Doch het zijn niet alleen de soorten van eenzelfde geslacht, die

de sporen van verwantschap dragen. "Als ik zie, zegt Gaudry, dat

het paard op het hipparion gevolgd is, de olifant op den mastodon,

de rhinoceros op het paleotherium, de tapir op den lophiodon,

de otter op den lutrictis, de hyena op het ictitherium, de hond

op den amphicyon, de semnopithecus op den mesopithecus enz., dan

geloof ik, dat die geslachten door nauwe banden verbonden zijn,

want hunne punten van overeenkomst hebben verreweg de overhand boven

hunne punten van verschil. Indien ik geloof aan de verwantschap van

dieren, tot verschillende geslachten behoorende, dan geloof ik ook

aan de verwantschap van dieren uit verschillende orden; ik zie immers

herkauwende en eenhoevige dieren in de plaats treden van dikhuidige

dieren, die zóó dicht daartoe naderen, dat niemand de grens kan

aanwijzen tusschen de dikhuidige, de éénhoevige en de herkauwende

dieren. Het komt mij dus voor, dat de paleontologen gerechtigd zijn

tot de meening, dat zij talrijke punten van verwantschap ontdekt

hebben tusschen de tegenwoordige dieren en de zoogdieren, die hun in

de geologische tijden zijn voorafgegaan."

"Naarmate ik mijne waarnemingen verder heb uitgebreid, zegt de

uitnemende natuuronderzoeker verder, ben ik bevestigd in de meening,

dat de wezens niet afzonderlijk op aarde verschenen zijn, zonder eenig

verband; ik geloof, dat in de schijnbare verscheidenheid der natuur

een plan bestaat, waarin de oneindige Schepper den stempel zijner

éénheid gedrukt heeft. Vandaar, dat het denkbeeld, om iets van dat

plan te ontdekken, mijne schreden op het gebied der paleontologie

gericht heeft."

Die natuurwet wordt meer en meer bevestigd, naarmate wij in onze

kennis van de geschiedenis der aarde vooruitgaan. Naarmate zich de

omgeving wijzigt, wijzigen zich tegelijkertijd de levende soorten.

De nieuwe dieren der eocene periode kruipen niet meer, zij loopen en

springen en blijven niet in de modder van een moeras stil zitten. Zij

zijn meesters der aarde en kennen haar, want zij dwalen ver weg,

tot kudden vereenigd.

Sommigen klauteren in de boomen en knagen van de vruchten, die de

tertiaire flora voor hen heeft doen rijpen; anderen springen van rots

op rots tot den top der juist boven water verrezen bergen; bijna allen

hebben de schubbige wapenrusting der kruipende dieren afgelegd. Het

zijn dikhuidige zoogdieren, wier huid met haren bedekt is. Geen enkele

hinderpaal houdt hen tegen; als eene streek uitgeput is, gaan zij

verder. Het zijn het anoplotherium, de xiphodon, het paleotherium.

Er zijn er reeds, die in de aarde wroeten met hunnen grooten snuit;

anderen ontwortelen de heesters met hunne lange ivoren tanden. De

meesten, zooals het anoplotherium, zijn geheel zonder wapenen. Zonder

verdedigingsmiddelen zijn zij verschenen op de aarde, waar de oude

kruipende bevolking niets tegen hen vermocht. Hunne kracht zetelt in

de vier dunne pooten, die hen in één oogenblik ver weg kunnen dragen.

Elke nieuwe vorm der aarde spiegelt zich af in de zeden, de gewoonten,

het instinct en de gedaante der wezens: allen worden meer of minder

gewijzigd door die nieuwe verdeeling van land en water, door de

opheffing der bergen en de afkoeling op de hoogten; iedere nieuwe

vorm der aarde wordt afgedrukt in den vorm van ieder wezen.

Wij zullen daarvoor een nieuw bewijs leveren.

