Men zoude kunnen meenen, dat het juister geweest ware, tot titel van

dit werk te kiezen: _De wereld vóór het optreden van den mensch_

dan _de wereld vóór de schepping van den mensch_. Doch bij de

tegenwoordige opvatting der wetenschap zijn beide uitdrukkingen

volkomen aan elkander gelijk. De studie der natuur heeft ons in den

loop van dit werk geleerd, dat de beteekenis vroeger aan het woord

_schepping_ gehecht, niet de juiste is, en dat men nergens eene

eigenlijk gezegde schepping waarneemt. Nog nooit heeft men _iets_

uit _niets_ zien voortkomen. Niet alleen dat geen enkel levend wezen,

hoe laag ontwikkeld ook, geen stroohalm of mos uit niets ontstaat,

maar zelfs niet de nietigste stof, de minste molecule, of de minste

hoeveelheid warmte, licht en electriciteit, geene enkele kracht en

geen enkel atoom ontstaat uit niets. Voor hem, die vrij en zonder

vooringenomenheid het schitterend schouwspel van het levende heelal

bestudeert, is dat heelal in al zijne onderdeelen eene geleidelijke

ontwikkeling van zaken en wezens. Wij moeten dus onder het woord

_schepping_ verstaan _natuurlijke ontwikkeling_. In dien zin opgevat

kunnen wij onzen titel behouden. De mensch is niet plotseling

verschenen, maar geleidelijk geschapen door de krachten der natuur.

Wij willen daarmede volstrekt niet zeggen, dat de studie der natuur ons

er toe leiden moet het bestaan eener _grondoorzaak_ te ontkennen, die

blijvend inwerkt in de ontwikkeling van het heelal, eene onzichtbare

kracht, die de ontwikkeling van wezens en zaken bestuurt met eene

bedoeling, die ons tot nu toe onbekend is. Het is van belang, dat wij

de grenzen der wetenschap nauwkeurig kennen. Dwaasheid zou het zijn

te beweren, dat men niets weet; men weet veel, en ieder rechtgeaard

mensch moet doordrongen zijn van dankbaarheid jegens de onderzoekers

van alle eeuwen, die hun geheele leven gewijd hebben aan den arbeid,

en wier onderzoekingen der menschheid de schatten van den geest en de

materieele rijkdommen geschonken hebben. Doch indien men veel weet,

men weet niet alles, en de proefondervindelijke wetenschappen hebben

hare grenzen, zij kan de belangrijke vraag omtrent het bestaan der

Godheid en de onsterfelijkheid der ziel niet oplossen, en zeker

niet in ontkennenden zin. Het is de plicht van iederen denker,

die de waarheid liefheeft, vrijmoedig te zeggen wat hij weet. De

philosophische stelsels, die uit naam der wetenschap het bestaan der

menschelijke ziel ontkennen, zien slechts ééne zijde van de schepping

en dat wel niet de schoonste zijde. Het is zeer zeker moeilijk, zich

los te maken van iedere keten en vrij te denken, doch dit is dan ook

's menschen grootste verdienste en de beste oefening van onzen geest.

De schepping van den mensch begint niet met den titel van dit

hoofdstuk; zij klimt door haren oorsprong tot de eerste bladzijden

van dit boek op. Onmerkbaar, geleidelijk, hebben zich de wezens

ontwikkeld tot die hoogte, waarop thans de menschheid staat. Het is

even onmogelijk te zeggen, wanneer de mensch begonnen is, als wanneer

de roos begonnen is. Aanschouw die prachtige roos uit onze tuinen,

met hare menigvuldige bloembladeren, adem haren heerlijken geur

in, bewonder hare zoo zachte kleurschakeeringen en zoek naar haren

oorsprong. Gij zult opklimmen tot de wilde roos en tot den hagedoorn,

maar het is de roos niet meer. Zoek naar den oorsprong van de zoo

schoone en saprijke perzik; zoek naar den oorsprong van de lelie of

de orchidee; en tot den oorsprong opklimmend, verliest gij ongemerkt

het voorwerp van uw onderzoek uit het oog. Van de tegenwoordige aarde,

bedekt met de voortbrengselen der strijdende menschheid, bezaaid met

velden, weiden, steden, dorpen, wegen, spoorwegen, klimt gij ongemerkt

op tot de aarde der iguanodons, dinosauren, labyrinthodonten, tot het

primaire tijdperk, tot de nevelvlek. Alles is overgang, verandering,

ontwikkeling.

