Doch eerst in 1861 werd het vraagstuk met volkomen zekerheid

opgelost door de wegruiming van het puin van de grot van Aurignac,

door Lartet. Daar was verdere twijfel onmogelijk. Die grot was op

het oogenblik der ontdekking gesloten door eenen van eenen grooten

afstand aangebrachten steen. Lartet vond in die grot de beenderen

van acht diersoorten, tot de quaternaire periode behoorende. Eenige

van die dieren waren daar opgegeten; hunne gedeeltelijk verkoolde

beenderen droegen nog de sporen van het vuur, waarvan men nog de

kolen en de asch terugvond; de beenderen van eenen jongen rhinoceros

tichorinus vertoonden inkervingen, gemaakt met vuursteenen werktuigen,

en waren afgekloven door hyena's, waarvan men de sporen terugvond. De

ligging van de grot maakte het onmogelijk, dat er door het diluvium

iets daarheen gevoerd was. Hieruit volgt dus, dat de oorspronkelijke

mensch geleefd moet hebben tegelijk met de quaternaire dierenwereld,

en dat hij zelfs rhinocerossen als voedsel gebruikte, en door de

hyena uit dat tijdperk gevolgd werd, die zich aan de overblijfselen

van den maaltijd te goed deed. Het gelijktijdig bestaan van den mensch

en die fossiele dieren was daardoor bewezen.

Het volgende jaar werden die feiten door eene belangrijke ontdekking

bevestigd. Den 28sten Maart 1862 had Boucher de Perthes het geluk, dat

hij zelf, in het grijze diluvium van de Somme-vallei eene menschelijke

kaak opgroef, die wel niet volkomen was, maar toch ontegenzeggelijk

toebehoorde aan den quaternairen mensen.

Doch nog belangrijker feiten kwamen aan het licht. In 1868 werd in de

Académie des Sciences eene kaak van eenen rhinoceros uit de miocene

periode vertoond, waarop, zooals men zeide, eene door den mensch

gedane inkerving zichtbaar was. Zoo ook heeft men in de miocene

formatie van Maine-et-Loire eene rib van een halotherium gevonden

evenzeer met insnijdingen door menschenhanden verricht. Hetzelfde

is het geval met beenderen te Pikermi gevonden. Men zou kunnen

beweren, dat die inkervingen verricht zijn door roofdieren of zelfs

eenvoudig door wrijving zijn ontstaan; de abbé Bourgeois echter, een

bekwaam onderzoeker, in 1878 gestorven, heeft in de miocene formatie

van Loir-et-Cher vuursteenen gevonden, die zouden moeten geslepen

zijn door een wezen, dat in verstand hooger ontwikkeld was dan de

tegenwoordige dieren.

Volgens die laatste getuigenissen, die nog met een aantal andere

zouden kunnen worden vermeerderd, zoude men dus zelfs mogen besluiten

tot het bestaan van den tertiairen, miocenen mensch. Toch meenen wij,

dat de bewijzen voor die stelling nog niet voldoende zijn. Quatrefages

en Hamy meenen, dat de gevonden vuursteenen door _menschen_ geslepen

zijn. Gaudry en anderen zijn van oordeel, dat het niet onmogelijk is,

dat dit door _apen_ zoude geschied zijn. Is dat waar, dan moet de

dryopitheke of een andere anthropomorphe aap de voorganger van den

mensch geweest zijn. Doch wij moeten hier bijvoegen, dat er zelfs

deskundigen zijn, die beweren, dat de vuursteenen in het geheel niet

_geslepen_ zijn. Anderen zelfs hebben niet zonder grond het vermoeden

geuit, dat de formatie, waarin die vuursteenen gevonden zijn, tot de

eocene formatie behoort. Is dit het geval, dan is het zeker, dat zij

niet geslepen zijn, immers in die periode vond men zelfs nog geene

ware herkauwende dieren, geene éénhoevige dieren, snuitdieren of apen.

