Ten allen tijde heeft men beenderen van fossiele olifanten en

mastodonten gevonden; die beenderen hebben aanleiding gegeven tot de

dwaze verhalen omtrent de opgraving van geraamten van oude reuzen;

want in eenen tijd, toen de ontleedkunde nog zoo laag stond, kon de

zucht tot het wonderbaarlijke te meer van dergelijke gebeurtenissen

partij trekken, om denkbeelden te doen ingang vinden, die op de

verbeelding werkten, waar de olifant een dier is, wiens geraamte (met

uitzondering van de grootte) tamelijk veel overeenkomst heeft met dat

van den mensch. Men zou een geheel boek kunnen vullen met verhalen

omtrent fossiele beenderen van groote viervoetige dieren, die bedrog

of onkunde hebben doen doorgaan voor overblijfselen van menschelijke

reuzen. Het bekendste van die verhalen is dat omtrent het geraamte,

dat men onder Lodewijk XIII vond, en dat men vertoonde als dat van

Teutobochus, koning der Cimbren, die tegen Marius gestreden had.

Den 11den Januari 1613 vond men in eene zandgroeve bij het kasteel van

Chaumont in Dauphiné tusschen de steden Montricaux en St. Etienne,

beenderen, waarvan enkele door de werklieden gebroken waren; een

heelkundige uit Beaurepaire, Mazurier genaamd, wien men de ontdekking

mededeelde, maakte zich van de beenderen meester en besloot er zijn

voordeel mede te doen; hij beweerde, dat hij ze in een graf van 30

voet lengte gevonden had, waarop geschreven stond Teutobochus Rex; hij

deelde verder mede, dat hij tevens een vijftigtal penningen ontdekt

had met de beeltenis van Marius. Al die verhalen maakte hij publiek

in eene brochure, die er op ingericht was, de nieuwsgierigheid van

het publiek te prikkelen, en hij liet zoowel in Parijs als op andere

plaatsen de beenderen van den reus voor geld zien. Gassendi toonde

aan, dat de zoogenaamde penningen nagemaakt waren; de beenderen,

die thans in het Museüm te Parijs geplaatst zijn, zijn, zooals de

vorm der tanden reeds op het eerste gezicht doet zien, beenderen van

eenen mastodon en niet van eenen olifant, zooals men gemeend had,

zoolang men geenen anderen gids bij het onderzoek had dan eene soort

inventaris van de stukken, aan het publiek vertoond, en enkele niet

zeer heldere opgaven in de geschriften der geneesheeren, die deelnamen

aan den strijd vóór of tegen de leugenachtige beweringen van Mazurier.

Dergelijke dwaasheden waren in de achttiende eeuw reeds niet meer

mogelijk; als men olifantsbeenderen vond, begreep men, dat het

olifantsbeenderen en geene menschenbeenderen waren; maar toch geloofde

men nog, dat zij ten tijde der Romeinen onder den grond begraven waren.

De mastodon, wiens verschijning uit de miocene periode dagteekent, is

de voorbode en waarschijnlijk de stamvader van den olifant. Gaudry

heeft op eene heldere wijze aangetoond, hoe de tanden van den

oudsten mastodon zich geleidelijk gewijzigd hebben tot die van onzen

tegenwoordigen olifant. Daaromtrent is geen twijfel meer mogelijk. _Men

ziet de soort zich langzamerhand vervormen van een volkomen omnivoor_

(allesetend) _type tot een even volkomen grasetend type._ Uit het

oogpunt van het verstand is er niet minder vooruitgang dan uit het

oogpunt van den bouw; onze lezers weten immers, dat de olifant één

der verstandigste en goedmoedigste dieren is.