De Jurastreek en een groot gedeelte van de omgeving der centrale

bergvlakte van Frankrijk zijn op verscheidene plaatsen bedekt door

eene bijzondere formatie, die wegens den overvloed van korrelig

ijzererts den naam gekregen heeft van siderolithische formatie. Die

formatie dagteekent van de tweede helft der eocene periode. De lagen

phosphorzure kalk, die men in zoo groote menigte te Quercy vindt,

hebben in menig opzicht groote overeenkomst met de siderolithische

formatie, en schijnen even als deze grootendeels tot de laatste helft

der eocene periode te behooren. Die lagen bevatten een groot aantal

fossielen, vooral van zoogdieren.

Die phosphorlagen dan hebben een hoogst merkwaardig geslacht leeren

kennen als tusschenvorm tusschen de buideldieren en de placentaire

zoogdieren, het is een verscheurend dier, door Filhol _cynohyaenodon_,

door Gaudry _proviverra_ genoemd.

De schedelholte toont aan, dat de hersenhalfronden voorzien waren

van een aantal in de lengte gerangschikte windingen misschien vier in

getal, en dat de twee middelste een begin van kronkelingen vertoonden;

het achterhoofd was geheel bloot en zeer stevig.

De naam yan _thylacomorphus_, waaronder die schedel is ingeschreven,

toont aan, dat hij, volgens den geleerden directeur van het Museüm,

verwantschap had met de buideldieren.

Ook heeft men in de lagere tertiaire formatie een verscheurend dier

gevonden, dat tot een geheel ander type behoort, dan alle voorgaande:

zijne tanden zijn niet scherp en wijzen op de voeding der beren,

die tot de allesetende (omnivore) dieren behooren; dat dier is de

_arctocyon_ uit de zandsteenformatie van la Fère; het is het oudste van

alle tot nu toe bekende zoogdieren in de tertiaire formatie. Bekwame

paleontologen hebben gemeend, dat het dier tot de placentaire

zoogdieren behoorde; het is echter voornamelijk uit den vorm van den

schedel gebleken, dat het meer tot de buideldieren naderde.

Wij mogen ons dus afvragen, of de placentaire zoogdieren niet afstammen

van de buideldieren. Indien wij weten, dat de pterodon, de hyaenodon,

de paleonictis, de proviverra, de arctocyon geleefd hebben in het

tijdperk, waarop de buideldieren op het punt waren uit Europa te

verdwijnen, om plaats te maken voor de placentaire zoogdieren, en

wij zien, dat die verscheurende dieren tegelijkertijd karaktertrekken

gemeen hebben met de buideldieren en de placentaire zoogdieren, dan

mogen wij aannemen, dat zij inderdaad de afstammelingen zijn van de

buideldieren der secundaire periode.

Men vindt zelfs herinneringen aan den bouw der buideldieren bij dieren,

die het voorkomen hebben van ware placentaire dieren; zoo heeft de

amphicyon, die tot de familie der honden behoort, hetzelfde aantal

bovenachterkiezen als de buideldieren en zijn schouderblad gelijkt

meer op dat van die dieren dan op dat der honden. De cynodon is

verwant aan den hond en de civetkat.

Het ligt dus voor de hand, te besluiten, dat de tegenwoordige wezens

van die der oude tijden afstammen. De geschiedenis van een bepaald

tijdperk hangt samen met die van het voorafgaande tijdperk.

De eocene periode heeft de geboorte bijgewoond van de halfapen, wezens,

die vroeger door de natuuronderzoekers onder de apen gerangschikt

werden, maar die dien naam niet verdienen en veeleer tusschen de

handvleugeligen (vleermuizen) en de apen inliggen. Men zal zich

rekenschap geven van de punten van verschil tusschen de halfapen

en de apen, als men bedenkt, dat tot de eerste behooren de maki, de

lori, de galago, de tarsius (spookaap), de galeopithecus, (kataap)

terwijl tot de tweede behooren de sajou, de baviaan, de makaki, de

groene meerkat, de hulman, de gibbon, de orang-oetan, de chimpansee

en de gorilla. Het onderscheid is bijzonder groot, de vierhandigen

omvatten dus twee duidelijk van elkander te onderscheiden groepen:

de halfapen en de apen.