De vuursteenen te Otta, bij Lissabon, en die te Aurillac gevonden,

maken evenmin het vraagstuk uit: zij zijn ongetwijfeld uit de miocene

periode afkomstig, doch het is lang niet zeker of zij geslepen zijn.

Bovendien is het bijna onmogelijk, dat de mensch reeds in die periode

zou bestaan hebben. Op welk standpunt men zich ook plaatse, de mensch

kan alleen optreden aan de spits der organische wereld, nadat het

planten- en dierenrijk tot volle ontwikkeling is gekomen. In de miocene

periode was die ontwikkeling nog lang niet volledig genoeg, om de

verschijning van den mensch in dien tijd niet als een _anachronisme_ te

beschouwen; dit is op zichzelf voldoende, om de meening te verwerpen,

als zoude de mensch in de miocene periode verschenen zijn.

Dat de mensch reeds bestaan heeft in het begin der quaternaire

periode, en zelfs op het einde der tertiaire periode, is echter niet

twijfelachtig. De verandering van den aap, waaraan wij ons bestaan

te danken hebben, dagteekent hoogstwaarschijnlijk van _de pliocene

periode_. Het zou ons te ver voeren, indien wij alle ontdekkingen

vermeldden, zoowel van fossiele overblijfselen van menschen als van

geslepen vuursteenen of van voorwerpen, door den oorspronkelijken

mensch vervaardigd. In het museüm te Brussel zijn niet minder dan 80000

door menschenhanden geslepen vuursteenen en 40000 beenderen van dieren

voorhanden, die gelijktijdig met den oorspronkelijken mensch geleefd

hebben. Men heeft reeds de opvolging dier verdwenen menschenrassen

kunnen bepalen; enkele waren tijdgenooten van den holenbeer, andere

van den mammouth, nog andere van het rendier, weer andere van den

aueros. De merkwaardige fossiele mensch, in 1872 te Mentone gevonden,

schijnt uit den tijd van het rendier te dagteekenen. Nog in het jaar

1884 zijn op diezelfde plaats belangrijke opgravingen gedaan.

Toch is dit alles nog niet voldoende, om ons een zuiver beeld te

vormen van den oorspronkelijken mensch. Trouwens Quatrefages merkt

zeer terecht op, dat het oorspronkelijke type van den mensch verdwenen

is. Dit moet reeds het geval zijn door verhuizing en wijzigingen

der omgeving. De mensch heeft den geheelen afstand tusschen de

tertiaire en de quaternaire periode doorloopen; misschien bestaat

zelfs de plaats niet meer, waar hij is opgetreden; zeker is het,

dat de levensvoorwaarden daar geheel anders moeten zijn dan bij zijn

eerste optreden. Toen alles rondom hem veranderde, kon hij alleen

niet dezelfde gebleven zijn.

Wij kennen den oorspronkelijken mensch niet; als wij hem ontmoetten,

zouden wij hem zelfs niet herkennen. Het eenige wat wij kunnen zeggen,

is dat hij waarschijnlijk de kleur had van de gele rassen, en dat

zijn haar waarschijnlijk rossig was. Zijne taal was waarschijnlijk

éénlettergrepig en klanknabootsend.

Vóórdat zij den ploeg, de spade, den molen, den oven, de kuip, het

vat, de kom, den lepel, de vork, het mes hadden uitgevonden, leefden

die wezens, die langzamerhand menschen geworden zijn, maar die toen

slechts redelooze dieren waren, in bosschen en holen, en moesten zij

zelf hun voedsel zoeken, evenals hunne tijdgenooten, de apen, wolven,

tijgers, wilde paarden, olifanten, beren, hyena's, jakhalzen, bevers

enz. Komt hun reeds de naam van mensch toe? Naar ons oordeel niet. Dat

zij zich met de voeten, de handen en het hoofd verdedigen als zij

aangevallen zijn, bewijst niets, immers dat doen ook de apen. Dat

zij eene vrucht nemen en die naar het hoofd van hunnen tegenstander

werpen, bewijst evenmin iets, dat doet de aap eveneens. Ook de aap

grijpt eenen tak, dien hij doorbreekt en waarmede hij bij den aanval

om zich heen slaat. Bijna alle dieren zorgen voor hun kroost.