Zooals wij zagen, zijn in de miocene periode alle orden der zoogdieren

vertegenwoordigd: dikhuidigen, verscheurende dieren, vleugelhandigen,

knaagdieren, snuitdieren, herkauwende dieren, insectenetende,

walvischachtige en vierhandige dieren. De merkwaardigste zijn, zooals

wij zagen, de dinotheriums en de mastodonten. Zij waren vergezeld

van een groot aantal andere bewoners der wouden, velden en oevers,

zooals het antracotherium, een dikhuidig dier met snijtanden en

scherpe kiezen gewapend, die ter verdediging konden dienen. De

tapirs en de rhinocerossen verschijnen met de eerste voorouders

der herkauwende dieren. Alleen in Griekenland, dat toen deel van een

uitgebreid vastland uitmaakte, heeft Gaudry 51 verschillende soorten te

voorschijn gebracht, waaronder wij, behalve de apen, waarover wij zoo

aanstonds zullen spreken, hipparions, antilopen, gazellen, giraffen,

wilde zwijnen, wilde katten, civetkatten, enz. kunnen noemen. Een

tandeloos dier met kromme klauwen heeft den naam van ankilotherium

gekregen. Een ander dier, dat half beer, half hond schijnt te zijn,

en ook eigenschappen met de kat gemeen heeft, heeft den naam van

simocyon gekregen. Eene soort van giraffe met niet bijzonder langen

hals is helladotherium genoemd. Twee herkauwende dieren, gelijkende

op onze geiten, heeten paleoceras en tragoceras. Bij al die dieren

der miocene periode moeten wij nog voegen de bevers, de marmotten en

een groot aantal steltvogels.

Wij hebben reeds vroeger (in het vorige hoofdstuk) de onderzoekingen

medegedeeld van Gaudry over de afstamming der apen uit de dikhuidigen

en het optreden der halfapen in die periode. Wat ook die oorsprong zij,

de voornaamste typen van _apen_ komen in de miocene periode voor: in de

formaties van dien tijd vindt men de gewone en de anthropomorphe apen.

De eerste fossiele aap, dien men heeft gevonden, is de semnopithecus

subhimalayanus, door Baker en Durand in 1836 in de bovenste

miocene formatie der Himalaya gevonden; hij had de grootte van eenen

oerang-oetan. Spoedig daarna hebben Falconner en Gautley uit dezelfde

lagen eene kleinere soort van semnopithecus opgedolven. Gervais heeft

te Montpellier enkele stukken gevonden, die hij eveneens toeschreef

aan eenen semnopithecus. Eene kaak van eenen makako is uit de pliocene

terreinen van Val-d'Arno opgedolven.

In de bruinkool van Elgg, in Zwitserland, heeft men eene goed bewaard

gebleven kaak van eenen aap gevonden, waarin de tanden nog aanwezig

waren; het was een aap, die tot de familie der catarrhinae, smalneuzen,

behoorde. Die kaak heeft bijzonder veel overeenkomst met eene andere

apenkaak bij Auch ontdekt door Lartet, en behoort tot dezelfde

soort. Gervais is van oordeel, dat het eene uitgestorven soort is,

de pliopithecus, terwijl Rütmeyer meent, dat het een Indiaansche

gibbon is; in ieder geval heeft hij de grootste overeenkomst met die

langarmige, staartlooze apen. Volgens Rütmeyer is die oorspronkelijke

gibbon één der voorouders van den siamang van Sumatra.

Gaudry heeft te Pikermi de overblijfselen bijeengezameld van 25

exemplaren van het geslacht mesopithecus; daaruit kan men zich een

denkbeeld vormen van zijn voorkomen en zijne levenswijze (fig. 293

en 294). Zijn gezichtshoek van 57° wijst op eenen aap, die tamelijk

ontwikkeld was; zijne tanden toonen aan, dat hij zich niet uitsluitend

met vruchten, maar ook met boomknoppen voedde. Uit de gelijkheid van

zijne vóór- en achterpooten kan men afleiden, dat hij veeleer liep

dan klom; hij leefde in kleine troepen vereenigd. De kennis van de

verschillende deelen van het geraamte van den mesopithecus leert ons,

dat die aap den overgang vormt tusschen twee thans nog levende soorten,

de semnopitheken en de gibbons; daarom heeft men ze ook mesopitheken

genoemd [51].

