Schoone gedachten, den edelen denker en natuurvorscher waardig,

die ze heeft geuit. De studie der natuur zal steeds de diepste en

bekoorlijkste aller studiën zijn; hare harmonie, hare beelden zullen

onzen geest steeds bekoren. Is het voor ons geen genot, die zoo lang

vervlogen eeuwen weder te doen herleven, en daardoor de schepping der

wereld bij te wonen, eene schepping, die onafgebroken voortduurt,

van den dag, dat de aarde als nevelvlek van de zon werd losgerukt,

tot op onzen dag. Dank zij de inspanning der paleontologen, hebben

wij die versteende wezens uit den doode kunnen doen herleven en hen

weder kunnen plaatsen op hunne oude plaats; wij hebben gezien, hoe de

zee telkens de plaats van het land innam, en hoe telkens de gedaante

der aarde met die van al hare bewoners veranderde; wij hebben zelfs

de schepping kunnen volgen, zonder dat de schakels ontbraken, die de

anorganische wereld aan de organische verbindt, en konden opklimmen

tot den oorsprong van het leven. Zoo hebben wij reeds thans, welke

vorderingen ook later de wetenschappen mogen maken, en hoe onvolledig

onze kennis nog moge wezen, een helder denkbeeld verkregen van den

gang der natuur en van het werk der schepping.

Met het einde van het tertiaire tijdperk hebben wij alle phasen van

de natuurlijke geschiedenis der aarde doorloopen. De schepping is

voleindigd, daar de mensch reeds in wording is in de anthropoïde

apen, en daar de drang naar volmaking, einddoel van het bestaan van

ieder wezen, die anthropoïde apen zal verheffen tot den rang van wilde

menschen. Dit vraagpunt zullen wij met zorg bestudeeren in het volgende

boek, en het zal daar volkomen op zijne plaats zijn, daar de menschheid

hare dierlijkheid heeft afgelegd bij den dageraad der quaternaire

periode. Thans, op het einde der tertiaire periode, verdient zij

haren naam nog niet. In de bosschen leven families van groote apen,

semnopitheken, orang-oetans, gorilla's, chimpansee's. De olifant,

het nijlpaard, de rhinoceros, het hert, het paard, de wilde kat, de

wilde hond, de wolf, de beer, de hyena, de tijger, de leeuw, in één

woord de tegenwoordige geslachten, tijdgenooten van de menschheid,

bestaan reeds in de natuur, te midden van eenen plantengroei,

die overeenkomt met dien welke thans de aarde bedekt. Valleien,

hemelhooge bergen, met sneeuw bedekt, schaduwrijke dalen, bronnen

en beken, watervallen en stroomen, maagdelijke wouden, weiden,

rijk aan grassen, onvruchtbare woestijnen, klimaten en jaargetijden,

grazende kudden, vogels in de wouden zingende, liefelijke landouwen,

zonnestralen en schaduw, regen en zon, bloemen der velden, wilde

vruchten, alles is gevormd en gereed om den mensch te ontvangen. De

oude wereld is dood. De nieuwe wereld is geboren.

ZESDE BOEK.

Het quaternaire tijdperk.

EERSTE HOOFDSTUK.

Het vierde tijdperk van het leven op aarde en de eerste

dagen van het tegenwoordige tijdperk.

Met het vierde tijdperk van de geschiedenis der aarde treden wij de

moderne tijden in, den tegenwoordigen toestand der schepping op onze

planeet. Toch is het begin dier periode reeds meer dan honderdduizend

jaren van ons verwijderd, en hebben er in den toestand der aarde,

in de verdeeling van land en zee, in de klimaten, in de openbaringen

van het leven, sedert de eerste eeuwen van dat tijdperk gewichtige

gebeurtenissen plaats gegrepen. De geheele geschiedenis der menschheid

is slechts het laatste hoofdstuk van de geschiedenis der aarde, wel is

waar het kortste, doch tevens het gewichtigste en het roemrijkste.--De

ontwikkelde menschheid dagteekent eerst van gisteren.

