bepalen, daar dat verschijnen niet plotseling heeft plaats gegrepen en
de mensch eerst _trapsgewijze_ ontstaan is. Evenmin kan men nauwkeurig
de plaats bepalen, waar hij voor het eerst is opgetreden. Toch heeft
men reden te onderstellen, dat de oorspronkelijke mensch, die reeds
een spoor van eene taal bezat, die reeds in groepen vereenigd leefde,
en die reeds steenen gereedschappen kon vervaardigen, en op horen
teekenen kon, meer dan _honderdduizend_ jaren oud is, en in Azië,
in de nabijheid der Perzische golf leefde, van waar hij zich over de
aarde verspreid heeft.
De geestelijke karaktertrek, die den mensch kenmerkt, is zijn vermogen
om _afgetrokken begrippen te vormen_. Neem dat vermogen weg, en de
mensch valt weder in den dierlijken toestand terug. Doch dat vermogen
is nog betrekkelijk jong, en wij kunnen de verschillende phrasen van de
ontwikkeling van dat vermogen volgen. De wiskunde wordt b.v. terecht
beschouwd als de schoonste openbaring van den menschelijken geest,
vooral in hare toepassing op de diepzinnigste vraagstukken der
sterrenkunde; het is niet moeilijk hare ontwikkeling na te gaan. Men is
begonnen met het gewone tellen tot tien, op de vingers der hand: dit is
de oorsprong van het tientallig stelsel. Voor lengtematen heeft men den
voet, den elleboog, de schrede genomen, voor dieptemetingen den vadem;
al die afmetingen zijn aan het menschelijke lichaam ontleend. In het
wigvormig schrift der Chaldeën worden de getallen eenvoudig voorgesteld
door gaten. Bij de Grieken zijn de cijfers niets anders dan de letters
van het alphabet met een accent er boven: a' = 1, b' = 2, enz. tot 20;
grootere getallen worden voorgesteld door verbindingen van letters. De
meetkunde is begonnen met landmeetkunde en bouwkunde. De eigenlijke
wiskunde dagteekent waarschijnlijk eerst van Thales en Pythogoras,
in de zesde eeuw vóór Christus, als uitbreiding der rekenkunde
en meetkunde van de Egyptenaren. De meetkunde, als wetenschap,
als verzameling van onwederlegbare stellingen, dagteekent eerst van
Euclides en Archimedes; de kennis der kegelsneden dagteekent eerst van
Apollonius, de algebra is begonnen met Diophantes, de sterrenkunde met
Hipparchus en Ptolemaeus, de kennis van den bouw van het zonnestelsel
met Copernicus, de kennis van de beweging der hemellichamen met
Kepler, en van de wetten dier beweging met Newton; de natuurkundige
sterrenkunde is door Galileï gegrondvest door de uitvinding van
den verrekijker, de toepassing van de algebra op de meetkunde door
Descartes, de logarithmen door Neper, de differentiaal-rekening door
Leibnitz, de integraal-rekening door Euler en Bernouilli; de toepassing
dier wetenschappen op de sterrenkunde is de vrucht van de studie
van Lambert, d'Alembert, Lagrange, Laplace, Gauss en anderen. Dat
alles dagteekent eerst van gisteren. Zoo ziet men, hoe men stap voor
stap de ontwikkeling van den menschelijken geest volgen kan. Wat wij
zooeven gezegd hebben van de wis- en sterrenkunde, geldt evenzeer
voor de natuurkunde, de scheikunde, in één woord, voor alle kunsten
en wetenschappen, voor alle werken des geestes. Wel is niet altijd de
vooruitgang even duidelijk, wel is, zooals b.v. bij de beeldhouwkunst
en de schilderkunst, somtijds in tweeduizend jaren geene ontwikkeling
te bespeuren; doch men vergete niet, dat tweeduizend jaren slechts een
dag zijn in de geschiedenis der aarde. Voor hem, die tot den oorsprong
weet op te klimmen, en die zich niet door vooroordeelen laat leiden,
is het duidelijk, hoe alles, wat thans den mensen zijne groote waarde
geeft, geleidelijk in den loop der eeuwen door voortdurende inspanning
verworven is. Zelfs in de nieuwste wetenschappen, in de nieuwste
ontdekkingen, in de scherpzinnigste toepassingen, schept de grootste
reuzengeest niets nieuws: hij maakt gebruik van de gegevens, hem door
de wetenschap verschaft, om haar een stap verder te brengen. Dat is
steeds de gang der ontwikkeling geweest.