De eerste handeling, waaruit hunne hoogere ontwikkeling bleek, moet

met hunne levenswijze hebben samengehangen. Een scherpe, puntige

steen, kon beter dienst doen, om een dierenhuid te snijden, dan de

nagels. De meest ontwikkelde wezens van hunnen tijd moeten opgemerkt

hebben, dat scherpe en puntige steenen beter geschikt waren, om iets te

kloven, dan ronde steenen, en zij zullen daarmede hun voordeel gedaan

hebben. Daarna zullen wezens, even wild, maar iets verstandiger dan de

vorige, hebben opgemerkt, dat een steen kon verbrijzeld worden, door

hem tegen eenen anderen steen te stooten, en dat de stukken scherp

of puntig waren. Zoo is de periode der gehouwen steenen begonnen,

waarvan men heden overal de sporen vindt. De ontdekking van het

vuur door de wrijving van droog hout, was op zich zelf reeds een

belangrijke vooruitgang.

Evenals het lichaam van den mensch langzamerhand volmaakter is

geworden, zoo is het ook met den geest het geval geweest. Is het

menschelijke lichaam de vrucht van de opklimming der natuur langs

alle trappen van het dierenrijk, de menschelijke geest is de bloem,

uit die ontwikkeling voortgekomen. De hoogere dieren hebben eene

verstandelijke ontwikkeling, die waardig is met die van den mensch

vergeleken te worden, zij hebben geheugen, eenen wil, verbeelding,

overleg en andere verstandelijke vermogens. Het is slechts eene vraag

van meer of minder. De geheele natuur is naar eenzelfde plan gebouwd

en is de uitdrukking eener zelfde idee.

Er zijn boeken volgeschreven over het verstand der dieren, en wij

mogen daarover hier niet verder uitweiden. Het kwam er alleen op aan,

onze lezers te doen begrijpen, dat ook de dieren met _verstand_ begaafd

zijn, en dat de menschelijke ziel evenmin als het lichaam iets anders

is als die der overige dieren; ook zij heeft zich geleidelijk in den

loop der eeuwen ontwikkeld.

Nog andere niet minder merkwaardige bewijzen zouden bij de vorige

gevoegd kunnen worden, om de reeds volle maat der bewijzen tot

den rand toe te vullen. Doch het is onmogelijk te onderstellen,

dat de onpartijdige lezer niet reeds lang door het voorgaande

overtuigd is geworden. Wij kunnen echter niet nalaten, al was het

slechts om de merkwaardigheid, even te wijzen op de somtijds zoo

bijzondere gelijkenis tusschen sommige menschenkoppen en enkele

typen van dieren. Is het niet als het ware de echo van vroegere

tijden, als eene soort van terugslag naar vroegere vormen? De

gelijkenis van den mensch met de apen, vooral onder de lagere

menschenrassen, valt te zeer in het oog, dan dat wij daarbij zouden

stilstaan. Doch ook bij ons blanke ras, dat zoo beschaafd is,

vindt men niet zelden in het gelaat en zelfs in het karakter van

enkele personen ontegenzeggelijk gelijkenis met sommige dieren,

zooals den leeuw, de kat, den vogel, den bunzing, de slang en zelfs

den visch. Voor de merkwaardigheid geven wij op blzz. 652 en 653

enkele teekeningen weer, die de bekende schilder Charles Lebrun ten

tijde van Lodewijk XIV vervaardigd heeft, waarin hij duidelijk de

gelijkenis van enkele menschenkoppen met dieren doet uitkomen. En

letten wij op de karaktertrekken van den mensch, reinheid van

gemoed--slimheid--onverstand--drift--slaafschheid--kwaadaardigheid--

zelfopoffering--gierigheid--wellust enz. enz., zooals zij door het

gelaat worden uitgedrukt, men behoeft ze niet in de werken van

Lavater te bestudeeren, om ze dagelijks om zich heen te zien.