Het begin der quaternaire periode heeft zich gekenmerkt door eene

gewichtige gebeurtenis, de tijdelijke verandering van het klimaat; in

de geheele gematigde luchtstreek heeft eene verdichting van het water

van den dampkring plaats gegrepen, die het aanzijn heeft geschonken aan

_onmetelijke gletschers_, aan ontzaglijke regens en aan belangrijke

afschuringen en aanslibbingen. Als gevolg dier verandering hebben

groote vlakten sneeuw en ijs de bergen en de noordelijk gelegen

landen bedekt, waardoor eene sterke afkoeling over de geheele aarde

is veroorzaakt. Eerst later is de temperatuur weder gestegen.

Terwijl dus in onzen tijd de invloed van gletschers, rivieren en

dampkring op de aardoppervlakte onbeteekenend is, was die invloed in

het begin van het tegenwoordige tijdperk voldoende, om somtijds zeer

dikke lagen af te zetten op groote uitgestrektheden.

De quaternaire periode is begonnen met eene algemeene afkoeling,

die haar den naam verschaft heeft van de _ijsperiode_. Op het

Scandinavische schiereiland openbaart zich de verlaging in temperatuur

door het voorkomen der rotsen, die gegroefd en dikwijls door de

oude gletschers tot aan de oppervlakte der zee afgeslepen zijn;

ook openbaart zij zich door de erratische blokken (zwerfblokken) van

klei, zand en grint vergezeld, die verspreid liggen over den geheelen

noordelijken omtrek van het schiereiland, uitgaande van een punt der

Scandinavische Alpen, dat in de nabijheid van Stockholm gelegen is,

en in midden-Europa begrensd door eene lijn, loopende over Vikaltkoï,

Coula, Krakau, Breslau, Leipzig, Hannover, Arnhem en het noorden van

Engeland. Al de stoffen, die zoo verspreid liggen, zijn de plaats

van de Oost- en Noordzee overgetrokken en zijn van de Scandinavische

Alpen afkomstig; zij hebben den naam gekregen van _drift_. Datzelfde

drift vindt men ook in de nieuwe Wereld; doch de werking van het ijs

strekt zich daar veel zuidelijker uit, en wordt waargenomen tot op den

39sten breedtegraad in Pennsylvanië, Ohio, Indiana, Illinois en Iowa;

hieruit volgt, dat de isothermen [52] reeds dezelfde bochten hadden

als thans. De ijsstrooken bevatten overblijfselen van weekdieren,

die men thans nog alleen terugvindt in de poolstreken. Eerst onlangs

(11 Januari 1886) is in de Fransche Academie mededeeling gedaan van

het feit, dat men zelfs in dat gedeelte van Afrika, dat onmiddellijk

aan den evenaar grenst, (5° noorderbreedte), de sporen der ijsformatie

heeft teruggevonden.

De bewijzen van die merkwaardige ijsperiode zijn overal terug te

vinden. Wij zullen ons een oogenblik bezighouden met Italië, Frankrijk

en de Alpenstreken.

De oude gletschers hebben, evenals de tegenwoordige, duidelijke sporen

van hunnen loop achtergelaten; een enkele blik op den langen Alpenketen

en de valleien, aan den voet der Alpen gelegen, is voldoende, om ons

de ontwikkeling dier ijszeeën en de doorloopen baan te doen zien,

die voor enkele meer dan 400 kilometers bedroeg.

Men moet zich de toppen onzer bergen veel hooger voorstellen dan

thans het geval is. Eene der laatste rijzingen van den bodem, op het

einde der tertiaire periode, had de belangrijkste verhooging van onze

bergenrijen voleindigd. Berekent men het volume der gesteenten, door de

wateren de ijsstroomingen aan die toppen ontnomen, om op eenen afstand

diepe valleien te vullen, dan blijkt het dat die bergen verscheidene

honderden meters hooger moeten geweest zijn, dan thans het geval is.