De ontdekking der anthropomorphe fossiele apen is men verschuldigd

aan Gaudry. In 1835 heeft hij bij Auch den pliopithecus gevonden,

die nauw aan den gibbon verwant is. Later heeft hij den dryopithecus

beschreven; men kent daarvan echter alleen de benedenkaak en het

sleutelbeen. "De dryopithecus," zegt de uitnemende geleerde, "was een

zeer ontwikkelde aap. Hij kwam in verschillende bijzonderheden met

den mensen overeen. Hij moet ongeveer even groot geweest zijn als

de mensen; zijne snijtanden waren klein; zijne achterkiezen hadden

knobbels, die minder rond waren dan die van de Europeesche rassen, maar

die geleken op de knobbels van de kiezen der Australiërs. Naast die

punten van overeenkomst is er een punt van verschil, dat ons treft,

zoodra wij de kaak van een mensch met die van eenen dryopithecus

vergelijkt: in de kaak van den mensch is de eerste achterkies sterker

dan bij den dryopithecus, de hoektand en de voorkiezen zijn echter

zwakker; dat verschil is van groot gewicht, want de verkorting der

voortanden staat in verband met het weinig vooruitsteken van het

gelaat, en is dus een bewijs voor de voortreffelijkheid van den mensch;

de mensch kenmerkt zich vooral door eene buitengewone ontwikkeling

van de beenderen, die de hersens, den zetel der gedachten, omgeven,

en eene zóó sterke vermindering der aangezichtsbeenderen, dat zij

niet meer eenen snuit, maar den gevel van het hoofd vormen."

Zoo wordt van stap tot stap de heerschappij van den mensch voorbereid.

DERDE HOOFDSTUK

De Pliocene Periode.

De derde en laatste periode van het tertiaire tijdperk heeft, zooals

wij zagen, den naam van pliocene periode gekregen. Hoewel nauw

genoeg verwant aan de tegenwoordige periode, om de opvatting van

enkele schrijvers te verklaren, die haar tot onze periode rekenen,

zoo heeft zij toch een eigenaardig karakter, dat tamelijk veel

verschilt van dat van onzen tijd. Wel verschilden de vormen der

zeeën en der landen weinig van die van thans, maar de bezinkingen

van dien tijd hellen thans op enkele plaatsen en zijn hoog opgeheven,

terwijl de dierenwereld, wier overblijfselen in die lagen bewaard zijn

gebleven, en die bestond vóór de afkoeling der noordelijke streken,

meer het einde van een ouder tijdperk, dan het begin van een nieuw

tijdperk aanwijst.

In het begin der pliocene periode heeft de gedaante der streken

aan de Middellandsche zee eene tijdelijke, doch tevens belangrijke

verandering ondergaan. De eerste lagen dier periode immers wijzen

meer op brakwater dan op zeewater. De Middellandsche zee stroomde

toen niet verder oostwaarts dan de meridiaan over Sardinië, en het

geheele oostelijke gedeelte dier zee had plaats gemaakt voor een

aantal binnenzeeën, aan wier oevers zich groote kudden grasetende

dieren bewogen. Maar weldra keert de zee daar weder terug en stroomt

zij door de Rhônevallei en de Povallei. In Frankrijk is de pliocene

zee voortgegaan tot aan de poorten van Lyon, in Italië tot aan de

Apennijnen; Rome, de heuvels van het Vaticaan en van de Monte-Mario

waren toen onder water. Men vindt tot onder het Vaticaan, de pliocene

schelpen, die dagteekenen van duizenden eeuwen herwaarts.

