Auvergne, Vaucluse, Zwitserland dieren, die zeer veel geleken op de
tegenwoordige buidelratten. Men kan er niet aan twijfelen, dat zij
eenen soortgelijken bouw gehad hebben; Cuvier toch heeft bij één van
deze de buidelbeenderen teruggevonden, die dienen tot steun van den
buidel, waarin de jongen geplaatst zijn. Deze ontdekking behoort tot
die, welke het meest den grooten natuuronderzoeker belang inboezemden;
vóórdat hij het bekken gezien had, was hij overtuigd, dat het dier
buidelbeenderen bezat, omdat de studie der tanden en van het geraamte
hem reeds tot de verwantschap van die dieren met de buidelratten had
doen besluiten. Cuvier was van meening, dat er een nauw verband bestaat
tusschen de verschillende organen; hij meende, dat de aanwezigheid van
het ééne orgaan de aanwezigheid van een ander orgaan medebrengt; toen
hij dus in het gips van Montmartre een dier zag, dat tanden had als
eene buidelrat, beweerde hij reeds vooruit, dat het ook buidelbeenderen
moest hebben als eene buidelrat. Toen hij dus het dier ging uitgraven,
en het bekken ging blootleggen, riep hij eenige vrienden te zamen,
om hen getuige te doen zijn van de ontdekking der buidelbeenderen,
en werkelijk werd zijne voorspelling bewaarheid.
Toch had het kunnen zijn, dat Cuvier niet zoo gelukkig geweest
ware; men moet immers de wet van het onderling verband der
verschillende organen niet te streng toepassen. Cuvier toch,
die aan de onveranderlijkheid der soorten geloofde, meende, dat
een hond altijd een hond, eene buidelrat altijd eene buidelrat
is. Toch behoeft dit niet steeds het geval te zijn; een dier kan
tegelijkertijd de karaktertrekken van twee verschillende soorten of
van twee verschillende klassen gehad hebben. Het is zelfs mogelijk,
dat het een schakel geweest is tusschen de twee voornaamste afdeelingen
van de klasse der zoogdieren. Wij hebben hiervan het bewijs gehad
bij de vogel-reptielen en de dinosauri.
De eocene periode kenmerkt zich door eenen merkwaardigen rijkdom en
eene groote verscheidenheid van soorten van dikhuidigen, die onder de
viervoetige dieren van onzen tijd niet meer gevonden worden; zij kwamen
overeen met de tapirs, de rhinocerossen en de kameelen. Het zijn de
_paleotheriums_, _lophiodons_, _anoplotheriums_, _anthracotheriums_,
_cheropotami_, _adapis_, alle door Cuvier ontdekt. Wij zullen ze in
breede trekken beschrijven.
De _paleotheriums_ geleken op de tapirs door hunnen algemeenen bouw,
den vorm van hunnen kop en de kortheid der neusbeenderen, waaruit
blijkt, dat zij evenals de tapirs eenen kleinen snuit hadden,
ook hadden zij zes snijtanden en twee hoektanden in iedere kaak;
maar door hunne kiezen, waarvan de bovenste plat en van verhevene
halvemaansvormige plooien voorzien waren, en door hunne pooten, die
alle vier drie toonen bevatten (bij de tapirs hebben de voorpooten
vier toonen) gelijken zij op den rhinoceros [47].
Het is ééne der meest verspreide soorten uit die formatie. Reeds Cuvier
schrijft, dat de gipsgroeven in de omstreken van Parijs er van wemelen:
men vindt daar beenderen van zeven verschillende soorten. De eerste
(paleotherium magnum), is zoo groot als een paard; drie andere zijn van
de grootte van een varken, maar ééne daarvan met lange, smalle pooten,
ééne met breedere pooten, ééne met nog breedere en nog kortere pooten;
de vijfde soort, van de grootte van een schaap, heeft nog kortere en
breedere pooten; de zesde soort heeft de grootte van een lammetje,
en heeft slanke pooten, waarvan de uiterste toonen korter zijn dan
de overige; de zevende soort is zoo groot als eene haas.
Men heeft ook in andere streken van Frankrijk paleotheriums gevonden:
te Puy-en-Velay, in de gipshoudende mergel; in de omstreken van
Orleans, in de mergellagen, en bij Issel in eene laag molasse. Maar
vooral in de molasse van Dordogne komt het paleotherium even talrijk
voor als in de gipsgroeven van Parijs.
De _lophiodons_ zijn nog nader verwant met de tapirs dan de
paleotheriums, daar ook hunne benedenkiezen dwarse verhevenheden
bezitten. In enkele opzichten wijken zij er echter weder van af.