Rüttmeyer is de eerste, die eenen fossielen halfaap gevonden heeft. De

geleerde Bazelsche hoogleeraar vond onder de eocene fossielen, in de

siderolithische formatie van Egerkingen bij Solothurn een stuk van

eene kaak, die slechts drie kiezen bevatte; daarin wist hij eenen

halfaap te herkennen, dien hij den naam gaf van _coenopithecus_.

In 1873 vond Delfortrie in de phosphor-lagen eenen bijna volledigen

kop van eenen oorspronkelijken halfaap, dien hij den naam gaf van

_palaeolemur_.

Na dien tijd vond Filhol in diezelfde formatie den kop van eene

tweede soort van datzelfde geslacht, die zich door zijne grootere

afmetingen en vooral door zijnen gerekten vorm onderscheidde. Dezelfde

natuuronderzoeker heeft nog eenen kleinen halfaap, door hem

_necrolemur_ genaamd, leeren kennen.

Gaudry leidt uit het onderzoek der halfapen, die in de phosphorzure

kalk gevonden zijn, af, dat zij eenen gemeenschappelijken

oorsprong met de eocene dikhuidige dieren kunnen gehad hebben. De

waarschijnlijkheid van die meening neemt toe, nu Milne-Edwards en

Grandidier in hun werk over de zoogdieren van Madagascar bewezen

hebben, hoe groote overeenkomst er bestaat tusschen de halfapen en de

veelhoevige dieren. Om aan te toonen, dat verscheidene der halfapen

karaktertrekken gehad hebben tusschen de tegenwoordige halfapen en

de eocene dikhuidigen, behoeven wij slechts de omstandigheden hunner

ontdekking te vermelden. Toen Delfortrie den schedel van den door

hem ontdekten halfaap bestudeerd had, zond hij dien naar Gaudry met

verscheidene andere fragmenten, die in de phosphorzure kalk gevonden

waren. Onder die monsters was ook eene kaak, die hem herinnerde aan

een stuk uit de gipsgroeven van Parijs, waarvan de indeeling hem veel

moeite gekost had, en dat geleek op eene kaak door Gervais onder den

naam van aphelotherium beschreven, maar waarvan het moeilijk was te

zeggen, tot welke groep zij moest worden gerekend. De vergelijking

van zoodanige kaken met de stukken, door Delfortrie ontdekt en met

die van de levende halfapen, overtuigde hem, dat de monsters van

den geleerden natuuronderzoeker en de kaken van het aphelotherium

tot dezelfde halfapen behoorden. Tevens herinnerde hij zich, dat

in de bovenste eocene formatie een fossiel voorkwam, waarvan de

rangschikking even lastig was als van het aphelotherium: de adapis

parisiensis, en kwam hij tot de gevolgtrekking, dat ook deze tot

diezelfde soort van halfapen behoort. Is dit het geval, dan is het

bewezen, dat de halfapen voorheen niet zoover van de dikhuidigen

verwijderd waren als thans: Cuvier toch rangschikt den adapis onder

de dikhuidigen. Gervais heeft voorloopig het aphelotherium naast de

dikhuidigen gerangschikt. Dat er eertijds trekken van overeenkomst

bestaan hebben tusschen de halfapen en de dikhuidigen, mag dus worden

aangenomen, niettegenstaande het ontdekte materiaal nog niet bijzonder

rijk is. Gaudry is na het onderzoek der gevonden kaken van meening,

dat ook de apen van de dikhuidigen kunnen afstammen.