Het verschil tusschen middernacht en middag is groot, en toch is het

onmogelijk te zeggen, op welk oogenblik de dag begint. Zoo is het

ook met den mensch.

Indien wij de menschheid in haren tegenwoordigen toestand beschouwen,

dan zijn wij geneigd te gelooven, dat zij altijd geweest is, zooals

wij haar thans zien. Toch zien wij zelf hare ontwikkeling vóór ons

en kunnen wij ons rekenschap geven van de snelheid, waarmede alles

verandert. Wij kunnen ons reeds moeilijk den tijd voorstellen, toen

er geen spoortreinen of telegrafen waren, en toch is dit nog zoo

kort geleden. Onze voorvaders zouden hunne oogen niet gelooven, als

zij eenen trein zagen, die in 60 uren van Parijs naar Konstantinopel

vloog en hoorden, dat dit wonder alleen gewrocht wordt door den damp

van eenige liters kokend water. Wij zien steden, gezellige huizen,

door glas afgesloten, komediegebouwen, academies en kerken; wij zien

kleeren en meubelen; wij hooren muziek, wij lezen dagbladen en boeken,

en zijn geneigd te meenen, dat dit alles altijd bestaan heeft. Doch

inderdaad heeft zich dat alles geleidelijk ontwikkeld.

De mensch heeft zich zelf vroeger gemaakt tot datgene wat hij thans is,

en maakt zich zelf thans tot datgene wat hij morgen zal zijn. Lichaam,

geest, zeden, denkbeelden, taal, alles verandert, en dat wel snel

genoeg.

De taal, die wij thans spreken, is eene geheel andere dan die van

voor duizend jaren. Onze voorouders uit dien tijd zouden ons niet meer

verstaan. Geleidelijk heeft de mensch zijne taal, zijne denkbeelden,

zijne geestesgaven verworven; geleidelijk is de menschheid geworden wat

zij thans is. Wij moeten echter zeggen: de beschaafde menschheid; op

onze planeet, vooral in centraal-Afrika, in het zuiden van Amerika en

op de eilanden van de Stille Zuidzee vindt men nog groepen van wezens,

die wel menschen genoemd worden, maar die daarmede niets anders dan

den vorm gemeen hebben. En wat voor vorm! De wilde volksstammen,

die ongeschikt zijn tot het bevatten der eenvoudigste denkbeelden,

die minder ontwikkeld zijn dan verscheidene van onze huisdieren,

die onvatbaar zijn voor elke opvoeding, die geene geschiedkundige

herinneringen hebben, die niet verder kunnen tellen dan de vijf vingers

der hand, die voor hun eigen kroost geen dieper gevoel hebben dan

sommige soorten van apen, vogels of kangoeroe's, die laag ontwikkelde

wezens kunnen nog niet worden ingeschreven in de rijen der menschheid,

wier verstandelijke ontwikkeling wij zoo even prezen.