Dat ijs is neergedaald van den Mont-Blanc, den Mont-Rosa, den Splugen,

den St.-Gothard, den Mont-Viso, den Mont-Cenis, in één woord, van den

geheelen Alpenketen, en heeft de vlakten en valleien vermeesterd. De

aard van den bodem kon hinderpalen in den weg leggen aan den loop van

eenen ijsberg en zelfs dien loop wijzigen; in dat geval ziet men, dat

de tegenstand biedende grond somtijds diep uitgegraven is, maar vooral

gepolijst en gladgeschuurd door de wrijving van die rotsblokken, die

het ijs in zijnen loop medevoert. Doch indien de grond alleen bestond

uit oude aanslibbingen, dan hebben de ijsgolven zich gemakkelijk

eenen weg kunnen banen en hebben zij verbazende afstanden afgelegd.

Die ijsstroomen hebben evenals waterstroomen aan hunne randen en aan

hun uiteinde hoopen modder afgezet, die heuvels of moraines vormen,

en zij hebben op hunnen weg de dikwijls ontzaglijke zwerfblokken

neergelegd, wier aanwezigheid tot de vreemdste verhalen aanleiding

heeft gegeven.

De oude geologen noemen al die van andere plaatsen afkomstige stoffen

_diluvium_, een naam, die het gevolg is van de vroegere opvatting

van eenen algemeenen zondvloed, waaraan die verplaatsing te danken

zoude zijn. [53]

Door nauwkeurige waarnemingen dier moraine-afzetsels, die zich

duidelijk onderscheiden van de andere aanslibbingen door het volkomen

gemis aan laagsgewijze schikking en door de hoekige steenen,

die het bevat, kan men met zekerheid de uitgestrektheid der oude

ijsbekkens leeren kennen. Door de groeven, die zij gesneden hebben

in de onderliggende gesteenten, hebben zij de richting aangewezen,

die zij bij hunne beweging gevolgd hebben.

Wij kennen thans de oude gletschers van de beide hellingen der Alpen en

kunnen hunnen loop volgen. Zonder nog te spreken van de gletschers van

de Reuss, de Linth en zoovele andere in het midden van Zwitserland,

kunnen wij den ontzaglijken Rhônegletscher noemen, die zich van le

Valais tot aan de heuvelen van Lyon uitstrekte. Deze omgaf de geheele

noord-westelijke en noord-oostelijke helling der Alpen. Hij strekte

zich tevens uit aan de ééne zijde tot voorbij Lyon, en door eenen

anderen, noordelijken tak tot aan de Vogezen. Zijne ijsmassa breidde

zich, na de valleien tusschen de Alpen en de Jura gevuld te hebben,

waaiervormig uit, en zijne uiterste moraine strekte zich in eenen

halven cirkel over Bourg en de Lyonsche heuvels tot aan de omstreken

van Vienne uit.

Aan de Italiaansche zijde waren de oude gletschers zeer talrijk;

geen enkele echter bereikte de reusachtige afmetingen van den

Rhônegletscher, daar het ijs nooit de oevers van de Po overschreden

heeft. Men heeft daar de gletschers van de Stura, de Maira, de Vraita,

de Po, de Pellice enz. De Tessinogletscher met zijnen kronkelenden

loop strekte zich uit van den St.-Gothard tot voorbij het Maggioremeer;

die van de Adda verlengde zich tot Monza, en aan de uiterste oostzijde

van de Italiaansche Alpenketen had men de gletschers der Etsch, der

Brenta en der Piave, waarvan de eerste alleen alle gletschers van

Tyrol in zich vereenigde, en zich uitstrekte van den Brenner tot ten

zuiden van het Garda-meer.