Wel is de tegenwoordige menschheid nog niet volmaakt. Nog is de eeuw
der rede niet aangebroken. Zoolang nog de kracht het recht beheerscht;
zoolang nog staande legers noodig schijnen te zijn; zoolang er nog
armoede en onwetendheid, diefstal en moord bestaat, zóólang kunnen
wij ons nog niet beroemen op den naam van een verstandig ras. Doch
de geleidelijke vooruitgang in het verleden is een waarborg voor de
toekomst; de wereld gaat vooruit. Kunsten en wetenschappen, goede
smaak, letterkunde en zedelijkheid, alles verheft zich. Het gevoel
voor het goede en ware ontwikkelt zich; deugd en kennis veredelen en
reinigen den mensen. Met vertrouwen mogen wij de toekomst tegemoet
gaan. Want de menschheid, bevrijd uit de knellende banden van haren
dierlijken oorsprong, beheerscht de wereld in haar streven naar
voortdurende ontwikkeling.
Zoo zal dan een volgend menschengeslacht, steunende op de
onderzoekingen van voorgaande eeuwen, weer nieuwe feiten verzamelen,
nieuwe ontdekkingen doen, nieuwe gezichtspunten openen; totdat na
verloop van honderden en honderden eeuwen een hooger ontwikkeld,
een beter en reiner menschengeslacht onze plaats zal innemen.
Want vooruitgang is de wet der natuur; dit geheele werk legt daarvan
de getuigenis af; het zoeken naar de Waarheid is het streven van den
menschelijken geest. Al het andere is slechts ijdelheid. De bestemming
van ieder onzer is het, om ons meer en meer te ontwikkelen. Wel is
de toekomst voor ons verborgen, doch uit de studie van het verledene
kunnen wij de richting leeren kennen, waarin zich de menschheid
beweegt. En die studie werkt juist daarom zoo veredelend op ons
gemoed, omdat zij ons aanspoort, om te leven in de goddelijke wereld
des geestes en omdat op hare banier in vlammend schrift geschreven
staat: Waarheid, Licht, Hoop.
AANTEEKENINGEN
[1] De Wonderen des Hemels. Flammarion's Astronomie populaire, voor
Nederland bewerkt. Zutphen, W.J. Thieme en Cie.
[2] Het Rijk der Sterren, Flammarion's Etoiles et Curiosités du Ciel,
voor Nederland bewerkt. Zutphen, W.J. Thieme en Cie.
[3] De in fig. 34 en 35 geteekende wezens zijn die, welke in de lucht
het meest verspreid zijn. Op bewoonde plaatsen is hun aantal zeer
groot, terwijl het op de bergen en in volle zee uiterst gering is,
zooals de volgende tabel leert:
Aantal bacteriën, geteld in eenen cubieken meter lucht.
Op de bergen 1 tot 10
Boven op het Pantheon te Parijs 200
Park van Montsouris 500
Lucht in de rue Rivoli te Parijs 3 480
Lucht in de nieuwe huizen te Parijs 4 500
Lucht in het laboratorium te Montsouris 7 420
Lucht in de oude huizen te Parijs 36 000
Lucht in het nieuwe hospitaal te Parijs 40 000
Lucht in het hospitaal la Pitié te Parijs 79 000
[4] Bij de hydra's vindt men reeds eene sterke ontwikkeling
der levenskracht. Zij zijn zeer gulzig en gevaarlijk voor hare
even groote naburen. De mond aan het vooreinde is omzet met een
krans van bewegelijke, lange vangarmen; aan de oppervlakte en in
de nabijheid daarvan vindt men een aantal netelorganen. De draad,
in die netelorganen besloten, eindigt in een peervormig blaasje,
waarachter drie of vier weerhaakjes staan; de polyp kan naar willekeur
die weerhaakjes uitslaan en intrekken. Als een infusiediertje in
de nabijheid der hydra komt, grijpen de vangarmen het aan, haken
de weerhaakjes daarin vast en wordt het in den mond van het monster
gesleept. Geen enkel dier op het land, zelfs niet de ontzaglijkste
verscheurende dieren, bezit zulke gevaarlijke wapenen als die bijna
onmerkbare polyp, wier gulzigheid en verterend vermogen zonder
wederga zijn.