Zooals men ziet, zijn de halfapen naar de ontwikkeling van het

organische leven sedert het begin der aarde, juist op hunnen tijd

gekomen, en wel in de eocene periode; wij zullen de ware apen in de

volgende periode zien verschijnen. Fig. 286 geeft ons eene teekening

van eenen halfaap, den galeopithecus, (kataap), die nauw verwant

is met de vleugelhandigen. Het merkwaardigste van dit halfslachtige

wezen is het vleugelvormig vlies, dat als valscherm dienst doet en

dat het dier in staat stelt, niet om te vliegen als de vleermuis

(evenzoo een nauw verwant zoogdier), maar om zich in de lucht in

evenwicht te houden. Misschien is het jammer, dat de mensch niet van

den galeopithecus afstamt. Door de ontwikkeling der organen en der

levensverrichtingen zou hij dan ongetwijfeld hebben kunnen vliegen.

Het einde der eocene periode, ook wel bekend onder den naam van

oligocene periode, heeft eerst de voornaamste opheffing der Pyreneën

en later die van de voornaamste Alpen medegemaakt. De gedaante der

aarde wijzigt zich dus in die periode zeer. Reeds vroeger merkten

wij op, dat de zee, uit het noorden komende, zich over een deel van

Frankrijk, en over de Rijnvallei tot aan Bazel heeft uitgebreid,

en dat in de zuidelijke streken daarentegen de zee in zuidelijke

richting terugweek. Onder den invloed dier noordelijke zee wordt het

klimaat van Europa meer effen en gematigd.

Daarna wijkt de zee naar het noorden terug en wordt bijna geheel Europa

vastland. Het is het tijdperk der groote meren, zoowel in Frankrijk

als in Zwitserland, verscheidene deelen van Duitschland, Oostenrijk,

Italië en Griekenland. Tegelijkertijd vindt men in Noord-Duitschland

de veenachtige lagunen, waarin de bruinkool gevormd wordt. De

uitbreiding der meren en de overvloed der zoetwaterbezinkingen,

zoowel als de rijkdom der plantenwereld, wijzen op de toenemende

vochtigheid van den bodem, gevoegd bij eene gematigde en gelijkmatige

temperatuur. De boomen met afvallende bladeren nemen in die tweede

phase eene groote vlucht, zonder dat echter de palmen ontbreken,

die nog welig tieren voorbij 50° N.B., dus nog in het noorden van

Frankrijk, noch de kamferboomen, wier noordelijke grens voorbij 55°

ligt. De periode eindigt met eene uitdroging der groote meren en het

ontstaan van groote stroomen, waarop de molasse zee volgt.

Waarschijnlijk behoort de bruinkool met fossiele planten, in Groenland

op 70° N.-B., en in Noord-Canada, IJsland en Spitzbergen ontdekt, tot

de eocene formatie. Die lagen bevatten 9 soorten van groote varens,

31 soorten van naaldboomen, 11 soorten van éénzaadlobbigen en 93

tweezaadlobbige planten, waaronder noteboomen, platanen, beuken,

eiken, ahornen, populieren enz.

Daar de afkoeling der aarde aan de polen begonnen is, zoo is het

waarschijnlijk, dat die flora, niettegenstaande het voorkomen van

miocene soorten, die trouwens niet meer dan een vierde deel van het

geheel vormen, ouder is dan de Europeesche miocene flora, dat is,

ouder dan de periode, waarin de planten, die de miocene periode

kenmerken, zich zuidwaarts verplaatsten. Het noordelijkste punt,

waar die flora is waargenomen, is Grinnelland, op de 82ste paralel

gelegen. Daar groeiden de zilverspar en de cipres naast den populier

en den berk, aan de oevers der meren, die met nenufars bedekt waren;

het klimaat was dus op korten afstand van de pool hetzelfde als

thans in de Vogezen. Maar de magnolia's ontbraken er, terwijl deze

wel in Groenland, op 70° breedte gevonden werden. De gemiddelde

jaartemperatuur van noordelijk Groenland was toen 12° en dus dezelfde

als thans die van Californië, terwijl op Spitzbergen (80° N.B.) de

gemiddelde jaartemperatuur 8° of 9° bedroeg. De flora van Groenland

had eene merkwaardige overeenkomst met die van de Parijsche lagere

eocene formatie. De flora der poolstreken is de onze voorafgegaan en

heeft zich verplaatst naar Europa en Amerika, terwijl de palmboomen,

die voor het eerst in Europa gekomen zijn in de krijtperiode, nooit

binnen den poolcirkel zijn binnengedrongen.

