Donderdag 21 op Vrijdag 22 Februari vlood heen met sneeuw-

en hageljachten, en 't gebulder van den Noordwester op de kust klonk als

de hoonlach van een reus over de wanhopige pogingen van zijn slachtoffer

om aan zijn geweld te ontsnappen.

De reddingsboot voer te elf uur in den avond uit en keerde te éen uur in

den nacht terug; weer voer zij uit te twee uur en viel om vier uur de

Berghaven weer binnen; en opnieuw werd de tocht naar het wrak te acht

uur in den morgen ondernomen, weer werd een uur lang rond het wrak

gekruist en nogmaals bleek nadering onmogelijk.

[Illustratie: De stoomreddingboot _President van Heel_ in de berghaven,

gereed tot vertrek.]

Een woord van hulde dient hier gebracht aan die 9 of 10 helden van de

zee, die sedert een etmaal en langer telkens maar weer »er uit« zijn

gegaan, nauwelijks even rustend tusschen twee vaarten, etend en drinkend

in der haast, slapend in 't geheel niet, en telkens maar weer wind en

weder trotseerend en het leven wagend, om dat van medemenschen te

redden.

Die helden verdienen zeer eervolle vermelding; hier volgen hun namen:

G. Jansen, kapitein; F. Seekles, stuurman; P. de Zeeuw, P. Hoogenraad

(die de eerste tocht meemaakte, doch later ziek werd) en A. Boon,

matrozen; S. Blokland, reservematroos en stoker en H. van Mastrigt,

los matroos; verder J. van Mastrigt, C. v. d. Haven, machinisten, en

eindelijk J. Boel, de stoker, die bij elke tocht in zijn stookplaats

wordt opgesloten, opdat de boot, mocht zij kantelen, niet vol zal

loopen. Ging de reddingboot te gronde, Jan Boel zou in zijn onderzeesche

gevangenis stikken maar niet verdrinken.

Terugkomende van hun laatstvermelde tocht in den morgen van Vrijdag

22 Februari rapporteerde de bemanning der reddingsboot, dat zij eerst

niets zag aan boord, maar op herhaald fluiten kwamen er nog twee man te

voorschijn, die waarschijnlijk voor de sneeuw beschutting hadden gezocht

in wat er nog van het huisje der stuurmachine was overgebleven. Een der

twee is een forsch gebouwd man, waarschijnlijk de tweede stuurman van

de »Berlin». Den ander meende men aan zijn gewone grijze reispet als

een reiziger te herkennen. Deze laatste wenkte nog flauwtjes naar de

reddingboot om te naderen, maar »veel leven zat er blijkbaar niet meer

in», zeiden de mannen.

De mogelijkheid bestond echter nog altijd, dat zich een of twee menschen

meer op het wrak bevonden, die reeds te zeer uitgeput waren om zich nog

te vertoonen. De bemanning van het stoomloodsvaartuig »Hellevoetsluis»,

dat te even acht uur het wrak was voorbij gevaren, had nog drie personen

aan dek ontwaard, die schuiling zochten achter de nog opstaande

luchtkokers. Eén hing echter meer dan hij stond, zoodat het wel

mogelijk werd geacht, dat deze reeds bewusteloos was of dood.

[Illustratie: Koos Schoonbeek, matroos van de Hoek-Kotter.]

De loodsleerlingen hadden ook nog er over gedacht met de jol te trachten

het wrak te bereiken, maar het was van hun schip af reeds te zien, dat

het, in den morgen althans, ondoenlijk was.

[Illustratie: P. Jansen, zijn maat.]

Later, ja later zouden ze verder zien. Want het was nu in de harten

dier kloeke varensgezellen als een wilde drang geworden, de arme

schipbreukelingen, wier gejammer zij door den storm heen op zich toe

hadden hooren klinken, te redden. Het koste wat het dan kosten moest.

»Daar is niks heldhaftigs in, meneer,» zei mij een van de wakkere

knapen, toen ik mijn bewondering over hun voornemen uitsprak, »'t is

zuiver menschelijk. Als jezelf dat geschreeuw van die menschen had

gehoord, dan rustte je ook niet voor je tenminste had geprobeerd ze d'r

af te krijgen; al had je je leven lang geen riem in je handen en geen

oliejas om je lijf gehad.«

O, er zijn daar in de bedompte kajuiten van de afhaalkotter aan den Hoek

en van de _Hellevoetsluis_ in dien morgen van Vrijdag den 22sten wat

stoute plannen gemaakt en wat stoere geloften gedaan!

De Prins op de plaats des onheils.

Den vorigen avond was reeds aangekondigd dat Z. K. H. Prins Hendrik der

Nederlanden een bezoek aan den Hoek van Holland zou brengen en de plaats

des onheils in oogenschouw zou nemen.

Zonder eenige ostentatie verscheen de Prins dan ook na een

automobieltocht door het Westland even voor tienen aan den Hoek, gekleed

in klein generaalsuniform, begeleid door zijn adjudant baron Van

Heemstra en in de gemeente 's-Gravezande, waartoe de Hoek behoort, door

den Burgemeester verwelkomd.

[Illustratie: Het wrak van uit zee gezien.]

Met deze beiden en de Commissaris van het Loodswezen aan den Hoek, den

heer J. J. van Heuvlen, scheepte de Prins zich spoedig na zijn aankomst

in op het inspectie-vaartuig van het Loodswezen, de »Jan Spanjaard« en

maakte hij daarmede een tocht naar het wrak dat nog altijd in dezelfde

positie op den dam lag en door de hooge zee--zoo vertelde mij kapitein

Jansen na zijn laatste tocht met de reddingsboot--daarop telkens werd

neergesmakt als ware het een oude mand.

Van iemand die de tocht met de »Spanjaard« meemaakte vernam ik dat dit

vaartuig tot op 150 M. van het wrak genaderd werd. Groote gaten bleken

al in den scheepsromp te zijn geslagen, zoodat men van buitenaf er in

kon zien. Waarschijnlijk was het de ketel waar men zoo tegen aankeek.

Verder zag men het rooksalon en het stuurhuis boven elkaar en een

wandeldek.

In een hoek, tegen het salon aangedrukt, zag men de schipbreukelingen:

drie, vier of meer. Ook dacht men soms nog een hoofd te zien in het

stuurhuis, doch de telkens overslaande golven maakten het duidelijk

waarnemen onmogelijk.

Vreeselijk vooral was het om te zien hoe klein de afstand is tusschen de

schipbreukelingen en den vuurtoren. Men zou zeggen, dat zij slechts over

de steenen van den dam, er heen hadden te loopen, doch niets kan op den

dam als daarop telkens de geweldige branding losbreekt, staande blijven.

Trouwens, al kwamen de schipbreukelingen tot aan den ijzeren toren, zij

zouden er niet beter bereikbaar door zijn, zoo meende men.

Te half twaalf ongeveer keerde Prins Hendrik van zijn tocht naar het

wrak met de »Spanjaard» terug. Het vaartuig meerde aan den aanlegsteiger

der Holland-Amerikalijn, waar Z. K. H. werd begroet door de heeren

Moens, Wiersma en Bick, respectievelijk president, vice-president en

secretaris der Zuidhollandsche Reddingmaatschappij.

Prins Hendrik begaf zich in de tot chapelle ardente ingerichte loods,

waar de lijken lagen der drenkelingen, wier aantal toen tot 37 was

aangegroeid, terwijl bericht ontvangen was, dat er nog 7 aan de andere

zijde van den Waterweg waren aangedreven. Nog lagen gelijk den dag te

voren de gezichten, waar thans de onnatuurlijke zwelling uit verdwenen

was, rustig in het starre wit der lijkkleeden, die bij sommigen

gruwelijke verminkingen bedekten.

Het aantal der herkende lijken steeg met het totaal aantal aangespoelde

drenkelingen, maar toch moest nog op meer dan éen der lichamen het

aandoenlijke opschrift »onbekend» gehandhaafd blijven.

[Illustratie: De Prins op weg naar den doodenhal.]

Ook werden voortdurend meer namen bekend van personen die zich aan

boord der »_Berlin_» moesten hebben bevonden. Angstige familieleden

en vrienden kwamen op het bureau van Hudig en Pieters informeeren naar

namen op de passagierslijst die er, helaas, niet was, of gingen met

verslagen gezichten de doodenrijen langs, half hoopvol, half angstig de

dierbaren te zullen herkennen waarnaar zij zochten. Of wel zij zaten in

de rumoerige stationswachtkamer, waar den heelen dag een herrie was als

in een Monnikendammer herberg bij vriesweer, in de rustigste hoeken maar

lijdzaam te wachten, te wachten. Jonge meisjes, grijze mannen, angstige

vaders, zielsbedroefde moeders, bezorgde vrienden, zij wachtten maar,

zij wachtten...

Men vernam aan den wal onder andere dat de King's Messenger, de

Engelsche hofkoerier, Arthur Herbert, die op weg was naar Berlijn en

Kopenhagen, verdronken was. Zijn lastbrief werd opgevischt en kwam later

in handen van den Engelschen gezant te 's Gravenhage. Ook spoelden er

later twee postzakken op het strand die het Engelsche koninklijke zegel

dragen. Zij bleken echter gescheurd en de inhoud ervan was verloren

gegaan.

Prins Hendrik begaf zich van de loods der Holland-Amerika-lijn, waar de

lijken lagen, naar de Berghaven, waar hij de bemanning der reddingboot

aan zich deed voorstellen en zich door kapitein Jansen liet voorlichten

omtrent de inrichting van de boot en de moeilijkheid van de redding. De

Prins gaf het verlangen te kennen, wanneer in den middag weer de boot

zou uitgaan, haar te volgen op het inspectie-vaartuig van het

loodswezen.

[Illustratie: De Prins begeeft zich aan boord van de _Hellevoetsluis_.]

Z. K. H. bracht voorts een bezoek aan den geredden kapitein Parkinson,

die nu in zijn kamer in het Hotel Amerika weer op de been was. De Prins

wenschte hem hartelijk geluk met zijn redding en informeerde naar zijn

toestand, die toen gunstig bleek te zijn, al stond de dokter den geredde

ook nog niet toe te vertrekken.

Enkele bijzonderheden betreffende zijn redding werden door mr. Parkinson

den Prins meegedeeld, welke laatste daarna met een handdruk en een »God

bless you!" afscheid nam.

Hoe er elf gered werden.

Het leek wel even of door het vorstelijk bezoek aan den Hoek van

Holland de belangstelling voor de eigenlijke aanleiding tot dat bezoek

verminderde, de aandacht van de ramp werd afgeleid. Maar dadelijk nadat

de Prins, na een eenvoudigen lunch in het stationsgebouw, zich had

ingescheept op het stoomloodsvaartuig de _Hellevoetsluis_, concentreerde

zich de aandacht van al de duizenden die zich op dat oogenblik aan den

Hoek bevonden weer geheel op het wrak, op de enkele schipbreukelingen

die daar nog levend op vermoed werden en op de reddingspogingen die nu

opnieuw een aanvang zouden nemen.

[Illustratie: De _Hellevoetsluis_.]

Men voelde het als bij gemeenschappelijke ingeving: thans, onder het oog

van den Prins, zou het er om gaan.... nu of nooit!