Door middel van den mikroskoop heeft men waargenomen, dat die
diertjes, na hunne prooi te hebben verslonden, eenige minuten later de
overblijfselen weder uitwerpen, die dan hunne voedende eigenschappen
verloren hebben; somtijds verslinden zij lichamen, grooter dan zij zelf
zijn; men ziet dan de mondopening, en de holte, die het lichaam vormt,
zich uitzetten tot driemaal het gewone volume; indien het verslonden
dier een omhulsel bevat, dan wordt dit in de maag van de polyp door
het maagsap week gemaakt en zoo voor de voeding geschikt.
Opmerkelijk is het, dat dit verterend vermogen alleen werkt op vreemde
lichamen en niet op polypen. Trembley had dit reeds in het midden der
vorige eeuw opgemerkt. Eene polyp had tegelijk met hare prooi éénen
harer eigen vangarmen ingeslikt: na verloop van eenige oogenblikken
kwam de vangarm ongedeerd uit de mondopening, terwijl de prooi in
het lichaam van de polyp werd opgelost. Harting vertelt, dat twee
polypen elkander eene prooi betwistten; geene van beide wilde de prooi
loslaten; de sterkste slikte toen de zwakste op met de prooi, waaraan
zij zich had vastgeklemd. Eenigen tijd later wierp de overwinnaar
de overblijfselen van zijnen maaltijd uit, en tegelijkertijd kwam de
andere polyp ongedeerd te voorschijn, die weer na korten tijd jacht
ging maken op andere dieren, als ware er niets geschied.
[5] Zij heeft reeds eenen aanvang genomen bij de planten. De plant
is lang zoo werkeloos niet als men zich dit gewoonlijk voorstelt; zij
ademt, eet, drinkt en slaapt. Zij ademt evenals wij de dampkringslucht
in, maar juist in omgekeerde volgorde; zij ademt koolzuur in, dat voor
ons doodende gas, en herstelt zoo het evenwicht in de samenstelling
van den dampkring.
Zij eet en drinkt; haar voedsel is koolstof, ammoniak, zwavel,
phosphorus. De krachtige bouw harer wortels en bladeren stelt haar
in staat, haar voedsel te nemen en zelfs te halen uit de lucht en
den bodem, zoover hare armen zich kunnen uitstrekken.--Zij slaapt:
de meeste planten volgen gehoorzaam de natuur en slapen van het
ondergaan tot aan het opkomen van de zon, andere echter waken tot
laat in den nacht, staan niet vóór 's middags op, en ontwaken zelfs
in het geheel niet bij regenachtig weder.
Een geheime band verbindt de plant aan het licht; het uur van haar
ontwaken en ontluiken wijzigt zich naar de families; er zijn er, die
daarin de jaargetijden en de afwisselingen in temperatuur volgen;
andere echter onderwerpen zich als gehoorzame dochters aan den
schijnbaren loop der zon. Hieruit heeft Linnaeus zijn bekend uurwerk
van Flora vervaardigd.
