"Terwijl wij in doodelijke stilte door het bosch kropen, weerklonk het

bosch plotseling van het ijselijke geschreeuw van den gorilla. De

struiken weken uiteen en wij stonden tegenover eenen grooten

mannelijken gorilla. Op zijne vier handen was hij door het struikgewas

gekropen, maar toen hij ons zag, ging hij recht overeind staan en keek

hij ons ferm in het gezicht. Hij bleef op vijftien pas afstand van

ons staan. Ik zal de verschijning nooit vergeten. Hij was ongeveer

zes voet lang; hij had eene breede borst en zijne armen hadden eene

ongeloofelijke spierontwikkeling. Zijne groote, grijze, diepliggende

oogen schitterden met eenen woesten glans, en zijn gelaat had eene

duivelachtige uitdrukking. Zoo verscheen de koning der Afrikaansche

wouden vóór ons.

"Hij verschrikte niet voor ons gezicht. Hij bleef op dezelfde plaats

staan en sloeg zich op de borst met zijne lange vuisten, die haar

deden weerklinken als eene groote trom. Zóó dagen zij hunne vijanden

uit. Tegelijkertijd stiet hij snel achter elkander een woedend

gebrul uit.

"Het gebrul van eenen gorilla is het vreemdste en verschrikkelijkste

geluid, dat men in die bosschen kan hooren. Het begint met eene

soort van kort afgebroken geblaf, als dat van eenen woedenden hond,

en verandert daarna in een dof gebrom, dat zóó volkomen gelijkt op

het rollen vanden donder in de verte, dat ik dikwijls meende, dat het

donderde, als ik het dier hoorde zonder het te zien. Dat geluid klinkt

zóó diep, dat men zou meenen, dat het uit de holten van borst en buik,

en niet uit den mond en de keel afkomstig was. Terwijl wij onbewegelijk

bleven staan, schitterden zijne oogen met eene schitterende vlam. De

korte haren boven op zijnen kop rezen te berge en begonnen zich

snel te bewegen, terwijl hij zijne krachtige hoektanden liet zien

en zijn donderend gebrul deed hooren. Hij deed mij toen denken aan

die fantastische scheppingen, half mensch, half dier, waarmede de

verbeelding onzer oude schilders de onderwereld heeft bevolkt. Hij

deed enkele stappen voorwaarts en bleef toen weder staan, om weder

zijn vreeselijk gebrul te doen hooren; weer trad hij naar voren en

bleef hij op tien pas van ons afstaan: wij vuurden af en doodden hem.

"Het gereutel, dat hij deed hooren, geleek zoowel op dat van een

mensch als op dat van een dier. Hij viel met het gezicht op den

grond. Het lichaam bewoog zich eenige minuten stuiptrekkend, terwijl

de ledematen heen en weer schudden, daarna werd alles onbewegelijk;

de dood had zijne taak volbracht. Ik had toen al den tijd om het lijk

te bezichtigen en kon mij toen overtuigen, dat de spieren van borst

en armen eene ontzaglijke kracht verrieden.

"Het is eene vaste wet bij alle jagers, die hun vak verstaan, dat

men zijn schot moet sparen tot op het laatste oogenblik. Hetzij dat

het woedende dier het afschieten van het geweer voor eene bedreiging

aanziet, hetzij om eene onbekende andere reden, zoodra de jager schiet

en mist, werpt zich de gorilla op hem, en niemand kan dien vreeselijken

aanval weerstaan. Een enkele stomp met zijne met nagels gewapende

achterhand, scheurt reeds den buik open, verbrijzelt de borst of

verplettert het hoofd. Men heeft negers gezien, die door schrik tot

wanhoop gebracht, den gorilla wilden slaan met hun ontladen geweer;

