Die twee verschijnselen zijn niets anders dan verschillende uitingen

eener zelfde oorzaak, de tijdelijke toeneming van de hoeveelheid

condenseerend water. Uit het feit, dat in onze streken de nietige

waterstroomen hebben plaats gemaakt voor krachtige stroomen met

beddingen, verscheidene kilometers breed; dat op alle hellingen eene

zóó sterke strooming plaats had, dat daaruit het löss [55] kon gevormd

worden; dat holen en grotten bekleed zijn met een dicht kleed van

druipsteen: uit dit alles blijkt, dat er toen veel meer regen viel

dan thans, en dat wel in de geheele streek, die zich uitstrekt van

de Sahara tot aan het midden van Engeland, en van Louisiana tot aan

de groote Amerikaansche meren.

Deze derde onderstelling wordt bevestigd door het onderzoek der

quaternaire dierenwereld: de tallooze beenderen van dikhuidigen,

in het diluvium van het noordelijk halfrond gevonden, wijzen er op,

dat de plantenetende dieren een overvloedig voedsel moesten vinden,

en dat dus het klimaat zacht en vochtig moest zijn.

Men weet trouwens, dat in de vorige perioden groote zoetwatermeren

de valleien innamen van de voornaamste stroomen in Europa en van de

westelijke helling van het Rotsgebergte in Amerika. Het bestaan dier

watervlakten brengt eenen bijzonder vochtigen dampkring mede, zoodat

de toestand in de quaternaire periode daarvan de voortzetting is.

Maar wat als regen neervalt in lager gelegen streken, neemt in

de bergstreken den vorm van sneeuw aan. De vochtigheid in den

dampkring moet dus tot noodzakelijk gevolg gehad hebben de vorming

van sneeuwvelden, en dus ook van groote gletschers. Die vorming, die

vroeger onmogelijk was, (behalve misschien sedert de eocene periode in

de Pyreneën), bij gebrek aan uitgebreide condensatoren, is na het einde

der pliocene periode kunnen ontstaan, dat wil zeggen op het oogenblik,

waarop de Alpen en zoovele andere ketenen hunnen tegenwoordigen vorm

verkregen hebben. Niet de koude alleen heeft dus de gletschers kunnen

voortbrengen; deze is op zich zelf onvoldoende, om de gletschers te

voeden, zooals blijkt uit het feit, dat de bergvlakten van Tibet, die

5000 tot 6000 meters hoog zijn, geene gletschers bezitten. Daartoe

is noodig eene groote vochtigheid van den dampkring en het bestaan

van bergen als condensatoren, die niet alleen van groote beteekenis

zijn om hunne massa maar ook om hunne hoogte; die condensatoren

waren in het begin van zooveel grooter beteekenis, daar zij nog niet

door afbijting zooveel verloren hadden en zij waarschijnlijk eenige

honderden meters hooger waren door eene tijdelijke rijzing der streek.

Men ziet dus, dat de groote waterstroomen in de vlakten en de groote

gletschers in de bergstreken twee nauw samenhangende verschijnselen

geweest zijn, en dat men meermalen niet zonder grond de uitdrukking

_glaciaire periode_ heeft willen vervangen door die van _regenperiode_.

Het valt niet te ontkennen, dat de afkoeling aan de polen, die zich

reeds had doen gevoelen in het midden der tertiaire periode, niet

geheel vreemd is geweest aan de hierboven beschreven verschijnselen;

toch zoude deze op zichzelf daartoe niet voldoende geweest zijn, en

de studie der quaternaire formatie in de gematigde luchtstreken,

op die plaatsen die niet aan den onmiddellijken invloed der

gletschers onderworpen waren, bewijst, dat de overgang van den

elephas meridionalis tot den elephas antiquus, en van dezen tot den

elephas primigenius, geleidelijk geschied is, zonder dat er in dien

tusschentijd een _plotselinge_ inval van koude had plaats gegrepen.

Uitgaande van het bovenstaande, kunnen wij ons weder verplaatsen in

den tijd, toen de groote bergen hunne tegenwoordige hoogte verkregen

hadden, dat is dus in het begin der pliocene periode.

Reeds sedert langen tijd was het boven water komen van Europa in

voorbereiding; in Frankrijk en Engeland waren alleen zoetwatermeren. De

bergstreken waren in de pliocene periode het tooneel eener krachtige

werkzaamheid, waarvan de gesteldheid van het Rhônebekken en de oude

aanslibbingen van Zwitserland kunnen getuigen.