De plant heeft het vermogen, het voedsel te kiezen, dat haar past. Tot
voorbeeld diene het volgende:
Op de puinhoopen van New-Abbey in het Graafschap Galloway groeide op
eenen ouden muur een ahornboom. Daar leed de arme ahorn, eenige voeten
boven den vruchtbaren bodem, honger, eene ware tantalusbeproeving,
nu de vruchtbare aarde zoo dicht in zijne nabijheid lag. Wie kan
ons de stuiptrekkingen schetsen van het arme wezen, strijdende tegen
den dood, de kwellingen, die het niet kon uiten, zijn versmachten en
lijden? Wie kan zeggen, wat er in het organisme van den armen lijder
omging; welke vermogens werden geprikkeld en geoefend, welke gaven zich
gingen openbaren?.... Zeker is het, dat de ahorn, de onbewegelijke,
de geketende, nu hij de aarde niet tot zich kon trekken, zich naar
die aarde voortbewoog.
Liep hij? Neen, hij rekte zich uit en strekte wanhopig zijne armen
uit. Een voor dat doel gevormde wortel werd op verkenning uitgezonden,
naar den grond gericht, en.... bereikte dien. Met hoeveel vreugde
drong hij daarin door! De boom was gered. Door dien nieuwen wortel
gevoed, verplaatste hij zich, liet hij de wortels, die doelloos
waren, afsterven, en verliet hij de steenen van den ouden muur,
om voort te leven op het reddende orgaan, dat weldra in eenen stam
veranderde. Is de overeenstemming van dien drang met den menschelijken
wil niet treffend?
Licht! licht! riep Goethe uit, toen hij den laatsten adem uitblies. Die
kreet, die uiting van eene heerlijke symboliek, die dorst naar licht,
het is de voortdurende smeekbede van de plant, van den groengebladerden
tak, van de welriekende bloem.
Men heeft waargenomen, hoe eene heldhaftige jasmijn telkens eene plank,
van gaten voorzien, doortrok, om het licht te zoeken, zoo dikwijls
men haar, door de plank om te keeren, van het licht afwendde.
En dan het kruidje-roer-mij-niet, dat bij de minste aanraking
in doodslaap geraakt! In de tropen vindt men soms velden vol
van die planten, welke reeds bij de stappen van een paard in de
verte samentrekken, als werden zij verschrikt. Verdoovende middelen
verminderen hare gevoeligheid. Met opium besproeid slapen zij in. Eene
electrische ontlading kan ze dooden. Een waarnemer deelt mede, hoe zij
in een rijtuig geplaatst, zich onder den invloed der schokken eerst
verschrikt samentrokken, en na er aan gewoon geraakt te zijn, weer
rustig werden. Zoo dikwijls het rijtuig stil hield, schenen zij zich
weer opnieuw te verbazen en te schrikken, en trokken zij weer samen.
Wij zouden te ver afdwalen, indien wij de aandacht onzer lezers
vestigden op _de vleeschetende planten_. Genoeg zij het, er op gewezen
te hebben, hoe ook de plantenwereld hare stem doet hooren in het
harmonische koor der natuur.
[6] Door bezinking ontstane lagen (Neptunische formatie).
[7] Ik heb gezien, dat datgene wat eertijds vastland geweest was,
nu zee is; ik heb gezien, dat land uit de zee is ontstaan. En ver
van de zee liggen zeeschelpen, en een oud anker is gevonden op den
top van eenen berg. (Ovid. Metam. XV, 262-265).
[8] Wij herhalen nog eens, dat deze getallen geene _absolute_ waarde
hebben en alleen dienen als verhoudingsgetallen.
[9] Edgard Quinet: _La Création._
[10] Op bepaalde plaatsen is de verdamping veel sterker dan het
algemeen gemiddelde bedraagt. Zoo regent het bijna nooit boven de
Roode zee en in hare nabijheid, en de verdamping heeft daar zóó snel
plaats, dat daar eene laag van 7 meters dikte jaarlijks als damp
wordt weggevoerd. De Roode zee zoude dus reeds lang uitgedroogd en
vervangen zijn door eene zoutvallei, indien zij niet gevoed werd door
de Indische zee en de Middellandsche zee.
De waterspiegel der Roode zee is dezelfde als die van den gemiddelden
waterspiegel van den Oceaan, omdat zij daarmede in gemeenschap
staat. Ditzelfde geldt voor de Middellandsche zee, niettegenstaande
hare verdamping 1/3 meer bedraagt dan hetgeen haar wordt toegevoegd.