maar zij hadden zelfs den tijd niet, om eenen niets vermogenden slag

toe te brengen, de arm van hunnen vijand viel met zijn volle gewicht

op hen neer, en verbrijzelde tegelijkertijd het geweer en het lichaam

van den ongelukkige. Ik geloof niet, dat er één dier is, wiens aanval

voor den mensch zoo noodlottig is, daar hij zich recht overeind

tegenover zijnen vijand plaatst, met zijne armen als aanvalswapenen

evenals een bokser, met dit onderscheid, dat zijne armen veel langer

en veel sterker zijn dan die van den sterksten bokser der wereld. Het

wijfje valt den jager nooit aan; toch hebben negers mij verhaald,

dat eene moeder, die haar jong bij zich heeft, somtijds vecht om het

te verdedigen. Het is een aardig schouwspel, om de moeder te zien,

vergezeld van haar jong, dat naast haar speelt. Ik heb dikwijls in de

wouden er op geloerd, daar ik verlangend was, exemplaren voor mijne

verzameling te hebben maar op het laatste oogenblik had ik den moed

niet te schieten. Mijne negers waren in soortgelijke gevallen niet

zoo zwak: zij doodden hunne prooi zonder tijdverlies.

"Als de moeder de vervolging van den jager tracht te ontvluchten,

omvat het jong haren hals met zijne voorhanden, terwijl het de korte

achterhanden om haar lichaam slaat."

Du Chaillu heeft niet alleen studies gemaakt op den in vrijheid

levenden gorilla, maar ook op jonge gorilla's, die hij trachtte op

te voeden.

"Eenige jagers, die in de bosschen gejaagd hadden, zoo schrijft hij,

brachten eenen levenden gorilla bij mij. Ik kan de gewaarwordingen

niet beschrijven, die ik gevoelde, bij het gezicht van dat kleine

dier, dat zich verdedigde, terwijl men het met geweld in het

dorp voortsleurde. Dat enkele oogenblik beloonde mij voor al de

vermoeienissen, die ik in Afrika had doorgestaan

"Het was een klein dier van twee of drie jaren, 2 1/2 voet lang,

en even woest en ongehoorzaam als een volwassen gorilla.

"Mijne jagers hadden het op de volgende wijze gevangen. Zij waren met

hun vijven op weg naar een dorp aan de kust en trokken stil het bosch

door, toen zij een geschreeuw hoorden, dat zij dadelijk herkenden als

dat van eenen jongen gorilla, die om zijne moeder riep. Overigens was

alles in het bosch rustig; het was bijna middag; zij besloten zich

te begeven naar de zijde, van waar het geschreeuw kwam, dat zich ten

tweeden male deed hooren. Het geweer in de hand slopen zij zoo zacht

mogelijk het struikgewas binnen, waar de kleine gorilla moest wezen;

uit enkele aanwijzingen bleek het, dat de moeder niet ver af was;

het was zelfs niet onmogelijk, dat het mannetje, de gevaarlijkste van

alle, zich eveneens in de nabijheid bevond. Toch aarzelden de flinke

mannen niet, om alles te wagen, en zoo het mogelijk was eenen levenden

gorilla te vangen, wetende welk een genoegen zij mij daarmede deden.

"Zij zagen de struiken bewegen; zij drongen iets meer naar voren, stil

als de dood, en hunnen adem inhoudend. Weldra zagen zij een jongen

gorilla zitten, die enkele zaadkorrels opat, die nauwelijks uit den

grond waren opgeschoten; op enkele schreden daarvan af zat ook de

moeder te eten. Zij besloten los te branden; het was hoog tijd, want

op het oogenblik, dat zij hunne geweren ophieven, zag de moeder hen;

zij hadden nog juist den tijd, om vuur te geven. Gelukkig wondden

zij haar doodelijk.

"Zij viel neder. De kleine gorilla vloog, toen zij het schot hoorde,

naar hare moeder, en verborg zich aan hare borst. De jagers vlogen met

eenen triomfkreet naar het lijk toe; maar door die kreten opgeschrikt,

vlood het jonge dier naar eenen boom en klauterde het vlug in den top,

waar het bleef zitten.

