Bijzonder laag staan de inboorlingen van Australië. Zij zijn op

moreel gebied volkomen stomp en daarbij diep onwetend. Een bijzonder

ontwikkeld instinct, om hun voedsel te bemachtigen, dat moeilijk te

verkrijgen is, schijnt in de plaats getreden te zijn van de meeste

moreele eigenschappen van den mensch. Als de Engelsche politie niet

streng er tegen waakte, zouden zij dagelijks in de steden der kolonie

de wetten der openbare zedelijkheid trotseeren, gelijk de apen in

een beestenspel. Zij kunnen niet verder dan tot vier tellen, sommige

volksstammen zelfs maar tot drie. Het vermogen om te redeneeren is bij

hen hoogst onvolkomen ontwikkeld. De argumenten, door de kolonisten

gebezigd, om hen te overreden of te overtuigen, zijn dikwijls van

dezelfde soort als die welke men bij kinderen of halve idioten bezigt.

Quoy en Gaymard deelen in de volgende termen hun onderhoud met

die ellendige volksstammen mede: "Onze tegenwoordigheid wekte hunne

vreugde op; zij trachtten ons hunne indrukken mede te deelen met eene

woordenrijkheid, waarop wij niet konden antwoorden, daar wij hunne

taal niet verstonden. Zoodra zij ons zagen, kwamen zij naar ons toe,

onder veel gebaren en eenen ontzaglijken woordenvloed; zij uitten luide

kreten, en als wij hen op denzelfden toon beantwoordden, was hunne

vreugde verbazend groot. Dadelijk vroegen zij om spijs, door zich

op den buik te slaan." Het tafereel, door die reizigers geschetst,

is hoogst bedroevend. Het eenige wat men van hen zeggen kan, is dat

zij niet volslagen idioot zijn.

Niet alleen de Australische inboorlingen verkeeren in dat geval; Bory

de Saint-Vincent heeft ons een bijna even droevig beeld geschetst

van de bewoners van zuid-Afrika. De Pesjereezen in Patagonië zijn

even laag ontwikkeld als deze.

Aan het andere uiteinde der wereld, op de ijsvlakte bij de noordpool,

vinden wij hetzelfde terug.

John Ross bevond zich, toen hij in het ijs verdwaald was geraakt,

in tegenwoordigheid van een volk, dat nooit eenen Europeaan gezien

had. De Engelsche zeevaarder, innig godsdienstig van aard, was in de

gunstigste omstandigheden, om de eenige wezens, die hij kon liefhebben,

met zachtheid te beoordeelen, en toch ...... als oplettend en eerlijk

waarnemer, moest hij er eindelijk aan wanhopen, om in hun gemoed de

bezielende vonk te ontdekken, die hij daarin wenschte te vinden. "De

Eskimo," zegt hij, "is een roofdier, zonder eenig ander genot, dan

het eten; hij mist elk zedelijkheidsbeginsel, en verslindt al wat hij

bemachtigen kan evenals de gier en de tijger;.... hij eet slechts om

te slapen, en slaapt alleen, om weder zoo spoedig mogelijk te kunnen

eten." Wij zullen nog lager afdalen, en menschen bespreken, die zóó

laag stonden, dat zij, die ze gezien hebben, verklaarden, dat, indien

zij ze ontmoet hadden in een bosch, zij niet zouden kunnen zeggen, of

zij apen of menschen vóór zich hadden. En merkwaardig is het, dat men

die niet vindt in arme of aan het uiteinde der wereld gelegen landen,

maar op het Aziatische vasteland, ten zuiden van den Himalayaketen,

in het midden van Hindostan, en wel in de streken, die de bakermat

geweest zijn van enkele soorten van groote apen, op een tijdstip

toen de eilanden van den Indischen archipel met het vasteland van

Azië verbonden waren.