Daar de Caspische zee afgesloten is, heeft zij eenen anderen
waterspiegel verkregen en is zij 100 meters gedaald; de doode zee
is 400 meters gedaald; de waterspiegel dier zeeën wordt bepaald
door de verhouding tusschen de hoeveelheid verdampend water en de
hoeveelheid regen.
[11] De arbeid der rivieren bij de aanslibbing vermindert van jaar
tot jaar door het gebruik, dat de landbouwers van het water maken. De
Po wordt gebruikt voor de besproeiing van honderdduizenden bunders:
dagelijks worden daaraan 55 millioen cubieke meters water onttrokken
voor den landbouw in Lombardije en Venetië. Zoo geeft de Ganges 6/7
van zijn water af ten behoeve van 3 millioen menschen; in de delta
van den Nijl dienen steeds 50 000 putten ter besproeiing ten koste
der rivier en der kanalen. Een groot gedeelte van het water is reeds
gedronken en afgeleid vóórdat het de zee bereikt.
[12] Welke verwoestingen eene zoodanige golf, veroorzaakt door het
storten van groote massa's steen in het water, kan veroorzaken, heeft
men in 1883 te Krakatau ondervonden. Men leze over die ontzettende
ramp het voortreffelijke werk van den Heer R.D.M. Verbeek: Krakatau.
[13] De devonische formatie ligt bloot in Engeland (Devonshire,
Shropshire, Herefordshire enz.), in Frankrijk (Ardennen, Orne,
Cotentin, Sarthe, Mayenne, Ile-et-Vilaine, Vogezen, Languedoc,
Pyreneën), in Duitschland (Rijnoevers, Nassau, Westphalen) in Spanje
(Asturië) enz.
[14] Eerst onlangs heeft men in de middelste silurische formatie
in Calvados den vleugel van een insect gevonden. Het was eene soort
van kakkerlak.
[15] De Wonderen des Hemels, naar Camille Flammarion. Zutphen,
W.J. Thieme en Cie.
[16] De oppervlakte der steenkolenmijnen, die in exploitatie zijn,
bedraagt ongeveer 500 000 vierkante kilometers. De hoeveelheid
steenkool, die gemiddeld jaarlijks uit alle mijnen der aarde
opgedolven wordt, bedraagt 200 milliard kilogram. Engeland levert
daarvan de helft, Frankrijk het tiende deel. Engeland bezit 350
000 mijnwerkers, Frankrijk 100 000, Duitschland eveneens, België
50 000. Het onderaardsche leger, dat over de geheele aarde strijdt
voor de werken des vredes, voor de industrie en de ontwikkeling der
menschheid, telt ongeveer één millioen man.
[17] Enkele amphibiën zijn levend barend, en brengen jongen voort
zonder kieuwen; vóór de geboorte echter hebben zij nog kieuwen.
[18] Onder de merkwaardigste zoutmijnen der wereld behooren die van
Wieliezka, bij Krakau, in Polen, aan den voet der Karpathen. Zij
zijn 3000 meters lang en 1200 meters breed en liggen 400 meters onder
de oppervlakte van den grond. Men heeft daarin eene verzameling van
groote onderaardsche gewelven, eene ontzaglijk groote stad met straten,
pleinen en hutten voor de mijnwerkers en hun gezin; honderden zijn
daarin geboren en eindigen daarin ook hun leven. Er zijn kleine
kapellen voor de godsdienstoefeningen, en enkele gaanderijen zijn
hooger en breeder dan kerken. Men heeft daarin een groot aantal
lichten ontstoken, wier vlam overal op de zoutmuren weerkaatsend,
deze nu eens schitterend wit doet schijnen, dan weder in schitterende
kleurenpracht. Men vindt er een meer, dat men in eene roeiboot bezoekt.
De hoeveelheid zout, die men uit die mijnen geput heeft sedert hare
ontdekking in het midden der dertiende eeuw, bedraagt meer dan _600
millioen centenaars_.