"Onze jagers waren zeer verlegen, hoe het te bereiken; zij hadden

geen lust, zich bloot te stellen aan zijne beten, en aan den anderen

kant wilden zij niet op het dier schieten. Eindelijk besloten zij

den boom te vellen en een schort over den kop van het dier te werpen;

toch werd één der mannen zwaar aan de hand gewond, en een ander werd

aan de dij getroffen.

"Men bouwde eene kleine hut van sterk bamboes, met stevige spijlen, die

ver genoeg uit elkander stonden, om den gorilla te kunnen waarnemen,

en om hem in de gelegenheid te stellen zelf ook naar buiten te

zien. Hij werd met geweld daarin geworpen en voor het eerst kon ik

rustig het schouwspel waarnemen. Het was een jong, mannelijk dier,

dat zeker nog geen drie jaren oud was, en was bijzonder sterk voor

zijnen leeftijd. Zijn gezicht en zijne handen waren zwart, zijne oogen

lagen niet zoo diep als bij volwassen gorilla's. De haren van zijn

hoofd begonnen bij zijne wenkbrauwen en stonden op de kruin van zijn

hoofd rechtop; daar waren zij roodachtig bruin van kleur, aan beide

zijden van het gelaat liepen zij weder af tot aan de benedenkaak,

waar zij als het ware bakkebaarden vormden.

"Toen ik den kleinen aap stevig in zijne kooi opgesloten zag,

naderde ik de kooi, om hem eenige woorden van bemoediging toe te

spreken. Hij week naar het verste uiteinde terug, maar zoodra ik

vooruitkwam, begon hij te brullen en wierp hij zich tegen mij aan,

zoodat hij, niettegenstaande ik zoo ver mogelijk achteruit ging, mijn'

broek greep en die met een van zijne pooten verscheurde; daarna keerde

hij snel naar zijnen hoek terug. Die aanval maakte mij voorzichtiger;

toch wanhoopte ik er niet aan, dat ik hem eindelijk temmen zoude. Maar

hij stierf spoedig."

De negers beschouwen zich als de neven der orang-oetans. Zij zien

in den chimpansee een bijzonder menschenras, dat om zijn slecht

gedrag buiten de menschelijke maatschappij geworpen is, en dat

om zijne volharding in het kwaad langzamerhand tot zóó laag is

afgedaald, als het nu gekomen is. Toch eten zij de apen op, die zij

gedood hebben. Kapitein Grandpret verhaalt de geschiedenis van eene

vrouwelijke chimpansee, die de merkwaardigste bewijzen gaf van een

ontwikkeld verstand:

"Het dier bevond zich op een schip, waarmede het naar Amerika moest

vervoerd worden. Men had het geleerd, den oven te stoken, en het kweet

zich van die taak tot tevredenheid van allen; het zorgde er goed voor,

dat de gloeiende kolen niet op den grond vielen, en wist zeer goed

te zien, of de oven den vereischten warmtegraad verkregen had. Dan

begaf het zich naar den bakker, en waarschuwde hem door duidelijk

te begrijpen teekenen; deze vertrouwde dan ook ten volle op de hulp

van het dier en lette nooit op het vuur. Het kon alle plichten van

eenen matroos vervullen met evenveel behendigheid als verstand, kon

den ankerketting ophijschen en de zeilen inhalen en werkte zóó goed

dat de matrozen het dier als hunnen makker beschouwden. Ongelukkig

stierf het prachtige dier vóór de landing, door de wreedheid van den

loods. Deze had het mishandeld, zonder te letten op de smeekingen van

het dier, dat de handen vouwde als een smeekeling, om het hart van

den vervolger tot zachtheid te stemmen. Doch de loods volhardde in

zijne wreedheid. Het arme dier verdroeg geduldig alle mishandelingen,

maar van dat oogenblik af weigerde het alle voedsel, en stierf het

vijf dagen later van honger en smart. De geheele bemanning weende,

alsof een matroos gestorven ware.