Piddington, die in het midden van Hindostan gevestigd was, verhaalt,

dat hij jaarlijks met eene troep inlandsche arbeiders, die op de

plantage kwamen werken, eenen man en eene vrouw van een bijzonder

vreemd voorkomen zag medekomen, die door de inlanders aap-menschen

genoemd werden. Zij hadden eene taal op zich zelf. Voor zoover men uit

teekenen kon begrijpen, leefden zij in de bosschen en in de bergstreken

en hadden zij slechts enkele dorpen. Het is waarschijnlijk, dat beiden

om eenen moord of iets dergelijks gevlucht waren. Zeker is het, dat

zij door de inlanders in het bosch gevonden waren, toen zij uitgeput

en uitgehongerd waren. In eenen zekeren nacht waren zij plotseling

verdwenen, juist toen Piddington ze naar Calcutta wilde zenden. Hij

beschrijft den man aldus: Hij was klein, had eenen platten neus,

half-cirkelvormige rimpels liepen om de mondhoeken en over de wangen;

zijne armen waren bovenmatig lang, en zijne dofzwarte huid was met

roode haren bedekt. Als hij in eenen donkeren hoek gedoken of op eenen

boom zat, zou men hem voor eenen grooten orang-oetan hebben aangezien.

Piddington had veel gereisd, had zoowel de Bosjesmannen, als

de Hottentotten, de Papoea's, de Alfoeren, de inboorlingen van

nieuw-Holland, nieuw-Zeeland en de Sand-wichseilanden gezien, zoodat

hij een waarnemer was, bijzonder rijk aan ondervinding.

Whitebourne schreef reeds in 1612, dat de Eskimo's geen begrip hadden

van de Godheid en eene volkomen regeeringlooze troep vormden. Wij

kunnen daarbij voegen de getuigenis van John Ross, die langen tijd

in hun midden woonde: "Begrepen zij iets, zoo vraagt hij, van alles

wat ik hen trachtte te leeren, door de eenvoudigste zaken op de

eenvoudigste wijze uit te leggen? Ik kan het niet zeggen. Zou het mij

beter gelukt zijn, indien ik hunne taal had verstaan? Ik heb reden om

het te betwijfelen. Ik zou niet durven ontkennen, dat zij een spoor

eener moreele wet in hun hart dragen; talrijke trekken in hun gedrag

wijzen dit uit; maar ik heb het nooit verder kunnen brengen dan tot

enkele aanwijzingen. Ik heb nooit het minste spoor van het bestaan

van eenen godsdienst bij hen kunnen ontdekken. Ik heb mijne pogingen

in die richting eindelijk moeten opgeven." Die getuigenis is des te

belangrijker, omdat wij in ieder woord het verdriet hooren spreken

van iemand, die, hoe gaarne hij het ook gewild had, in het hart van

andere menschen de echo niet gehoord heeft van de gevoelens, die hem

het dierbaarst waren.

Een groot aantal van de lagere volkeren loopen totaal naakt. De

beroemde Afrikareiziger Doctor Schweinfurth verhaalt, dat bij de

Dinka's zelfs de minste bedekking als het sterke geslacht onwaardig

beschouwd wordt. De Nubiërs, die eenen dunnen gordel dragen, worden

voor vrouwen uitgescholden door de Dinka's, bij wie de vrouwen een

schort van huiden dragen. Bij andere volksstammen in Afrika loopen

mannen en vrouwen naakt. Hun huid is chocolade-kleurig. Sommigen

slijpen hunne snijtanden scherp, om beter hunne vijanden te kunnen

bijten, terwijl anderen ze uittrekken naar de mode van hun land. De

Bongo's dragen eenen gordel, hunne vrouwen willen echter geen enkel

stukje leer of katoen dragen, maar dragen alleen een dun takje met

bladeren of eenig gras te zamen gebonden. Beiden dragen aan armen en

beenen, en dikwijls aan den hals, zware ijzeren of koperen ringen,

en de vrouwen doorboren dadelijk na haar huwelijk hare benedenlip,

waarin zij hoe langer hoe dikkere pinnen steken, dikwijls van 2 tot

3 centimeters middellijn. Het begrip onsterfelijkheid is hun volkomen

onbekend. Elke godsdienst is hun vreemd. Behalve het woord "loma", dat

zoowel geluk als ongeluk beteekent, hebben zij in hunne taal geen enkel

woord, dat overeenkomt met het woord _Godheid_. Zij noemen den God

der Turken, waarvan zij wel eens hebben hooren spreken, _loma-gobo_,

doch zij hechten aan dat woord meer de beteekenis van "toeval."