In diezelfde periode openbaren zich nog altijd de vulkanische

verschijnselen, die de miocene periode kenmerkten. Een betrekkelijk

zacht klimaat is oorzaak, dat Europa eenen plantengroei vertoont,

waar de typen der dichte bosschen van het noorden verbonden zijn

met die der Canarische eilanden en den Caucasus. Doch de temperatuur

daalt al meer en meer, terwijl tegelijkertijd de zee zich terugtrekt;

de plantenwereld wordt al armer en armer, om niet meer aan te winnen;

de gevoeligste soorten verhuizen naar het zuiden, en de palmen worden

alleen aangetroffen op plaatsen meer dan 10° ten zuiden van die,

waarin zij tijdens de miocene periode voorkwamen. Op het einde der

periode vindt men alleen die planten, die tegenwoordig nog gevonden

worden op plaatsen, eenige graden dichter bij den evenaar gelegen. Zij

leveren echter nog voldoende voedsel op voor de plantenetende dieren

van die periode.

Terwijl de miocene periode de bloeitijd was van de plantenwereld in

Europa, begint in de pliocene periode haar verval: de warmte vermindert

en de plantengroei verarmt voor altoos.

Onmerkbaar trekt de zee zich terug van de opgeheven Alpen, van

Zwitserland en van geheel Frankrijk. In de Rhônevallei trekt zij eerst

terug naar Valence, daarna naar Montélimart en naar Orange; evenals

de monding der Rhône vormen die der Po en van den Donau golven. De

landen nemen langzamerhand hunne tegenwoordige gedaante aan, en de

rivieren hunne tegenwoordige richting.

Gedurende het eerste gedeelte der pliocene periode hebben onder de

landdieren de plantenetende dieren zonder twijfel de overhand. De

miocene zeeën zijn opgedroogd, of liever zij zijn veranderd in groote

zoutwatermeren, waaromheen zich eene welige grasflora ontwikkelt. Op

die weiden loopen ontelbare kudden antilopen, herten, helladotheriums,

giraffen, palaeotragi, palaeorea's, waarvan men de fossielen gevonden

heeft in Griekenland, Zwitserland en Frankrijk. Daarbij komen nog

het hipparion, de mastodon en de mesopitheke aap.

In het algemeen nadert de natuur in die periode tot die van den

tegenwoordigen tijd. Wij zien in Frankrijk de palmen verdwijnen en

alleen de planten der gematigde luchtstreken overblijven, en dat

niet alleen de boomen, maar ook de heesters en bloemen. Nadat Europa

nog eenigen tijd de sequoia's en de bamboe's behouden heeft, komen

daarna alleen soorten voor, die verwant zijn aan die, welke daar thans

gevonden worden, maar die bestemd zijn, om in de volgende eeuwen naar

het zuiden terug te wijken. De pliocene flora getuigt reeds van een

kouder klimaat. De klimatologische verschillen tusschen het noorden

en het zuiden van Europa beginnen scherper uit te komen; zoo vond men

nog in de omstreken van Marseille eenen palmboom (Chamaerops humilis)

naast eenen eik (Quercus lusitanica), dien men nu nog slechts vindt

in het zuiden van Spanje, terwijl de ahorn, de populier, de noteboom

en de lork de overhand hadden in het midden van Frankrijk, en eenige

typen vertoonden, die thans gevonden worden in Algiers, in Portugal

of in Japan. Verscheidene plantensoorten van de Europeesche pliocene

periode komen thans voor in de groote wouden van Amerika.

Bij het dierenrijk neemt men eene groote ontwikkeling van de zoogdieren

waar; nieuwe mastodonten vervangen de oude, om spoedig voor altoos

te verdwijnen.

De mastodon, dien wij naar aanleiding van de vorige periode bestudeerd

hebben, leefde nog in de pliocene periode. Fig. 301 stelt een fossiel

geraamte voor van de soort, die in dien tijd leefde: den _mastodon

van Turijn_, die alleen de groote slagtanden op de bovenkaak had. De

mastodon, die in de miocene periode leefde, had, zooals wij vroeger

zagen, vier slagtanden.