"Brosse had twee chimpansees naar Europa medegebracht, een mannetje

en een wijfje, die aan tafel aanzaten als menschen, van alles aten en

zich van mes, lepel en vork bedienden. Zij dronken al onze dranken;

zij hielden vooral van wijn en brandewijn. Als zij iets noodig hadden,

riepen zij de kajuitsjongens, als hun iets geweigerd werd, werden

zij boos, grepen zij hen bij den arm, beten hen en wierpen hen op den

grond. Toen het mannetje eens ziek was, werd hij door den scheepsdokter

adergelaten; later stak hij, zoo dikwijls hij zich ongesteld gevoelde,

den arm uit naar den dokter.

"De chimpansee, die door Buffon werd grootgebracht, liep bijna

altijd rechtop, zelfs als hij zware voorwerpen droeg. Hij had een

ernstig en droevig voorkomen, al zijne bewegingen waren verstandig en

bedaard. Hij had geen enkel van de walgelijke gebreken der bavianen,

maar was niet zoo aardig als gewoonlijk de groene meerkatten zijn. Een

woord of een teeken van zijnen meester was voldoende, om hem te doen

gehoorzamen. Hij bood den arm aan hen, die Buffon kwamen bezoeken en

wandelde met hen; hij plaatste zich aan tafel, kende het gebruik van

een servet, veegde zich iederen keer, dat hij gedronken had, den mond

af, schonk zich zelf wijn in en klonk met zijne buren. Hij haalde

een kopje en schoteltje voor zich, deed er suiker in, schonk thee

daarin en liet het koud worden vóórdat hij er van dronk. Nooit deed

hij iemand kwaad; integendeel: hij naderde de bezoekers zeer beleefd,

en werd gaarne geliefkoosd. Al de vrienden van Buffon hielden veel van

zijnen _bediende_ en brachten hem beschuitjes en vruchten. Ongelukkig

stierf hij binnen het jaar aan de tering.

"Doctor Traill had eenen chimpansee naar Engeland overgebracht,

die niet rechtop liep en altijd op de handen steunde. Hij was

beschroomd tegenover vreemden, doch niet tegenover die personen,

die hij dikwijls zag. Als hij het koud had, bedekte hij zich met

een kleed. Eens hield men hem eenen spiegel voor, die dadelijk

zijne aandacht trok; op zijne gewone groote bewegelijkheid volgde

de volmaaktste kalmte. Met nieuwsgierigheid beschouwde hij het

wonderlijke werktuig en bleef hij stom van verbazing. Hij keek nu

eens naar zijnen vriend, dan weer naar den spiegel, draaide dien rond,

beschouwde zijn beeld en trachtte zich, door den spiegel aan te raken,

te verzekeren, of hij werkelijk een wezen van vleesch en been voor

oogen had als hij zelf, dan wel of hij slechts iets denkbeeldigs zag;

in één woord, hij deed volkomen hetzelfde, wat de wilde volkeren doen,

als men hun voor het eerst eenen spiegel voorhoudt. Het is jammer,

dat de tering de chimpansees en de gorilla's zoo snel doodt, als

men ze uit hun geboorteland verwijdert. Korten tijd na hunne komst

in Europa beginnen zij te hoesten en worden zij treurig. Naarmate de

ziekte vorderingen maakt, neemt hunne kalmte en hunne zachtheid toe;

spoedig is het treurig ze aan te zien. Zij buigen het hoofd naar voren,

evenals menschen, wier longen zijn aangetast, hoesten van tijd tot

tijd en plaatsen hunne handen op de zieke borst; hunne donkerbruine

oogen nemen eene zóó hevige uitdrukking van smart aan, dat men ze niet

kan aanzien zonder bewogen te worden. Gewoonlijk bezwijken zij aan

die vreeselijke ziekte binnen het jaar, zelden in het tweede jaar;

ons koud klimaat kan aan die gelukkige kinderen van het zuiden hun

schoon vaderland niet teruggeven."