De mensch heeft slechts langzamerhand en ongemerkt zijne

oorspronkelijke ruwheid afgelegd. De grootste schrede op den weg van

verstandelijken en zedelijken vooruitgang kon eerst worden gedaan,

nadat de strijd om het bestaan en de zorg voor hunne dagelijksche

behoeften niet meer hunnen geheelen tijd in beslag nam.

Ten gevolge van gelukkige omstandigheden, van een zachter klimaat,

te midden der nieuwe vruchten van eene vruchtbaarder aarde in eene

periode van voorspoed en rust, is de stof eindelijk voor den geest

geweken. De mensch, die voor het eerst den kop van eenen mammouth

of een hert geteekend heeft op eenen gepolijsten horen, de mensch,

die het eerst eenen ruiker van wilde bloemen voor zijne beminde heeft

bijeengebracht, die voor het eerst een lied gezongen heeft of het

eerst de snaren tokkelde, de eerste kunstenaar, de eerste denker voelde

op dat oogenblik noch honger, noch koude. De denkende menschheid kon

alleen ontwaken onder de zachte temperatuur van eene vruchtbare streek,

die evenzeer afgelegen was van het poolijs als van de verscheurende

dieren der tropen. Alleen de zóó bevoorrechte mensch kon het tijdperk

van den vooruitgang openen. De overige menschen, die niet zoozeer

begunstigd waren wat hunne woonplaats betrof, en die onophoudelijk

moesten strijden om te leven en zich te verdedigen, konden slechts

weinig vooruitgaan. Doch eerst onder het tooverachtige licht eener

getemperde zon, te midden der bosschen, waarin de vogels hun lied

kweelden, en bij de welriekende bloemen, waarop de insecten fladderden,

kon het gevoel zijne plaats veroveren en de ruwe stof overmeesteren.

Misschien wel is het niet aan den man, maar aan de vrouw toe te

schrijven, dat de mensch zich heeft afgescheiden van de apen, dat zijne

schoonheid is toegenomen, dat zijn smaak zich heeft ontwikkeld, dat

hij den drang naar verbetering gevoelde. De man, door zijne kracht

de meerdere, en, die voor het welzijn der zijnen moet zorgen, de

beschermer en verdediger, moet daaraan al zijne krachten wijden. Van

den morgen tot den avond, dag en nacht, moet hij waken en zorgen voor

plantaardig of dierlijk voedsel; hij is het, die den tocht leidt,

als het geldt vruchten te plukken, of die de prooi bespringt; als het

noodig is, dieren te bemachtigen. Bij de apen, evenals bij alle hoogere

dieren, behoeft de vrouw zich hiermede niet bezig te houden. Haar

eenige taak is, den man en de kinderen te verzorgen. Zij heeft dus al

den tijd, om na te denken. Zij blijft te huis, en hoe weinig ontwikkeld

hare hersenen ook zijn, zij zijn werkzaam. Waaraan denkt zij?

Haar gevoel is ontwikkelder dan dat van den man. Zij is moeder. Reeds

van hunne geboorte af doen de jongen haar lijden. Zij voedt ze met

hare melk. Zij bemint ze. Dat is hare roeping. In die richting hebben

zich steeds hare hersenen ontwikkeld. Zij is voor het gevoel geschapen,

het gevoel doet haar leven. Dat is hare voornaamste eigenschap.