De dinotheriums zijn uitgestorven; de olifanten zullen zich in nieuwe

soorten voortplanten (mammouth of elephas primigenius), die den duur

van het geslacht tot op onzen tijd zullen waarborgen; de nijlpaarden

en de rhinocerossen nemen toe, evenals de tapirs en de kameelen. Men

ziet ontzaglijke runderen optreden, die in de wouden in kudden leven;

herten met een groot gewei; beren, hipparions en paarden (kleiner

dan die van den tegenwoordigen tijd). Ook worden nieuwe apensoorten

geboren; doch de apen verlaten weldra Europa, dat te koud voor hen

geworden is, om in Afrika te gaan leven.

Op het nieuwe vasteland vindt men onder de merkwaardigste zoogdieren

dier periode het megatherium, te Buenos-Ayres ontdekt, tot de orde

der tandeloozen behoorende; dat dier was dom en traag in zijne

bewegingen, plantenetend en was 2 1/2 meter hoog; zijn geraamte

is bewaard gebleven in het Museüm te Madrid. Wij kunnen hier nog

bijvoegen zijnen tijdgenoot, den mylodon, die zich hoofdzakelijk

voedde met bladeren en knoppen van boomen. Deze was iets kleiner dan

het megatherium en had eveneens aan iederen poot groote nagels.--Doch

keeren wij tot de bewoners van Europa terug.

De groote snuitdieren hebben de overhand, vooral de elephas

meridionalis, die zelfs tot in Engeland gevonden wordt; op het einde

der pliocene periode verdwijnen de mastodonten uit Europa, om in

Amerika nog een tijdlang hun leven voort te zetten. De rhinocerossen

en de nijlpaarden hebben hunnen grootsten bloei bereikt, het hert en

het rund treden op: al die plantenetende dieren leveren het bewijs

voor den grooten overvloed aan plantaardig voedsel.

In de afdeeling voor paleontologie van het Museüm te Parijs kan men

het versteende geraamte zien van den elephas meridionalis, in 1872 te

Durfort (Gard) ontdekt; het dier is 4,10 meters hoog, en de grootste

breedte van den schedel bedraagt 1,65 meters.

In de pliocene periode wordt ook het grootste van alle herten geboren;

zijne beenderen zijn in Indië gevonden, in de streken, waar de God

Siva wordt aangebeden, vandaar de naam _sivatherium_.

Het sivatherium had de grootte van eenen olifant, en was het grootste

hert, dat ooit bestaan heeft. Het geleek op onzen tegenwoordigen eland,

maar was grooter en zwaarder. Zijn kop had vier horens, twee boven op

het voorhoofd, en twee grootere boven de oogen, iets wat bij geen enkel

ander dier voorkomt. Die vier horens, die wijd uit elkander stonden,

gaven aan het hert een bijzonder vreemd voorkomen.

De geologische geschiedenis der herkauwende dieren wijkt zeer af van

die der dikhuidigen. De laatste hebben in Europa geleefd in de eerste

helft der tertiaire periode, en men vindt daar nog slechts weinige van

over. De herkauwende dieren daarentegen hebben geheerscht in de tweede

helft der tertiaire periode, en nog thans is die orde in vollen bloei.

De oudste herkauwende dieren, die in Europa gevonden zijn, zijn

de xiphodon, de dichodon en de amphimeryx; de laatste zijn nog

slechts onvolledig bekend; de xiphodon kan met evenveel recht

onder de dikhuidigen als onder de herkauwende dieren gerangschikt

worden. In Amerika schijnen de herkauwende dieren zich vroeger te

hebben ontwikkeld dan in Europa; op het einde der eocene, of liever

in het begin der miocene periode hadden de meeste herkauwende dieren

nog enkele karaktertrekken van de dikhuidigen bewaard.