Dikwijls heeft men getracht jonge gorilla's in den Parijschen Jardin

des Plantes in het leven te houden; de waarnemingen bevestigen alles,

wat wij zooeven mededeelden, en ongelukkig ook de onmogelijkheid

om ze in ons klimaat in het leven te houden. Fig. 321 stelt den

laatsten gorilla voor, dien men daar gehad heeft. Heeft men in de

uitdrukking van dat gelaat niet de uitdrukking van den balling,

die zijn vaderland betreurt?

De hand van den gorilla gelijkt evenals de kop op die van den mensch.

Nog een enkel woord over eene andere soort, den orang-oetan. Deze is

zacht en zeer vreedzaam. Hij is niet beschroomd en vlucht niet voor

den mensch, dien hij integendeel met veel kalmte aanziet. Onder

de talrijke waarnemingen, die wij omtrent de zeden van dien aap

(in gevangenschap) bezitten, melden wij die, welke F. Cuvier gedaan

heeft op een jong wijfje, dat eene maand lang in 1808 op het kasteel

van Malmaison leefde.

"Dat dier gebruikte zijne handen zooals wij gewoonlijk de onze

gebruiken. Meestal bracht hij zijn voedsel met zijne vingers naar

den mond; doch dikwijls pakte hij het ook met zijne lange lippen,

en dronk slurpend, zooals alle dieren doen, die hunne lippen kunnen

verlengen. Hij rook aan al het voedsel, dat men hem aanbood en dat hij

niet kende; en hij raadpleegde zijn reukorgaan met bijzondere zorg. Hij

at met evenveel voorliefde vruchten, groenten, eieren, vleesch en

melk, en hield bijzonder veel van brood, koffie en sinaasappelen;

eens zelfs dronk hij eenen geheelen inktkoker leeg zonder dat het

hem iets hinderde. Hij had niet de minste orde in den tijd zijner

maaltijden en kon, evenals de kinderen, op ieder uur eten.

"Wij zagen zooeven, dat hij zijn voedsel nam met zijne handen of met

zijne lippen; hij was niet zeer handig in het gebruik van vork en

mes; in dat opzicht stond hij gelijk met de wilden, die men met die

werktuigen wilde laten eten, maar hij maakte door zijne slimheid goed,

wat hij aan handigheid miste; als het voedsel, dat op zijn bord lag,

niet gemakkelijk op zijnen lepel kon geplaatst worden, gaf hij dien

aan zijnen buurman, om dien te vullen. Hij dronk zeer handig uit een

glas, dat hij tusschen zijne beide handen hield. Toen hij eens bij

het neerzetten van zijn glas bemerkte, dat het om zou slaan, hield

hij zijne hand aan den kant, waarnaar het glas overhelde, om het te

steunen. Bijna alle dieren beschutten zich tegen de koude, en het is

waarschijnlijk, dat de orang-oetans in hetzelfde geval verkeeren,

vooral in den regentijd. Ik weet niet, hoe die dieren zich in den

natuurstaat tegen het ruwe weer beschermen. Doch ons dier was er aan

gewoon geraakt, zich in zijne dekkleedjes te hullen, en had daaraan

voortdurend behoefte. Op schip nam hij al wat hij machtig kon worden,

om zich daarmede te dekken. Wanneer dan ook een matroos een stuk

kleeren zocht, was hij bijna altijd zeker, het terug te vinden in het

bed van den orang-oetan. Op die gewoonte van het dier, om zich goed te

dekken, bouwden wij een plan, om zijn verstand op de proef te stellen.

"Dagelijks werd zijn dekkleed uitgespreid op een grasperk vóór de

eetzaal, en na den maaltijd, dien hij gewoonlijk aan tafel nam, ging

hij recht op dat kleedingstuk aan en sloeg het om zijne schouders,

waarna hij in de armen van eenen jongen bediende naar bed gedragen

werd. Eens hadden wij zijn dekkleed weggenomen, en het op den rand van

een venster gehangen, om het te drogen. De orang-oetan ging eerst naar

de gewone plaats, om het te halen, maar toen hij, aan de deur gekomen,

zag dat het niet op de gewone plaats lag, zocht hij het met de oogen

en ontdekte hij het aan het venster; hij ging toen eenvoudig daarheen

en kwam er toen op de gewone wijze mede terug."