De verwantschap van den mensch met de wezens, die hem zijn

voorafgegaan, wordt door een aantal onwederlegbare feiten bewezen. Die

feiten kunnen in verschillende klassen worden gerangschikt en

zijn voornamelijk de volgende: 1º. De vergelijkende ontleedkunde

toont de overeenkomst in bouw aan van het lichaam van den mensch

en de hoogste diersoorten, van het geraamte tot de organen en de

geringste bijzonderheden van het lichaam; 2º. de physiologie leert,

dat het meest kenmerkende orgaan van den mensch, de hersenen, zich

geleidelijk bij de dieren ontwikkeld heeft om langzaam en zonder

plotselingen overgang te eindigen in de hersenen van den mensch;

3º. de waarneming van het verstand der dieren bewijst, dat zij in

minderen graad alle verstandelijke vermogens van den mensch bezitten,

gewoonlijk in rudimentairen toestand, doch somtijds ook op merkwaardige

wijze ontwikkeld; 4º de physische en geestelijke verwantschap van den

mensch met de hoogere dieren heeft duidelijke sporen nagelaten in de

afgestorven (geatrophieerde) organen van den mensch, die het erfdeel

zijn der oorspronkelijke voorouders, en in de gevallen van terugslag

(atavisme) of terugkeer tot den oorsprong; 5º. de embryologie (leer

der ongeboren vrucht) toont aan, dat zelfs nu nog ieder menschelijk

wezen in den moederschoot, alle vroegere dierlijke phasen doorloopt,

en dat ieder van ons, vóórdat hij mensch werd, ei, kruipend dier en

zoogdier geweest is; 6º. de geologie en de paleontologie leveren van

het voorgaande de proef op de som, daar de wezens, wier versteening wij

terugvinden, eene geleidelijke ontwikkeling vertoonen, van de plant-

en weekdieren tot aan den mensch.

Van al deze feiten, die te zamen de bouwstof leveren voor de oplossing

van het groote vraagstuk, heeft de zesde reeks het onderwerp van dit

werk uitgemaakt, en onze lezers hebben het belang en de waarde dier

feiten zelf kunnen beoordeelen. De vijf andere hebben wij in grove

trekken geschetst, in het gedeelte, dat handelde over den oorsprong

en de ontwikkeling van het leven; wij moeten echter thans nog eens

de voornaamste van die bewijsgronden voor oogen nemen en trachten te

ontdekken, uit welke diersoort de menschheid is ontstaan, en wanneer

die belangrijke wijziging heeft plaats gegrepen.

Wij zeiden dan in de eerste plaats, dat de vergelijkende ontleedkunde

aantoont, dat er eene groote overeenkomst is in den bouw van den mensch

en de hoogere dieren. Dit weet tegenwoordig iedereen. Er is niemand

meer, of hij heeft honderden malen opgemerkt, zonder dat hij daarom

een groot waarnemer behoeft te zijn, hoe groote overeenstemming er

is tusschen de ligging der voornaamste organen bij ossen, kalveren,

schapen, paarden enz. en die van den mensch. Gaan wij in ons onderzoek

iets verder, en bestudeeren wij de hersenen, het hart, de longen, de

ledematen, het hoofd, de tanden, oogen, ooren, handen enz. dan ziet men

zeer spoedig, dat ons lichaam in alle bijzonderheden gebouwd is naar

hetzelfde type als dat der hoogere zoogdieren. Indien men nog verder

gaat, en onderzoekt, welke der hoogere zoogdieren in anatomischen bouw

en physiologische eigenschappen de grootste gelijkenis vertoonen met

ons lichaam, dan bemerkt men reeds spoedig, dat het de apen zijn.

Dit is een _feit_, dat door geene vooroordeelen is weg te

redeneeren. Wil dat nu zeggen, dat die gelijkenis voldoende is,

om daaruit af te leiden, dat wij van de apen afstammen? In geenen

deele. Bovendien zou men dan nog moeten onderzoeken, _van welken aap_

de mensch zou zijn afgestamd. Wij moeten niet te snel vooruit willen,

doch evenmin mogen wij de oogen sluiten. Ons lichaam is evenzoo gebouwd

als dat der hoogere dieren. Indien de mensch de vrucht ware van eene

afzonderlijke schepping, dan zou die overeenkomst met andere levende

soorten geen reden van bestaan hebben. Zij zou zelfs bijzonder vreemd,

onverklaarbaar en vernederend zijn. Doch indien wij de hoogste tak

zijn van den boom des levens, dan kan alles langs natuurlijken weg

verklaard worden.