Bemint de moeder hare kinderen, zij verlangt ook liefde van hen,

zij beschermt ze teeder, en bij het minste gevaar vluchten zij in

hare armen. Van haar ontvangen zij de eerste lessen, en aan haar

geven zij hunne eerste kussen. Indien de vrouw haren man bemint,

zij verlangt ook wederliefde, want het komt haar onmogelijk voor te

beminnen, zonder bemind te worden. Wij vroegen zooeven, waaraan zij

denkt. Het antwoord is: te behagen en te bekoren.

De man daarentegen kan aan een aantal andere zaken denken; hij kan

eerzuchtig zijn, rijkdommen najagen, zich in den oorlog of op de

jacht begeven, zich aan spel of wijn overgeven, zich bezighouden met

ernstige studies enz. Zijne hersenen zijn eveneens in eene bepaalde

richting ontwikkeld. Evenals in den tijd zijner aapachtige voorouders

is het zijn eerste plicht, te zorgen voor de behoeften van zijn gezin,

en hij gevoelt, zoo dikwijls hij daarin te kort schiet, dat hij de

wetten der natuur overtreedt. Ook hij heeft behoefte aan liefde. Maar

zijn geheele leven is niet uitsluitend daaraan gewijd.

Geschapen om te beminnen en om bemind te worden, moet de vrouw

behagen, schoon zijn en bekoren. Dit is van oudsher hare roeping

geweest en haar voortdurend streven. Zoodra hare hersenen voldoende

ontwikkeld waren, om dat denkbeeld te bevatten, hebben zich hare

hersencellen in die richting ontwikkeld. Van nu af aan begint hare

heerschappij; want inderdaad heerscht zij over den man, en sedert

minstens honderdduizend jaren arbeidt zij in die richting. De man heeft

zijne krachten verdeeld; hij heeft de wetenschappen, de staatkunde

en de krijgskunde, de wetten, de scholen, de kunsten, de industrie

uitgevonden; de vrouw heeft slechts éénen, alles overheerschenden

hartstocht; bemind te worden en door de liefde te heerschen. Dit is

haar gelukt. De man is aan hare voeten. De vrouw heeft den gang der

natuur veranderd; immers bij de dieren is de man het schoonst, het

meest getooid, en diegene, die door zijne uiterlijke gaven het meest

schittert. Vergelijk den haan met de hen, den pauw of den fazant,

de mannelijke vogels, insecten, viervoetige dieren, zoogdieren, met

hunne wijfjes, vergelijk den leeuw met de leeuwin, den tijger met

de tijgerin, overal is de man schooner dan de vrouw. Dit was evenzoo

het geval tijdens den oorsprong der menschheid (bij de wilden zijn de

mannen met de meeste zorg getatouëerd, zij hebben de meeste sieraden

in de ooren, den neus, de armen, de enkels.)

De oogen der vrouw zijn zachter en bekoorlijker geworden, hare armen

hebben bevalliger ronding gekregen, hare huid is zachter, haar gelaat

edeler, haar hoofdhaar zachter en langer, hare handen en voeten kleiner

geworden, haar lichaam heeft sierlijker vormen aangenomen. De man,

bekoord door die nieuwe schoonheden, heeft steeds de schoonste en

verleidelijkste vrouwen gekozen, van deze zijn een grooter aantal

moeder geworden dan van de minder door de natuur begunstigde vrouwen,

zoodat langzamerhand het vrouwelijk schoon is toegenomen. Bij den

mensch is het de man, die kiest, en daarin is de voornaamste oorzaak

gelegen van den vooruitgang in de schoonheid der vrouw, en als gevolg

daarvan in de schoonheid van het menschdom. Bij de dieren zijn het

de mannen, die zich beijveren, om de vrouwen te bekoren, daar zijn

het de krachtigste en de schoonste mannelijke wezens, die de soort

instandhouden. Bij de apen en bij de wilde volksstammen is hetzelfde

het geval. Bij den hooger ontwikkelden mensch is het de vrouw, die

steeds voor hare schoonheid gezorgd heeft.