O, hoe volgden wij van den wal, door kijkers of met het bloote oog de

manoeuvres van de booten, die op redding uittogen. Hoe gaarne waren

wij, verslaggevers, meegegaan op die tocht, maar wij mochten ons niet

blootstellen aan de kans, op het gewichtigste oogenblik van alle

communicatie met den wal en dus ook met onze redacties te zijn

afgesneden. Wij stonden toch al duizend angsten uit voor het overkomen

van onze telegrammen, die naar we wisten met de depêches van onze

Engelsche, Duitsche en Fransche collega's op stapels lagen aan het

telegraafkantoor, dat over zijn eene lijn seinde zoo hard als het kon,

maar al het nieuws niet vermocht te verwerken.

[Illustratie: De Reddingsboot _President van Heel_ uitvarende naar het

wrak.]

We moesten dus voor het tijdig overkomen van onze berichten maar op ons

goed gesternte vertrouwen en verder doen wat voor het oogenblik te doen

viel: het reddingswerk van den wal af volgen zoo goed als het ging.

Ik bevond mij in den »uitkijk» van het Loodswezen aan de Berghaven en

volgde door een kijker de bewegingen van het reddings-eskader. Want dat

was het nu geworden. De reddingsboot _President van Heel_ was te éen

uur uitgevaren en de stoomloodsboot _Hellevoetsluis_, aan boord waarvan

zich Prins Hendrik bevond, volgde haar. Tevens voeren naar het wrak uit

de _Katwijk_, een sleepboot, van den internationalen sleepdienst, en de

_Hoek van Holland II_, een vaartuig van den onderhoudsdienst der

havenwerken.

Nabij het wrak gekomen, aan de binnenzijde van het Noorderhoofd gingen

de grootste dezer vier vaartuigen ten anker, zoo, dat zij evenwijdig

aan den keidam lagen, waardoor tusschen haar en het steenen hoofd een

gedeelte van tamelijk kalm water ontstond waarin de reddingboot en zelfs

sloepen beter konden manoeuvreeren. De bemanning van de reddingsboot was

van plan te trachten den vuurtoren te bereiken en van de ijzeren trap

daarvan een lijn te schieten naar het wrak. Inderdaad gelukte het een

der mannen, ~H. van Mastrigt~, den dam te bereiken, ongeveer 100 meter

van het wrak verwijderd naar den vasten wal toe.

Maar verder scheen men langen tijd niet te komen, althans men zag van

den wal af de jol van de reddingboot heen en weer varen tusschen de boot

en het hoofd, zonder dat echter meer mannen met Van Mastrigt op de pier

kwamen, welke laatste ten slotte ook weer aan boord terugkeerde.

Dit talmen maakte, zoo hoorde ik later, allen die aan boord van de

»Hellevoetsluis» waren zeer ongeduldig en de matrozen van het Loodswezen

brandden van verlangen om met hun jol te trachten het hoofd te bereiken.

Vier hunner, van de afhaalkotter van den Hoek, die naar buiten waren

gesleept in hun eigen jol achter de reddingsboot aan, gingen het eerst

probeeren aan wal, dat wil zeggen, op den dam te komen. Het waren ~Klaas

Ree~, ~T. Van Duyn~, ~P. Jansen~ en ~Jac. B. Schoonbeek~. Laatstgenoemde

zat voorin met een tros om den nek, gereed om op de pier te springen.

Maar zoo als de jol zelfs in het stille water nog heen en weer gesmeten

werd, bleek het ten slotte veiliger de achtersteven het eerst op de

keien te zetten. De tros ging over in handen van Klaas Ree, die achterin

zat en op een gegeven oogenblik, schoon er nog een heel stuk water

tusschen de jol en den dam lag, floep, op de basaltkeien sprong. En

de andere dappere drie hem achterna. Daar stonden ze op den kop van

de pier, tot aan den hals in 't water, terwijl de branding om hen heen

raasde en hun woedende brekers over 't hoofd joeg. Met hun vieren zouden

ze 't niet klaar spelen; dat was zoo wel te zien. Er moest assistentie

komen. Nu, daar op de loodsboot hadden er al wel een stuk of tien

staan popelen om een handje mee te helpen en toen schipper Berkhout

vrijwilligers opriep, was meteen zijn heele jol bemand door de

loodsleerlingen ~H. Vermeulen~, ~C. de Gorter~, ~J. Braam~, ~P. Ruyg~,

~M. J. Regoort~ en ~J. Steehouwer~.

[Illustratie: Schoonbeek, Jansen, Van Duijn en Ree de loodsleerlingen.]

Ook zij verdienen openlijke vermelding, want het was voor niet minder

dan een heldenonderneming dat deze mannen zich vrijwillig aanmeldden.

Zij moesten toch met de andere vier langs den dam, die telkens onder

water stond en door stortzeeën werd overspoeld, trachten het wrak te

bereiken. En inderdaad het gelukte hun. Nu eens hard loopende door een

»los zeetje« heen, dan weer op den buik kruipende om niet weggeslagen te

worden door de brekers, wisten zij onder bij het schip te komen en een

daarvan afhangende lijn vast te maken aan een stang van den lichtopstand

waar Jacob Schoonbeek ingeklommen was. Zoo werd de verbinding met het

wrak tot stand gebracht.

Maar welk een verbinding was het! Een zwiepend lijntje over een hoogte

van zes of zeven meter gespannen, geen kabel waarlangs een veilige

»reddingsbroek« kon glijden. Een wrak eind touw alleen, waaronder de

branding kookte en raasde en waarlangs de schipbreukelingen zich moesten

laten glijden, terwijl zij met handen en voeten zich vasthielden,

een gymnastische toer, die krachtige mannen met ijzersterke zenuwen

allerminst licht zou lijken. En nu moest die verricht door mannen en

vrouwen, die 34 uren achtereen aan koude, honger en overslaand water

waren bloot gesteld geweest met de ontzenuwende gedachte, dat elk

oogenblik hun laatste uur kon zijn geslagen.

Maar och, hoe hangt de mensch aan het veege leven! Elf menschen, drie

vrouwen en acht mannen, volbrachten het waagstuk, gleden langs de lijn

op den dam neer en werden daar door de redders opgevangen en in de

wachtende jol van de reddingsboot geholpen. Terwijl stuk voor stuk de

menschen zich vastklemden aan de lijn en zich zakken lieten--en het was

voor allen ter redding aanwezigen een blijde verrassing, dat er nog

zooveel levend aan boord bleken te zijn--werden nog eens de jol en de

reddingsboot weggeslagen.

Juist hing toen een vrouw, die op het uitstekende berghout van het wrak

was blijven zitten, aan de lijn en dorst zich, neerziende in de kokende

golven onder haar, niet te laten glijden, hoe ook de redders op de pier

en de toeschouwers op de booten haar moed toeschreeuwden.

[Illustratie: De vrijwilligers van het loodswezen bij het reddingswerk.]

»'t Arme schepsel, meneer«--vertelde mij later Koos Schoonbeek--»zat

maar als 'n lijk op dat berghout. Soms blies ze op d'r verkleumde handen

en dee dan zoo machteloos dat ik maar tegen d'r zat te gillen: Hoû je

vast! Hoû je vast! Nou ze hield zich vast, maar daar kwammen we niet

verder mee. De zee begon dan toch wel weer zoo barbaarsch te doen, dat

ik op 'n gegeven oogenblik dacht: Jonge, Koos, zoo kon je wel eens

alleen op dien lichtopstand blijven zitten. Je moest maar liever

probeeren bij de maats op het eerste baken te kommen. Maar, och God,

zooals dat mensch jammerde toen ze mijn naar benejen zag gaan en over

de pier terugloopen. Ik riep wel van we komme terug! maar dat scheen ze

niet te hooren en werachtig, meneer, daar laat ze in eene van dat touw

los en slaat naar beneje. Ik dacht dat ze verloren was, maar we konden

ze nog net te pakken krijgen in 'n golf en zwemmende bij de anderen

brengen in de jol. En zoo kwam zij ook eerst aanboord van de reddingboot

en later, toen de Prins dat zoo gecommandeerd had, aanboord van de

_Hellevoetsluis_.«

Het oponthoud, hierboven beschreven werd noodlottig voor de laatste drie

overlevenden die zich op het wrak bevonden, twee vrouwen en een meisje.

Het water was hooger en woeliger geworden, haar zenuwen waren uitgeput

en zij durfden den tocht langs de lijn niet wagen.

Een psychologisch raadsel blijft het, hoe een mensch een groote kans

op den dood kan verkiezen boven een even groote kans op het leven. Wij

zullen het niet trachten op te lossen; de tragische waarheid is daar: de

vrouwen durfden niet.

En de verbinding ~moest~ verbroken. Men mag geen levens met levens

koopen. Hoe ook de arme schepsels jammerden en smeekten, de booten

moesten weg...

Oh! Er zij niemand, rustig aan zijn tafel gezeten, die nu aan het

critiseeren van de redders ga en vrage waarom zij niet bleven. Wie

later, zooals ik, de mannen sprak die hun triomf over het redden van

elf menschenlevens vergaten in treurnis over de drie andere, die zij

in doodsgevaar laten moesten, weet dat slechts door uitersten nood

gedwongen de reddingspoging werd afgebroken.

De drie vrouwen, die achterbleven op het wrak, waren: Fräulein Theile

uit Dresden en Frau Wennberg uit Berlijn, beiden behoorende tot een

uit Londen terugkeerend Duitsch operagezelschap, en het zestienjarige

dienstmeisje van laatstgenoemde, Minna Ripler geheeten. Goddank behoefde

niet alle hoop op het behoud dezer drie opgegeven te worden. Dezelfde

nacht te 1 uur zou opnieuw de reddingsboot uitgaan, alsmede de

»_Hellevoetsluis_» en de zeesleepboot »_Wodan_.» Dan zou men trachten

met ladders het wrak te beklimmen en de drie vrouwen naar beneden te

brengen.

* * * * *

Maar nu de geredden! Uren aaneen stonden wij bij honderden op de kaden

te wachten in snijdende koude en verblindenden sneeuwstorm om ze te zien

aankomen. Want dat zij komen zouden was gemeld, en passeerende booten

seinden reeds »vijf gered,» »tien gered.»

De »_Hellevoetsluis_» bracht ze aan. Wel waren ze eerst aan boord van de

reddingsboot geweest, maar aan boord van de groote loodsboot was beter

gelegenheid tot verpleging en het was--zooals reeds hierboven werd

gemeld--op uitdrukkelijk bevel van Prins Hendrik, die van 1 uur tot half

zes het reddingswerk bijwoonde, dat de geredden naar de

»_Hellevoetsluis_» waren overgebracht.

De reddingsboot werd in de haven met hoera's begroet en men drukte

Jansen, den schipper, bij het aan wal stappen hartelijk de hand.

Gejuich ging ook op toen van de »_Hellevoetsluis_» op baren de geredden

aan wal gedragen werden.

Heel voorzichtig werden ze uit de kajuit naar boven en aan wal gebracht.

Wat zagen ze er zwak en hulpeloos uit en hoe verwezen staarden ze uit de

holle oogen naar de menschendrukte om zich heen!

