oorspronkelijke Scandinavië; die zee is het vaderland van het
barnsteen, dat niets anders is dan het product der naaldboomen uit
de tertiaire periode.
Denemarken, Nederland en het noorden van België lagen onder water en
de zee strekte zich tot Keulen uit, doch de geologische formatie der
kusten van Bretagne en Engeland en de aard van den bodem maken het
waarschijnlijk, dat Frankrijk en Engeland met elkander in gemeenschap
stonden. Het is ook waarschijnlijk, dat de Britsche eilanden, zooals
wij reeds vroeger mededeelden, een klein gedeelte uitmaakten van
een groot vastland, dat zich over den Atlantischen Oceaan tot aan
Amerika uitstrekte.
De rijzing van de Alpen, die heeft plaats gehad na de molassezee, heeft
aan Europa haren tegenwoordigen vorm gegeven. Eenige honderden meters
verschil (dikwijls zelfs eenige tientallen) zijn voldoende, om de zee
op de plaats te brengen van het land, en omgekeerd. De formaties, die
wij geleidelijk hebben zien ontstaan, hebben herhaaldelijk rijzingen
en dalingen ondergaan, waardoor zij beurtelings boven en onder
water gekomen zijn. De opheffing der Alpen is dan ook de oorzaak
van het verschil in den vorm van Europa in de miocene periode en
thans. Naarmate de Alpen gerezen zijn, hebben zij de zee teruggedreven
naar hare tegenwoordige grenzen. In het westen is het vasteland,
dat waarschijnlijk een deel van den Atlantischen Oceaan innam, onder
de golven van den Oceaan gedaald, en is het Kanaal ontstaan, dat de
verbinding vormt tusschen de Noordzee en den Atlantischen Oceaan.
Wij zeiden reeds vroeger, dat de miocene formatie in drie lagen kan
worden verdeeld: de onderste of langhische is eene zoetwatervorming
en is ontstaan vóór den inval der molassezee. De middelste of
Helvetische laag omvat de zeevorming van het schelpzand van Touraine
en de Zwitsersche molasse. In de bovenste of Tortonische laag vindt
men de lagen, die gelijktijdig ontstaan zijn met de klei van Tortone
in Italië, en vooral het meerendeel der bezinkingen van het bekken
van Weenen.
In het begin der miocene periode is Parijs door eene groote zee
bedekt, die uit het noord-oosten afkomstig was; het zand, daaruit
afgezet, is de zandsteen van Fontainebleau geworden; die zee, die om
Normandië stroomde, komt niet verder dan het zuiden van Engeland; in
het noordoosten bedekt zij nog een groot gedeelte van België, doch
weldra trekt zich die zee weder terug en ontstaat daar een groot,
zich ver naar het zuiden uitstrekkend meer, waarin zich de kalksteen
van Beauce afzet.
Het is merkwaardig, om den zandsteen van Fontainebleau op den top dier
heuvels te beschouwen. Men zou meenen, dat de zee eerst sedert gisteren
is teruggetrokken. De zandsteen ligt tusschen twee zoetwatervormingen,
de kalksteen van Beauce er boven, die van Brie er onder.
Daarna heeft het zoetwater in de middelste miocene periode het
zand van Orleans afgezet, waarin onder het tegenwoordige bosch van
Orleans de dinotheriums en mastodonten bewaard zijn gebleven. Later
is de zee teruggekeerd naar het westen van Parijs, en heeft zij het
aanzijn gegeven aan het schelpzand van Touraine, Anjou, Bretagne,
Cotentin en Bordeaux. Dat schelpzand is eene zeevorming, bestaande
uit gebroken schelpen, poliepen, mosdieren, vermengd met meer of
minder grof kiezelhoudend zand. Dezelfde bezinksels heeft de zee
toen achtergelaten in de golf van Aquitanië, bij Bordeaux en in de
Rhônevallei. In Provence en Dauphiné heeft zij kalksteen afgezet.
In dienzelfden tijd heeft de zee bijna geheel Zwitserland overstroomd,
boven de Alpen, die nog niet geheel opgeheven waren. De naam van
molasse is gegeven aan de formaties, voornamelijk zandsteen, die op
den bodem der Helvetische zee gevormd zijn. Men kan bijna zeggen,
dat de naam middelste "miocene formatie" dezelfde beteekenis heeft als
"molasse."