Indien wij zien, dat de herkauwende dieren zich tijdens de tertiaire

periode ontwikkeld hebben, naarmate de dikhuidigen afnamen, dan ligt

de meening voor de hand, dat zij _veranderde dikhuidigen_ kunnen

geweest zijn. Dit is trouwens ook de gevolgtrekking, waartoe Gaudry

gekomen is door de vergelijking der tanden, het is echter moeilijk

te beslissen, welke dikhuidigen als de stamvaders der herkauwende

dieren moeten beschouwd worden.

De langzame uitbreiding der plantenetende dieren, hetzij zoolgangers,

hetzij herkauwende dieren, is een opmerkelijk feit, en getuigt voor

de geleidelijke ontwikkeling der soorten. Daar de plantenetende

dieren groote kudden vormen, zoo wijst hun komst op de toenemende

vruchtbaarheid der natuur. Niet alleen door hun aantal, maar ook door

de vlugheid hunner bewegingen geven zij leven aan de velden. De

plantenetende dieren wijzen ook op eenen vooruitgang uit een

esthetisch oogpunt; de zoolgangers immers wedijveren in schoonheid

met de herkauwende dieren; verscheidene van deze, de zebra, de daw,

de conagga, hebben een prachtig kleed; enkele hebben eenen bijzonder

edelen gang, alle zijn slank en hebben edele vormen.

In dien tijd leefde ook het hipparion, waarschijnlijk de stamvader van

het paard, dat van het hipparion hierin verschilt, dat de emailplooien

der kiezen anders gevormd waren, terwijl het hipparion niet aan iederen

poot éénen hoef had, maar er drie bezat, waarvan twee onontwikkeld

waren. De verandering der vijf toonen in éénen enkelen was nog niet

volkomen. Indien men zijn geraamte beschouwt (fig. 303), dan vermoedt

men reeds in het hipparion den edelen gang van het paard.

Indien wij nu eene korte schets willen geven van de geheele

tertiaire periode, naar hetgeen de geologie en de paleontologie

ons geleerd hebben, dan moeten wij ons het vasteland als zeer

uitgestrekt voorstellen, en reeds door hooge, doch nog ver uit

elkander gelegen bergen opgehoogd. In Europa geleek het vasteland

op de vlakke of golvende streken van het binnenland van Afrika;

het was bezaaid met meren en moerassen, en droeg eenen weelderigen

plantengroei. Ontelbare kudden plantenetende dieren doorkruisten

die half onder water gelegen grasvlakten; die kudden waren even

talrijk en boden meer verscheidenheid aan dan de troepen olifanten,

zebra's en antilopen van centraal-Afrika De rhinocerossen, de tapirs,

verscheidene wilde zwijnen, antilopen, architheriums, op paarden

gelijkend, weidden in dezelfde streken als de paleotheriums, de

anthracotheriums, de helladotheriums, de sivatheriums, de mastodonten,

dieren, niet minder merkwaardig door de vreemdheid hunner vormen, dan

door die hunner namen. Talrijke roofdieren brachten hierin de noodige

afwisseling. Loopvogels, op den struisvogel gelijkend, doorliepen de

vlakten, groote hagedissen, verschillende slangen bewogen zich tusschen

de boomen in bosschen, die bewoond werden door eene bevolking van

verschillende apen, de voorboden van den mensch. Insecten en vogels van

alle mogelijke soorten doorkliefden de lucht. De meren en moerassen,

de woonplaatsen der krokodillen, verschaften ook het noodige voedsel

aan visschen, die overeenkwamen met die van onze rivieren. Langs de

oevers der zeeën bewogen zich zeekalven en zeekoeien; en de oceanen,

bevolkt door dolfijnen, walvisschen en potvisschen, werden door

ontzaglijke haaien geplunderd. Zoo gaat de natuur langzaam voort,

en nadert zij tot den tegenwoordigen toestand.