De namen der geredden waren toen nog niet bekend, doch later vernam

ik ze. Het waren de dames Gäbler uit Dresden, Buttel en Schröter uit

Berlijn, allen behoorende tot het reeds genoemde operagezelschap,

Jaboulet de Riveichere van Tain, La Drôme in Frankrijk, Herr Harold

Brödessen, Lessingstrasse, Altona en Emil Jung uit Brunswijk afkomstig,

doch sedert jaren in Engeland wonende. En van de bemanning Carter,

steward, Fisher, matroos, Pond en Reycraft, stokers, en Farthing,

dekjongen.

Deze laatste, een boy van 'n jaar of vijftien, was nog zoo flink, dat

hij met 'n sigaar in het hoofd de loopplank overkuierde en naar het

Hotel Amerika gewandeld zou zijn, wanneer er geen dokters aanwezig waren

geweest om zulk een gevaarlijk vertoon van »Ausdauer» te verbieden. Nu

werd hij evenals de andere geredden, in welwillend daartoe geleende

automobielen naar het hotel gereden.

Ook prins Hendrik was inmiddels aan wal gegaan, en nimmer te voren zagen

wij den vorst met zulk een hartelijk gejuich begroet. Het »hoera» en

»leve de Prins«! klonk voort tot Z. K. H. zijn automobiel weer bestegen

had en, na afscheid van den burgemeester genomen te hebben, was

weggereden naar Den Haag.

Ik geloof niet dat het te boud gesproken is, wanneer ik zeg, dat deze

dag, waarop de Prins zich zoo één heeft getoond met de besten van ons

volk, met de zeehelden ~onzer~ eeuw, hem meer populair heeft gemaakt dan

alle andere dagen, welke hij in ons land doorbracht.

De eerste mededeelingen der geredden.

De geredden, bij Tuin in het inderhaast als hospitaal ingerichte Hotel

Amerika veilig ondergebracht, waren te vermoeid, dan dat journalisten

tot hen toegelaten konden worden. Toch kwam ik uit de tweede hand, maar

van volkomen betrouwbare zijde, het volgende omtrent hun wedervaren

te weten: Na het scheuren van de boot waren er betrekkelijk nog veel

menschen op het wrak overgebleven, doch de beperkte ruimte en het gebrek

aan houvast was oorzaak, dat de talrijke stortzeeën telkens nieuwe

slachtoffers maakten; nu een en nog weer eens een, soms twee en drie

tegelijk werden weggesleurd en verdronken voor de oogen der anderen, of

werden te pletter geslagen op den keidam. Even voor dat de redding

opdaagde, werd nog een vrouw over boord geslagen.

De overgebleven veertien schuilden samen tegen de overblijfselen van

het rooksalon, waar zij tenminste droog zaten, maar zoo nauw drongen

zij er in doodangst op elkaar, dat zij elkander de kleeren van het lijf

rukten en de ledematen kneusden. Enkelen hadden dan ook op het laatst

niet meer dan het ondergoed aan het lijf en van Fräulein Gäbler waren de

beenen zwaar gekneusd.

Allen waren uit over de liefderijke hulp welke zij aan boord ontvingen

en vooral over de beminnelijkheid van den Prins, die zelf hielp de

drenkelingen van droge kleeren en dekens te voorzien en zijn

pelsuniformjas uittrok om Fräulein Schröter daarin te wikkelen.

Uit den mond van kapitein Parkinson zelf, die zooals ik reeds meldde

Vrijdagavond weer op was en zich weer flink en tamelijk sterk voelde,

hoorde ik nog een tragische bijzonderheid van wat na het breken van het

schip op het wrak voorviel. Even voor hij van boord geslagen werd, zag

hij in een hut Frau Wennberg zitten met op de schoot haar kindje, dat er

uitzag alsof het reeds van schrik en koude gestorven was. De echtgenoot

van Frau Wennberg, welke laatste op het wrak was achtergebleven, lag

reeds in het treurhuis. Hij was een der eerst aangespoelde lijken.

De laatsten gered.

Nauw was ik Zaterdagmorgen, den 23sten Februari, uit den alweer

stampvollen trein gestapt--elken avond moest ik namelijk, in den beginne

althans, zoolang de seincapaciteit van het telegraafkantoor aan den Hoek

te wenschen overliet, naar Rotterdam om daar mijn groote telegrammen aan

te bieden. Menig telegram gaf ik ook overdag mee aan passagiers in naar

Rotterdam vertrekkende treinen, passagiers, die er fatsoenlijk genoeg

uitzagen om hun een telegram toe te vertrouwen en toch ook weer niet zóo

deftig, dat ik ze voor hun bereidwilligheid geen belooning in geld kon

aanbieden.--Nauwelijks, zeg ik, was ik Zaterdagochtend uit den trein

gestapt of reeds drong de vreugdetijding tot mij door: Ook de drie

laatst overlevenden zijn gered en liggen goed verzorgd »bij Tuin.«

In éen ren, kruipende onder spoorwegafsluitingen door, springende over

hekjes, dravende over stationsemplacementen, haastte ik mij naar de

Berghaven om er van mijn vaste, betrouwbare berichtgevers bevestiging

van het goede nieuws te verkrijgen. En daar hoorde ik allereerst

dat voor de redding der drie vrouwen op het wrak den vorigen avond

verschillende plannen waren gemaakt. De reddingsboot zou weer uitgaan

met een jol achter zich aan, waarin de vier matrozen van den Hoekkotter,

wier namen ik ook reeds meldde. Verder zou men trachten met een wagen

met ladders het wrak over den dam te bereiken.

Maar het werd een edele wedstrijd onder de redders, een wedstrijd, ten

slotte gewonnen door een ~outsider~.

Die »outsider« was ~Martijn Sperling~, schipper op de blazer _Van der

Tak_, een bekend duiker en menschenredder, afkomstig van Ouddorp en

wonende te Dordrecht in de Wijnstraat.

Waar Sperling te vinden! Aan boord van zijn blazerschuit was hij niet.

Waarschijnlijk zat hij bij den barbier. Ik naar dien barbier, onder

geleide van een neef van den schipper, L. Sparling genaamd, die zich

onderweg wel ontvallen liet dat hij ook bij de redding tegenwoordig was

geweest maar verder niets los wou laten. »De schipper moet het u maar

vertellen« was zijn antwoord op al mijn vragen.

De schipper zat werkelijk bij den barbier te wachten om onder het mes te

komen, maar gelukkig kostte het mij niet veel moeite hem mee te krijgen

en spoedig zaten wij achter de koffie in een klein, stil kroegje. De

beide neven Sparling zaten erbij.

Sperling is een kort, vierkant mannetje, met een rustig gezicht, dat

door zware rimpels boven de oogen en een dikke bruine snor iets norsch

heeft. Maar boos of kortaf is Sperling heelemaal niet. Ook wel niet

buitengewoon spraakzaam, maar het ligt blijkbaar geheel aan zijn

overgroote bescheidenheid, dat men hem de antwoorden wat uit den mond

moet halen, hem wat aan 't spreken moet brengen. Nu is dat gelukkig voor

een reporter geen kunst....

[Illustratie: De vier redders van de blazerschuit L. Sparling, G.

Moerkerk, C. Sparling, M. Sperling.]

En zoo kreeg ik zijn verhaal:

»Ja, 's middags was ik mee naar buiten geweest. Ik had de arme schepsels

hooren schreeuwen en ik dacht zoo bij m'n eigen: die hebben er nou lang

genoeg op gezeten, die moeten er af. Met kapitein J. van Rees van de

zeesleepboot _Wodan_ maakte ik een plannetje en vannacht om een uur liet

ik me met hier Kees en Leen en Georg Moerkerk met de _Valk_ aan boord

van de _Wodan_ brengen.

»Wij vonden weer een woeste zee. Nog altijd sloegen de brekers over het

schip en drie of vier voet water stonden geregeld op den dam.

»We gebruikten de _Wodan_ als golfbreker, legden haar langszij den

steenberm en in het stille water daartusschen gingen wij er met de vlet

op uit.

»Ik waadde eerst naar den dam en zette er tusschen de steenen een lijn

vast. Daarlangs kwam ook Kees op het hoofd en arm in arm waadden wij

naar den lichtopstand onder het wrak langs. We grepen onderweg de lijn

die van gisteren nog van het wrak afhing en zetten die vast op den

lichtopstand, een meter of 2-1/2 hoog, zoodat de lijn niet zoo steil

stond en we ook mochten hopen, dat de menschen bij het afglijden niet

in het water zouden terecht komen.

[Illustratie: Moerkerk.]

»Toen ben ik langs de lijn op het dek geklommen.

»Ik vond aan boord de drie vrouwen, zittende op een bank op het

wandeldek onder het sloependek; een elf of twaalf lijken lagen nog in

het rond van menschen die zeker door kou en ontbering waren omgekomen.

»De drie nog levende vrouwen waren door en door nat en haar beenen waren

vreeselijk gezwollen. Alle drie vielen ze mij, toen ik bij haar kwam, om

den hals en wilden maar niet loslaten. Guter Mann! en Dank! Dank! zeiden

ze voortdurend.

»Maar ik moest daar op dat oogenblik niets van hebben. We moesten voort,

zoo gauw we konden, want het wrak slingerde als de weerlicht en het dek

werkte zoo, dat er scheuren in gaapten, open en dicht, alsof het monden

waren.

»Ik zei dus tegen de vrouwen: zitten blijven en mond houden hoor, anders

ga ik weer terug. Ik spreek wel niet veel Duitsch en zij niet veel

Engelsch, maar och in zoo'n toestand versta je mekander wel.

»Ik moest nog een lijn hebben,« zoo verhaalde Sperling verder. »Want

alleen, dat kon je zoo wel zien, kwamen die vrouwen niet van het schip.

Ik moest ze langs de uitstaande lijn afvieren. Daarom klom ik in een

sloependavid en schoor een takel uit.

»Met een flinke lijn kwam ik toen weer beneden. Dat dienstmeisje dat er

bij is, was nog wel zoo flink en bij haar positieven dat ze zeide: »Neem

haar maar eerst. Ik zal nog wel blijven.«

»Nou, zelfs in al de herrie vond ik dat zoo ferm dat ik tegen haar

zeide: »Je bent een moedige meid«. Maar toen moest ik weg. Dus nam ik

de eene dame, fräulein Theile was het, om het middel en droeg haar of

liever sleepte haar half over het dek naar de verschansing waar de lijn

uitstond.

»Dat was een afstand van een meter of zeven en onderweg raakte haar eene

voet beklemd in zoo'n dekscheur. Ik merkte het eerst toen ze gillend

uitriep »mein Fusz.« Toen moest ik haar voet met geweld losrukken.

Gelukkig was die niet gebroken.

»Eindelijk had ik haar bij de verschansing en schoon ze half bewusteloos

was en me niet verstond toen ik zei dat ze het touw moest vasthouden,

wist ik haar toch zoo neer te zetten dat ze tenminste een arm losliet en

ik haar mijn vrije lijn tweemaal om het lijf kon draaien en zoo

aansjorren dat ze er niet in vastklemde.

[Illustratie: Sperling, de Sparling's en Moerkerk, redders van de drie

laatste schipbreukelingen in hun vlet.]