De bezinksels uit dien tijd zijn zeer aanzienlijk en verheffen
zich thans aan den Alpenrand tot tamelijk hooge bergen, zooals de
Speer (2000 meters) en de Rigi (1800 meters). In het noorden is de
molasse-formatie niet zoo hoog; men kan daaruit besluiten, dat het
water in die richting afstroomde, en stroomen en beken vormde.
De voornaamste gesteenten, die zich in die periode afzetten, zijn
zandsteen, mergel, kalksteen, en nagelfluh. (Nagelfluh bestaat uit
ronde keisteenen van alle grootten, met elkander verbonden door
zandhoudend mergel of zandsteen).
Terwijl de kalksteen eene belangrijke rol speelt in de Jura-
en krijtformaties, is hare beteekenis in de molasseformatie zeer
onbeduidend. De omstandigheden, waaronder die geweldige kalkmassa's
gevormd zijn, zijn in die nieuwe periode geheel gewijzigd; wij vinden
die duizenden kleine werklieden in de zee niet meer terug, die zonder
oponthoud arbeidden aan den opbouw der aardschors. Men vindt zeer
dikwijls bruinkool in de molasse-formatie.
Het terugwijken der molassezee heeft zich in het zuidoosten van
Frankrijk gekenmerkt door de grootste geologische gebeurtenis, waarvan
die streek ooit het tooneel is geweest: de beslissende vorming der
Alpen dagteekent van dat tijdperk. Die hooge bergen hebben hunnen
tegenwoordigen vorm gekregen ten gevolge van bewegingen, die hebben
plaats gegrepen na de bezinking der molasse. Gedurende de bovenste
miocene periode rijst noordelijk-Europa langzaam.
Door eene bepaalde streek te bestudeeren, die bijzonder rijk is aan
plantaardige fossielen en aan dieren, aan die periode eigen, namelijk
het gebied van Oeningen in Zwitserland bij het meer van Constanz,
heeft Oswald Heer reeds langen tijd geleden het geheele leven dier oude
eeuwen op uitstekende wijze weder opgeroepen. Hij heeft voornamelijk
sequoia's, cipressen, grassen (o.a. rijst en gierst), riet, het
grootste gedeelte van onze struiken, acht verschillende soorten van
populieren, eene soort van abeel, haagbeuken, noteboomen, eiken, olmen,
17 soorten van vijgeboomen, 25 soorten van laurierboomen, kamferboomen,
esschen, lianen, ranonkels, meelbloemen, _wijnstokken_, magnolia's,
mirthen, linden, acacia's, mimoseën, ahornen, hazelaars, hulsten,
kerseboomen, pruimeboomen en amandelboomen teruggevonden. Pere-
of appelboomen uit dien tijd zijn tot nog toe niet bekend.
Als karakteristieke planten hebben wij op blz. 535 het merkwaardige
landschap van Lausanne uit de miocene periode weergegeven, dat de
bekende Zwitsersche natuuronderzoeker vervaardigd heeft. Men ziet daar
bij elkander: palmboomen, acacia's, eiken, haagbeuken, noteboomen,
pijnboomen en hulsten. Rhinocerossen, tapirs en krokodillen worden
gelokt door het frissche water. Het klimaat der Zwitsersche valleien en
van centraal-Frankrijk was toen dat van Louisiana of van Noord-Afrika
(20° tot 21° gemiddeld) in de oudste miocene periode, en dat van
Madera, Malaga, Sicilië (18° tot 19°) in de jongste miocene periode.
Het gezamenlijk voorkomen van tropische planten en die van de
gematigde streken wijst op zachte winters en niet te warme zomers:
een zeeklimaat. De gevonden planten bewijzen, dat de temperatuur in
het noorden in dien tijd afnemende was. Op Spitzbergen is zij reeds
tot 8° gedaald, en hetzelfde is ook het geval op Groenland, waar men
magnolia's, sequoia's, populieren, kastanjes, eiken en zelfs den
_wijnstok_ gevonden heeft. Thans is de gemiddelde jaartemperatuur
dier streken 7° tot 8° onder nul. De boomen, die in de gematigde
luchtstreken voorkomen, dennen, eiken, populieren enz., dalen in
die periode van het noorden naar zuidelijker gelegen streken af,
en beginnen met over te komen, op de bergen, waar de temperatuur
lager is. De palmen worden alleen gevonden in de vlakte en de
valleien. Verschillen in klimaat en afwisseling van jaargetijden
worden merkbaar. De gevonden insecten leggen dezelfde getuigenis af.