Uit al deze verhalen, die wij nog met een zóó groot aantal zouden

kunnen vermeerderen, dat wij er boekdeelen mede zonden kunnen vullen,

blijkt duidelijk, hoe groot de overeenkomst is tusschen de hoogst

ontwikkelde apenrassen en de laagstontwikkelde menschenrassen. De

overeenstemming in physische eigenschappen blijkt zonneklaar uit de

overeenkomst van het geraamte, en uit de resultaten der vergelijkende

ontleedkunde. De punten van overeenkomst op intellectueel gebied zijn

in ons oog niet minder belangrijk. De menschelijke geest heeft zich

evenals het lichaam geleidelijk ontwikkeld.

Die ontwikkeling van den mensch heeft gelijken tred gehouden met

de ontwikkeling der hersenen. Dit is een hoogst belangrijk feit. De

hagedissen, de dinosauren, de viervoetige dieren en de zoogdieren der

secundaire periode hebben allen een bijzonder klein hersenvolume. Dat

orgaan van het verstand groeit in de tertiaire periode aan, om

langzamerhand te naderen tot de hersenen der hooger ontwikkelde

apen. Die wet is algemeen, hoewel er enkele uitzonderingen zijn bij

sommige soorten van vogels, bij de muizen enz., maar de toename is

merkwaardig, als men op de geheele dierenwereld let. Wij willen niet

zeggen, dat het verstand altijd evenredig is met het volume en het

gewicht der hersenen; wij zullen zoo aanstonds zien, dat dit nog

meer afhangt van het aantal en de diepte der hersenwindingen; doch

daar de hersenen het orgaan der gedachte zijn, zoo begrijpt men, dat

de ontwikkeling van het verstand samengegaan is met de aangroeiing

der hersenen.

Het gewicht der hersenen bedraagt gemiddeld bij den Europeeschen man

1485 gram, bij de vrouw 1262 gram. Daar het volume en het gewicht der

hersenen samenhangt met de grootte van het geheele lichaam, zoo moet

men nooit uitsluitend op het gewicht der hersenen letten, maar tevens

het oog vestigen op het lichaam, waartoe zij behoord hebben. Het

verschil in gewicht tusschen de hersenen van den man en de vrouw

ligt voornamelijk in het verschil in gewicht van beider lichamen. De

Europeesche man weegt gemiddeld 70 kilogram, de Europeesche vrouw 65

kilogram; de gemiddelde lengte van den man is 1,65 meter, die van

de vrouw 1,53 meter; de verhouding tusschen beider lengten is als

100 : 93 en de verhouding van het gewicht hunner hersenen als 100 :

85. Dus is ook naar verhouding het gewicht der hersenen bij de vrouw

iets minder dan bij den man.

De hersenen nemen toe met den arbeid en de inspanning, waarvan zij de

zetel zijn. Het gewicht kan voor eenen volwassen Europeaan afwisselen

tusschen 1000 en 2000 gram. Men heeft zelfs gewichten gevonden boven

en beneden die grenzen, doch dan alleen bij ziektegevallen.

Bij den Europeaan is het gewicht dus ongeveer 1/40 van het lichaam.

Het gewicht vermindert naarmate men met minder ontwikkelde volksstammen

te doen heeft, zooals de volgende tabel aanwijst:

Grammen. Verhouding

tot het

lichaamsgewicht.