Wij mogen aannemen, dat op het einde der pliocene periode de

voornaamste valleien reeds gevormd waren en haren bodem reeds

bedekt hadden met grint en aangespoelde stoffen, terwijl zich op de

bergvlakten het oudste klei uitspreidde. De bekkens, die de sneeuw

moesten opnemen, en de kanalen, waarlangs de gletschers moesten

glijden, waren reeds in het begin der quaternaire periode gevormd,

en voor de opneming van groote hoeveelheden ijs was alleen noodig

dat in west-Europa luchtstroomen kwamen, die meer waterdamp bevatten,

dan in de vorige perioden.

De studie van de ligging der oude ijsformaties levert een krachtig

bewijs ten voordeele der meening, dat zij ontstaan zijn uit eene

toeneming der vochtigheid. In Engeland, zoowel als in Scandinavië en

Amerika, waren de streken, waar thans nog de grootste hoeveelheid

water valt, in de quaternaire periode het middelpunt der grootste

gletscher-formaties. Daarentegen is dat gedeelte van Amerika, dat in

Wisconsin gelegen was en bekend was onder den naam van _driftless

area_, wegens de afwezigheid van zwerfblokken, juist de streek,

waar thans nog de minste regen valt.

In één woord, de vochtigheid en de hoogte zijn de twee groote factoren

geweest voor de vorming van het ijs; en het feit, dat over een groot

gedeelte der Amerikaansche Cordillera's, de streken, van waar de

gletschers thans verdwenen zijn, eene lagere gemiddelde temperatuur

hebben, dan die waar het ijs bewaard is gebleven, bewijst, dat de

algemeene temperatuur slechts in de tweede plaats in aanmerking

komt. De ijsmassa's verminderen dus sterker onder den invloed eener

droge lucht, dan dat zij toenemen onder den invloed der koude.

Op het einde der pliocene periode en gedurende de quaternaire periode

viel in de Sahara, in Arabië en Perzië, landstreken, die thans door de

droogte geteisterd worden, eene ontzettende hoeveelheid regen, waarvan

bijzonder sterke aanslibbingen het gevolg waren. Dat regengebied

strekte zich zelfs nog verder oostwaarts uit, over de tegenwoordige

woestijnen van Mongolië, en in sommige bekkens, zooals in dat der Gele

rivier, ontstond daardoor eene ontzaglijke ophooping van löss. Zeker

is het, dat het regengebied zich in noordelijke richting verplaatst

heeft, en die verplaatsing doet zich nog thans gevoelen, want de

noordkust van Afrika en de kusten van Klein-Azië zijn lang niet meer

in die gunstige omstandigheden, waardoor in den tijd der Romeinsche

overheersching die streken zoo vruchtbaar waren. Daarentegen is het

klimaat van Frankrijk en Duitschland lang niet zoo gestreng als dit

volgens de oude geschiedschrijvers het geval is geweest. De winden,

die droogte of vochtigheid veroorzaken, hangen boven alles af van

de verdeeling van land en zee, en veranderingen in den invloed van

den wind moeten dus afhankelijk geweest zijn van veranderingen in de

gesteldheid der aarde.

De verdwijning van Atlantis heeft eene ontzaglijke wijziging in de

stroomingen veroorzaakt. Die periode is ook die geweest, waarin de

vulkanen van Frankrijk, Spanje en de Rijnoevers hunne werking deden

gevoelen.

Bij al die veranderingen in de gesteldheid der aarde moet ook de hoogte

van den bodem gewijzigd zijn; wij hebben trouwens reeds vroeger gezien,

dat deze zelfs thans nog niet standvastig is. Eenige honderden meters

meer in de hoogte van noordelijk Europa kunnen voldoende geweest zijn,

om de temperatuur zóóveel te doen dalen, als voor de uitbreiding der

gletschers noodig was.

Zoo kan men dan de bekende ijsperiode verklaren, die eindigde in de

periode van het diluvium, waarin zich in de valleien die stoffen hebben

afgezet, die thans met den naam van diluvium bestempeld worden. Al

de bezinkingen na de tertiaire periode, die de oppervlakte der

aardschors vormen, onderscheiden zich daarin van de vorige, dat zij

niet meer het kenmerk dragen van rustig bezonken te zijn op den bodem

van groote watermassa's, maar veeleer van te zijn ontstaan door eene

snelle, min of meer heftige verplaatsing van stoffen door middel van

stroomend water.