In de vroegere tijden, even als thans, maken de insecten het grootste
deel uit van het dierenrijk. Niettegenstaande hunne kleinheid en de
zwakheid van hunnen bouw, is er een zóó groot aantal soorten tot ons
gekomen, dat er geen twijfel daaromtrent kan bestaan. Oswald Heer
heeft 876 fossiele soorten uit die periode verzameld. Die insecten
worden aldus verdeeld: 543 schildvleugeligen, 20 rechtvleugeligen,
29 netvleugeligen, 81 vliesvleugeligen, 3 schubvleugeligen,
64 tweevleugeligen en 136 halfvleugeligen. Het talrijkst zijn
dus de schildvleugeligen; daarop volgen de halfvleugeligen, de
vliesvleugeligen, de tweevleugeligen en de netvleugeligen. De
schubvleugeligen zijn het slechtst vertegenwoordigd. Onder de
vliesvleugeligen komen, evenals thans ook het geval is, het meest
mieren, onder de tweevleugeligen, muggen voor.
Fig. 290 doet ons eene merkwaardige verzameling van die insecten uit de
miocene periode zien. Men merkt voornamelijk de schildvleugeligen op,
waaronder verscheidene vormen van lievenheersbeestjes en een groot
aantal insecten; die men nog thans op velden en weiden vindt. Men
ziet beneden verscheidene soorten van vliesvleugeligen, die in het
water van het meer van Oeningen gevallen zijn en op den bodem van
het meer versteend zijn; men vindt daaronder bijen, hommels, wespen
en mieren. Vlinders komen zeldzamer voor; toch vindt men er enkele
onder. Het zijn de laatstgevormde insecten en de meest volkomene.
De insecten verhalen de korte geschiedenis van het leven op aarde;
hunne gedaanteverwisselingen herinneren aan de opvolging der eeuwen;
de vlinder is de tijdgenoot der bloemen, terwijl de rups door hare
wapenen en haar geheel voorkomen aan de primaire en secundaire periode
herinnert; de gedaanteverwisseling, die thans in enkele maanden
plaats heeft, vertegenwoordigt eene periode van millioenen jaren. De
oorspronkelijke soorten zijn bijna onveranderd gebleven. De krekel en
de kakkerlak der steenkoolperiode hebben de veranderingen der aarde
overleefd en hebben daarbij hunne gewoonten en levenswijze behouden;
wij vinden ze thans verscholen bij de bakkersovens of bij de fornuizen
der oude keukens, zich warmend evenals ten tijde der steenkoolperiode
en het tegenwoordige meel verslindend, zooals eertijds het meel der
cycadeën en der paardestaarten. Zij zoeken de warmte op en vermijden
het licht, zeker niet wetend, dat de wereld veel veranderd is sedert
den tijd dat zij in de oorspronkelijke bosschen huisden.
In het gegons der insecten herkennen wij de echo der vervlogen
eeuwen. Er waren toen nog geen vogels en nog geen gezang; de
vleugels der krekels en der sprinkhanen, het gegons der insecten in de
bosschen en de velden na eenen warmen zomerdag, doen in de zoele lucht
onduidelijke klanken hooren, die ons verhalen van die oorspronkelijke
tijden. De avondschemering herinnert hun de periode van schemering,
waarin zij het aanzijn ontvangen hebben.
Wij hebben onze kennis der fossiele insecten te danken aan
de onderzoekingen van Brongniart, Grand'Eury, Fayol en Oswald
Heer. Vóórdat wij afscheid nemen van de fossielen van Oeningen,
moeten wij nog mededeelen, hoe die uit een geologisch oogpunt zoo
merkwaardige plaats, die zoo rijk was aan alle soorten van fossielen,
insecten, visschen, kruipende dieren enz. reeds in de vorige eeuw de
natuuronderzoekers had verbaasd door eene vreemde ontdekking.