De meest gewone uitdrukkingen, door ons gebezigd voor afgetrokken

begrippen, missen zij; zij hebben geene uitdrukking voor geest,

ziel, onsterfelijkheid, oneindigheid, tijd, hoop, gedachte, gevoel,

kleur, reuk, enz. Ditzelfde verschijnsel vindt men bij al die lagere

rassen. Hunne taal is als het ware niets dan klanknabootsing. Zij zelf

hebben namen van dieren en planten. Bij enkele volksstammen bestaat

de onderdanigste groet hierin, dat men elkander in het gezicht spuwt.

De Niam-Niams dragen gewoonlijk eenen gordel, die zóó om het lichaam

gebonden wordt, dat hij in eenen staart eindigt. Zij zijn nog steeds

menscheneters; aan den ingang hunner hutten vindt men staken en boomen,

die dienen, om hunne jacht- en oorlogstrofeën te vertoonen. Daaronder

vond Schweinfurth koppen van antilopen, wilde zwijnen, kleine

apen, bavianen, chimpansee's, en ook schedels van menschen. In de

nabijheid der hutten vond hij onder de keukens overblijfselen van

menschenbeenderen, die de sporen droegen van de bijl of het mes; en

aan de naburige boomen hingen rottende handen en voeten, die eenen

walgelijken reuk verspreidden.

Het gedeelte van centraal-Afrika, dat door die wilden bewoond wordt,

schijnt ook het vaderland der chimpansee's te zijn. Schweinfurth vond

ten minste in de hutten een verbazend aantal schedels van chimpansee's,

en de Niam-Niams jagen in de wouden voortdurend op die dieren. De

inboorlingen beweren, evenals die van west-Afrika, dat die apen met

menschelijke gedaante de vrouwen en jonge negerinnen wegrooven, en dat

het zeer moeilijk is, ze terug te krijgen. Die holbewoners verdedigen

zich met woede: in hunnen hoek gedoken, ontrukken zij de wapenen aan

hunne aanvallers, en maken zij er gebruik van tegen den vijand.

De Momboettoe's, naburen der Niam-Niams, zijn nog veel meer

menscheneters dan deze. Bij hen is het volstrekt niet uit

noodzakelijkheid, want zij hebben een groot aantal dieren ter hunner

beschikking, maar alleen voor de lekkernij. Zij zijn omgeven door

zwarte volksstammen, die in ontwikkeling nog lager staan dan zij,

en zij maken daarop evenzeer jacht als op apen, evenals wij op wild

jacht maken. De lichamen van hen, die sneuvelen, worden dadelijk

in stukken gehakt, het vleesch wordt in lange repen gesneden, op

de plaats zelf geroosterd en als eene lekkernij medegenomen. De

gevangenen worden bewaard, als schapen opgesloten en één voor één,

naarmate van de behoefte, gewurgd. De kinderen worden als lekkernij

voor de hoofden bewaard. Dagelijks kreeg koning Mounza tijdens het

verblijf van Schweinfurth een kind op schotel. In de keuken gebruikt

men menschenvet, zooals wij boter gebruiken.