Die formatie bestaat gewoonlijk van onderen uit lagen of onregelmatige

hoopen ronde strandkeien, vermengd met zand en grint, gelegen op

eenen sterk gegroefden bodem.

Hooger op vermindert het grint in volume en gaat het over in grof zand,

dat naar boven al fijner en fijner wordt. Dat zand is dan vermengd

met kleine beddingen van keisteenen, en met aarde en geel slijk,

dat dikwijls zeer dik is en de geheele laag bedekt.

Men kan daarin al de karaktertrekken van het _alluvium_ herkennen,

dat is van bezinking in stroomend water. Men vindt het in de vlakten,

op de bergvlakten, op de hellingen der heuvels; het vult ook de

valleien, doch zoodanig, dat zijne massa, in stede van door het

tegenwoordige water toe te nemen, dagelijks vermindert, daar het door

de tegenwoordige rivieren wordt uitgegraven, die daar hare bedding

leggen, en het alluvium wijzigen, door nieuwe formaties, die zeer

van de vorige verschillen, daarop af te zetten.

Die rangschikking is overal dezelfde. Toch is er eenig verschil in

de samenstelling der lagen, welk verschil afhangt van de geologische

gesteldheid van de streken, die de bouwstoffen er voor geleverd

hebben. Zoo vindt men b. v. in het oude alluvium der Seine-vallei

talrijke blokken graniet en porfier door de Yonne toegevoerd, terwijl

men in de Marne-vallei kalkhoudende keien en vuursteenen vindt, uit

de krijtvlakten van Champagne en het Juraplateau van Langres afkomstig.

Het grint en het zand bevatten in groote hoeveelheden voor

het meerendeel gebroken beenderen, die afkomstig zijn van thans

uitgestorven geslachten, of wel van geslachten, die thans leven op

plaatsen, ver verwijderd van die, waar de beenderen gevonden zijn. Zoo

vindt men daarin over geheel Europa overblijfselen van reusachtige

olifanten (elephas primigenius), groote rhinocerossen, die twee horens

op den neus droegen (rhinoceros tichorinus) met een aantal beenderen

van paarden en groote herkauwende dieren (herten, damherten, elanden,

ossen enz.). Tanden en stukken van geraamten van tijgers en hyena's en

van eene groote soort beren, die zoo groot waren als ossen, bewijzen

eveneens, dat onder de quaternaire dieren vele roofdieren gevonden

worden. In de groote stroomen van dat tijdperk leefden in Europa ook

groote nijlpaarden. Al die geslachten zijn thans uitgestorven; onder

die uitgeweken geslachten komen het rendier en de veelvraat voor,

die thans naar de poolstreken zijn teruggeweken.

De mammouth was over het geheele noordelijke halfrond verspreid, en dat

wel niet alleen in Azië, waar men de eerste overblijfselen van dat dier

gevonden heeft. Sedert den tijd van Otto van Guericke, den uitvinder

der luchtpomp, die in 1663 getuige was van de ontdekking van fossiele

beenderen, (slagtanden, toen voor horens aangezien), sedert Leibnitz,

die uit die overblijfselen een vreemd, fantastisch wezen opbouwde,

dat eenen horen droeg op het midden van het voorhoofd en een dozijn

kiezen van een voet lengte; sedert de talrijke vondsten in Duitschland,

Rusland en Siberië in de vorige eeuw, hebben de mammouths opgehouden

fabelachtige dieren te zijn, vooral ook nadat in onze eeuw nieuwe

en talrijke ontdekkingen tot eene meer wetenschappelijke opvatting

medewerkten.

Men weet, dat men dikwijls aan de oevers der Lena en in het ijs van

Siberië niet alleen fossiel ivoor vindt (reeds sedert onheugelijke

tijden in den handel gebruikt) maar ook geheele lijken met vleesch,

huid en haar.

Het museüm te Petersburg bezit één der schoonste exemplaren, een geheel

geraamte, in 1804 te midden van het ijs der Lena gevonden. Het dier

is zes meters hoog, terwijl de omgekrulde slagtanden meer dan vier

meters lang zijn. De mammouth was veel grooter dan de olifant. Nog

onlangs heeft het ijs eenen mammouth geleverd, die bijna even groot

is als die van het museüm te Petersburg.