Men vond daar in 1725 die beroemde versteening, die de geleerde
wereld eene halve eeuw lang in beroering bracht, en waarin de
natuuronderzoeker Scheuchzer eenen fossielen mensch meende te
herkennen, dien hij den naam gaf van _homo diluvii testis_, "mensch,
getuige van den zondvloed". Inderdaad was het niets anders dan
het geraamte van eenen slecht bewaard gebleven kikvorsch of liever
van eenen salamander, 1,26 meters lang. Het hoofd, de wervelkolom,
de armen, de beenen, waren in de oogen van de natuuronderzoekers uit
die dagen, deelen van een menschelijk geraamte. Langen tijd bracht die
_praeadamiet_ de wereld in beweging, doch, hoewel men tot bewijs van de
juistheid der ontdekking zich beriep op de ontdekking van werkelijk
versteende geraamten van menschen aan de kusten van Guadeloupe,
leerde men door de vorderingen, in de vergelijkende ontleedkunde
gemaakt, eindelijk den waren aard der versteening kennen. Men zag,
dat de te Oeningen gevonden brokstukken behoord hadden aan eenen
reuzensalamander, en men werd hierin bevestigd door het vinden van
volledige geraamten dier voorwereldlijke dieren aan de oevers van den
Rijn en in Japan. Bovendien bleek het, dat de "fossiele menschen"
van Guadeloupe niets anders waren dan lijken, die door het water,
dat door de dunne laag aarde van een door Europeanen na de ontdekking
van Amerika aangelegd kerkhof, met eene soort kalkhoudende tufaarde
omgeven waren.
Scheuchzer had over dien praeadamiet eene uitgebreide verhandeling
geschreven. Die verhandeling bevatte eene houtsnede van den mensch,
getuige van den zondvloed. Hij kwam in een ander werk, _Physica
sacra_ op dit onderwerp terug. Hij schrijft: "zeker is het, dat die
steen bijna de helft van het geraamte van eenen mensch bevat; dat de
beenderstof zelfs, en wat nog meer zegt, het vleesch en nog zachtere
deelen dan het vleesch, in den steen aanwezig zijn; in één woord,
dat het één der zeldzaamste overblijfselen is, die wij nog hebben
van het vervloekte ras, dat onder het water bedolven werd. De figuur
vertoont ons den omtrek van het voorhoofdsbeen en de oogholten, die
enkele groote zenuwen doorlaten. Men vindt er overblijfselen van de
hersenen, van het hoofdwigbeen, van de kaken, en sporen van den lever."
Hoe het mogelijk is, dat genoemde natuuronderzoeker in dit geraamte een
mensch heeft kunnen zien, blijft een raadsel (zie fig. 291). Cuvier
zeide reeds: "Neem een geraamte van eenen salamander en leg het,
zonder u te laten in de war brengen door het verschil in grootte,
naast de versteening, hetgeen gemakkelijk is, indien men eene
teekening van eenen salamander op de natuurlijke grootte vergelijkt
met de teekening der versteening op 1/6 der ware grootte, en alles
wordt u duidelijk. Indien men over de versteening mocht beschikken,
dan zou men zeker in de wervels, in de kaken, in de sporen van zeer
kleine tanden en zelfs in het doolhof van het oor nog een aantal
nieuwe bewijzen daarvan vinden."
De groote natuuronderzoeker had de voldoening, zelf het onderzoek
te mogen doen, waarvan hij in het bovenstaande sprak. Toen hij te
Haarlem was, vroeg hij den bestuurder van het Museüm, om den steen
te mogen uithollen, die den zoogenaamden fossielen mensch bevatte. De
bewerking had plaats in tegenwoordigheid van den bestuurder en eenen
anderen natuuronderzoeker. Eene teekening van het geraamte van eenen
salamander was door Cuvier naast het fossiele voorwerp geplaatst. Hij
had de voldoening, dat naarmate het geraamte meer werd blootgelegd,
de juistheid zijner onderstelling meer en meer werd bevestigd.
Zoo geraakte de salamander van Oeningen, die een oogenblik veranderd
was in een fossiel mensch, weder in vergetelheid, zooals dit het geval
geweest is met een aantal dergelijke ontdekkingen, hetzelfde onderwerp
betreffende. De werkelijke overblijfselen van eenen fossielen mensch
zijn eerst in onze eeuw gevonden, zooals wij later zullen zien.
In diezelfde miocene periode heeft de vogel, niet meer de
reptiele, maar de werkelijke vogel, voor goed bezit genomen van
den dampkring. Het is nu niet meer de archeopteryx alleen, die in de
cycadeënbosschen fladderde, zonder zich van de moerassen te verwijderen
of de toppen van bergen op te zoeken, die nog niet bestonden. Er
ontstaan uitgestrekte vastelanden, met elkander door landengten
verbonden. Wie anders dan de vogel zal ze het eerst bezoeken? Hij
bezit doordringende oogen, om verre streken te ontdekken, en die
verre streken nemen meer en meer toe en de aarde breidt zich uit en
het vasteland ontwikkelt zich, naarmate hij vooruitgaat. Hij moet
dus, in de plaats van den strammen vleugel van eenen archeopteryx,
eenen onvermoeibaren vleugel verkrijgen.