Misschien leefde toen, zooals wij weldra zullen zien, de mensch reeds

in wilden toestand, maar hij kende den weg naar Europa nog niet en

leefde te midden der bosschen van zuid-Azië, onbewust van zijne

bestemming en zijn eigen bestaan. Hij is op zijnen tijd geboren,

na de anthropoïde apen, den chimpansee, den orang-oetan en den gorilla.

Op het einde der periode is de temperatuur ongeveer dezelfde als thans;

de mastodonten, de tapirs, de apen worden niet meer in Europa, maar

in Afrika en in het zuiden van Azië gevonden.

De opgedolven fossielen leeren ons, dat er eene voortdurende harmonie

geweest is bij de gedaanteverwisseling der organische wereld. Welke

fossielen wij ook bestudeeren, steeds openbaart zich aan ons de

schoonheid der natuur.

Die schoonheid der natuur, die in alle tijdperken te voorschijn treedt,

is het geheim van de geestdrift, die alle natuuronderzoekers bezielt,

wier leven gewijd is aan paleontologische onderzoekingen, en wier

geest in die onderzoekingen eene altijd nieuwe bekoring vindt. Toen

Cuvier de viervoetige dieren uit de gipsgroeve van Parijs weêr in het

leven kon terugroepen, moet hij een ongekend genot gesmaakt hebben;

daar waar thans de stad der steden zich uitstrekt, dacht hij zich

de meren, waarin de anoplotheriums baadden; op de oevers dier meren,

met palmboomen omzoomd, zag hij paleotheriums van alle soorten, naast

choeropotami en dichobuni; de sierlijke xiphodon en de amphimeryx

liepen door de vlakten; verschillende kleinere dieren gaven daarbij

afwisseling aan de landschappen: het waren eekhorentjes, buidelratten,

vleermuizen en verschillende soorten van apen, voornamelijk de

anthropoïde apen. "Ik heb steeds," zoo zegt Gaudry, "de maanden,

die ik in de bergkloof van Pikermi heb doorgebracht, de viervoetige

dieren opdelvend, die eertijds de velden van Griekenland bevolkten,

tot de gelukkigste van mijn leven gerekend. Die dieren moeten inderdaad

een heerlijk schouwspel opgeleverd hebben; hier deden apen hunne kromme

sprongen, daar dwaalde het reusachtige ankylotherium, met zijne kromme

klauwen. De vlakten waren bezaaid met kudden hipparions en herkauwende

dieren; de horens dier dieren hadden de meest verschillende vormen;

eenige waren liervormig, andere deden denken aan de horens onzer

gazellen, nog andere aan die der geiten. Hoezeer verschilden wel die

dieren, wier gang zoo sierlijk was, van de logge rhinocerossen en de

wilde zwijnen! Wat ontzaglijke gestalten en welke verscheidenheid op

het schouwtooneel der wereld! De gedachte aan die reuzendieren van

Pikermi heeft mijnen geest dikwijls met ontzag vervuld; ik kan aan hen

niet denken zonder mij te verheffen tot den oneindigen Bouwmeester,

wiens werk zij zijn, en zonder hem te danken voor het voorrecht,

dat hij ons dat groote schouwspel heeft doen bijwonen, dat alleen

voor Hem scheen bestemd te zijn tot aan den dag, waarop de sluier is

weggetrokken, waaronder de paleontologie verborgen was.

"De heerlijkste dichtwerken zijn verborgen in onze aardschors. Hoevele

menschen, die dorsten naar het schoone, zouden het heerlijkste

genot smaken, als zij de geheimzinnige bron van het leven wilden

opzoeken! Hoevelen gaan voort langs wegen, waar zij smakelooze en

dikwijls wrange vruchten plukken, en die gelukkig zouden zijn, indien

zij de wonderen der natuur hielpen doorgronden! Tot die menschen zeg

ik: 'helpt ons, onze wetenschap is rijk genoeg, om niet alleen de

ziel van den wijsgeer, maar ook die van den kunstenaar te bekoren.'"

De Wereld vóór de schepping van den mensch · 第 32 / 40 段