Hoewel wij thans het nieuwere tijdvak van de geschiedenis der aarde

zijn binnengetreden, en de tertiaire periode nog zeer jong is met

betrekking tot het secundaire tijdperk, zoo zijn de veranderingen

van de gedaante der aarde, die na dien tijd hebben plaats gegrepen,

verre van onbeteekenend. De zee is na het begin der eocene periode naar

Parijs, Londen, Brussel, Weenen, Berlijn, enz. teruggekeerd. Een zeearm

strekte zich tevens uit van Bordeaux, over Montpellier, Lyon, Genève

tot in Oostenrijk. Vroeger, in ons hoofdstuk over de tegenwoordige

veranderingen van den bodem, hebben wij gezien, dat die schommelingen

der aardoppervlakte nog in onzen tijd voortduren, en dat de zee weer

aanwint in het westen en noorden van Frankrijk, in België, Holland,

in het zuiden van Zweden enz. terwijl zij terugwijkt in het noorden

van het Scandinavische schiereiland, aan de mondingen van de Po,

den Nijl, de Rhône enz. Zoo verandert onze planeet van eeuw tot eeuw,

evenals alle wezens, die haar bewonen.

Om het beeld der periode te voltooien, voegen wij hier nogmaals bij,

hoewel wij het reeds vroeger hebben opgemerkt, dat de Pyreneën in het

laatste gedeelte der eocene periode hunne voornaamste rijzing hebben

verkregen, waarbij de nummulieten-lagen tot eene hoogte van 3352 meters

gestegen zijn. De Apenijnen dagteekenen uit datzelfde tijdperk, dat is

dus uit de oligocene periode, het einde van het eocene tijdperk. De

Alpen daarentegen hebben hunne grootste hoogte eerst verkregen in de

miocene periode, die wij in het volgende hoofdstuk tot het onderwerp

onzer studie zullen maken.

TWEEDE HOOFDSTUK.

De Miocene Periode.

De miocene periode, het middelste tijdperk der tertiaire periode,

volgt op de tijden, waarvan wij zooeven de geschiedenis geschetst

hebben, en ziet de organische en anorganische wereld voortschrijden

naar den toestand, waarin zij thans verkeert. In die nieuwe periode

heeft de aarde ongeveer den vorm verkregen, dien zij thans nog heeft,

en de Alpen, zich verheffende tot de hoogte van de eeuwigdurende

sneeuw, zooals dit met de Pyreneën reeds in de vorige periode het

geval geweest is, geven aan west-Europa haren beslissenden vertikalen

vorm, terwijl in het midden van Frankrijk de bazaltuitbarstingen

de vulkanen doen ontstaan, die hunne vlammen zullen spuwen over een

deel van het land. In die periode worden ook de hoogere zoogdieren,

de apen, geboren. Gewichtige vooruitgang!

De vulkanische uitbarstingen hebben in Cantal op de oorspronkelijke

granietmassa's, die reeds eene hoogte hadden van 800 tot 900 meters,

bergen doen ontstaan, die nog thans, niettegenstaande de verwering,

waardoor zij afgenomen zijn, eene hoogte bereiken van 1800 tot 1900

meters. De dinotheriums en hipparions zijn getuigen geweest van die

uitbarstingen en hebben hunne sporen achtergelaten in het grint,

dat die bazaltmassa's bedekt. De uitbarstingen van het miocene bazalt

zijn, na eenen tijd van rust, gevolgd door de uitstrooming eener taaie

massa, die thans als bouwsteen gebruikt wordt. Daarna is een krater

ontstaan tusschen de meren van Murat en Aurillac. Eene ontzaglijke

bres is gevormd, waaruit stroomen porfierhoudend bazalt stroomden,

die de bosschen verbrandden, welke tegen de hellingen van den berg

gelegen waren. Daarna opende zich een krater en wierp een' aschregen

tot op 20 tot 30 kilometers, die de planten in de nabijheid bedelvend,

het aanzijn gaf aan de aschsteenen van Cantal. Die vulkanische

uitbarstingen hebben geduurd tot aan de pliocene periode, waarin zich

de vulkanen van Mont-Dore en Puys geopend hebben.