Cuvier heeft in Frankrijk 12 soorten ontdekt, alle begraven in mergel,
uit zoetwater gevormd, en met limneïden gevuld. De grootste soort
bevindt zich nabij Orleans, in dezelfde groeve als de paleotheriums;
zij gelijkt op den rhinoceros. Op dezelfde plaats is eene tweede,
kleinere soort; eene derde soort vindt men te Montpellier, eene
vierde bij Laon, twee bij Bichsweiller in den Elzas, vijf in Berry
bij Argenton.
De verschillende soorten verschillen onderling in grootte; de
kleinste waren nauwelijks zoo groot als een lammetje; ook vindt men
kleine verschillen in den vorm der tanden, die wij hier niet zullen
bespreken. In de bovenste lagen van de Parijsche grofkalk heeft men
een groot aantal fossiele beenderen van lophiodons gevonden.
De _anoplotheriums_, die men in de gipsgroeven buiten Parijs
gevonden heeft, hebben sommige karaktertrekken, die men bij geen
enkel ander dier terugvindt; pooten met twee toonen, waarvan de
middelhandsbeenderen niet met elkander vereenigd zijn zooals bij de
herkauwende dieren, en tanden, die tegen elkander aanliggen, zooals
dit thans alleen bij den mensch het geval is.
Er bestaan drie soorten van anoplotheriums; de _anoplotheriums_ in
den eigenlijken zin, de _xiphodons_ en de _dichobuni_, die in den
vorm der tanden van elkander verschilden.
Het meest verspreide anoplotherium was een dier van de hoogte van een
wild zwijn, doch veel langer en voorzien van eenen langen en dikken
staart, zoodat het ongeveer de afmetingen had van eenen grooten
otter. Waarschijnlijk kon het goed zwemmen: men vindt op den bodem
der zee zijne beenderen ingesloten in het gips, dat zich daar afzette.
De _xiphodon_ was slank en licht als eene schoone gazelle.
De _dichobunus_ had de grootte van eene haas. Hij onderscheidt zich
van de anoplotheriums en de xiphodons door twee kleine en dunne teenen
aan iederen voet, naast de twee groote teenen.
De _anthracotheriums_ liggen tusschen de paleotheriums, de
anoplotheriums en de varkens in. Twee van die soorten zijn in
het bruinkool van Cadibona bij Savona gelegen. De eerste geleek in
grootte op den rhinoceros, de tweede was veel kleiner. Men vindt ze
ook in den Elzas. Hunne kiezen gelijken op die der anoplotheriums;
doch zij hebben scherpe hoektanden.
De _cheropotamus_ komt in de gipsgroeven bij Parijs voor, naast de
paleotheriums en de anoplotheriums, maar hij is veel zeldzamer. Zijne
achterste kiezen zijn van boven vierkant, van onderen rechthoekig
en hebben vier kegelvormige verhevenheden, omgeven door kleinere
bulten. Zijne hoektanden zijn klein. Hij was zoo groot als een varken.
De _adapis_ had de grootte van een konijn; zij komt ook in de
gipsgroeven van Parijs voor, en was nauw verwant aan het anoplotherium.
Wij kennen dus bijna 40 uitgestorven dikhuidige dieren.
Dit groote aantal dikhuidigen is des te merkwaardiger, daar wij
in de formatie, die wij thans behandelen, bijna geene herkauwende
dieren vinden, terwijl deze thans in zoovele soorten voorkomen bij
de herten en gazellen en zulke groote afmetingen kunnen aannemen,
zooals bij het rund, de giraffe of den kameel.
Doch die dikhuidigen waren niet de eenige bewoners van de landen,
waar zij leefden. In de gipsgroeven immers vinden wij daarbij
verscheurende dieren, knaagdieren, verscheidene soorten van vogels,
krokodillen en schildpadden; die twee laatste dieren vindt men
ook met de dikhuidigen in de molasse en de mergel van het midden
en het zuiden van Frankrijk. Ook is eene vleermuis merkwaardig,
te Montmartre ontdekt.
Te Montmartre zijn ook de beenderen van eenen vos gevonden, die van
onzen vos afwijkt en evenzoo verschilt van den jakhals, den isatis
en den Amerikaanschen vos; evenzoo eene soort wilde kat en twee of
drie verscheurende dieren, die nog niet goed bekend zijn.