Indien wij het geraamte der apen, die in hunnen bouw het meest met

den mensch overeenkomen, met het geraamte van den mensch vergelijken,

dan valt het niet te ontkennen, dat er eene treffende overeenstemming

bestaat. De geheele bouw, de ribben, de beenen, de armen, de

wervelkolom, de kop maken den indruk van eene groote gelijkenis. Toch

openbaren zich verschilpunten in de bijzonderheden. De schedel der

apen is dierlijk, de armen zijn zeer lang, en vooral geeft de rechte

stand den mensch iets edels, waarop de andere dieren geen aanspraak

kunnen maken. Doch gevoelt men niet de trapsgewijze opklimming van het

dierlijke geraamte tot dat van den mensch? Indien men het geraamte

van een viervoetig dier, hond, paard of leeuw (fig. 303) vergelijkt

met dat van den oerang-oetan, dan gevoelt men, dat er een grootere

afstand is tusschen het paard of den leeuw en den aap, dan tusschen

den aap en den mensch. Toch kan de leeuw beschouwd worden als een

der hoogste dieren; zijn blik, zijne fierheid, zijn voorkomen hebben

reeds iets menschelijks (fig. 315).

Indien wij na de beschouwing van het geraamte iets verder gaan

en den geheelen lichaamsbouw bestudeeren; en vooral als wij de

verstandsontwikkeling, de levenswijze en de zeden der apen bestudeeren,

dan komt de gelijkenis met de menschheid, en vooral met de lagere

rassen, meer en meer aan het licht. Wel is waar gelijken zij op ons

van onze meest ongunstige zijde beschouwd; maar zij zijn sluw en

verstandig. Laat ons hooren, wat één der uitstekendste waarnemers,

Brehm, die niet veel van de apen schijnt te houden, daaromtrent

zegt. Hij die met aandacht de volgende beschrijving, van de natuur

afgezien, leest, zal den indruk verkrijgen, dat er alleen een

verschil in graad, en niet in wezen bestaat tusschen den aap en den

onbeschaafden mensch.

"Men kan niet ontkennen," zoo schrijft genoemde natuuronderzoeker,

"dat zij ondeugend, kwaadaardig, valsch, driftig, haatdragend,

in ieder opzicht wellustig, twistziek, vechtlustig, heerschzuchtig,

prikkelbaar en gemelijk zijn, in één woord, dat zij de verachtelijkste

hartstochten bezitten; zij stellen er een boosaardig genot in, om alle

soorten van gemeene streken uittehalen; maar toch moeten wij erkennen,

dat zij dikwijls voorzichtig en vroolijk, zacht en goedaardig zijn

en vriendschap en vertrouwen betoonen; zij zijn van eene gezellige

natuur, moedig, aan hunne medeapen gehecht, en verdedigen ze moedig,

zelfs tegen vijanden, die hen in kracht overtreffen. Zij openbaren eene

zekere grootheid in hunne liefde voor hun kroost, in hun medelijden

voor de zwakkeren, niet alleen van hun eigen ras of familie, maar

ook voor de kleinen van andere soorten of klassen.