Kan men zich iets indrukwekkenders voorstellen dan die zich bewegende

ijsmassa, die langs de helling dier reusachtige bergen afdaalde,

langzamerhand de valleien en vlakten bereikte, en door geen enkelen

hinderpaal werd tegengehouden, de onder gelegen gesteenten omkrullend

en aangroeiend, en op haren weg moraineheuvels achterlatend, die op

onmetelijke dijken geleken? Welk eene kracht moest die ijsstroom

hebben, om graniet- en andere blokken aan de bergen, waarvan zij

gekomen waren, ontrukt, te kunnen voortsleuren tot op ontzaglijke

afstanden! Het gebeurt niet zelden, dat men op groote afstanden

van de toppen der Alpen steenen vindt, die honderden cubieke meters

groot zijn, en liggen op eenen geheel anderen bodem, zooals de _Mule

du Diable_, een zwerfblok van 624 cubieke meters, te Artas gelegen,

tusschen Bourgoin en Lyon, en andere.

Evenals het schip, door de golven gedragen, de zee doorploegt, zoo

bereikten de zwerfblokken, door de ijsgolven gedragen, de vlakten,

de valleien en de toppen der heuvels.

Welke andere kracht zou trouwens in staat geweest zijn, eene zoo

groote verplaatsing te veroorzaken? Alle andere verklaringen, die men

heeft te hulp geroepen, zijn voor nauwkeuriger waarneming gevallen,

en wel in de eerste plaats die, waarbij de verplaatsing dier door

het ijs medegevoerde stoffen werd toegeschreven aan zondvloeden.

Hoe zoude het immers mogelijk zijn, dat zelfs de grootste watermassa,

met de grootste snelheid bedeeld, zulke blokken langs de hooge bergen

kon medevoeren, ze kon voortdrijven over onmetelijke ruimten, en ze kon

opheffen op bergvlakten en op de toppen van heuvels, waar men ze thans

nog dikwijls tot pyramiden op elkander gestapeld vindt? De woede der

heftigste zee zou dit niet kunnen bereiken. Doch terwijl geleerden van

alle richtingen lansen braken over de juistheid hunner meer of minder

vreemde theoriën, gaven eenvoudige herders den sleutel van het raadsel.

De eenvoudige gemzenjager Perraudin immers wees het eerst aan, dat

de gletschers oudtijds veel grooter moeten geweest zijn, en dat

zij van de toppen en hellingen der bergen moeten zijn afgedaald,

granietgesteenten medesleurend, die zij daaraan ontrukt hadden. Later

gaven eenvoudige houthakkers diezelfde verklaring als de natuurlijkste

zaak der wereld. Die openbaring diende later tot gids aan allen,

die deze belangrijke vraag wilden ontwikkelen en doorgronden.

Toen het klimaat droger geworden was en de verdamping niet zoo

sterk, werden de gletschers al minder en minder gevoed; daardoor

verminderde langzamerhand hun volume en bereikte het de afmetingen,

die zij thans hebben.

Die langzame en telkens weer gestaakte teruggang heeft aanleiding

gegeven tot de vorming van secundaire moraines, evenwijdig aan de

uiterste, welke de verschillende standplaatsen dier ijszeeën aanwijzen

bij haren teruggaanden loop.

Mogen nog enkele bijzonderheden onzeker gebleven zijn, onmogelijk kan

men het feit in twijfel trekken, dat er in het begin der quaternaire

periode, vooral in midden-Europa, eene groote uitbreiding van het

ijs heeft plaats gevonden. De paleontologie leert ons den mensch

kennen, levende aan de randen dier ijsmassa's, en op het rendier,

de antilope, het paard en den mammouth jagend. Overal vindt men aan

de grens der glaciaire streken sporen van zijn verblijf en talrijke

overblijfselen van zijne have, die hoe nietig ook, voldeed aan de

voornaamste behoeften van het leven. Bovendien heeft de paleontologie

geleerd, dat in dien tijd naast die gletschers planten en dieren

gevonden werden, die getuigden van een betrekkelijk gematigd klimaat.