Onder de rhinocerossen komt de rhinoceros tichorinus voor, zoo genoemd,

omdat de beide neusgaten door een beenig tusschenschot gescheiden

waren. Die rhinoceros speelde in dien tijd eenen gewichtigen rol en

bijna overal vindt men zijne beenderen terug. Aan de horens van dat

dier zijn een aantal sprookjes verbonden, onder andere meende men in

de middeleeuwen den beroemden vogel Rock in den schoot der aarde te

vinden. Ook de drakenkoppen der oude tijden ontleenen daaraan hunnen

oorsprong. De anatomische kennis van dat fossiele dier dagteekent

eerst van het jaar 1772, toen de natuuronderzoeker Pallas aan de

oevers van eenen bijstroom der Lena een bijna volkomen lijk van

het dier kon bestudeeren, dat juist uit het ijs was losgemaakt. Het

lichaam van den rhinoceros tichorinus was met haren bedekt, en de

huid was niet zoo ruw als die onzer Afrikaansche rhinocerossen.

Één der schoonste voorwereldlijke dieren moet wel het reuzenhert

geweest zijn, waarvan de overblijfselen veelvuldig voorkomen in de

omstreken van Dublin, vermengd met schelpen, en gelegen zoowel op eene

hoogte van 70 meters boven de oppervlakte der zee als in het tufkrijt,

dat zich onder de onmetelijke venen bevindt, en in het veen zelf,

dat even hoog ligt als de oppervlakte der zee. Bij Curragh vindt men

geraamten van reuzenherten in eene beperkte ruimte opeengestapeld,

alsof geheele kudden op die plek begraven lagen. Opmerkelijk is het,

dat al die exemplaren denzelfden stand hebben, den kop omhoog, den hals

gestrekt, het gewei naar achteren, alsof zij, in het moeras ingezakt,

zoolang mogelijk lucht trachtten te scheppen.

Het geslacht olifant schijnt zich aldus ontwikkeld te hebben:

Dinotherium Mioceen.

Mastodon Mioceen.

Elephas meridionalis Plioceen.

Elephas antiquus Quaternair.

Elephas primigenius (Mammouth) Quaternair.

Tegenwoordige olifanten.

In het begin der quaternaire periode is de elephas meridionalis

verdwenen, om plaats te maken voor zijnen opvolger, den elephas

antiquus. Kudden van die dieren wandelden rustig in de onmetelijke

wouden, waar thans Parijs schittert. [56]

De elephas antiquus kenmerkt de eerste periode van het quaternaire

tijdvak, de elephas primigenius de tweede, koudere periode, de

rhinoceros tichorinus de derde, en het rendier de vierde periode. Dit

geldt ten minste voor Europa. In Amerika is dit echter eenigszins

anders.

Een groot aantal der tegenwoordige landdieren bestond reeds in het

begin der periode waarin zich vele nieuwe typen vormden. Er is dus

een onmerkbare overgang van de quaternaire dierenwereld tot die van

onzen tijd; de twee tijdperken zijn dan ook veeleer gescheiden door

het eindigen der natuurkundige en klimatologische verschijnselen der

glaciaire en diluvium-periode en door het intreden van de tegenwoordige

kalmte dan door een verschil in de planten- en dierenwereld. Dit is

zelfs zóó waar, dat terwijl vele tegenwoordige dieren opklimmen tot de

quaternaire en zelfs tot de tertiaire periode, verscheidene quaternaire

soorten eerst in den tegenwoordigen tijd zijn uitgestorven. De mammouth

heeft zeer lang voortgeleefd, de urus leefde in de 14de eeuw nog in

Nederland in het wild, de bison of aueros is zelfs nog niet geheel

verdwenen in Lithauen en den Caucasus.

In Europa waren de quaternaire zoogdieren, beren, leeuwen, hyena's,

rhinocerossen, olifanten, herten, runderen, bijna alle reusachtig

groot; buitendien had men insecteneters, knaagdieren, verscheurende

dieren, herkauwende dieren, paarden, wilde zwijnen enz., waarvan de

meeste soorten nog bestaan. De holenbeer was zoo groot als het paard,

de mammouth was veel grooter dan zijne tegenwoordige stamgenooten

en had ontzaglijke spiraalsgewijze gebogen slagtanden; het hert der

venen was minstens zoo groot als onze ossen, en sommige ossen hadden

ontzaglijke afmetingen. Dat dieren der gematigde en koude luchtstreken

op dezelfde plaatsen gevonden werden als dieren, die wij gewoon zijn

te beschouwen als bewoners der warme landen, behoeft ons niet meer te

verwonderen, nu wij weten, dat de mammouth en de rhinoceros met door

een tusschenschot gescheiden neusgaten bedekt waren met een dik kleed

van wol en haren, zooals blijkt uit de in het ijs van Siberië gevonden

exemplaren. Het is dus niet vreemd, dat men de overblijfselen van

holenberen en hyena's, rhinocerossen, den mammouth, den struisvogel,

het paard, het rendier, den veelvraat, en den muskusos der poolstreken

bij elkander vindt. De glaciaire periode heeft lang geduurd; van

daar dat de landdieren, om de gestrengheid van het klimaat te kunnen

doorstaan, langzamerhand bedekt zijn met eenen dikken pels.