"Het gezellige leven van die dieren is voor den waarnemer vol

bekoorlijkheid. Weinige soorten van apen leven eenzaam; de meeste

vereenigen zich tot troepen. Ieder dier troepen kiest eene vaste,

min of meer uitgestrekte woonplaats, altijd in de streken, die

in ieder opzicht het gunstigst gelegen zijn, doch vooral wat de

voeding betreft. Is er gebrek aan voedsel, dan trekt de troep

verder. De bosschen, gelegen in de nabijheid van de plaatsen, door

den mensch bewoond, waarin maïs verbouwd wordt, of suikerriet,

bananen, vruchtboomen, meloenen gevonden worden, zijn voor hen

een waar paradijs. Ook versmaden zij de dorpen niet, waar het

bijgeloof verbiedt, die brutale dieven te straffen. Als de troep tot

overeenstemming gekomen is over de plaats, waar zij zich zal vestigen,

dan begint het apenleven, met zijne genoegens en twisten, zijne

veldslagen, zijne behoeften en ellenden. Het krachtigste mannetje

wordt de aanvoerder en gids, doch niet bij stemming wordt hij die

eer deelachtig, maar door te vechten tegen andere mannetjes, zijne

mededingers. Bij de apen beslissen evenzeer als bij de menschen, de

langste tanden en de krachtigste armen over de overwinning. Wie zich

niet goedschiks onderwerpt, wordt door geweld er toe gedwongen. De

macht is bij den sterkste; de wijste is hij, die de langste tanden

heeft. De gids eischt blinde gehoorzaamheid en kan daarop ook in alle

omstandigheden rekenen; immers de sterkste apen zijn gewoonlijk de

oudste, en de jongeren hebben eerbied voor hunne meerdere ervaring. Als

een ijverzuchtig sultan, matigt hij zich het uitsluitend recht aan

over alle wijfjes en verwijdert hij die, welke zich te buiten gaan;

men kan dus zeggen, dat hij de vader van den troep is.

"Als de troep te talrijk wordt, scheidt zich een deel af onder

aanvoering van een ander mannetje, dat sterk genoeg is geworden, om met

den aanvoerder te strijden, en een nieuwe strijd begint om de leiding

der nieuwe vereeniging. Overal, waar meerderen naar één doel streven,

is er strijd. Bij de apen heeft men dagelijks gevechten en twisten;

een oogenblik waarnemens is voldoende, om te zien, dat er dikwijls

zonder bekende oorzaak tweedracht heerscht.

"De gids oefent zijn gezag met veel waardigheid uit. Door de achting,

die hij heeft weten in te boezemen, en die zijne eigenliefde verheft,

heeft hij een zeker zelfvertrouwen, dat bij zijne onderdanen gemist

wordt; deze maken hem altijd het hof. Men kan zien, dat de wijfjes

zich beijveren, van hem de grootste gunsten te verwerven, die een aap

schenken kan; zij doen haar best, om zijne haren te bevrijden van

de lastige parasieten, die daarin huizen, en met koddige majesteit

laat hij die bewerking toe. Daarentegen waakt hij trouw voor het

heil der gemeenschap. Hij is de voorzichtigste van allen; zijne

oogen dwalen steeds overal rond; hij wantrouwt een ieder en alles,

en ontdekt daardoor bijna steeds tijdig genoeg het gevaar, dat zijne

kolonie bedreigt.

"De taal der apen schijnt zeer rijk te zijn, ten minste iedere soort

drukt hare verschillende indrukken door verschillende klanken uit; de

waarnemer leert spoedig de beteekenis der geluiden begrijpen, die een

gids voortbrengt, bij het leiden zijner kudde, of den kreet van angst,

die tot de vlucht aanmaant. Die kreet, moeilijk te beschrijven en nog

moeilijker na te bootsen, bestaat uit eene reeks korte, afgebroken,

bevende en onharmonische tonen, wier beteekenis nog duidelijker wordt,

als men de samentrekkingen van het gelaat beschouwt. Zoodra het geluid

gehoord wordt, neemt de geheele troep de vlucht. De moeders roepen

hare jongen naar zich toe, die zich aan haar vasthechten; met haren

zoeten last beladen begeven zij zich naar den meest nabijzijnden boom

of naar de naburige rots. De oude aap gaat voorop en wijst den weg,

die door de geheele troep met vertrouwen gevolgd wordt, en wanneer het

stilstaan en de kalmte van den gids aantoonen, dat het gevaar geweken

is, dan vereenigt zich de troep weder, maakt zij weder rechtsomkeert,

en voltooit zij den roof, waarbij zij is betrapt geworden.