De groote uitbreiding der quaternaire gletschers was aan alle streken

der aarde gemeen, en nog in onzen tijd worden er groote en talrijke

gletschers gevormd, die zich in dezelfde omstandigheden als vroeger

voortbewegen over alle groote bergketenen, en dat wel niet alleen

in Europa, maar op de geheele aarde, vooral in den Caucasus, op het

Himalayagebergte, op de Andes van Patagonië, waar de ijsstroom zich

tot aan de zee uitstrekt, en in Nieuw-Zeeland, waar ijsblokken, die

losraken, van den gletscher nederstorten in eene omgeving, waar de

boomvarens weelderig tieren. Al die streken liggen zelfs binnen 40°

van den evenaar af. Er is dus geene buitengewoon lage temperatuur

noodig, om eenen gletscher voort te brengen en te voeden, en de

aanwezigheid van dien gletscher maakt het organische leven in de

nabijheid niet onmogelijk.

Daar nog steeds gletschers op de toppen der bergen gevonden worden,

zou eene geringe daling in temperatuur voldoende kunnen zijn, om die

gletschers hunne vroegere afmetingen terug te geven.

Toch is het niet waarschijnlijk, dat wij daarvan ooit getuigen zullen

zijn, als wij letten op de uiterst geringe snelheid van eenen gletscher

in verband met den korten duur van het menschelijke leven. Die korte

duur van het leven is één der oorzaken, waarom wij dikwijls de grootste

natuurverschijnselen niet kunnen bevatten.

Men neemt aan, dat er na eene eerste periode van koude, waardoor het

gladschuren der gesteenten van de noordelijke grens van het vasteland

veroorzaakt is, eene verhooging in temperatuur heeft plaats gegrepen,

die aangewezen wordt door eenen eersten teruggang der gletschers, door

de verspreiding der zwerfblokken van de Jura en door het diluvium der

Rhônevallei. Daarna veroorzaakte eene herhaling van de koude weder

het terugkeeren der gletschers. Aan die tweede glaciaire periode

wordt het slib van de Rijnvallei en van het noorden van Frankrijk

toegeschreven. Daarna wordt de temperatuur langzamerhand hooger,

en zoodra zij niet meer verschilt van die van onzen tijd, maakt de

quaternaire periode plaats voor onzen tijd.

Wij kunnen ons dus die oude quaternaire periode voorstellen als een

tijdperk van groote storingen in het klimaat. Regens, buitengewoon

hevig en langdurig, overstroomden het vasteland. Zij bedekten den

geheelen bodem met uitgestrekte watervlakken, die langs de hellingen

naar lager gelegen streken liepen, langzamerhand de valleien

uitgravend en daarbij het diluvium medesleurend, dat afkomstig was

van de bergruggen. Dat water viel in de nabijheid der polen en op de

hooge bergtoppen weder neder in den vorm van sneeuw. Als gevolg van

den waterdamp, de wolken en de verlaging der temperatuur, vermeesterden

die gletschers weldra de bergen, en breidden zij zich rondom de polen

langzamerhand uit. Bij het losbreken van het ijs voerden vlotten van

drijvend ijs de zwerfblokken ver weg; dikwijls is het echter moeilijk

die zwerfblokken te onderscheiden van die, welke de gletschers verlaten

hebben. De bedding der stroomen wordt al meer en meer uitgegraven.