Wij zouden over dit onderwerp nog veel meer in bijzonderheden kunnen

uitweiden. Doch het voorgaande is voldoende, om duidelijk te maken,

dat die laagste volkstammen, die zinnelijke, grove, onwetende

wezens, ongeschikt voor iedere afgetrokken redeneering, dichter

staan bij de chimpansee's, de orang-oetans en de gorilla's, dan

bij de menschenrassen, waartoe Newton, Leibnitz, Kepler, Archimedes,

Huygens, Phidias, Dante, Shakespeare, Leonard da Vinci, Pascal, Mozart

en zoovele andere reuzengeesten behoord hebben. Wij moeten hierbij

tevens opmerken, dat het hoe langer hoe moeilijker wordt, volkomen

natuurlijke oorspronkelijke rassen te vinden, daar de zendelingen en de

reizigers de denkbeelden, die het gevolg zijn onzer hoogere beschaving,

bijna overal hebben overgeplant. Wel zoude men in menig opzicht de

voortreffelijkheid van onze verstandelijke en zedelijke ontwikkeling

in twijfel kunnen trekken. Aan de edelste godsdiensten kan men de

grootste laagheden verwijten: aan de christenen, de vervolgingen der

inquisitie en de godsdienstoorlogen; aan de muzelmannen de bloedbaden,

die zij bij hunne veroveringen hebben aangericht; aan de verstandigste

regeeringen van Europa, den gewapenden vrede, het geld, dat aan de

staande legers opgeofferd wordt, de diplomatie, die het recht van den

sterkste met een masker van recht bedekken moet. Ja zeker, een bewoner

van Sirius, of van eene werkelijk verstandelijk ontwikkelde wereld zou

geen onderscheid zien tusschen de Europeanen, de Amerikanen, de Aziaten

eenerzijds, en de Australische en Afrikaansche volksstammen, waarover

wij zooeven gesproken hebben, aan de andere zijde, en misschien zouden

zij over alle tegenwoordige aardbewoners medelijdend de schouders

ophalen. Maar alles is betrekkelijk. Het is niet te loochenen,

dat wij minder onvolmaakt zijn dan die wilde stammen, en dat ons

verstand veel hooger ontwikkeld is. Het doel dezer studie is geweest,

het verband aan te wijzen tusschen de menschheid en de dierenwereld,

waarvan zij zich met moeite en uiterst langzaam heeft losgemaakt.

Men heeft wel eens beweerd, dat daar de menschheid bezit heeft genomen

van de aarde en de overhand heeft verkregen boven het dierenrijk

door de oefening zijner hoogere vermogens, het te vreezen staat,

dat de dag zal aanbreken, waarop een nieuw ras te voorschijn komt,

dat zooveel boven het onze staat, als wij boven de overige zoogdieren,

en dat ons zal ten onder brengen, zooals wij de lagere rassen hebben

vermeesterd. Toch is dit denkbeeld, dat in verschillende werken in

verschillende talen is uitgewerkt, eene dwaling. Wel zal de menschheid

der toekomst eene andere zijn dan de onze; maar zij zal _geleidelijk_

gevormd zijn en de ontwikkeling zijn van de onze. Wij zelf zijn het,

die verstandiger en beter zullen worden, die de lichamelijke en

geestelijke onderdrukking van den mensch zullen opheffen, en die het

rijk van licht en vrijheid zullen stichten.

Wij kunnen het niet genoeg herhalen, de mensch neemt door zijne rede

de eerste plaats in de rij der wezens in; terecht heerscht hij dus

over alles wat op de aarde leeft. Maar wij moeten ook erkennen,

dat de mensch in wezen niet verschilt van zijne naaste buren, de

anthropoïde apen. Anatomisch zijn het dezelfde organen, op dezelfde

wijze gebouwd en gelegen, en alleen door verschillen van minderen

rang van elkander afwijkend; de voeten, de handen, de wervelkolom,

de borstkas, het bekken, de zintuigen, alles is op dezelfde wijze

gebouwd; de hersenen zijn in bouw en in windingen eveneens dezelfde;

de storingen komen zelfs overeen. De eenige physische verschillen

zijn gelegen in den inhoud der hersenen, die bij den mensch driemaal

grooter is, en hare windingen, waardoor bij den mensch de rede, de

schoonste parel aan zijne kroon, zooveel meer ontwikkeld is. Ook uit

een moreel oogpunt hebben wij den langzamen overgang van de dieren

tot aan den mensch leeren kennen. De vraag is thans, welke van de

vier soorten van anthropoïde apen het dichtst bij den mensch staat.