"Niet alle apen echter vluchten voor den vijand; de sterksten

verdedigen zich tegen de gevaarlijkste roofdieren en zelfs tegen den

mensch, die voor hen nog gevaarlijker is; zij leveren dan veldslagen,

waarvan de uitslag dikwijls onzeker is. De groote apen, b.v. de

bavianen, hebben in hunne tanden zóó krachtige wapenen, dat zij gerust

den strijd kunnen wagen tegen den alleen verschijnenden vijand, terwijl

de kleine apen zich te zamen verdedigen en elkander met lofwaardige

trouw helpen. De wijfjes vechten alleen, als zij gedwongen zijn haar

leven of haar kroost te verdedigen; in dat geval zijn zij even dapper

als de mannetjes. De meeste apen strijden met hunne handen en tanden,

zij verscheuren en bijten; enkele schrijvers beweren, dat zij zich

somtijds van gebroken takken, als van stokken, bedienen. Zeker is

het, dat zij van boven uit hunne schuilplaats steenen, vruchten en

stukken hout op hunne vijanden werpen. Geen inlander meet zich met

eenen baviaan en zeker niet zonder vuurwapenen. De orang-oetans en

de gorilla's zijn zóó sterk en gevaarlijk, dat als een jager met één

van deze vecht, hij zijn geweer nooit voor den aanval, doch alleen

ter verdediging gebruiken kan. De vreeselijke woede der apen, die

hunne krachten vertiendubbelt, is zeer gevaarlijk, en hunne groote

behendigheid belet dikwijls den jager ze te dooden.

"In den natuurstaat vormt iedere soort eene troep op zich zelf, toch

helpen elkander wel eens soorten, die veel met elkander overeenkomen,

en vereenigen zij zich met elkander. In gevangenschap leven alle

soorten vriendschappelijk bijeen, en men neemt dan dezelfde wetten

omtrent het opperbewind waar als bij eene vrije kolonie. De sterkste

oefent altijd de macht over al de anderen uit. De groote soorten

houden zich met de kleinere bezig en de mannetjes wedijveren met de

wijfjes, om ze te verzorgen. De wijfjes der groote soorten werven wel

eens jonge kinderen of kleine zoogdieren aan, die zij op de armen

kunnen dragen. Zoo kwaadaardig als een aap is jegens alle dieren,

zoo lief en zacht is hij jegens kinderen of andere jonge wezens;

de moederliefde der apen is dan ook spreekwoordelijk. Natuurlijk

openbaart zich die liefde het sterkst jegens hunne eigen kinderen. De

jonggeborene is niet mooi; doch dat leelijke kleine wezen maakt de

vreugde van de moeder uit, die het liefkoost en koestert, zóó zelfs

dat het belachelijk schijnt. Korten tijd na de geboorte, gaat de

jonge aap met zijne twee vóórhanden aan den hals der moeder hangen,

terwijl zijne achterhanden het lichaam der moeder omvatten; zóó neemt

hij de houding in, die voor de voedster het minst lastig en voor hem

het gemakkelijkst is om te zuigen. Is hij grooter geworden, dan springt

hij bij het minste alarm op de schouders of den rug zijner ouders.

"De jeugdige aap is in het eerst ongevoelig voor al de liefkoozingen

zijner moeder, die toch even lief voor hem blijft en zich steeds met

hem bezighoudt. Nu eens likt zij, dan weder luist zij hem; zij drukt

hem tegen haar hart of neemt hem tusschen hare twee handen, om hem

beter te kunnen beschouwen, en plaatst hem dan weder tegen hare borst,

of wiegt hem in hare armen, als wilde zij hem in slaap wiegen. Na

korten tijd wordt de jonge aap iets onafhankelijker. De moeder laat

hem dan vrij in zijne bewegingen, en laat hem stoeien met de andere

apen van zijne soort, maar geen oogenblik verliest zij hem uit het oog;

zij volgt al zijne schreden, houdt het toezicht over zijne handelingen

en staat hem alleen datgene toe, wat hem niet kan schaden. Bij het

minste gevaar vliegt zij naar hem toe, eenen bijzonderen kreet doende

hooren, die beteekent, dat hij in hare armen moet vluchten. Als hij

ongehoorzaam is, wat zeer zelden voortkomt, daar de jonge apen in het

algemeen zeer onderdanig zijn, straft zij hem, door hem te knijpen of

te schudden, of somtijds wel door hem een paar oorvegen toe te dienen.