»Toen tilde ik haar over boord en riep: »Kees halen.« Zachtjes gleed ze

naar beneden en kwam veilig bij den toren aan, waar Kees haar op mijn

bevel vastbond aan het ijzer van den opstand anders was ze er ook

sekuur afgeslagen, zoo slap was ze.

»Op dezelfde wijze ging ik te werk met mevrouw Wennberg, die me dadelijk

begon te praten over haar man en haar kindje die dood waren, het kindje

dat in haar arm was gestorven.

»Ja maar, antwoordde ik, daar moet je straks maar over denken. Want nu

moet u eerst van boord. Zie je, meneer, dat wrak dat slingerde zoo onder

je voeten, dat ik elk oogenblik dacht dat het dek onder mij zou

bezwijken.

»Gelukkig dat het dienstmeisje nog zelf loopen kon, want dat ging heel

wat gauwer. Toen wij de drie vrouwen veilig aan den voet van den toren

hadden, moesten we van daar naar onze vlet, die bij de eerste lantaarn

lag. Fräulein Theile kon niet loopen, daarom nam Kees haar op zijn rug.

»Telkens als er een breker aankwam waarschuwde ik hem, dan moest ie zijn

eigen schrap zetten tegen de paaltjes van de berm, en als er dan weer

een zee over was geweest, dan ging het maar weer hard loopend op de jol

aan, waar hij haar eindelijk veilig in kreeg.

»De twee andere vrouwen namen we toen tusschen ons in. Ze konden nog

wel zoowat loopen en gauw hadden wij haar in de vlet waarmee wij haar

naar de _Wodan_ roeiden. Daar gingen ze ferm onder de dekens, na warm

gewreven te zijn, want de stumpers waren totaal verkleumd, en kregen ze

gloeiende kruiken aan haar voeten, die wel heelemaal bevroren leken, zoo

dik en stijf en wit waren die.

»Zoo brachten we ze aan wal aan den Harwichsteiger, van waar ze naar het

Hotel Amerika werden vervoerd.

»Hoelang de redding wel duurde, meneer? Het eigenlijke redden een half

uur. Misschien, maar waarachtig op zoo'n oogenblik let je op geen tijd.

Om vier uur hadden we ze aan wal, net toen het weer kalmer werd. Was het

altijd geweest als nou, dan hadden we ze er allemaal den eersten dag al

afgekregen. Maar met dit schip heeft alles tegen gezeten: weer en wind

en tij.«

[Illustratie: Kees Sparling draagt Fräulein Theile door de branding.]

Dit gansche relaas van wat niet meer of minder was dan een heldenfeit

heeft schipper Sperling mij zitten doen, zoo rustig, zoo zonder

eenigen ophef, als was het de doodeenvoudigste zaak ter wereld, die

ieder ander ook zoo behandeld zou hebben als _hij_ nu niet toevallig

het eerst daar geweest was. En zijn neven, de beide Sparlings,--ook

de dappere Kees die fräulein Theile op zijn rug genomen had--zaten er

kalmpjes bij, zeiden geen woord en knikten alleen maar eens nu en dan

van »ja, zoo was het.«

En toen ik niets meer te vragen wist en zij niets meer te vertellen

hadden, gingen zij zich weer bedaard laten scheren.

Helden in uw schipperstrui, onze bewondering gaat naar u uit!

Zorg voor levenden en dooden.

Het was dien 23sten Februari in den Hoek van Holland plotseling of men

er vrijer ademde, of de zon helderder scheen, of men er weer vroolijker

lachen durfde: Het reddingswerk was volbracht.

Wat levend bleef na de ramp op den Noorderdam bij den Hoek van Holland,

na het ondergaan van de trotsche mailboot, was veilig aan wal gebracht.

Wel uitgeput, wel half versuft van de doorgestane ellende, maar toch ook

zoo, dat de dokters aan het in het leven blijven van geen der geredden

wanhoopten.

Den verslaggever aan den Hoek bleef nu voorloopig niets anders te doen

dan, gelijk dat ook de bij de ramp betrokken autoriteiten deden, zijn

aandacht te wijden aan de dooden.

Want tot de geredden werd niemand die niet onweerlegbaar bewijzen

kon, dat particulier belang hem noodzaakte met een der patiënten

te spreken, toegelaten. Inzonderheid aan journalisten was, naar men

zegt op uitdrukkelijken last van den Prins die Zaterdag weer naar den

toestand der geredden kwam informeeren, den toegang tot de geredden

verboden. En zeer terecht. Immers de zeven mannen en zes vrouwen, die

in vier groote kamers op de eerste verdieping van het Hotel Amerika

waren ondergebracht,--de geredde Franschman was, wijl zijn toestand dit

wenschelijk maakte, naar de naburige pastorie vervoerd--waren natuurlijk

nog zoo overspannen en afgetobd, dat het onmenschelijk ware geweest, hen

toen reeds door een interview, in den geest weder al de ellende te doen

doormaken welke zij toen zeker wel het liefst voorloopig geheel

vergaten.

De arme menschen werden toch al dien eersten tijd van hun veiligheid

door de herinnering aan de dagen, op het wrak doorgebracht, vervolgd

als door spoken. Telkens,--zoo vertelden de dokters en de zusters uit

Rotterdam en de hospitaalsoldaten uit het pantserfort, die de geredden

liefderijk verpleegden,--vlogen de mannen en vrouwen in hun slaap luid

gillend overeind of braken zij los in hartbrekend gekerm. Dan zagen zij

weer in hun verwarde droomen de grimmige brekers op hen aanstormen,

hoorden zij weer de orkaan gieren om zich heen, meenden zij weer

lotgenooten weggeslagen of verpletterd te zien door de meedoogenlooze

golven...

Volgaarne voldeden de verslaggevers dus aan den last, zich van de

patiënten verwijderd te houden. Wij vermeden het Hotel Amerika, waar het

al druk genoeg was; vonden trouwens aan de haven en bij het Noorderhoofd

genoeg te doen.

Want nu de levenden van het wrak waren gered, wilde men ook de lijken,

door schipper Sperling daar gevonden, naar den wal overbrengen.

Dit bergen van de lijken was noodig, allereerst wijl de reederij daartoe

verplicht is, tweedens wijl het voor de identificatie noodig was, ook

met het oog op eventueele civielrechtelijke procedures, eindelijk wijl

het ronddrijven van lijken natuurlijk nadeelig moest worden geacht voor

de volksgezondheid.

In verband met deze laatste omstandigheid had zich dan ook de inspecteur

van het geneeskundig staatstoezicht, dr. Den Houter, ingescheept aan

boord van de sleepboot _Gouwzee_ die in den namiddag uitvoer om, nu

het weer gunstiger en de zee kalmer was geworden, te trachten het

wrak te naderen en de lijken mee naar den wal te nemen. Aan boord

van dit vaartuig bevonden zich verder de Commissaris der Koningin in

Zuid-Holland, de procureur-generaal aan het Gerechtshof te 's-Gravenhage

en burgemeester Brunt van 's-Gravezande. Verder was aan boord de

directie der Great Eastern Railway, anders gezegd der Harwich-Line,

vertegenwoordigd en voeren mee een dokter en drie pleegzusters. Men had

gezorgd voor verband- en ontsmettingsmiddelen en--lugubere lading--vele

doodkisten.

Dokter Den Houter en drie andere heeren werden nabij het wrak met veel

moeite op het steenen hoofd gezet, waarna men bevond dat met de berging

der lijken reeds een aanvang was gemaakt.

[Illustratie: Het aan wal brengen der lijken.]

Men had namelijk van den wal uit reeds een lorrie van den

Rijkswaterstaat over de rails, die op den dam liggen, voortgereden

tot onder het wrak, enkele mannen van de Great-Eastern waren langs een

ladder naar boven geklauterd en nu werden de lijken met touwen afgevierd

en op de lorrie geladen. Geladen, ja, dat is het rechte woord. Hoe

verhard raakt men in de ellende: Ze werden niet eens meer geteld die

lijken, alleen maar gepast, nu eens het hoofd vooruit dan weer de

beenen, om te zien hoe ze het best op den wagen gingen.

Een rijksveldwachter vertegenwoordigde bij het ontladen de overheid.

Ook kapitein Jansen van de Redding-Maatschappij en eenigen zijner mannen

hielpen bij den treurigen arbeid.

Vijftien lijken werden van het wrak gebracht. Men vermoedde dat er zich

in den scheepsromp--onder water--nog wel meer bevonden, doch deze kon

men nog niet bereiken.

Op de lorrie werd de droeve last naar den wal gereden, waarbij op

de pier soldaten moesten worden gerequireerd om het publiek terug te

drijven. Hoe is 't toch mogelijk, dat de menschen van zulke een droevig

geval een opstootje, om niet te zeggen een pretje, kunnen maken!

De vijftien lijken werden op wagens overgebracht naar de lijkenloods,

waar ze werden gewasschen, ontdaan van brieven en waarden en vervolgens

ingespeld in witte lakens, gelijk de anderen.

O, hoe breidde zich daar in die reusachtige treurkamer de rij van

doodsbedden uit, hoe talrijk werden zij, de dooden, de stillen, de

moe-gestredenen, de lijdensverlosten, hoe viel de rosse schijn der

electrische gloeilampen op steeds meer wasbleeke of onnatuurlijk roode,

in den dood verstarde gezichten.

Het lijk van het arme kleine jongentje was weg. De vader kwam over

om bij de begrafenis, die Zaterdag op 's-Gravesande plaats vond,

tegenwoordig te zijn.

Geknield bij de eenvoudige katafalk, waar het lijk van het kind

was neergelegd, heeft de rampzalige man liggen snikken, liggen

bidden om vergiffenis en weer liggen snikken, dat het zelfs ons

verslaggevers,--och, ja wij ompantseren ons anders in ons vak tegen

sentimentsweekheden,--te vreeselijk werd om aan te hooren.

Nu lag in de loods een ander kinderlijkje naast dat van de volwassenen;

het was dat van het meisje Wennberg, gestorven op moeders schoot. Moeder

wou het lijkje wel meenemen, toen ze vannacht werd gered. Maar het kon

niet. »Geen levens met levens koopen» is de wet der redders en »de

levenden eerst; de dooden, hoe dierbaar ook, later.»

Een aantal lijken, waarvan wij steeds de signalementen in onze bladen

hadden gepubliceerd, waren Zaterdagmiddag reeds herkend, ter laatste

rustplaats voorbereid en neergelegd in eenvoudige eikenhouten kisten.

Daarop deed de firma Hudig en Pieters groote kransen neerleggen van

levende bloemen. Op de linten las men: »With feelings of great regret

and sorrow.«

Wanneer men eens een enkele maal familieleden van omgekomenen

sprak--liefst vermijdde men het--o, ons reporterswerk was niet

benijdenswaard in die dagen!--dan hoorde men steeds vol waardeering

spreken over de piëteit, welke door de Harwich-Line en H. IJ. S. M. bij

deze vreeselijke ramp tegenover de getroffenen is aan den dag gelegd.

Die waardeering is ten volle verdiend.