Voor de eerste maal schijnt de aarde werkelijk uit het water verrezen

te zijn. Het zijn niet meer die losse strooken, die hier en daar uit

de uitgebreide zee uitstaken; het zijn nu groote uitgestrektheden,

die eenen breeden grondslag vormen voor de ontwikkeling van het leven

op aarde. Wel zijn de Alpen nog slechts heuvels, doch reeds zijn elf

zuilen uit het water verrezen, die als het ware de wervelkolom vormen

van west-Europa, want die Alpeneilanden zijn met elkander verbonden

en wijzen den vorm aan van de lagere landen.

Tusschen het Juragebergte, dat reeds tot de helft zijner hoogte

gekomen is, en de in wording zijnde Alpen, blijft nog de zee in eene

nauwe golf bestaan; zij beukt beide oevers met hare golven, en hoopt

aan de voeten dier bergen nieuwe schelpen op; maar zij kan de twee

forsche lijnen der Alpen en der Jura niet meer uitwisschen.

De Middellandsche zee, nog langen tijd onzeker van haar gebied,

gaat vooruit en wijkt weer terug door de Rhônevallei, Zwitserland en

Beieren. De Indische zee staat met de Middellandsche zee in verband,

daar een deel van Egypte nog onder water gelegen is. Maar er zijn

uitgestrekte streken, die de zeeën niet meer kunnen veroveren; zij

moeten zich aan hare tegenwoordige bedding gewennen.

Griekenland, dat nog niet van Klein-Azië gescheiden is, begint te

ontstaan. Eene lange, ingekerfde strook, het ruggemerg van Italië,

is nog zóó onvolledig, dat Rome en Florence nog ontbreken. Afrika

is met Europa vereenigd door eene landengte tusschen Tunis en Genua

en bij Gibraltar. Ten noorden strekt zich het vasteland uit van het

Ural-gebergte tot Engeland, en verlengt het zich door vastland en

eilanden (Atlantis?) tot aan de kusten van Noord- en Zuid-Amerika.