De zoutmijnen van Zwitserland leveren jaarlijks niet minder dan
590000 centenaars.
[19] Men herinnert zich, hoe Aeneas zijnen vader Anchises op den
rug wegdroeg.
[20] Merkwaardig is het, hoever wij het in de kennis van die oude
soorten gebracht hebben. Wij weten b. v. welke dieren de ichthyosauren
verslonden; men weet, hoe hun darmkanaal gevormd was. Die kennis zijn
wij te danken aan de ontdekking van de koprolithen (dreksteenen), die
tegelijk met de skeletten dier dieren versteend zijn. Het onderzoek
dier dreksteenen van den ichthyosaurus heeft ons duidelijk schubben
van visschen, tanden, enz. doen kennen.
[21] Was de ontdekking dezer wezens moeilijk, hunne uitgraving was
het nog meer, en slechts onder de grootste voorzorgen kon men die tot
een goed einde brengen. De beenderen toch hadden weinig vastheid en
vielen tot stof, zoodra men ze vrijmaakte. Om aan dit groote bezwaar
te gemoet te komen, nam men zijne toevlucht tot eene handelwijze, die
herinnert aan die, welke de tuinlieden toepassen, om graszoden over te
planten. Evenmin als zij de grashalmen één voor één uittrekken, om ze
zóó over te brengen, maar de aarde, die de graszoden draagt, bij platen
losmaken, zoo deed men ook met de beenderen der iguanodons. Men hakte
de klei, die de beenderen bevatte, in blokken, en men besloot deze
in dien toestand naar de oppervlakte te brengen. Doch die blokken,
waarvan enkele 1,50 meters lang en breed, en 60 centimeters hoog
waren, liepen door hunne groote afmetingen gevaar van in stukken te
vallen. Dit moest tot elken prijs vermeden worden. Daarom omgaf men
ze met een hard omhulsel, door ze in gips te dompelen. Zoo werd het
blok aan vier zijden bepleisterd, waarna men het naar de oppervlakte
bracht. Daarna omgaf men het door ijzeren hoepels en bekleedde ook
de beide vrije uiteinden met gips. Vervolgens kreeg het blok een
volgnummer, en alle blokken, die tot eenzelfde dier behoorden, werden
met eene zelfde letter gemerkt: zoo vermeed men het gevaar, dat de kop
van het ééne dier op den romp van het andere geplaatst werd. Bovendien
werd nog eene teekening gemaakt van de ligging der verschillende
blokken van ieder exemplaar, ten einde ze later nauwkeurig in den
stand te plaatsen, dien zij innamen, toen zij nog deel uitmaakten van
de kleilaag. Het totale gewicht der blokken bedroeg met hun omhulsel
110 000 kilogram; zij werden per spoor naar Brussel vervoerd, waar
zij ongedeerd in het Museum van natuurlijke historie aankwamen.
[22] Die teekening herstelt de beide kruipende dieren in de omgeving
van hunnen tijd. De megalosaurus, een vleeschetend dier, heeft
eene aanvallende houding; de iguanodon, een plantenetend dier, gaat
verdedigender wijze te werk, op het punt van gebruik te maken van de
vreeselijke spoor aan zijn' duim.
Men vindt op den achtergrond verschillende soorten van varens,
cycadeën en naaldboomen. Er waren toen reeds pijnboomen.
[23] De eerste mosasauri zijn reeds in 1766 bij Maastricht gevonden
door eenen officier Drouin, die de beenderen opkocht, welke door de
werklieden in de steengroeven ontdekt waren. Hoffman, een officier van
gezondheid, zette de onderzoekingen van Drouin voort en verzamelde
eene groote menigte bouwstoffen, die bij den dood van den bezitter
in 1782 in handen van Petrus Camper overgingen.