Maandag zouden de meeste lijken voor zoover zij herkend waren en

niet naar elders vervoerd moesten worden, te s-Gravezande worden

begraven. De lijken der leden van de bemanning zouden den volgenden

morgen--Zondagochtend--naar Engeland worden overgebracht. De nog niet

herkende lijken werden gephotographeerd, en zouden eveneens, met het

oog op de eischen der hygiëne, Maandag of Dinsdag begraven worden.

Het goede en het kwade in den mensch.

Van alle kanten werd in de geredde schipbreukelingen zoowel als in

hun redders groote belangstelling getoond. De Engelsche en Duitsche

regeeringen zonden hare vertegenwoordigers om patiënten te bezoeken

en met hun redding geluk te wenschen. Vanwege het Hof in den Haag

werd dagelijks naar den toestand der geredden geïnformeerd, bloemen en

vruchten werden in massa's door belangstellenden naar het Hotel Amerika

gebracht.

En voor de redders, later--toen men hoorde van den nood die geleden

werd of te wachten stond--ook voor de geredden en voor de nagelaten

betrekkingen der slachtoffers, kwamen bij het Gemeentebestuur van

's-Gravezande en bij de verschillende dagbladen groote geldsommen in.

Een der eerste telegrammen, na de redding door den Gemeentesecretaris

van 's-Gravezande uit Amsterdam ontvangen, luidde:

»Een door ons op de Beurs gehouden inzameling ten behoeve van allen, die

hebben meegewerkt in de pogingen tot redding van de schipbreukelingen

der »Berlin», heeft opgebracht ongeveer f 11,000. Daar op verzoek de

lijsten ook nog Maandag open zullen blijven, kan dit bedrag hooger

worden. Wij zenden u reeds terstond een duizend gulden, met verzoek

deze gelden zoo spoedig mogelijk de bestemming te geven, daaraan door

de gevers toegedacht, terwijl wij met eenige andere heeren ons ter

beschikking stellen met u in overleg te treden over de wijze van

besteding der overige gelden. Kerkhoven en Co."

En van die heuglijke mededeelingen kwamen er meer. In tijden

van rampspoed voor medemenschen vinden goede eigenschappen van

anderen,--liefdadigheid, medelijden, bewondering, erkenning van

verdiensten,--zooveel lichter uiting dan anders. En het is zoo heerlijk

die goede qualiteiten in den mensch lichtend aan den dag te zien treden.

Helaas, ook het tegenovergestelde valt op te merken. Reeds sprak ik van

de gevoelloosheid der massa en van haar sensatielust. Die laatste doet

zich ook individueel voor; de bewijzen daarvan zijn voorhanden.

Hoe anders toch is te verklaren een klacht, dezer dagen in de »Nieuwe

Rotterdammer Courant» verschenen en onderteekend door zekeren R., aan

wiens stuk het volgende is ontleend:

»Toen ik langs het strand wandelde, gebeurden daar dingen, welke mij met

afgrijzen vervulden. Niet zoodra was er nl. een lijk aangespoeld, of

eenige kerels, strandjutters genaamd, wierpen zich als gieren op hun

prooi, rukten de ringen van de vingers, wat dikwijls zeer moeilijk ging,

daar deze in het water gezwollen waren, ontnamen het geld en horloge en

trokken met hun buit af.

»Ooggetuigen verzekeren mij, dat zich dit reeds eenige malen had

herhaald. Iemand onder de menigte toonde een gouden ring en vertelde,

dat hij dien van een der aangespoelde lijken had genomen, en toen hem op

het ongepaste daarvan gewezen werd zeide hij: »Ja, maar het mocht, want

er was politie bij.» Het leek mij een oogenblik, of ik op de kust van

Nieuw-Guinea was in plaats van Holland. De enkele veldwachters waren

niet in staat, met het oog op het uitgestrekte terrein, daar orde te

houden. Aan het station waren militairen aanwezig, doch m. i. was dit

meer noodig geweest aan het strand, waar genoemde schanddaden plaats

vonden.»

Dienzelfden avond schreef ik naar mijn blad:

»Mij moet nog iets van het hart betreffende de ook in ons blad

overgenomen opmerking van R. in »N. R. Ct.« in zake plundering van

lijken. Ik weet, dat een officieele tegenspraak van deze opmerking

reeds is ontworpen, maar ook zonder dat, zou ik meenen dat een algemeene

bewering dat lijkberooving heeft plaats gehad, als onjuist moet worden

gewraakt. Er zijn rijksveldwachters, bezoldigd en onbezoldigd, werkzaam

geweest bij de visitatie der aangespoelde lijken--in burgerkleeding.

Dat heeft misschien tot misverstand aanleiding gegeven. Maar 49 van de

thans aangebrachte lijken zijn dadelijk van overheidswege in beslag

genomen. De zes andere spoelden aan tusschen het Noorderhoofd en paal

118, doch drie daarvan werden overdag in tegenwoordigheid van velen

gevonden, slechts drie bij nacht; op vier lijken, uit Scheveningen

aangebracht, werd nog alles van waarde bevonden en bloedverwanten van

geïdentificeerde drenkelingen verklaren, dat zij allen eigendom der

overledenen aan baar geld en waarden in orde hebben terug ontvangen.

Een andere vraag is, of het niet wenschelijk zou zijn bij rampen als

deze de onmiddellijk aangrenzende strandgedeelten gedurende eenige dagen

door militairen te doen bewaken.«

En uit den Haag kwam de officieele mededeeling:

»Op last van den Minister van Justitie is een onderzoek ingesteld naar

de beweerde berooving van lijken, aangespoeld aan het strand bij den

Hoek van Holland.

»Uit dit onderzoek, waarmee verband hield het bezoek, gisteren door den

procureur-generaal bij het Gerechtshof, mr. Bijleveld, aan den Hoek van

Holland, zou, naar wij vernemen, gebleken zijn, dat de beschuldiging

omtrent de berooving geheel onwaar is.«

En later moest R. zelf aan een vertegenwoordiger van de N. R. Ct.

verklaren, dat zijn gansche verhaal en de daarin vervatte zware

beschuldiging tegen de bewoners onzer kustplaatsen, gelogen waren.

Een verzoek van de Redactie om zijn naam te noemen en ruiterlijk schuld

te bekennen werd niet nagekomen...

En dan die reclamezucht die wij bij ons verslaggeverswerk aan den Hoek

van Holland ontmoetten! Die velen die hun naam zoo graag eens in de

courant wilden zien en kleinigheden kwamen opvijzelen tot groote dingen

die zij dan gedaan of bedacht zouden hebben...

Een was er,--en zijn naam zij tot waarschuwing van anderen hier

neergeschreven--zekere L. van der Weijden, die alles wat Martijn

Sperling had gedaan bij de redding der drie laatste vrouwen, op zijn

eigen rekening schreef. Ik zie het manneke nog staan bluffen op het

perron met een ganschen kring van bewonderaars om zich heen. Dit had hij

gedacht en dàt had hij toen geroepen, en z'n jas had ie uitgetrokken en

in de boot was ie gesprongen....

We vroegen er Sperling naar, die juist kalm in de wachtkamer een kopje

koffie zat te drinken. »Breng u meneer maar 'ns hier«--was het rustige

antwoord--»en laat het hem dan nog eens vertellen....«

De Zondag na de ramp.

In den vroegen morgen van Zondag, den 24sten Februari,--na een nacht

doorgebracht in een wagen van een D-trein, die door de directie der

H. IJ. S. M. als nachtlogies vriendelijk ter beschikking van de pers

was gesteld en in de wagenloods door een ervoor geplaatste locomotief,

met stoom werd verwarmd--waren wij tegenwoordig bij het inschepen der

herkende lijken van de bemanning der _Berlin_ op de cargoboot der

Harwichlijn, de _Clacton_, die de overledenen naar hun woonplaats,

Harwich, zou overbrengen.

In goederenwagens waren de kisten van de loods der Holland-Amerika-lijn

naar den steiger gereden. Daaruit werden zij afgeladen op een lorrie.

Dan werden er lussen omgelegd, zachtjes klonk een »halen«, alle

omstanders ontblootten het hoofd in zwijgende begroeting en langzaam

werden de kisten een voor een opgetild en in de _Clacton_ afgevierd. Het

was in den kouden, grauwen morgen een droeve plechtigheid waarvan allen

die erbij tegenwoordig waren een diep treurigen indruk meenamen. Een

aantal autoriteiten, vertegenwoordigers van de Gemeente, de Great

Eastern Railway, de H. IJ. S. M., de Holland-Amerika lijn en het

Britsche Consulaat waren erbij tegenwoordig.

Interviews.

Wij, verslaggevers, hadden verder dien Zondag een moeilijken dag. We

~moesten~ nu langzamerhand bijzonderheden van den schipbreuk en de

redding uit den mond der geredden zelf vernemen. Het publiek wachtte

op onze interviews.

Maar in het Hôtel Amerika vonden wij onder het bulletin, dat er

dagelijks omtrent den toestand der patiënten werd uitgegeven,

nadrukkelijk vermeld dat niemand tot de geredden werd toegelaten. En

daaraan werd stipt de hand gehouden.

Buiten de stampvolle gelagkamer, aan den voet van den trap die naar

de ziekenkamers voert, stond een pantserfort-artillerist op post met

het geweer aan den schouder. Een brigadier der rijksveldwacht stond

hoogerop, maar betere bescherming voor de patiënten dan die schildwacht

en de ongenaakbaar uitziende man der wet leek mij de beminnelijke

welbespraakte echtgenoote van Dr. Diamant, die onvermoeibaar was in

het op en af loopen, het overbrengen van boodschappen en het geven van

inlichtingen, maar die tevens een onvergelijkelijk talent aan den dag

legde om met vriendelijke beslistheid allen af te weren die niet

onomstootelijk hunne betrekking tot de geredden konden bewijzen.

Mevrouw Diamant was op dat oogenblik de »natuurlijke vijandin« van elken

interview-begeerigen journalist. Maar het was een vijandin, die wij in

stilte eerst, later ook openlijk onze hulde hebben gebracht.

[Illustratie: Mevrouw Diamant en de reporters.]

Inderdaad, het was noodig de geredden te vrijwaren voor vermoeiend

bezoek. Dit bleek het best toen enkele journalisten er in geslaagd

waren, onder voorgeven dat zij opera-agenten waren, tot Frau Wennberg

door te dringen. De arme vrouw die jong is en knap van uiterlijk, maar

natuurlijk de duidelijke bewijzen van doorgestane ellende en ontbering

droeg, wist niets anders te zeggen dan dat zij zich zwaar ziek voelde

en vooral pijn had in de longen. Daarna begon zij te jammeren om haar

kindje en zonden de dokters natuurlijk dadelijk de bezoekers weg. Men

hield toen nog voor Frau Wennberg, wier toestand van alle patiënten de

ergste was, stil, dat het lijk van haar man gevonden was, wijl dat te

weten haar wellicht te veel zou aangrijpen. Maar het gerucht dat zij

stervende zou zijn, bleek overdreven.

Frau Wennberg lag met haar dienstmeisje in één kamer, de vier andere

geredde vrouwen, de dames Theile, Schröter, Gäbler en Buttel lagen ook

samen. Verder lagen de mannen Brödessen, Yung en Carter in éen vertrek,

en Reycraft, Farthing, Fisher en Pond.