De krokodillen uit dat tijdperk gelijken op onze gewone krokodillen
door den vorm van hunnen kop, terwijl men in de banken der Juraperiode
alleen soorten vindt, die aan de gavialen verwant zijn. De schildpadden
van dien tijd zijn alle zoetwaterdieren; sommige behooren tot de
emydiden; en er zijn te Montmartre en vooral in de molasse van
Dordogne, grootere dan die, welke men levend kent; andere zijn
trionychidae of schildpadden met weeke lippen. Die soort, die men
gemakkelijk kan herkennen aan den vorm van hare schildbeenderen, en
die thans alleen voorkomt in de rivieren der warme landen, zooals de
Nijl, de Ganges, de Orinoco, kwam in grooten getale voor in de streken,
door de paleotheriums bewoond. Men vindt eene ontzaglijke hoeveelheid
overblijfselen te Montmartre en in de molasse van Dordogne en andere
bezinkingen uit dien tijd in het zuiden van Frankrijk.
De zoetwatermeren, in wier omtrek al deze dieren leefden, en die hunne
beenderen opnamen, bevatten behalve schildpadden en krokodillen, enkele
visschen en schelpen. Al de dieren, die men daar gevonden heeft, zijn
even vreemd aan ons klimaat en even onbekend in de wateren van onzen
tijd, als de paleotheriums en de overige viervoetige dieren van dien
tijd. Zelfs de visschen behooren gedeeltelijk tot onbekende soorten.
Het is dus niet twijfelachtig, dat die eerste groote bevolking van
zoogdieren gedeeltelijk vernietigd is; overal dan ook, waar men
hunne overblijfselen vindt, zijn daarboven groote bezinkingen van
eene zeevorming, zoodat later de zee weder gestroomd heeft over de
landen, waar die dieren woonden en ze gedurende langen tijd bedekt
heeft gehouden.
Nog niet lang geleden, in 1884, heeft Lemoine in de lagere eocene
formatie in de omstreken van Parijs een zoogdier gevonden, dat hij
den naam gegeven heeft van pleuraspidotherium. Dat dier was verwant
aan de buideldieren en het paleotherium.
Onlangs bij den bouw van den nieuwen spoorweg van St.-Cloud naar
Marly-le-Roy heeft men over eene groote uitgestrektheid het zand van
Fontainebleau blootgelegd met de schelphoudende mergel. Men heeft
daarin, onder talrijke fossiele overblijfselen, veertien verbazend
zware en groote ribben gevonden. Zij zijn 43 centimeters lang en
even dik als breed. Gaudry meent, dat zij behoord moeten hebben tot
het grootste zeezoogdier, dat tot nu toe in de omstreken van Parijs
ontdekt is. Het moet geleken hebben op onze tegenwoordige zeekoe,
een groot grasetend walvischachtig zoogdier. De vinnen bestaan uit
vijf vingers, die werkelijke handen vormen. De wijfjes hebben twee
groote melkklieren. Men kent geen enkel ander dier met zoo zware en
groote ribben.
Doch de grootste schatten voor de paleontologie zijn in den laatsten
tijd in Amerika ontdekt. Sedert den bouw van den spoorweg, die Amerika
doorsnijdt van den Atlantischen tot den Stillen Oceaan, zijn streken
onderzocht, die tot dien tijd voor de beschaving en de wetenschap
gesloten waren. Men heeft daar eene menigte fossiele dieren gevonden,
waarvan verscheidene zeer veel verschillen van die van Europa.
Dat gedeelte van Wyoming, begrepen tusschen het Rotsgebergte en den
Wahsatchketen, is één der streken, die den paleontologen de meeste
verrassingen aanbieden. In de eocene periode was de zee, die tijdens
de krijtperiode die streken bedekt had, door groote zoetwatermeren
vervangen, aan wier oevers een rijke plantengroei ontstond, en waar
de reusachtige dikhuidigen zich ontwikkelden, wien men den naam van
_dinoceratiden_ gegeven heeft. Marsh heeft een groot werk geschreven
over die vreemde schepselen; het is nog rijker in belangrijke gegevens
dan dat, waarvan wij vroeger gesproken hebben naar aanleiding van
de tandvogels.
De schedel der dinoceratiden [48] verklaart ons, waarom men hun dien
naam gegeven heeft. Nog nooit had men koppen gezien met zóóveel horens:
de neusbeenderen dragen twee kleine beenige uitsteeksels; de vóórkaken
leveren boven de hoektanden twee stevige uitsteeksels; een derde nog
grooter en merkwaardiger paar wordt door de zijbeenderen gevormd;
men heeft getracht van dit vreemde dier eene voorstelling te maken,
die in fig. 283 is weergegeven.