De dieren, die gevlucht zijn naar hooge bergvlakten en in holen,

planten zich toch geregeld voort. Velen zijn het slachtoffer van de

woede der elementen; toch volgen de soorten op elkander evenals in de

vorige perioden. De zeedieren, ongevoelig voor alle beroeringen der

aarde, zetten hun rustig bestaan voort op den bodem der wateren. Na

een groot aantal afwisselingen van koude en warmte, van regens en

losbreking van het ijs, wordt het klimaat eindelijk standvastig

en begint onze tegenwoordige periode. Doch de zooeven besproken

verschijnselen zijn niet de eenige, die het quaternaire tijdperk

hebben gekenmerkt. Bij de genoemde beroeringen kwamen nog heftige

bewegingen van den bodem. In die periode toch zijn verbazend hooge

bergen zooals de Cordillera's verrezen, en het is duidelijk, dat eene

zoodanige rijzing, hoe langzaam zij ook moge hebben plaats gegrepen,

niet heeft kunnen geschieden zonder geweldige storingen over groote

oppervlakten teweeg te brengen.

In dienzelfden tijd nemen de Oostzee en de Middellandsche zee haren

tegenwoordigen vorm aan, ontstaat het Kanaal, en scheiden zich de

Britsche eilanden van het vasteland af.

Indien het bestaan van ééne of zelfs twee ijsperioden onwederlegbaar

bewezen is door de zwerfblokken, die door de gletschers zijn

medegevoerd, door de strepen en groeven, die zichtbaar zijn langs den

geheelen weg, door die ijsmassa's gevolgd, en door de rhinocerossen,

mammouths en andere dieren, die in het ijs begraven zijn, zoo is de

oorzaak van die afkoeling nog niet met voldoende zekerheid bekend.

Verscheidene oorzaken zijn mogelijk. Ten eerste kan de zon, die ons

licht en warmte geeft, evenals zoovele andere zonnen uit het heelal,

veranderingen in helderheid ondergaan en haar uitstralend vermogen

verminderen. De sterrenkunde heeft ons het bestaan van een groot aantal

veranderlijke zonnen doen kennen onder de millioenen sterren, die over

het oneindige uitspansel bezaaid zijn; zelfs worden enkele sterren

na bepaalde perioden geheel onzichtbaar door de tijdelijke uitdooving

van haar licht. Ook onze zon, die niets anders is dan eene ster, kan

eene veranderlijke ster zijn, en bedekt worden met groote vlekken,

een deel van haar licht en hare stralende warmte verliezen en jaren-

en eeuwenlang de aarde en de planeten, die tot haar stelsel behooren,

in de ruimte doen voortrollen met onvoldoende warmte. Het gevolg van

die afkoeling moet zijn, koude, winter en sneeuw. Een zoodanige winter

zoude eeuwenlang kunnen duren. Nadat dan de zon weder haren ouden

glans hernomen heeft, zal de lente weder terugkeeren met het smelten

der sneeuw, den regen, de waterstroomen en den nieuwen plantengroei.

Men kan hiertegen aanmerken, dat er geen enkel bewijs voor is,

dat onze zon, niettegenstaande hare bekende periodieke vlekken,

zóó veranderlijk is, en dat de glaciaire periode het leven op aarde

niet heeft uitgedoofd. Toch is die verklaring mogelijk, immers een

verschil van eenige graden in de ontvangen warmte is voldoende, om

de uitbreiding der gletschers te verklaren, zooals die blijkt uit de

ligging der zwerf blokken.

Een tweede verklaring berust op de verandering van de excentriciteit

der aardbaan. Onze lezers [54] weten, dat de ellips, die de aarde

jaarlijks om de zon beschrijft, beurtelings meer of minder excentrisch

wordt, dat zij nu eens, zooals dit over 23980 jaren het geval zal zijn,

nauwelijks van eenen cirkel verschilt, dan weder, zooals voor 85000

jaren zeer langwerpig is. De excentriciteit verschilt van 0,0033 als

minimum tot 0,0747 als maximum; in het tweede geval is zij dus 22 maal

sterker dan in het eerste geval. Thans is de excentriciteit 0,0168;

de afstand van het middelpunt der ellips tot aan het brandpunt is

dus 0,0168 maal de halve groote as der ellips, of 0,0168 × 148 000

000 kilometers = 2486400 kilometers. De aarde is dus den 1sten

Januari 4972800 kilometers dichter bij de zon dan den 1sten Juli,

en het zuidelijk halfrond, dat dan naar de zon is toegekeerd, heeft

dus eenen warmeren zomer dan wij, die naar de zon toegekeerd zijn,

op het tijdstip, waarop wij zoover mogelijk van de zon verwijderd zijn.