Zoo is het vliegvermogen het uitvloeisel van den nieuwen vorm der
aarde. In de Juraperiode was de vogel een gevangene. Hij kon zijne
krachten en zijn instinct niet ontwikkelen, en daarom was zijn
vleugel niets anders dan een arm, waarmede hij zich meer ophield,
dan dat hij de lucht er mede doorkliefde. De tertiaire wereld
ontrolt zich voor hem, en zie, nu vervolgt hij den steeds wijkenden
gezichtseinder; zijn instinct is hem geopenbaard, hij vertrouwt zich
aan de uitgestrekte ruimte toe. Een nieuw type ontstaat tegelijk met
een nieuw heelal. Hoever zijn wij reeds verwijderd van het silurische
weekdier of het kruipende dier uit de Juraperiode!
De vogel! de levende poëzie! de vrije vlucht, de vleugel, de
vrijheid boven den beganen grond, het gezang, het nest, de liefde,
het ei! alles tegelijk.
De levende natuur was stom gebleven tot aan het einde der primaire
tijden. Bij het geraas van de golven, van den wind in de bladeren, den
bliksem en het onweder, de orkanen en de stormen, waren de weekdieren,
de visschen, de schaaldieren stom gebleven. De insecten begonnen
te gonzen, de krekels klepten met hunne vleugels, de kikvorschen
kwaakten, de eerste zoogdieren brulden, de reuzenhagedissen loeiden
of schreeuwden. Maar nog geen enkel wezen had gezongen.
Doch daar verschijnt de vogel, de blauwe hemel, de bloem. De aarde
volmaakt zich. Spoedig kan de menschheid geboren worden.
Liefelijke vogel, zinnebeeld van den vooruitgang, welkom op
aarde! Beter dan alle vorige wezens openbaart gij ons de algemeene wet
der schepping; van u leeren wij meer dan van de geheele geschiedenis
der menschheid. Gij leert ons, dat in de goddelijke natuur alles
streeft naar het schoone, naar harmonie, naar licht. Rustelooze bouw
van het nest, duistere en heerlijke gewaarwordingen van den broeienden
vogel, geboorte en opvoeding der jongen: is dat niet een beeld van
de ontwikkeling der menschheid?
In de miocene periode zijn de vogels zeer talrijk. In de fossiele
formaties van het departement l'Allier heeft Milne-Edwards meer dan
70 verschillende soorten van vogels gevonden, tot zeer verschillende
groepen behoorend, zooals pelikanen, kraanvogels, marabu's, lepelaars,
ibissen, zwaluwen, papegaaien, enz.; die vogels wijzen op een warmer
klimaat dan het onze: het midden van Frankrijk moest dus hetzelfde
klimaat hebben als thans centraal-Afrika.
De vooruitgang openbaart zich in alle afdeelingen van het
dierenrijk. Wij hebben reeds in het vorige hoofdstuk gezien, dat
de _dikhuidigen_, lophiodons, paleotheriums, anoplotheriums, naar
alle waarschijnlijkheid zijn voortgekomen uit de _buideldieren_,
en wel in het begin der eocene periode. Zoo hebben de dikhuidigen
waarschijnlijk weder het aanzien geschonken aan de _herkauwende_
en de _verscheurende_ dieren.
De paleontologie wijst ons, zooals wij zagen, op fossiele soorten,
die de voorouders kunnen zijn van sommige tegenwoordige verscheurende
dieren; ook begint zij ons schakels te vertoonen, die soorten
vereenigen, welke thans van elkander gescheiden liggen. Niet alle
dieren, die men onder den naam van verscheurende dieren bijeenvoegt,
hebben dezelfde voedingswijze: de leeuw eet versch vleesch, de
hyena lijken, terwijl enkele beren evenzoo omnivoor zijn als de
zwijnen. Hiermede hangen belangrijke verschillen in den vorm der
tanden samen; naarmate de voeding van het dier meer tot die der
verscheurende dieren behoort, zijn zijne tanden scherper en de
hoektanden grooter; indien zijne levenswijze met die der omnivoren
overeenkomt, dan krijgen de knobbelkiezen de overhand. Zoo komen ook
de ledematen der verschillende dieren overeen met hunne levenswijze;
de beer, die weinig loopt en in de boomen klimt, kan niet dezelfde
ledematen hebben als de hond; de klauwen, waarmede de hond zijne
prooi verscheurt, kunnen niet gevormd zijn als die van de hyena. De
roofdieren worden dan ook in zes families verdeeld:
Beerachtige roofdieren,
Marterachtige roofdieren,
Hondachtige roofdieren,
Hyena's,
Civetkatten,
Katachtige roofdieren.