Van den president der Reddingmaatschappij, den heer Moens, die even met

enkele geredden had mogen spreken, vernam ik dat de schipbreukelingen

aan boord van het wrak herhaaldelijk hebben getracht voedsel te vinden,

hetwelk zij vermoedden dat aan boord was. Op handen en voeten kropen zij

soms naar de plaats waar zij dachten eten te vinden. Zelfs tastten zij

onder water naar den ingang der provisiekasten, doch alles was

weggeborgen, en wat niet geborgen was, weggespoeld.

Een der dokters vertelde dat de patiënten, inzonderheid de vrouwen,

vooral door de koude en de vochtigheid hebben geleden aan de

spijsverteringsorganen, zoodat hun nog maar alleen vloeibaar voedsel

mocht worden toegediend; en allen leden hevige pijnen aan de voeten en

beenen.

[Illustratie: Dr. Diamant en zijne echtgenoote.]

Zoo moesten wij onze interviews meestentijds uit de tweede hand hebben,

wat ons het werken niet makkelijker maakte. Gelukkig was mijn collega,

de heer A. C. Rochat, mij komen helpen en konden wij het werk verdeelen.

De ramp, door deskundigen beoordeeld.

Terwijl ik bij het Hotel Amerika op wacht bleef, ging hij naar de haven

om er deskundige ooggetuigen over den mogelijken oorzaak van de ramp te

spreken. Hij was daarbij zoo gelukkig zoo iemand te vinden in den heer

Boot, opzichter der verlichtingstoestellen aan de haven. Deze deelde

mijn collega mede, dat hij in den vroegen morgen van Donderdag, het zal

omstreeks zes uur geweest zijn, per telephoon gewaarschuwd werd, dat de

_Berlin_ op den dam was geloopen. Even later was hij ter plaatse en liet

zich door den beambte van den seinpost op de hoogte brengen van de

manoeuvres der Harwichboot voordat de stranding plaats had.

Toen de _Berlin_ in het zicht kwam--zoo vertelde de heer Boot--koerste

hij recht uit zee op de haven aan, een richting die bij het stormweer

van dien nacht bepaald prachtig was te noemen. De boot liep als

loodrecht op den havenmond aan. Maar een oogenblik later was die strakke

lijn verbroken en was een sterke schommeling van de boot waar te nemen.

De stoomer deed zonderling, veranderde telkenmale van koers, slingerde

zwaar als werd zij bij iedere zee uit haar richting gestuwd. Blijkbaar

luisterde het schip niet naar het roer in die momenten. Plotseling zat

de _Berlin_ op de rechter pier (gezien van den seinpost) met den kop

naar het zuidwesten, het achterschip naar het noordoosten gewend.

Het schip moet, om in dezen stand op den dam gesmakt te zijn, een heelen

ommezwaai hebben gemaakt, een draai eerst links en toen weer rechts.

Het was klaarblijkelijk onbestuurbaar en als gevolg daarvan reddeloos

overgegeven aan de willekeur der torenhooge golven. Zeer vermoedelijk

heeft een grondzee de boot uit haar roer geworpen of--maar dit is minder

waarschijnlijk--is de roerganger in het stuurhuis door een golfschok van

zijn roer geslagen. Alleszins is het mogelijk dat dit te gelijker tijd

gebeurde toen de grondzee die het achterschip in de hoogte tilde.

Maar zeker is het dat die grondzee de _Berlin_ heeft verrast op een

afstand van honderd meter van het Noorderhoofd. Want ware de grondzee

gekomen bijv. op twee honderd meter afstand van den Hoekpunt, dan

had er zee genoeg gestaan om weder slaags te komen, vooral voor een

dubbelschroefstoomschip. Onklaar worden van de machines is moeilijk aan

te nemen.

De »_Berlin_» had, dit was bekend, uitnemende machines die voor een

storm niet hadden te duchten, zelfs niet voor een storm als deze. Met

een kijker kon ik waarnemen dat de vastgeloopen boot ontzaglijk werkte.

Hemelhooge zeeën sloegen er tegen en er overheen, zoo hevig dat de

lichtopstand bij wijlen niet te zien was en we er naar moesten zoeken.

[Illustratie: De _Berlin_.]

Even na het vastloopen begon de scheuring van de boot, die van

bewonderenswaardige sterkte is geweest. Menig schip heb ik uit elkaar

zien werken. De schoorsteenen wijken dan langzaam aan van elkander en

het dek neemt den vorm aan van een kattenrug, steeds meer krommende.

Hier helden de schoorsteenen naar elkaar over en vielen ten slotte

nagenoeg te gelijker tijd ineen, bewijzende dat de boot van onderen

afbrak, wat alleen gebeuren kan met ijzersterke schepen. Dit breken

heeft een half uur geduurd.

Naarmate de breuk zich voltooide schoof het schip zoetjes aan over den

dam in de richting van den Waterweg, de kop dook reeds eerder geheel

onder water. Een uur na den aanvang van het breken was het losgescheurde

voorschip geheel gezonken. Slechts een mastpunt bleef zichtbaar en is

dit tot heden gebleven. Naar met den kijker was te zien, bevonden zich

veel personen op het voorschip, die woest op en neer draafden, blijkbaar

in radeloozen angst. De laatste zware storm op de kust was in 1901, toen

de »_Holland_» schipbreuk leed.

Ondoenlijk de haven binnen te loopen was het in de bewuste nacht niet,

zoodat van roekeloosheid niet mag worden gesproken. Even na de

noodlottige stranding liep een vrachtboot van de Harwichlijn zonder

stoornis de pieren binnen, terwijl een Duitsche boot van kleine afmeting

(met slechts één schroef) vijf kwartier later binnenkwam. De storm was

toen nog geenszins bedaard. Men heeft gezegd, dat het beter ware geweest

indien de »_Berlin_» buitengaats was gebleven, maar andere gezagvoerders

hebben met hun binnenvallen bewezen evenmin bezwaren te hebben gehad

tegen het binnenloopen van de haven.

De heer Boot verzekerde ons nog met klem dat hulp bieden door

voorbijvarende schepen beslist onmogelijk was.

* * * * *

Dit laatste was ons ook verzekerd door den heer T. Ouwehand,

gezagvoerder van de maatschappij »Nederland«, wiens stoomschip _Flores_

in den stormachtigen nacht van Woensdag op Donderdag voor de pieren van

IJmuiden kwam en ten gevolge van de hooge zeeën buitengaats moest

blijven, in afwachting van voor het binnenloopen gunstiger weder.

De heer Ouwehand, bekend kapitein in dienst van bovengenoemde

maatschappij, met eene ervaring van ruim drie-en-dertig jaren, was zoo

welwillend ons eenige bijzonderheden mede te deelen, die in verband met

het gebeurde in dien nacht aan den Hoek van Holland ook thans nog van

belang zijn.

Het stoomschip _Flores_ kwam in den nacht van Woensdag op Donderdag

tijdens een zwaren storm uit het Noord-Westen, die later doorliep Noord

Noord-West, voor de IJmuider pieren. »Ik oordeelde het«, aldus kapitein

Ouwehand, »niet raadzaam de haven binnen te loopen, uit vrees door de

zee, die huizen hoog stond, op het strand te worden geworpen. Enkele

bladen hebben beweerd, dat ik voor IJmuiden ten anker ging, maar iemand

die een weinig thuis is op de Noordzee weet aanstonds, dat dit met

vliegend stormweer langs onze geheele kust tot de onmogelijkheden

behoort; de boot zou weldra uit elkander worden geslagen of van haar

ankerketting losgeraken. Ik zette koers in Noord-Westelijke richting,

naar volle zee en bleef met den kop van het schip op de golven liggen,

dwars van de kust af. Zoodoende had ik niets te vreezen, alle machines

waren in den besten staat, alles werkte patent en rustig kon ik betere

tijden wachten. De storm nam langzamerhand in kracht toe en was wel het

hevigst tusschen drie uur 's nachts en acht uur 's morgens. De _Berlin_,

die tegen vijf uur den Hoek van Holland is genaderd, kwam wel in de

moeilijkste oogenblikken in de nabijheid van de kust. Al stem ik

dadelijk toe, dat het buitengewoon zwaar weder was, toch kan ik niet

ontkennen wel eens méér in mijn drie-en-dertig jarige ondervinding zóó'n

storm te hebben medegemaakt. Intusschen bleef ik op behoorlijken afstand

van de kust tot drie uur Donderdagmiddag; toen was het weder wat wij

noemen »handzamer« geworden en zag ik er geen bezwaar meer in, naar

binnen te loopen. Tegen zes uur waren wij in de haven. Dit was de tweede

maal, voor zoover ik mij kan herinneren, dat ik voor IJmuiden buiten

moest blijven.

Ik voor mij acht de haven te IJmuiden voor het binnenloopen

gevaarlijker dan die van den Hoek van Holland en wel om deze reden,

dat men eerstbedoelde met groote vaart moet binnenstoomen, om door den

stroom te komen, die dwars voor de pieren loopt, en onmiddellijk daarna

moet stoppen, ten einde niet in botsing te komen met de sluizen.

Aan den Hoek kan men de groote vaart die daar eveneens vereischt

is met het oog op den dwarsstroom van vloed of ebbe, die evenwijdig met

de kust loopt, geleidelijk verminderen, omdat men in die haven geen

rekening behoeft te houden met den korten afstand van het breekwater tot

aan de sluizen. Deze omstandigheid vergt te IJmuiden groote zeemanschap;

maar ondanks dat, vielen voor deze haven minder ongelukken voor dan aan

andere havenmonden. Heeft men bovendien te kampen met een storm uit het

Noord-Westen, den gevaarlijksten storm die men aan onze kusten kent, dan

is voorzichtigheid dubbel geboden. Een groot gevaar voor onze schepen

bij stormweer schuilt in de grondzeeën voor de pieren, zeeën die een

geweldige kracht kunnen ontwikkelen. Een grondzee is in staat het

achterschip van een stoomer omhoog te slingeren en hem aldus uit het

roer te doen loopen. Geschiedt dit, dan is de boot natuurlijk een

speelbal van de golven; zeer licht wordt het stoomschip dan op de pieren

geworpen, waar het niets meer rest dan uit elkaar te worden geslagen.

Eenmaal opgenomen door een grondzee, herkrijgt het roer niet meer den

druk op het water, noodig voor de besturing van de boot. Mogelijk dat

zulk een grondzee de _Berlin_ noodlottig is geweest. Bij de nadering van

de kust, Donderdagochtend tegen 5 uur, moet de _Berlin_ een heelen toer

hebben gehad den dwarsstroom voor de pieren door te gaan; de storm had

tegen dat tijdstip wel zijn hoogtepunt bereikt. Ware het schip, evenals

de _Flores_ een goederenboot geweest, wellicht had de gezagvoerder,

evenals ik deed, eenige uren gewacht met het binnenloopen; een

passagiersboot vaart echter op tijd en dan gelden wel eens overwegingen,

die in een ander geval niet zouden gegolden hebben.»