De gibbon komt niet in aanmerking. Wel staat hij hoog door zijne

hersenwindingen en zijn ruggemerg, maar door de nauwheid van zijn

bekken en de schikking zijner spieren is hij het verst van den mensch

verwijderd.

Ook de orang-oetan heeft eenige anatomische karaktertrekken, waardoor

hij tamelijk ver van den mensch verwijderd is, zooals de gebrekkige

handen en voeten en de afmetingen van het geraamte; doch zijne

hersenwindingen, zijn gezichtshoek, zijne ribben, tanden en zijn

verstand wijzen op eene hooge ontwikkeling.

De chimpansee heeft in zijn voordeel het aantal hersenwindingen,

de afmetingen van het geraamte en de vorm van den schedel.

De gorilla eindelijk heeft een groot hersenvolume en komt ook

door zijne spieren, zijne handen en voeten, zijn bekken en andere

bijzonderheden met den mensch overeen; hij heeft echter 13 paar ribben,

eene gebrekkige wervelkolom en lange hoektanden.

Ieder der drie groote anthropoïde apen komt dus in enkele eigenschappen

met den mensch overeen, geen enkele echter vereenigt al die

eigenschappen in zich. Zoo kan men van de laagste menschenrassen

niet beweren, (zelfs niet van de Bosjesmannen) dat zij van eenen

anthropoïden aap afstammen; zij naderen daartoe alleen door enkele

eigenschappen. De mensch, mogen wij dus aannemen, stamt niet af van

ééne der _tegenwoordig bestaande_ anthropoïde apensoorten, hij is

als het ware de neef van den anthropoïden aap; de gemeenschappelijke

stamvader behoort tot een ander tijdperk [57].

De Amerikaansche apen verschillen van die van Afrika, Azië en Europa

hierin, dat zij eenen platten neus hebben, zoodat de neusgaten

zijdelings geplaatst zijn; zij heeten daarom ook Platyrrhinae

(platneuzen). De apen der oude wereld daarentegen (orang-oetans,

gorilla's, chimpansee's), hebben een smal tusschenschot in den neus en

de neusgaten naar beneden gericht, en heeten daarom Catarrhinae. De

laatste hebben bovendien hetzelfde aantal tanden als de mensen; aan

iedere kaak heeft men vier snijtanden, 2 hoektanden en tien kiezen,

in het geheel dus 32 tanden, terwijl de Amerikaansche apen er 36

hebben, en wel vier kiezen meer. Hieruit volgt, dat er oudtijds in de

afstamming der apen eene scheiding heeft plaats gehad, en dat de mensch

afstamt van de apen der oude wereld. _Maar geen der tegenwoordige apen

kan als onze stamvader beschouwd worden. Reeds lang zijn de aapachtige

voorouders van den mensch verdwenen._ Misschien is de dryopithecus,

waarvan Gaudry beweert, dat hij in staat was, vuursteenen te slijpen,

nauw aan dien voorvader verwant, wiens heerschappij dagteekent van

voor meer dan honderdduizend jaren.

De mensch is dus het laatste voortbrengsel van het leven op aarde,

de top van den stamboom van het dierenrijk, de jongste en volmaaktste

der zoogdieren, in één woord, een verbeterde en gewijzigde aap.

Dit denkbeeld hindert en ergert hen, die er genoegen in scheppen,

de bakermat der menschheid met eenen stralenkrans te omgeven; indien

wij dan ook onzen roem stellen in onzen stamboom en niet in onze

eigen daden, dan is dat denkbeeld inderdaad vernederend. Maar wat is

die slag, dien onze eigenliefde hierdoor ondergaat, in vergelijking

met dien, welke ons reeds door de sterrenkunde is toegebracht? Toen

men meende, dat de aarde het middelpunt der schepping was, en dat het

heelal ten behoeve der aarde geschapen was, en de aarde ten behoeve van

den mensch, had onze hoogmoed de ruimste voldoening. Die leer verviel

op den dag, waarop bewezen werd, dat onze planeet slechts een nederige

wachter is van de zon, die zelf slechts één der vele lichtpunten van

het heelal is: op dien dag reeds en niet eerst nu werd de mensch tot

nederigheid gedwongen. Niet voor hem kwam de zon iederen morgen op,

niet voor hem ontstak het hemelgewelf iederen avond zijne ontelbare

lichten; niet uitsluitend voor hem, evenmin als voor de bewoners

eener andere wereld van de oneindige ruimte, was de wereld geschapen.