Gemiddeld gewicht bij den Europeaan 1405 1/40

Gemiddeld gewicht bij den Mesties 1334 1/52

Gemiddeld gewicht bij den neger 1300 1/55

Gemiddeld gewicht bij den Australiër 1000 1/70

Bij den gorilla zijn die getallen 475 1/143

De verhouding van het gewicht der hersenen en het gewicht van het

lichaam is bij de:

Honden 1/242

Olifanten 1/300

Paarden 1/633

Ossen 1/700

Doch, zooals wij zooeven reeds opmerkten, zijn die verhoudingen niet

voldoende, om de mate van verstand te schatten: daartoe moeten wij

ook het oog houden op den aard der windingen. Letten wij b.v. op de

hersenen van den Europeaan, dan zien wij, dat zij zich reeds op het

eerste gezicht onderscheiden door het groote aantal windingen. Zonder

in anatomische bijzonderheden te treden, is het voldoende op te merken,

dat de hersenen, die arbeiden, sterker sprekende windingen hebben

dan de hersenen, die weinig te verrichten hebben. Grove en weinig

samengestelde windingen zijn het bewijs van weinig verstand, bij welk

menschenras dan ook; kleine en veelvuldig geplooide windingen zijn

een bewijs van groote geestesgaven. De kleinere zoogdieren hebben

betrekkelijk meer hersenen; de muis b.v. heeft betrekkelijk meer

hersenen dan de mensch; maar hare hersenen zijn dan ook volkomen glad

en hebben geene windingen.

Indien men de hersenen van die dieren, die anatomisch en physiologisch

het meest met den mensch overeenkomen, vergelijkt met die van

den mensch, dan blijkt het, dat het aantal windingen toeneemt,

van de laagste apensoorten tot aan den mensch. De ouistiti, de

laagst ontwikkelde aap, heeft volkomen gladde hersenen; de makako

heeft enkele windingen; het aantal windingen neemt van soort tot

soort toe, en plotseling, bijna zonder eenigen overgang, vindt men

bij de anthropoïde apen, de chimpansee's en de orang-oetans zonder

uitzondering de voornaamste windingen terug, die bij de hersenen

van den mensch voorkomen. Het verschil tusschen de hersenen van den

ouistiti en den chimpansee is verbazend groot; het verschil tusschen

de hersenen van den chimpansee en die van den mensch is daarentegen

zeer gering. Dit zijn _feiten_. Hij die dit niet wil inzien, is

willens en wetens blind.

De vergelijking der verschillende menschenrassen en apen geeft

dezelfde resultaten, indien wij den schedelinhoud en den gezichtshoek

onderzoeken:

Schedelinhoud.

cub.

centimeters.

Europeanen 1568

Chineezen 1518

Nieuw-Caledoniërs 1460

Afrikaansche negers 1430

Australiërs 1347

Nubiërs 1329

Gorilla's 531

Orang-oetans 439

Chimpansees 421

Leeuwen 321

Newfoundlanders 105

Men heeft opgemerkt, dat de schedels uit de 12de eeuw, op de

oude kerkhoven van Parijs gevonden, iets kleiner zijn dan die

der tegenwoordige Parijzenaars. De verhouding is van 1504 : 1558

centimeters.

De gezichtshoek is grooter, naarmate het voorhoofd breeder, en het

ras verstandiger is. Men vindt voor:

Gemiddeld.

De blanke rassen 82° tot 77°

De gele rassen 76° tot 69°

De zwarte rassen 69° tot 60°

Bij de Bosjesmannen is de gezichtshoek 60°.

De lagere menschenrassen vormen uit een physisch en verstandelijk

oogpunt den overgang tusschen de anthropoïde apen en de Europeesche

rassen. Er zijn voorbeelden genoeg van zóó weinig ontwikkelde

menschenrassen, dat men ze bijna tot de apen zoude rangschikken. Die

rassen, die veel dichter bij den natuurstaat geplaatst zijn dan wij,

verdienen daardoor de belangstelling van den anthropoloog en den

taalkenner, die bij hen dikwijls de oplossing vinden van vraagstukken,

die anders onoplosbaar zijn.

De Wereld vóór de schepping van den mensch · 第 36 / 40 段