Toen het gesprek kwam op de mogelijkheid van assisteeren door booten

die later op den morgen den Hoek van Holland binnenliepen, wees de heer

Ouwehand er met nadruk op, dat hulp verleenen in zulke gevallen beslist

ondoenlijk is, wil men zelf niet de kans loopen mede naar den kelder

te gaan. Bij stormweer staat op de pieren zulk een branding, worden de

golven zóó hemelhoog tegen de kust opgestuwd dat het zaak is uit de

nabijheid te blijven. Waagde men zich er aan hulp te bieden, de boot

zou in een minimum van tijd een zelfde lot hebben gedeeld. Trouwens,

het niet slagen van de eerste pogingen der reddingbooten bewijst reeds

voldoende dat de elementen ditmaal niet waren te overwinnen. »De havens

aan de Hollandsche kusten hebben allen dit nadeel dat zij aan open zee

liggen en dus met groote omzichtigheid moeten worden binnengevaren; de

dwarsstroom van de Noordzee vereischt heel wat zeemanschap, zooals ik u

reeds zei. Andere havens hebben dikwerf eenige beschutting, ik noem u

slechts Hamburg, waarvan de haven bereikt wordt na eerst een vrij lange

rivier te zijn opgevaren. Dat geeft beschutting, wat vooral de havens

van den Hoek en IJmuiden missen.«

De geredden en hun ervaringen.

Terwijl mijn collega aan de haven zijn nieuws opdeed sprak ik in het

Hotel Amerika iemand, die met de geredden voortdurend in nauwe aanraking

is geweest. Ik vernam toen opnieuw dat de algemeene toestand der

geredden zeer bevredigend was, vooral onder de mannen, van wie er een al

zoo ver hersteld was, dat hij den volgende dag naar Harwich zou kunnen

terugkeeren.

Minder gauw ging het herstellen der vrouwen, wier »Ausdauer» uiteraard

minder groot is. Maar de algemeene zenuwspanning die in den aanvang bij

allen werd geconstateerd, was afgenomen en ook de voeten, die eerst zoo

pijnlijk waren dat men er niet aan raken kon of de patiënten schreeuwden

het uit, werden beter. Frau Wennberg die met haar dienstmeisje op een

kamer lag was inderdaad zeer zwak, maar haar leven was niet in gevaar.

Waarschijnlijk zou getracht worden voor haar een passender verblijf te

vinden dan in het Hotel Amerika, dat, hoe goed er ook voor de geredden

werd gezorgd, natuurlijk geen al te rustige ziekenkamers heeft.

De ongeveer 24-jarige Franschman Jaboulet de Riveicherre werd nog altijd

verpleegd op de pastorie. Hij had zware koortsen, maar mits hij rustig

gehouden werd, hoopte men ook deze patiënt de gevolgen der doorstaane

ellende te doen te boven komen. Niemand mocht tot hem spreken en om ook

hem rustig te houden, trad elk zijner verplegers steeds met den vinger

op de lippen de ziekenkamer binnen. Alleen zou in den middag zijn

moeder, die uit Taine la Drôme in Frankrijk was overgekomen, tot hem

toegelaten worden.

Op mijn avondwandeling mocht het mij zonder hinderlijke indiscretie

gelukken, van een geredden schipbreukeling, die liefderijke verpleging

genoot in het reeds meermalen genoemde Amerika Hotel, bijzonderheden te

vernemen omtrent de angstige oogenblikken die de arme stakkers aan boord

van de _Berlin_ hebben doorgemaakt na het doormidden breken van het

schip, op dien noodlottigen Donderdagmorgen.

Ik laat het verhaal, zooals mij dat gedaan werd, hier volgen in den vorm

als was de geredde jonge Engelschman Emil Jung, een Duitscher van

afkomst, zelf aan het woord.

»Ik werd»--zoo vertelde hij met een opgewektheid als was door hem niets

buitengewoons doorgestaan,--»Donderdagmorgen tegen 4 uur in mijn hut

aan boord van de _Berlin_ gewekt met een hoornsignaal, wat op die booten

gebruikelijk is. Het was stormweer. Ik stond mij in mijn hut te wasschen

toen ik een vreemd gekraak hoorde dicht bij me. Een steward in mijn

onmiddellijke nabijheid riep ik toe wat er gebeurde.

Aan iets ernstigs dacht ik niet. De boot schommelde niet erger dan te

voren. De steward antwoordde, ook roepende om het geraas rondom ons te

overstemmen, dat de deuren van de kajuitstrap door een overboord komende

stortzee waren stukgeslagen. Het gekraak daarvan had mijn aandacht

getrokken. Nauwelijks waren die woorden gesproken of een tweede kraak

volgde, veel heviger dan de eerste, als werd een houten wand met groot

geweld ingedrukt. Op hetzelfde oogenblik sloegen de overkomende zeeën

de kajuit binnen. Het schuimende water stroomde er letterlijk in.

De steward, over wien ik zoo even sprak werd tegen den grond geslagen,

maar toch had hij nog zooveel bewustzijn dat hij mij toeschreeuwde de

reddingsgordels aan te doen. Er waren er vier in mijn buurt. Ik nam

er zelf een en drie dames die naar ons kwamen toegesneld, deed ik

vliegensvlug de andere om. Wat er met de _Berlin_ feitelijk gebeurde,

begreep ik op dat moment niet recht. Wel vermoedde ik een ernstig

ongeluk. Wie de dames waren die ik de gordels hielp omdoen, ik zou het

niet meer kunnen zeggen. Ik heb ze niet meer teruggezien. Een stortzee

sloeg ze in een volgend oogenblik een eind van me weg.

Hoewel ik weet dat een razende angst zich van mij meester maakte,

had ik nog zooveel besef, dat ik mij met alle kracht die in mij was,

vastklampte aan de verschansing op het achterdek. Ik dacht aan niets

anders dan aan vasthouden, wat een toer was, want het schip slingerde,

beter gezegd werkte zoo zwaar, dat ik nu eens op het dek lag, dan weer

overeind kwam. Maar ik omsloot de leuning der verschansing met ijzeren

vuistgreep. Loslaten nooit. Ik begreep dan door de woedende golven die

ons omspoelden, te zullen worden weggeslingerd in zee.

Rondom mij gegil van menschen, die als lam geslagen over het dek

slierden, om als een veer te worden opgenomen door de golven en over de

verschansing in de schuimende zee te verdwijnen. Het was ontzettend. Ik

kan het u niet zoo beschrijven. Ik vergeet het nooit. Plotseling werd

het stikduister. Het licht ging uit en het tooneel werd er te erger

door.

Kapitein en loods zag ik achter elkaar naar de diepte gaan. Het

gejammer van de menschen bij me, die ik door de zeeën niet zien kon

maar wel hooren, o, het was te schrikkelijk om het te kunnen vertellen.

Op eenmaal zie ik een touw bij me in de buurt hangen, een touw van den

mast. Ik wist het te pakken en klauterde, geslingerd door den harden

wind, een eindje naar boven. Ik hoopte een schip te kunnen wenken om

hulp en schreeuwde tot ik niet meer kon. Het gaf niets, ik was uitgeput,

liet me weer zakken en plofte op het dek, gelukkig weer dicht bij de

verschansing die ik opnieuw met alle kracht omklampte.

Ik telde toen 25 menschen dicht bij mij. Ze hielden zich allen ergens

aan vast. Lieten ze los dan wierp de zee ze dadelijk naar links en naar

rechts. Ik moet er niet meer aan denken. Er waren twee dames, die ik zag

neersmakken op het dek, een golf nam ze op, ze gingen de lucht in, maar

kletsten weer terug op het dek. Haar hoofden waren gespleten. Nog even

lagen zij roerloos. Toen spoelden ze weg.

In den loop van den dag (Donderdag) trachtten wij dichter bij elkander

te komen. Dat lukte ons. Om ons te beschutten tegen den wind, grepen we

een stuk zeildoek. Dat sloegen we om ons heen. Maar een rukwind sloeg

er in en zwalpte het doek van ons af. We riepen allen om hulp, maar dat

baatte ons weinig. Hulp kwam niet opdagen. We vergingen om zoo te zeggen

van honger en dorst, dorst vooral. Sommigen van ons begonnen aan redding

te wanhopen.

Om den moed er in te houden en om afwisseling in onze treurigheid

te brengen, zongen we gemeenschappelijk liederen. O, dat klonk zoo

weemoedig. Die tijd kroop voorbij, er scheen geen einde aan den dag te

zullen komen.

Toen de nacht kwam, bezweken er weer een paar menschen. Ze waren half

waanzinnig van pijn en angst. 's Nachts bulderde de zee schrikkelijk en

een koude, fijne sneeuw sloeg ons in het gezicht. Het zeewater weekte

onze kleeren los. Een paar vrouwen, die we zooveel doenlijk op de been

hielden, verloren haar bovenkleeding. De rokken hingen in flarden. Het

zeewater spoelde den boel van ons weg. Het was jammerlijk.

De reddingboot hadden we zes maal dichtbij gezien, o zoo dichtbij. We

hoorden de lui roepen, maar ze konden ons zeker niet bereiken, en als

de boot dan weer wegdreef, was het om gek te worden. Er zijn menschen

gestikt. Ze hadden geen kracht meer adem te halen, lieten het stuk

verschansing los en vielen op het dek.

Toen de zee bedaarde, werden de lijken niet meer weggespoeld, maar

bleven ze voor onze oogen liggen. Een stoker, die naast me aan de

verschansing hing, liet zich los. De man kon niet meer. Ik ving hem op

in mijn arm, hoopte dat hij zich herstellen zou. De arme kerel stierf,

zijn hoofd tegen me aan. Toen moest ik hem wel laten schieten.

Ik voor mij heb wonderlijk genoeg aldoor hoop gehad op uitkomst. Ik kon

maar niet gelooven dat de reddingsbooten ons niet zouden vinden. Ik heb

goede hoop gehad. Dappere lui die Hollanders hoor! Kranige lui! We zijn

hun zoo dankbaar."

De verhaler zou nog wel hebben doorgepraat, maar de dokter stond zijn

bezoekers terecht geen seconde boven den door hem bepaalden tijd toe.

Het gesprek eindigde.

* * * * *

Iemand, die geregeld het ziekenhotel bezocht en begreep ons verlangen

om meer van de geredden, die daar verpleegd werden, te hooren, lichtte

ons verder met groote bereidwilligheid omtrent een en ander in. Uit den

aard der zaak bepaalde hij zich hoofdzakelijk tot de ongelukkige Frau

Wennberg, wier lot wel het afgrijselijkst van allen is geweest.

Zij zat op het dek van het achterschip tegen het overgebleven houten

beschot van de rooksalon. De stortzeeën sloegen met wreed geweld over

haar en haar lotgenooten neer, omspoelden haar vaak gansch en al,

zweepten haar het gezicht dat ze het uitschreeuwde van de pijn. Die

snijdende pijn was echter het ergste niet. Ze dacht alleen aan de

bescherming van haar kind dat ze gekneld hield in de vast om de kleine

gesloten armen. Toen ze haar kind voelde verkleumen, legde ze het op de

bank, waar nog andere vrouwen op waren gezeten en om te verhinderen dat

de golven haar het schreiende wicht zouden ontrukken, drukte zij het in

smartelijken angst met de knieën tegen de bank. Lang kon ze dit echter

niet volhouden, de krachten begaven haar.