Ook de hersenen zijn bijzonder vreemd en veel kleiner dan bij eenig
ander zoogdier, zoodat zij op die van kruipende dieren gelijken. De
geringe afmeting der hersenen is een karaktertrek, eigen aan
verscheidene zoogdieren der tertiaire formatie; dat gedeelte van het
lichaam is eerst tot meerdere ontwikkeling gekomen bij de dieren van
het middelste tertiaire tijdperk en vooral bij die der tegenwoordige
periode. Daar er in het algemeen verband bestaat tusschen de
ontwikkeling der hersenen en het verstand, mag men aannemen, dat de
oudere zoogdieren minder verstand hadden dan die van onzen tijd.
Het fossiele dier, dat door zijne ledematen en zijne tandvorming het
meest tot de dinoceratiden nadert, is de coryphodon; maar toch is
het nog ver van de dinoceratiden verwijderd.
Niettegenstaande hunne verbazende grootte en bepaalde punten van
overeenkomst in hunne ledematen, kunnen de bekende groote dieren
der Western-Territories toch niet in verband gebracht worden met de
snuitdieren, want zij hadden noch eenen snuit, noch bovensnijtanden,
en hoewel hunne pooten eenige overeenkomst hebben met die der
olifanten, verschillen zij daarvan weder in vele andere opzichten. De
dinoceratiden zijn inderdaad wezens, die verdwenen zijn zonder
nakomelingschap achter te laten, nadat zij aan de eocene wereld een
vreemdsoortig voorkomen gegeven hadden.
Het is inderdaad vreemd, dat men reeds in het begin der tertiaire
periode zulke groote zoogdieren vindt: de onderzoekingen toch, in den
laatsten tijd in Amerika gedaan, en die welke in Europa volbracht
zijn, hadden slechts nietige zoogdieren der secundaire periode aan
het licht gebracht.
Van 1870 tot 1883 heeft Marsh de overblijfselen van meer dan 200
exemplaren van dinoceratiden verzameld, zonder nog te spreken van de
tallooze fossielen, tot andere groepen behoorende. Men kent reeds 30
verschillende soorten. De studie van dat prachtige materiaal is de
grondslag van zijne schoone verhandeling.
Zooals wij zagen behooren de hersenen tot de merkwaardigste organen der
dinoceratiden: zij zijn kleiner dan van eenig ander bekend zoogdier,
zelfs niet grooter dan de geheele wervelkolom. De ontwikkeling der
hersenen heeft in de tertiaire periode volgens Marsh naar de volgende
wetten plaats gegrepen:
1. Alle zoogdieren der tertiaire periode hadden kleine hersenen.
2. In de tertiaire periode zijn de hersenen geleidelijk toegenomen.
3. Die toeneming had vooral plaats in de halfronden.
4. Bij enkele groepen worden de hersenwindingen samengestelder.
De halswervels der dinoceratiden gelijken op die der snuitdieren,
maar zij zijn langer. De geheele hals was een derde langer dan die
van den olifant. Een snuit was dus onnoodig, omdat het dier met
den kop den grond kon bereiken. De beenderen der ledematen zijn
over het algemeen zeer sterk, zooals trouwens het geheele geraamte,
met uitzondering van een deel van den schedel. De voorste ledematen
hebben veel overeenkomst met die der snuitdieren. De voorpooten zijn
zwaarder dan de achterpooten.
Indien men den dinoceras vergelijkt met enkele der grootste
veelhoevige dieren van onzen tijd, dan blijkt het, dat hij eenige
punten van overeenkomst heeft met den rhinoceros en eveneens met den
olifant. Wat zijne grootte betreft, staat hij tusschen beide in. In
andere opzichten herinnert hij ons aan den hippopotamus. De merkwaardig
kleine hersenen en de logheid der ledematen wijzen op een dier, dat
zich langzaam beweegt, dat zich niet onttrekken kan aan veranderingen
in het klimaat, en dat dus veroordeeld is te verdwijnen ten gevolge
van de wijzigingen, die er op het einde der eocene periode in het
klimaat hebben plaats gegrepen.
De zoogdieren der tertiaire periode zijn voor ons in bijzonder gunstige
omstandigheden, om de ontwikkelingsleer te bestudeeren. Die wezens,
wier huid meestal fijn, en òf naakt òf alleen met haren bedekt was,
hebben eerst hunne volle ontwikkeling bereikt, toen de ontzaglijke
kruipende dieren der secundaire periode waren uitgestorven,
wier lederachtige en dikwijls gepantserde huid groote voordeelen
opleverde in den strijd om het bestaan. Tijdens het grootste gedeelte
der tertiaire periode verschilden de zoogdieren zeer veel van de
tegenwoordige zoogdieren; zij waren nog in volle ontwikkeling.