Doch daar staat tegenover, dat het zomerhalf jaar in het zuidelijk

halfrond acht dagen korter duurt dan in het winterhalfjaar, daar de

aarde 179 dagen noodig heeft om van het nachteveningspunt van September

tot dat van Maart te komen, en 186 dagen, om van het nachtseveningspunt

van Maart tot dat van September te komen. Dat verschil van 187 uren ten

voordeele van ons halfrond weegt op tegen het verschil in afstand van

de zon, en dat wel te meer, daar ten gevolge van den grooteren tijd,

dien de noordpool naar de zon gekeerd is, het aantal uren van den dag

in het noordelijk halfrond het aantal uren van den nacht overtreft. Het

is echter niet zeker, of daardoor de koude, veroorzaakt door den

grooteren afstand van de zon in den zomer, volkomen opgeheven wordt.

Bij de grootste excentriciteit der baan is het middelpunt der aardbaan

148 000 000 × 0,0747 of 11055600 kilometers van de zon verwijderd. Dan

is de aarde in het perihelium meer dan 22 millioen kilometers dichter

bij de zon gelegen dan in het aphelium. De verhouding der warmte in

die beide punten der baan is dan als 26 tot 19. Dan zal ook de aarde,

die zich in het perihelium het snelst beweegt, de helft, waarin het

perihelium gelegen is, in 164 dagen, en de andere helft in 201 dagen

doorloopen.

Het halfrond der aarde, dat naar de zon gekeerd is, als de aarde in

het perihelium geplaatst is, heeft de warmste en kortste zomers,

doch tevens de langste en koudste winters. Indien bij de grootste

excentriciteit de winters zeer lang en koud zijn, dan is het mogelijk,

dat de korte duur der warme zomers oorzaak is, dat niet al de sneeuw

en al het ijs smelt (zooals thans b.v. in Siberië), en dat in den zomer

alleen eene zeer krachtige verdamping plaats heeft, die de hoeveelheid

waterdamp, den regen, den mist en de sneeuw doet toenemen. Zonder

waterdamp is trouwens geen sneeuw mogelijk. Ons halfrond zoude dus

uitnemend geschikt zijn voor eene ijsperiode, zoo dikwijls de winter

valt in het aphelium bij eene groote excentriciteit der aardbaan. Die

excentriciteit is bijzonder groot geweest van het jaar 210000 tot

aan het jaar 100000 vóór onze jaartelling. Indien wij nu weten, dat

alle 26000 jaren zich het verschijnsel herhaalt, dat op ons halfrond

de winters in het perihelium vallen, dan is het mogelijk, dat er in

dien tijd der groote excentriciteit vijf ijsperioden geweest zijn voor

ieder halfrond, wier sterkte afhing van verschillende omstandigheden,

zooals de rijzing van het land, de richting der stroomingen en andere.

Die tweede verklaring der ijsperiode is waarschijnlijker dan de eerste,

doch het is ook mogelijk, dat die verandering in de excentriciteit

wel heeft medegewerkt tot de verschijnselen der ijsperiode, maar dat

zij niet de eenige oorzaak was. Het is immers zeker, dat voor een

duizendtal eeuwen eene verandering in den vorm en het klimaat der

aarde heeft plaats gegrepen.

De eerste en grootste helft toch der quaternaire periode kenmerkt

zich op ons halfrond in de bergstreken door de groote uitbreiding

der gletschers, op het overige gedeelte door de groote afbijting der

kusten en de daarmede samenhangende aanslibbingen.

De Wereld vóór de schepping van den mensch · 第 33 / 40 段