Die taak der vrouw brengt als gevolg eenen alles overheerschenden

hartstocht mede, den minnenijd. De begeerte, de behoefte, om te

heerschen en te schitteren is een factor, die gunstig werkt op den

vooruitgang en de veredeling der soort. De vrouw wil schoon zijn, wil

eenen schoonen echtgenoot bezitten, wil schoone kinderen hebben. Zij

moge zich daarvan al of niet rekenschap geven, dit is hare geheime

begeerte. Indien zij fortuin wenscht, of verlangt dat haar echtgenoot

eenen hoogen rang in de maatschappij inneemt, dan is het voornamelijk

om te schitteren. De man is op zijne beurt gedwongen haar in hare

sierlijkheid te volgen, de scherpe hoeken af te ronden, voor zijn

uiterlijk zorg te dragen, zijnen geest te beschaven, en te zorgen,

dat hij zonder het hooge standpunt te verlaten, dat hij door zijne

kracht en het gebruik zijner rede inneemt, het uiterlijk schoon

niet te veel uit het oog verliest. Vandaar verzachting der zeden,

de verbetering van de taal, het ontstaan der schoone kunsten. Zonder

den invloed der vrouw zouden muziek, schilderkunst, beeldhouwkunst en

bouwkunde, en bovenal de dichtkunst, in één woord alle menschelijke

werken, die op gevoel en smaak berusten, niet tot ontwikkeling gekomen

zijn. Een voortdurende wedijver heeft den man voorwaarts gedreven,

en zijne geestesgaven zijn daardoor op heerlijke wijze en vooral

harmonisch ontwikkeld.

Bij die uitwendige gaven, die de vrouw langzamerhand verworven heeft,

hebben zich tevens uit het gevoel van liefde een aantal inwendige

gaven ontwikkeld. De vrouw is teeder geworden, vol toewijding voor

alles wat lijdt, en hare behoefte om lief te hebben stelt haar in

staat zich geheel te wijden aan het welzijn der menschheid. Zij

dorst naar het hoogere, en indien zij niet in de liefde of in het

moederschap voldoening vindt voor hare aspiraties, dan weet zij zich

die voldoening op andere wijze te verschaffen.

Wij moeten dus erkennen, dat de vrouw eene groote rol gespeeld heeft

bij de moreele en lichamelijke ontwikkeling van den mensch. Indien

wij geene apen meer zijn, dan hebben wij dat grootendeels aan de

vrouw te danken.

De scheiding der geslachten heeft dus eenen gelukkigen invloed

uitgeoefend op den vooruitgang. Indien de voortplanting der wezens

had blijven plaats vinden door knopvorming of deeling, zooals dat

millioenen jaren het geval geweest is bij de lagere wezens, dan

zouden er geene geslachten op de aarde zijn en zouden de wezens geheel

verschillend zijn, van wat zij thans zijn. Zij zouden zeker niet zoo

vooruitgegaan zijn als thans het geval is. Er zou geen liefde geweest

zijn, en de liefde heeft immers alles verfraaid, verheven, veredeld.