In Amerika is het diluvium zeer uitgestrekt en daarbij rijk aan

beenderen; doch de dierenwereld wijst groote verschilpunten aan met die

van Europa. Zoo vindt men in het slijk en het tufkrijt der onmetelijke

vlakten van la Plata, in zuid-Amerika, Pampa's genoemd, een groot

aantal zoogdieren, waarvan de geraamten in hun geheel voorkomen, en

waaronder men vooral reusachtige tandelooze dieren opmerkt, zooals

het megatherium en den mylodon, waarmede wij tijdens de pliocene

periode kennis hebben gemaakt, en die in Europa voorkomen, en den

vreemdsoortigen megalonyx, die meer eigen is aan het Amerikaansche

vasteland (fig. 311). Men vindt er ook reusachtige pantserdieren,

waarvan de glyptodon het merkwaardigst was, naast paarden, tapirs,

bevers enz., terwijl de meest voorkomende en merkwaardigste dieren

der Europeesche quaternaire dierenwereld, de mammouth, de rhinoceros,

het nijlpaard, de holenbeer geheel ontbreken.

De glyptodon (fig. 312) was een reusachtig pantserdier, dat meer

dan drie meters lang was, het was omgeven en beschermd door een dik

pantser, bestaande uit beenige, stevig verbonden stukken.

In Australië waren de quaternaire zoogdieren uitsluitend buideldieren;

dit is nog thans het geval, doch de tegenwoordige vertegenwoordigers

dier orde zijn dwergen in vergelijking van die van vroeger.

In Nieuw-Zeeland waren de zoogdieren evenals thans uiterst zeldzaam;

men vindt daar reuzenvogels, die vier meters hoog waren en wier eieren,

van 32 tot 34 centimeters lang, eenen inhoud hadden van negen liters.

Al deze feiten bewijzen ons, dat in de quaternaire periode de

dierenwereld in verschillende streken reeds evenveel uiteenliep,

als thans het geval is.

In het volgende hoofdstuk zullen wij ons bezighouden met het tijdstip

van het verschijnen van den mensch; reeds nu kunnen wij echter

mededeelen, dat men in het diluvium en in de holen uit het begin

der quaternaire periode niet alleen geslepen vuursteenen, bewerkte

beenderen, schetsen van dieren en een aantal sporen van de primitieve

industrie der oudste tijden, maar ook fossiele overblijfselen van den

mensch gevonden heeft. De eerste menschen zijn dus getuige geweest van

de hier beschreven verschijnselen; zij hebben de overstroomingen der

diluviaansche periode bijgewoond, hebben de ontzaglijke uitbreiding

der gletschers kunnen zien, hebben bergketenen zien verrijzen, en

de geboorte van een groot aantal diersoorten kunnen waarnemen. Doch

zij waren nog geene waarnemers. Hunne aandacht was alleen gewijd aan

de gevaren, waaraan zij waren blootgesteld, en de dieren, die hun

leven in gevaar brachten. In de eerste verhalen spelen monsters en

reuzen de hoofdrol, en de overleveringen van alle volkeren vermelden

overstroomingen en zondvloeden, die door de legende geheel veranderd

en onkenbaar gemaakt zijn.

Het is hier de plaats niet, de nog zoo duistere geschiedenis van de

eerste tijden der menschheid te ontwarren; alleen vermelden wij, dat

men overal de sporen van verschillende menschenrassen gevonden heeft;

dat de oudste schijnen overeen te komen met de laagste volksstammen van

zuid-Afrika en Australië, en dat verscheidene stammen menscheneters

waren. Slechts langzaam, en na verloop van eeuwen, is de menschheid

van den toestand van wilden tot dien van barbaren en daarna in dien

van beschaafde wezens overgegaan.