"In de gevangenschap deelt de moeder al wat zij eet trouw met haar

kind; zij neemt deel in alles, wat hem overkomt en geeft hem treffende

bewijzen van liefde. De dood van haar kind sleept den hare met zich

mede; zij sterft van verdriet. Als de moeder sterft, neemt een andere

aap van de troep, een mannetje of wijfje, den wees tot zich en bewijst

hem bijna evenveel liefde als aan zijn eigen kroost.

"Enkele reizigers hebben eene schets gegeven van de vreeselijke

gevechten tusschen negers en gorilla's; zij die uitgaan om ivoor

te zoeken, zijn uiterst bevreesd voor den gorilla en vooral voor

de wijze waarop hij de lieden aanvalt. De inboorlingen beweren,

dat als de jagers rustig door het bosch trekken, een gorilla,

op een der onderste takken gezeten, een van hen bij den nek pakt,

hem naar zich toe trekt en hem medesleurt naar den top van den boom,

waar hij hem verworgt, zonder dat hij eenig geluid kan geven, en hem

daarna op den grond laat vallen. Dikwijls komen de negers vreeselijk

verminkt uit den strijd, dien zij tegen die vreeselijke dieren hebben

moeten voeren. Indien de gorilla door zijne familie omringd is, dan

valt hij aan zonder getergd te zijn, en de strijd tusschen mensch en

dier eindigt gewoonlijk met den dood van één van beide; meestal delft

de mensch het onderspit. Het is veel moeilijker éénen jongen gorilla

dan tien chimpansees te bemachtigen. De wijfjes vluchten met hare

jongen op de boomen, zoodra de jagers naderen, terwijl de mannetjes

zich dadelijk tot den strijd toerusten. Hunne groote groene oogen

schitteren, hunne haren staan op, zij knarsen met de tanden, uiten

eenen scherpen kreet, gelijkend op kahi! kahi! en storten woedend op

den vijand. Als men den gorilla niet treft, kan men zijn geweer zelfs

niet als knots gebruiken, de razende aap breekt het gemakkelijk met

de handen stuk. Ook met zijne tanden verscheurt hij den jager. Het

behoeft dus geene verwondering te baren, dat de neger, die eenen

gorilla gedood heeft, als een held onder zijne stamgenooten beschouwd

wordt, en dat de inboorlingen weigeren den Europeeschen reizigers

eenen levenden gorilla te leveren tegen zijn gewicht aan goud.

"De inboorlingen meenen, dat die groote apen wezenlijke menschen

zijn, en dat zij zich maar zoo woest en zoo dom houden, omdat zij de

slavernij vreezen en niet willen werken. Voor den Afrikaan is slaaf

te zijn het ergste wat er is. Ook beweren zij, dat de ziel hunner

koningen na hunnen dood in de gorilla's verhuist en dat deze hen dus

alleen uit gewoonte haten en plagen."

Ook Du Chaillu heeft hoogst belangrijke mededeelingen gedaan over

den gorilla. Wat hij er van verhaalt, komt in hoofdtrekken met het

voorgaande overeen. Wij zullen uit zijne schets datgene mededeelen,

wat voor ons doel het belangrijkst is. Het is de ontmoeting met eenen

gorilla, van wiens dood hij getuige was, en is uitnemend geschikt,

om ons een denkbeeld te geven van den indruk, dien dat vreeselijke

dier moet maken.

De Wereld vóór de schepping van den mensch · 第 35 / 40 段