Evenals de boer, die zich in den droom als den oppermachtigen

heerscher der aarde zag, ontwaakte de mensch in eene eenvoudige

hut. Niet zonder leedwezen zag hij zich zoo vernederd; langen tijd

hinderde hem de herinnering aan zijnen vervlogen droom, maar hij moest

zich onderwerpen en zich gewennen aan de werkelijkheid, en ook thans

troost hij zich met het denkbeeld, dat hij, al is hij niet meer de

koning der schepping, toch nog altijd de koning der aarde is.

Op die onbetwiste heerschappij mag hij met recht trotsch zijn. Doch

wordt deze bedreigd of verminderd door de kennis van de geleidelijke

verandering der soorten? Zal zij minder beteekenis hebben, indien

hij die aan zich zelf verschuldigd is, dan wanneer hij die van zijne

eerste voorouders verkregen heeft? Wel verre van den oorsprong van

ons ras te vernederen, veredelt ons de nieuwere leer, daar zij den

mensch leert, dat hij zelf zijne hooge waarde verkregen heeft door

eigen inspanning en door oefening zijner vermogens.

Doch zijn dergelijke beschouwingen niet misplaatst in een

wetenschappelijk of populair werk? Wij wenschen hierover onze meening

in het kort mede te deelen.

Iedere wetenschap, en dus ook de sterrenkunde, de geologie, de

paleontologie, heeft groote waarde op zich zelf. Maar het doel

van het weten is om den geest te verlichten. Een sterrenkundige,

een geoloog, een natuuronderzoeker, die al de geheimen zijner

geliefkoosde wetenschap heeft leeren ontsluieren, kan daarom toch wel,

niettegenstaande zijne groote geleerdheid, een onontwikkeld verstand

hebben, en niet hebben leeren denken. De grootste gave echter van

den menschelijken geest is het vermogen om te _denken_, te oordeelen,

te generaliseeren, in één woord zijne wetenschap dienstbaar te maken

aan zijn oordeel. De wetenschap, die den geest niet verlicht, die den

mensch niet tot gids verstrekt, die hem niet losmaakt van de dwalingen

van de onkunde en het vooroordeel, sticht minder nut en is minder

eerbiedwaardig dan die, welke geheel voldoet aan hare roeping, om ook

te vormen voor het leven. Vandaar dan ook, dat wij in dit hoofdstuk ons

niet ontzien hebben, onze meening te zeggen omtrent de gevolgtrekking,

die men ten opzichte der afstamming van den mensch trekken kan uit

de studie der paleontologie. Wij vonden daartoe te meer vrijheid,

daar ieder lezer zich de in de vijf eerste boeken medegedeelde feiten

kan eigen maken, zonder dat hij zich verplicht behoeft te gevoelen

ons te volgen in de besluiten, die wij meenden, dat daaruit logisch

konden getrokken worden. De godsdienst op zich zelf is onafhankelijk

van eenig godsdienstig dogma, of van eenige meening op godsdienstig

gebied; die meeningen worden voornamelijk door het gemoed, en niet

door het verstand beheerscht. Wij kunnen dus ieder onderdeel der

menschelijke wetenschap bestudeeren, zonder dat dit invloed heeft op

onze godsdienstige overtuiging. Het hoogste doel der wetenschap blijft

steeds ons te verheffen tot een hooger ideaal, ons los te maken van het

lage materialisme, door ons het wezen der krachten te doen begrijpen,

die het heelal besturen en naar een ons onbekend doel voeren. De

ware geleerde is de vijand van onverdraagzaamheid en dweepzucht,

de verdediger van de vrijheid van geweten, de apostel van licht en

vooruitgang. Doch daartoe moet hij den moed hebben, rond voor zijn

gevoelen uit te komen en het belang der waarheid boven elk eigenbelang

te stellen. Zijne taak is het te handelen naar het woord van Juvenalis:

_Vitam impendere vero_, d.i. zijn leven aan de waarheid te wijden.