Terwijl de kunstzin der vrouw werkzaam was ten voordeele der

schoonheid, der sierlijkheid, van den goeden smaak, de opvoeding der

kinderen, en den moreelen vooruitgang in het gezin, maakte de man zijne

gaven dienstbaar aan de maatschappij; hij verbeterde de werktuigen, die

noodig waren voor het levensonderhoud; hij vond de steenen werktuigen

uit, die eerst grof gehouwen waren, zooals hamers, bijlen, messen,

lans- of pijlspitsen, schrappers, om de gevilde huiden te bewerken,

naalden van beenderen of horen, daarna werden die werktuigen verbeterd

in het tijdperk van den gepolijsten steen, men had het middel gevonden,

om vuur te maken door droog hout te wrijven in een gat in een' steen

geboord; later maakte men bronzen en ijzeren werktuigen. De eerste

werktuigen waren echter, zooals men bij een aantal van die gevonden

voorwerpen zien kan, bijzonder ruw. Doch geleidelijk ontwikkelde

zich in de menschelijke hersenen het vermogen om uitvindingen te

doen. Toen men enkele nuttige planten had zien ontkiemen, vond men

den ploeg, het zaaien en het maaien uit; doch langen tijd moest

men zich tevreden stellen met wat men vond, vóórdat men voor de

toekomst kon zorgen. Een boomstronk was langen tijd de eerste tafel,

en eeuwen lang dronk men het water uit de hand, vóórdat men houten of

aarden drinknappen en lepels had uitgevonden. Langen tijd bestonden

de woningen eenvoudig uit doode bladeren, boomtakken en holen. De

vischvangst begon met het vangen van schelpen, vooral van oesters,

waarvan men de schelpen terugvindt in de oorspronkelijke verblijven van

den mensch. De eerste schepen waren holle boomstammen. Enkele dieren,

de olifant, het rendier, het paard, het rund, waren getemd en voor

huiselijk gebruik dienstig gemaakt. Bij al die werkzaamheden, die tot

doel hadden het materieele leven minder moeilijk te maken, ziet men

nog slechts weinig afgetrokken begrippen. Het denkvermogen ontwikkelt

zich uiterst langzaam. Men telt misschien reeds op de vingers tot

vijf of tot tien, maar verder brengt men het nog niet. De mensch is

nog wild en barbaarsch, men doodt elkander om iedere kleinigheid

(de wapenen zijn onder de oorspronkelijke gereedschappen reeds

zeer verschillend). Men spreekt nog alleen met tuschenwerpsels en

éénlettergrepige woorden. Men vindt de sporen daarvan nog terug in

de talen, door de oudste rassen gesproken. Daarop zijn de talen met

uitgangen, en daarna die met buigingsvormen ontstaan. De taal is wel

de grootste schrede van de anthropomorphe apen tot den mensch; maar

men vergete niet, dat de taal niet zoozeer in de stem gelegen is, als

wel in het vermogen zijne denkbeelden uit te drukken. De meeste dieren

hebben dat vermogen; de honden kunnen zich aan ons verstaanbaar maken;

de taal der mieren door middel van hare voelers, schijnt tamelijk

rijk te zijn. Later heeft zich de taal ontwikkeld en verrijkt naast de

ontwikkeling der denkbeelden, en is zij ook zelf aan die ontwikkeling

dienstbaar geworden. De geschreven taal is veel jonger. Zij is evenals

de geschiedenis hoogstens zes- of zevenduizend jaren oud.

Zoo was de praehistorische mensch. Verdient hij reeds den naam van

mensch? Ongetwijfeld, en aan hem zijn wij verplicht, wat wij geworden

zijn. Doch hoever staat hij nog af van het wezen, dat voor ons het

type der menschheid is, den denkenden mensch! Hoever staat hij nog af

van de Egyptenaren der eerste dynastiën, van Mozes en de profeten, van

de Grieken uit den tijd van Homerus, Herodes, Thales en Archimedes! De

historische mensch is niet ouder dan vijftig eeuwen--Hoang-Ti in China,

Abraham in Mesopotamië, de Hindoe's van de Zend-Avesta--misschien 60

of 65 eeuwen, het tijdperk der Egyptenaren van de vijfde dynastie. Wat

waren wij Europeanen, toen die oude beschaving reeds in de Nijlvallei

bloeide, toen een godsdienstig en denkend menschenras reeds eene

geschreven taal en geschiedenis bezaten! Onze voorouders leefden nog in

de steenperiode, en leefden in de bosschen, aan de oevers der groote

stroomen, te zamen met den holenbeer, den rhinoceros, den olifant,

het nijlpaard, zonder zich nog bezig te houden met de groote raadsels

van het leven of de nietige vraagstukken der diplomatie.

De Wereld vóór de schepping van den mensch · 第 38 / 40 段