Tusschen de verschillende families bestaan talrijke punten van
overeenkomst. Niettegenstaande het groote verschil tusschen den hond
en den beer kent men fossiele roofdieren, die weer het denkbeeld van
verwantschap tusschen die dieren opwekken. Zoo b.v. de amphicyon: dat
viervoetige dier, dat één der meest eigenaardige fossielen is van het
midden der tertiaire periode, behoort zeker, zooals de naam aanwijst,
tot de honden; dit is zelfs zóó waar, dat de paleontologen dikwijls
moeite hebben, om de overblijfselen van den amphicyon te onderscheiden
van die der honden. Toch was de amphicyon een zoolganger en misschien
een klimmend dier, evenals de beren, terwijl de honden teengangers
zijn en niet klimmen.
Er is eene fossiele soort, waarbij de verwantschap met de beren nog
duidelijker uitkomt dan bij den amphicyon; wij bedoelen den hyaenarctos
[49], die in de middelste miocene formatie gevonden is.
De hyena's verschillen tegenwoordig veel van de civetkatten, doch
dit is niet altijd het geval geweest; door het onderzoek der tanden
leert ons de paleontologie den overgang kennen tusschen de hyena's
en de civetkatten.
De roofdieren der tegenwoordige tijden zijn door talrijke schakels
aan die van vroeger verbonden; maar evenals vele grasetende dieren
uitgestorven zijn en niet tot ons zijn gekomen, evenzoo is het ook
zeker, dat enkele roofdieren alleen geleefd hebben in de geologische
tijden en gestorven zijn, zonder kroost achter te laten. Gaudry geeft
als voorbeeld den machoerodus [50]. Zooals de naam reeds aanduidt,
bezat dat dier lange scheurkiezen, zoo scherp als het lemmet van een
mes, waarmede het repen kon trekken uit de dikke huid der dikhuidige
dieren; geen enkel dier van onzen tijd schijnt van dit roofdier af
te stammen.
Wij hebben reeds opgemerkt, dat de zoogdieren in diezelfde
miocene periode hunne grootste ontwikkeling schijnen verkregen te
hebben. Sedert de langhische periode ziet men bij de placentaire
landdieren de laatste karaktertrekken verdwijnen, die hen nog met de
buideldieren verbonden. De snuitdieren verschijnen naast den mastodon
en het dinotherium, die wij beide kunnen beschouwen als de voorboden
der olifanten, waarmede zij trouwens talrijke aanrakingspunten
vertoonen.
Het dinotherium is het grootste van alle ooit bestaan hebbende
landzoogdieren. Langen tijd bezat men van dat dier slechts onvolledige
overblijfselen, daardoor kwam Cuvier er ten onrechte toe, om het
onder de tapirs te rangschikken. De ontdekking van eene bijna
volledige benedenkaak, gewapend met eenen naar beneden gerichten
slagtand, bewees, dat dit geheimzinnige wezen het type was eener
nieuwe en tevens hoogst merkwaardige soort. Doch daar men dieren der
oude wereld kende, wier boven- en benedenkaak beide van slagtanden
voorzien waren, meende men een' tijd lang, dat ditzelfde ook bij het
dinotherium wel het geval kon wezen. Doch in 1836 werd bij Eppelsheim
(Hessen-Darmstadt) een bijna volledige schedel gevonden met enkel
slagtanden op de benedenkaak. Naar de gevonden ledematen te oordeelen,
moet het dier groote gelijkenis gehad hebben met den mastodon.
De mastodon is het eerst in de vorige eeuw in Amerika ontdekt,
en Buffon gaf het dier den naam van _olifant van den Ohio_. Cuvier
noemde hem _mastodon_.
De mastodon der miocene periode had vier slagtanden, waarvan de
kortste aan de benedenkaak geplaatst waren.