Tijdens de miocene periode hebben belangrijke veranderingen plaats

gehad in den vorm van Europa. Reeds in het begin der miocene periode

verliezen de meren, die op het einde der eocene periode bestonden,

hun water door eene opheffing van den bodem. Daarna bedekt weder de

molasse- of Helvetische zee een groot gedeelte van west-Europa. De

zee dringt in Frankrijk door, door de Loire-vallei, tot aan Blois, en

één harer armen dringt door tot aan het Kanaal door Ille-et-Vilaine,

waardoor het noord-westelijk deel van Frankrijk een eiland wordt. De

zee verspreidt zich in de Rhônevallei, bedekt een deel van Zwitserland

en Oostenrijk, stroomt langs den tegenwoordigen voet der Alpen, en

verspreidt zich over oostelijk Klein-Azië tot aan den Euphraat. Door

die zee wordt Europa verdeeld in eene soort Indischen archipel,

waar de omstandigheden uiterst gunstig zijn voor de ontwikkeling

der plantenwereld, die in haar geheel nooit zoo rijk geweest is

als in dien tijd. De winter is nog bijzonder zacht, zoodat nooit

de plantengroei geheel gestaakt wordt, en op het einde der periode

bloeit de kamferboom reeds in de maand Maart aan de oevers van het

meer van Constanz, zooals nu nog te Madera. Om den plantengroei van de

miocene periode terug te vinden, zoude men thans tot 25 of 30° naar

het zuiden moeten afdalen. Indien er reeds een duidelijk onderscheid

was tusschen den plantengroei der poolstreken en van midden-Europa,

deed toch het ijs zijnen invloed nog niet gevoelen en was IJsland met

prachtige bosschen bedekt. In dienzelfden tijd had men herhaaldelijk

vulkanische uitbarstingen in Auvergne, de Rijnvallei, Hongarije,

de westelijke helling van het Rotsgebergte en andere gedeelten der

aarde.--De vulkanen van Italië, de Vesuvius, de phlegreïsche velden,

de Etna, zijn uit de quaternaire periode.--Overal was de aardschors

in beweging en de ketenen der Alpen, Cordillera's en der Himalaya

staken hunne kruinen uit tot hoog in de wolken.

Wij hebben zooeven gezien, dat Europa gedurende de eocene periode reeds

een vastland was van groote uitgestrektheid, doorsneden door een aantal

zeearmen. Eene dergelijke verdeeling was er ook tijdens de molassische

periode. Een verbazend groot eiland, dat het geheele tegenwoordige

alpengebied bevatte, was in grootte toegenomen. Ten westen strekte

dat eiland zich uit tot aan het westen van Frankrijk, en was het door

Piemont in verbinding met het Italiaansche schiereiland. Ten oosten

bevatte het al het land, dat zich tot ongeveer 35° oosterlengte

uitstrekte, en ten zuiden verlengde het zich over Dalmatië tot in

Griekenland. Ten noorden was het begrensd door de zee, die daar eene

groote baai vormde, de vlakten van Hongarije bedekte en in eenen

betrekkelijk nauwen arm geheel Europa doorsneed. In het oosten was de

Hongaarsche zee in gemeenschap met den Grooten Oceaan; deze strekte

zich uit over Zuid-Rusland; de Zwarte Zee, de Caspische Zee en de zee

van Aral zijn daarvan slechts kleine overblijfselen. Die Oceaan bedekte

waarschijnlijk het oosten van den Ural en breidde zich uit over de

uitgestrekte vlakten van Siberië, zoodat Europa en Azië van elkander

gescheiden waren, omdat die zee in gemeenschap stond met de Poolzee.

Bovendien strekte zich de miocene zee uit over Armenië en het oosten

van Klein-Azië, en was zij in verband met de Middellandsche zee, zooals

blijkt uit de talrijke versteeningen, die aan al die landen gemeen

zijn. Daarentegen was de straat der Dardanellen afgesloten en bestond

de Aegeïsche zee niet. Griekenland vormde een vastland, dat zich

verlengde tot aan Klein-Azië: de eilanden van den Aegeïschen archipel

zijn de bergen van een land, dat later gezonken is. Richten wij onze

blikken naar het zuiden, dan zien wij, dat de Middellandsche zee met

den Indischen Oceaan vereenigd was en Egypte bedekte; zij strekte

zich uit over Mesopotamië, waar zij waarschijnlijk in gemeenschap

stond met den Oceaan van Rusland. De molassezee bedekte de Alpen

zelf niet, zooals dit met de nummulietenzee het geval geweest is,

maar hare golven stroomden rondom die streek, die al duidelijker en

duidelijker haren tegenwoordigen vorm vertoonde.

Daar de planten- en dierenwereld van Marokko en Algerië in grondtrekken

eene groote overeenkomst vertoont met die der Europeesche kusten, zoo

heeft men reeds langen tijd gemeend, dat die landen eertijds verbonden

waren door landengten, zooals die welke bij Gibraltar bestonden,

waarschijnlijk tusschen Corsika en Sardinië. Die meening is later

nog waarschijnlijker geworden door de overblijfselen van beenderen,

die men onlangs in Sicilië ontdekt heeft, en die ons leeren, dat

de Afrikaansche olifant, de hippopotamus en de gevlekte hyena in

Sicilië leefden, en dat dus eertijds dat land in verbinding moet

gestaan hebben met Afrika.

De Wereld vóór de schepping van den mensch · 第 30 / 40 段