Toen in 1793 het Fransche leger Maastricht binnengetrokken was,
zond de generaal Kleber naar den Jardin des Plantes te Parijs den
fossielen kop van den mosasaurus, die toen in handen was van het
kerkbestuur. Faujas de Saint-Fons bestudeerde dien en meende in het
Maastrichtsche dier, zooals het toen genoemd werd, eenen grooten
krokodil te herkennen. De kop is twee meters lang. Cuvier beschreef
den schedel en de wervelkolom, en beoordeelde het zoölogische karakter
van het dier juister, hoewel hij den juisten aard der ledematen nog
niet voldoende kon vaststellen. Toch herkende hij reeds, dat het eene
soort van vinnen waren, die hij vergeleek met die der dolfijnen en
der plesiosauren.
In 1841 vond R. Owen naast den bekenden mosasaurus eene nieuwe familie,
den _leiodon_, die aan zijne tanden herkend kon worden. Door die
ontdekking nam wel het aantal vormen toe, doch de kennis van de
beenderen der soort ging er niet door vooruit.
Iets later (1845) vond Goldfuss weder eene nieuwe soort, den
Amerikaanschen mosasaurus, waarvan het geraamte thans te Rome
bewaard wordt. Daardoor was onze kennis der mosasauri werkelijk
vooruitgegaan. Nadat een tijdlang geene nieuwe ontdekkingen plaats
hadden, werd de kennis dier wezens onverwacht vermeerderd door de
onverwachte opgravingen aan de overzijde van den Atlantischen Oceaan.
Professor Cope beschreef in zijn groot werk over de gewervelde dieren
uit de krijtperiode drie nieuwe soorten (Platecarpus, Clidastes en
Sironectes), die te zamen 21 families vertegenwoordigden.
Professor Marsh eindelijk, die 1400 exemplaren van mosasauri bezit,
ontstak in 1872 licht over den bouw der schouderbladeren, het bekken en
de ledematen. Acht jaren later (1880) beschreef hij het borstbeen. Ook
ontdekte hij den aard der huidbekleedsels. Aan de vijf nieuwe families
door hem bepaald, voegde Dollo nog twee toe.
[24] In de groene zandsteen van Cambridge, behoorende tot het bovenste
gedeelte der oudste krijtformatie, heeft men den vorm der schedelholte
van eenen pterodactylus gevonden. De hersenen geleken op die van
eenen uil; ook het achterhoofd en de gezichtszenuw gelijken meer op
die van eenen vogel dan op die van een kruipend dier.
[25] Naar Neuchâtel (Neocomium).
[26] Naar Orgon (Frankrijk).
[27] De bodem van den Artesischen put te Grenelle bestaat uit Gault.
[28] Naar Apt (Frankrijk).
[29] Naar het departement Aube.
[30] Naar de stad le Mans.
[31] Naar Touraine (Tufkrijt, ook bij Maastricht voorkomend).
[32] Naar Sens (Wit krijt).
[33] Champagnekrijt.
[34] In Haute-Garonne voorkomend.
[35] Soorten van zeeëgels.
[36] Naar het zand van Soissons.
[37] Parijsch grofkalk.
[38] Klei en zand van Tongeren in Limburg.
[39] Kalksteen van Aquitanië.
[40] Naar de Italiaansche heuvels (langhue).
[41] Zwitsersche molasse. (Eibergen en Winterswijk).
[42] Klei uit Tortone. (Italië).
[43] Overeenkomende met de formatie der Caspische zee.
[44] Subapennijnsche zeevorming: Plaisance, enz.
[45] Uitdroging van het Rhônebekken.
[46] Strook van den elephas meridionalis van de Arnovallei.
[47] Later, (fig. 284) geven wij het geraamte van het paleotherium,
en op de volgende bladzijde (fig. 280) het geheele dier. Het is niet,
zooals men vroeger meende, log en lomp, maar het heeft eene sierlijke
gestalte, en de hals was misschien even lang als die van het paard
en van denzelfden vorm als bij de lama.
[48] deinos, verschrikkelijk; keras, horen.
[49] huaina, hyena; arktos, beer.
[50] machaira, mes; odous, tand.
[51] mesos, midden; pithikos, aap.
[52] Lijnen van dezelfde gemiddelde temperatuur.