De andere vrouwen stonden haar dapper bij, steunden met de handen de

kleine, als de knieën moede werden. Maar het kindje stikte des nachts,

nadat een zware vloedgolf hen minuten lang onder water had gedompeld,

waarbij het wrak dreigde te kantelen. Het doode kind hield Frau Wennberg

verder in de armen. Eerst toen de redders kwamen, werd ze bewogen het af

te staan, mits het mede werd gevoerd naar de veilige kust.

Haar dienstbode, Mina Ripler, stond haar met onbeschrijfelijke trouw en

liefde bij, ondersteunde op het wrak haar meesteres als deze wanhopig

schreiend haar kind trachtte te warmen, steunend tegen de bank, en met

moeite door haar lotgenooten staande gehouden.

De vrouwen hielden zich trouwens over het algemeen op het wrak beter

dan de mannen, die door de koude het eerste werden bevangen. Zoo heeft

Augusta Theiler, een der geredde dames, met haar adem nu en dan de

handen gewarmd van Jaboulet, den Franschman, omdat deze op het punt

stond zich los te laten en neer te ploffen op het dek, waar hij

reddeloos verloren zou zijn geweest.

Meer verhalen van jammer moest ik hooren.

Ik had nog een onderhoud met den heer Schröter uit Berlijn, die

natuurlijk tot zijn geredde vrouw was toegelaten. Hij deelde mij mee

wat zijn echtgenoote hem had verteld omtrent den toestand op het wrak

na de schipbreuk. Toen stonden de schipbreukelingen samen op een heel

klein stukje van het promenadedek, wel beschut voor den wind, maar

blootgesteld aan het ijskoude zeewater, dat telkens over het schip

heensloeg. Eén plekje slechts tusschen de rooksalon en de daarachter

liggende dekhutten was geheel vrij van water en om beurten mochten de

vrouwen daarin een kwartiertje rusten. De anderen liepen op en neer in

de beschutting van de wanden van het rooksalon die nog waren blijven

staan.

De thans geredde passagier Brödessen geraakte spoedig na het scheuren

van het schip in een staat van bewusteloosheid maar zijn lotgenooten

dwongen hem bij zijn positieven te blijven door hem te knijpen en hem

het dek op en neer te laten loopen.

Omtrent haar redding vertelde Frau Schröter--zij was het, die zoolang

op het berghout had gezeten--dat zij vallende van de lijn in het

water terecht kwam. Later werd haar meegedeeld dat de bemanning der

verschillende bij de redding betrokken booten haar toen voor een

drijvend lijk had aangezien. De man die de aandacht op haar vestigde,

zeggende: »Daar is nog iemand die leeft«, was Prins Hendrik. Het was

ook de Prins, die haar aan boord in zijn pelsjas wikkelde; toen hij

haar later weer zag in het Hotel Amerika, zei hij lachend tot haar

echtgenoot: »ja, sie ist eine tüchtige, sie ist aus Berlin.«

Ook sprak ik nog den heer O. Hintze uit Berlijn, den verloofde van

Elisabeth Holle, die bij den ramp het leven liet. Den 17den Februari

schreef zij, na uit Zuid-Afrika in Engeland te zijn aangekomen, aan

haar verloofde dat hij haar den 21sten met haar broeder in Hannover zou

komen afhalen. Helaas, de aanstaande echtgenoot en de broeder wachtten

tevergeefs. Tragisch is, dat de verongelukte vrouw in den brief nog

schreef: »als er geen ongeluk met het spoor of het schip gebeurt.«

Was het een angstig voorgevoel, thans jammerlijk in vervulling gegaan,

dat haar dit voorbehoud maken deed? Wie zal het zeggen...

De drukte op Zondag.

De drukte aan den Hoek van Holland was op dien Zondag overweldigend.

Reeds in de vroege morgenuren brachten de treinen uit Schiedam, den Haag

en Rotterdam de nieuwsgierigen bij honderden en duizenden aan, honderden

en duizenden die het dorp en de havenkaden vulden met een zeldzame

bedrijvigheid, waarvoor de verbaasde Hoekbevolking met stomheid geslagen

stond.

In drommen trok men naar de pier, fietsen schoten door de menigte,

auto's toeterden ruim baan, in rijtuigen lieten zich gansche

gezelschappen naar het strand rijden, waar men heel in de verte

het wrak kon zien liggen, nu eens duidelijk zich afteekenend tegen de

helderblauwe winterlucht, dan weer omwaasd door een nevel als er een

nieuwe sneeuwbui in aantocht was, soms geheel verdwenen als de vlokken

in verblindende dwarreling neerkwamen.

Aan het strand werden verrekijkers verhuurd. Daar stonden de

dagjesmenschen met deskundig-geknepen oogen door te turen, zagen

natuurlijk meestentijds niets, wisten de kijker niet te stellen en

beweerden dan ten slotte maar met een hoogwijs gezicht dat ze 't

duidelijk gezien hadden...

Met den vloed werden de wit gekuifde golven door den tamelijk sterken

wind over de pier gejaagd, schuimde het zeewater bruischend en bulderend

aangerold tegen de klipsteenen, zakte het deinend terug over het strand,

golfde dan weer aan en joeg de nieuwsgierigen, bang voor natte

broekspijpen en bedorven rokstrooken, het hoofd af.

Dan wandelden ze langs het strand, keken er naar aanspoelend wrakhout,

trommels, doozen en bussen, griezelden er tegen 't idee dat ze ook wel

eens een lijk konden vinden, en trokken dan in de knusse stemming van

»dat hebben we alweer gezien« naar het dorp en het station terug, waar

ze de herbergen en de wachtkamers vulden met een waren kermisroezemoes.

Per Hollandsche Spoor uit de richting Schiedam werden met gewone en

extra treinen alleen reeds aangevoerd ten naastenbij twintig duizend

passagiers. De Westlandsche Stoomtram liet in extra diensten lange

treinen rijden, die telkens stampvol zaten, zoodat de menschen als het

ware hingen aan de balkons. Maar dit was nog niet voldoende. Er reden

zelfs trams uit enkel goederenwagens bestaande en daarin nog stonden de

menschen als haringen in een ton gepakt, schouder aan schouder.

[Illustratie: Gezicht op het wrak van het Noorderhoofd.]

De stoomboot »_Thor_» voer van den Berghavensteiger naar het wrak op en

neer voor een gulden per persoon, maar hiervan werd wegens het buiige

weder en het woelige water in de haven geen overgroot gebruik gemaakt.

Vooral tegen den avond werd het weêr opnieuw onstuimig. Omstreeks vijf

uur deed er zich een flinke sneeuwjacht voor, dadelijk gevolgd door

hevige regenbuien, gepaard met windvlagen die het zeewater met kracht

over de havendammen stuwden en de golven voortzweepten over de geheele

lengte der pieren, zoodat de laatste kijkers zich terugtrokken naar

het dorp, weinig goeds als zij terecht zagen in de samenpakkende zware

aschgrauwe wolkbanken die nog in geen uur tijds het helder luchtblauw

van den Februaridag verduisterden, en de late middagzon die nu en dan

de wit besneeuwde duintoppen belichtte met een rozigen gloed, voorgoed

omhulden. De avond viel snel, de wind nam hand over hand in kracht toe

en weldra lag het landschap aan den Hoek van Holland in 't duister.

De drukte was toen spoedig afgezakt. Lange treinen gingen met

volgepropte wagens naar Schiedam en Rotterdam terug.

De menschen zaten erin te zingen....

Buiten loeide de wind en hooge witgekopte golven kwamen op het strand

aangerend.

Om de loods, waarop de vlag halfstoks droefgeestig klapperde, waar den

ganschen dag de dooden hadden gelegen, veilig bewaakt, zoodat geen

profane kijkers er de plechtige stilte kwamen verstoren, om de loods

krijschten meeuwen...

* * * * *

In de leeggeloopen restauratiezaal van het station, aan de in een hoekje

gereserveerde perstafel, schreven wij onze laatste telegrammen. Toen

leenden wij van de vriendelijke echtgenoote van den restaurateur,

Hamann, dekens en daarin gehuld als Indianenhoofden volgden wij een

wagenopzichter naar een waggon van den D-trein voor Osnabrück-Hamburg

en Berlijn, die in de remise voor het vertrek van den volgenden morgen

klaar stond. Ten zeerste waardeeren wij de welwillendheid van de

directie der H. IJ. S. M., die ons dit nachtverblijf in den tijdelijk

zoo overbevolkten Hoek verstrekte, een welwillendheid die trouwens, het

zij hier dankbaar gezegd, door die van alle autoriteiten daar ter

plaatse in het algemeen werd geëvenaard.

Maandagmorgen.

Onze rust was goed, maar kort, want te halfvijf werd ons hotel op wielen

gerangeerd en moesten wij onze »kamers« verlaten, om plaats te maken

voor de reizigers die met de boot van vijven, de »Chelmsford«, na een

kalme reis in een triestigen natten mist hier aankwamen.

Dezen waren, zooals gewoonlijk op Maandagmorgen, weinig in aantal, doch

in den trein, waarin wij geslapen hadden, de Duitsche Nordexpress van

5.55, werd ook vervoerd een der geredden, de heer H. Brödessen, die wel

genoeg was om onder geleide van zijn eigen dokter naar zijne woonplaats

Altona te vertrekken.

Een rijtuig bracht hem van het Hotel Amerika naar het station en toen

hij daaruit werd geholpen zagen wij, dat hij nog een tamelijk jonge,

forschgebouwde man was, die weliswaar thans voetje voor voetje, maar

toch nog flink rechtop liep. In het voor hem gereserveerde compartiment

legde hij zich op een der banken neer en even mochten wij hem spreken,

de hand drukken en gelukwenschen met zijn redding.

Die redding zeide hij naast God en de wakkere Hollandsche zeelieden,

die voor hem hun leven waagden, te danken te hebben aan het feit, dat

hij, na door een hevigen schok half uit zijn kooi te zijn gevallen,

verschrikt, slechts gedeeltelijk gekleed, aan dek geijld en naar het

achterschip is geloopen. Anders was hij ook met al de passagiers die

zich op het voordek bevonden, in de diepte verdwenen.

Het verhaal van den heer Brödessen, voor zoover hij dit met zwakke stem

in korte woorden kon, kwam op hetzelfde neer als dat van den jongen

Engelschman Emil Yung, van wiens ervaringen men hierboven het relaas

heeft kunnen lezen.

»Meermalen was ik aan boord half bewusteloos«, vertelde de heer

Brödessen, »en telkens wanneer ik uit mijn bezwijming weer bijkwam, leek

mij het aantal mijner nog levende lotgenooten verminderd. Zij stierven

of gleden bewusteloos geworden met het afloopende water der stortzeeën

van het dek. Ten laatste bevonden wij ons nog met ons twintigen op het

wandeldek op een bank tegen de rooksalon, waar wij, om hooger boven het

water te zijn, zaten op het lichaam van een der dooden.

De schipbreuk van de "Berlin" 21 Februari 1907. Volledig verhaal van de scheepsramp aan den Hoek van Holland · 第 7 / 10 题