Doch keeren wij tot den oorspronkelijken mensch terug.

De natuur roept ons, zoo zagen wij, met duizend tongen toe, dat

de mensch van den aap [58] afstamt, de aap van het buideldier, het

buideldier van de tweeslachtige dieren, de tweeslachtige dieren van

de visschen, de visschen van de ongewervelde dieren, de ongewervelde

dieren van het protoplasma, het protoplasma van de onbewerktuigde

stof. Wij hebben dien boom des levens zien ontstaan en gedurende de

verschillende tijdperken zien groeien, van de azoïsche periode tot op

onzen tijd. Wel bestaan er nog vele leemten in eene wetenschap, die

uit zoovele nog zoo nieuwe wetenschappen is samengesteld; maar toch

zijn wij reeds in staat, de hoofdlijnen van het beeld der schepping

te schetsen.

Op de hoogte, waarop wij thans staan, kunnen wij de vraag stellen,

van welken tijd het optreden van den mensch op de aarde dagteekent.

Die vraag is ingewikkelder, dan men op het eerste gezicht zoude

meenen. Indien wij door het woord "_mensch_" verstaan het wezen, dat

thans de heerscher is der aarde, in het bezit van rede en verstand,

dan kunnen wij antwoorden, dat de menschheid nog slechts enkele

duizenden jaren bestaat, van het begin der geschiedenis af, die

zelf nog geene tienduizend jaren oud is, zelfs niet die van Egypte,

het oudste land, waarvan wij geloofwaardige historische oorkonden

bezitten. Zoolang de menschheid de geschreven taal niet had, heeft

zij historisch niet bestaan. De lagere volksstammen, die nog heden

ten dage zonder schrijftaal, en zelfs bijna zonder spreektaal zijn,

maken geen deel uit van de denkende en handelende menschheid. De

schrijftaal is de grootste vooruitgang, dien de oorspronkelijke

menschheid heeft ondergaan, en deze heeft den mensch eerst zijne

verstandelijke ontwikkeling gegeven. De eerste schrijftaal was uiterst

weinig ontwikkeld en de spreektaal vóór dien tijd nog veel minder.

Wij hebben tegenwoordig bewijzen, dat de oorspronkelijke mensch

tienduizenden van jaren ouder is dan de oudste oorkonden der

menschheid; men heeft immers reeds een groot aantal typen van _den

fossielen mensch_ gevonden.

Doch nog niet sedert lang. Eerst in 1823 vertoonde Amy Boué aan

Cuvier menschenbeenderen, door hem in de omstreken van Lahr, in

Baden, in het Rijnlöss gevonden. Cuvier, die zooals wij vroeger

zagen, eene vooropgestelde meening had over den aard der schepping

en de onveranderlijkheid der soorten, wilde die niet als fossiel

erkennen. Doch dit nam niet weg, dat men in 1828 en in 1829 in

Frankrijk, in 1833 in België, in 1839 weder in Frankrijk, in 1844 in

Brazilië enz. fossiele overblijfselen van menschen ontdekte. Doch

_de officieele wetenschap_ maakte reeds _apriori_ uit, dat de

overblijfselen van den mensch of de door den mensch vervaardigde

voorwerpen, in die quaternaire formaties gevonden, daarheen gebracht

waren door het water of door inzakking.

In 1847 werd het vraagstuk een heel eind verder gebracht door de

uitstekende onderzoekingen van Boucher de Perthes, die in grintgroeven

bij Abbeville eene groote menigte door menschen bewerkte vuursteenen

vond.

De Wereld vóór de schepping van den mensch · 第 37 / 40 段