Het gebruik van steenen werktuigen is dat der metalen voorafgegaan; in

die steenperiode kan men, overeenkomstig den graad van volkomenheid der

gebruikte vuursteenen werktuigen, twee voorname perioden onderscheiden;

de paleolithische periode, waarin de werktuigen alleen geslepen zijn,

de neolithische periode, waarin die werktuigen fijner bewerkt en

meestal gepolijst zijn.

Het is zeker, dat de mensch reeds langen tijd op aarde bestaat. De

geschreven oorkonden brengen ons slechts 5000 tot 6000 jaren terug,

de oudste overblijfselen van gebouwen zijn misschien twintig

eeuwen ouder, doch veel verder dan die korte historische periode,

die nauwelijks den duur van 150 menschengeslachten overschrijdt,

strekt zich de periode der overlevering uit. In dien tijd verbond

de menschheid, tot zelfbewustzijn komend, de eeuwen aan elkander

door legenden, gezangen, symbolen, en de herinnering van gewichtige

gebeurtenissen. Volksverhuizingen, rassenoorlogen, vernietigingen en

samensmeltingen van volksstammen, de veroveringen van den arbeid,

werden in den godsdienst opgenomen, en werden onder meer of minder

gewijzigden vorm van geslacht tot geslacht overgeleverd als het

erfdeel der volkeren. Nog vroeger, in het onbekende verleden der

tijden, leefden onze voorouders evenals de dieren in de bosschen

en holen. De overlevering zwijgt, evenals de geschiedenis, van die

periode van de menschheid; doch de aardformaties, in onzen tijd door

de geologen geraadpleegd, beginnen ons het bestaan en de zeden van

die eertijds onbekende voorouders te openbaren.

In de laatste tijden zijn zóóvele overblijfselen van menschen,

zóóvele vruchten van menschelijke industrie ontdekt, dat er geen

twijfel meer kan bestaan aan den ouderdom der menschheid. Niet alleen

bewoonden onze voorouders de bosschen tegelijk met de bisons, maar

zij leefden reeds vóór dien tijd in de ijsperiode, toen Frankrijk en

Duitschland het voorkomen hadden van het tegenwoordige Scandinavië,

en de rendieren, thans verbannen naar de poolstreken, de gletschers

der Alpen en Pyreneën doorliepen. Nog vroeger reeds, in een' tijd,

toen het Europeesche klimaat, dat later zoozeer zou afkoelen, veel

warmer was dan thans, had de mensch uit de holen thans uitgestorven

soorten van rhinocerossen en olifanten tot tijdgenooten, en reeds

oefenden zich kunstenaars, nederige voorgangers van Phidias en

Raphaël, om op hunne gereedschappen beeldjes van vrouwen en beelden

van mammouthen en herten te snijden, die in de klei der holen

bewaard zijn gebleven. En nog vóór dien tijd vindt men den mensch,

om de heerschappij kampend tegen zijnen ontzagwekkenden vijand den

holenbeer, waarvan eveneens teekeningen op steen bewaard zijn gebleven;

en nog verder terug zelfs, in de onmetelijke duisternis der eeuwen,

leeren ons andere overblijfselen, die van den elephas antiquus en

den elephas meridionalis, dat onze voorouders geboren waren in eene

periode, waarvan men vroeger meende, dat zij door eene reeks van

plotselinge omwentelingen van de onze gescheiden was.

Zoo hebben wij dan de laatste der geologische perioden geschetst. Bij

het optreden van den mensch is het doel van dezen arbeid bereikt,

en valt het buiten onze taak, om ons in bijzonderheden bezig te

houden met de eerste tijden der menschheid. Ons doel was alleen,

aan te toonen, hoe de levende natuur door de ontwikkeling der soorten

geleidelijk is overgegaan van het protaplasma tot den mensch, op eene

planeet die langzamerhand bewoonbaar is geworden, nadat zij nevelvlek

en zon geweest is.

Toch achten wij het, vóórdat wij onze taak als geheel voleindigd

beschouwen, noodig, te trachten uit al het voorgaande de groote

onbekende op te lossen, de _Schepping van den mensch_. Onze lezers

zijn thans volkomen voorbereid, om zich aan die oplossing te wagen. De

vrucht is rijp; men behoeft slechts de hand uit te strekken om haar

te plukken. En _deze_ vrucht is inderdaad de vrucht van den boom der

kennis, en het is niet verboden haar aan te raken.

TWEEDE HOOFDSTUK

De Schepping van den Mensch.

De Wereld vóór de schepping van den mensch · 第 34 / 40 段