Staan wij een oogenblik stil bij de dikhuidigen, die de gipsgroeven
in de omstreken van Parijs tot graftombe hadden. Montmartre en
Pantin waren hun laatste toevluchtsoord. Ieder blok, dat uit die
groeven komt, bevat een of ander stuk van een been dier zoogdieren,
en hoeveel millioenen van die beenderen zijn verwoest geworden,
vóórdat men aan de studie der paleontologie zijne aandacht wijdde.
De dikhuidigen kunnen in twee hoofdgroepen verdeeld worden: die met
een oneven aantal teenen, zooals de rhinoceros en de tapir, en die
met een even aantal teenen, zooals het zwijn en het nijlpaard. In
onzen tijd zijn de verschillende soorten van dikhuidigen voor het
meerendeel scherp van elkander gescheiden, en in dit opzicht vertoonen
zij een groot verschil met de herkauwende dieren, waarvan sommige
zóó op elkander gelijken, dat men onmogelijk de grenslijn tusschen
de verschillende soorten trekken kan. De tegenwoordige dikhuidigen
zouden er toe bijdragen om de meening van ons af te werpen, dat de
verschillende soorten van elkander zijn afgestamd; doch indien wij
tot de geologische perioden doordringen, dan zien wij de ledige
ruimten zich aanvullen: "De verschillende soorten, zegt Gaudry,
liggen zóó dicht bij elkander, dat men moeilijk het denkbeeld van
zich kan afzetten, dat die gelijkenis op eene gemeenschappelijke
afstamming wijst."
Als voorbeeld der tegenwoordige dikhuidigen, die van tertiaire soorten
schijnen te zijn afgeleid, kan men den rhinoceros noemen. Die welke
in Afrika te huis behooren, verschillen in vele opzichten van die,
welke in Azië leven; er is dus geen grond, om te meenen, dat de
ééne soort in rechte lijn van de andere afstamt. Het is veeleer
natuurlijk te meenen, dat zij beide afstammen van hunne tertiaire
voorgangers; want zij hebben daarmede bijzonder veel overeenkomst:
de tegenwoordige Aziatische rhinoceros herinnert aan den rhinoceros
Schleiermacheri van Pikermi, Eppelsheim en Sansan; de tweehoornige
Afrikaansche rhinoceros heeft eene treffende overeenkomst met den
rhinoceros pachygnathus van Pikermi.
De rhinocerossen zijn nog niet zeer oud; zij zijn in de tertiaire
periode voorafgegaan door de acerotheriums, de paleotheriums, de
paloplotheriums. De romp en de ledematen van die verschillende dieren
hebben merkwaardig veel overkomst met elkander. Hunne verdeeling in
soorten berust op het onderzoek van den schedel en hunne tandvorming;
zij verschillen niet zóóveel, of men kan nog begrijpen, dat zij
gemeenschappelijke stamouders bezaten.
Opdat onze lezers zelf over die verwantschap kunnen oordeelen, geven
wij in fig. 284 en 285 de fossiele geraamten weer, wier vergelijking
ons als het ware eene openbaring is van hunne afstamming. Het eerste
is van het paleotherium magnum der bovenste eocene formatie; het
tweede is van den rhinoceros pachygnathus uit de bovenste miocene
formatie. Zoo wordt door de meest verschillende feiten de leer van
de verandering der soorten bevestigd.
Het valt niet te ontkennen, dat de plotselinge verschijning der groote
zoogdieren, paleotheriums, anoplotheriums, in de tertiaire formatie,
de geologen evenzeer moest verwonderen als de verschijning van de
pyramiden van Egypte, de groote tempels van Palmyra, Paestum en andere
de verbazing opwekken van den ontwikkelden reiziger.
Zij, die voor het eerst die tempels en pyramiden zagen, schreven den
bouw toe aan denkbeeldige wezens, demonen, feeën, goede geesten, die in
de plaats treden van de verdwenen macht der oude beschaving. Vandaar
het groote aantal legenden, overleveringen en volksgedichten, die
aan ieder dier ruïnen verbonden zijn. Tevergeefs hebben de nieuwe
ontdekkingen de verschillende ontwikkelingsphasen der menschheid leeren
kennen, tevergeefs hebben zij doen zien, hoeveel tusschenschakels er
waren tusschen het steenen en het ijzeren tijdperk, hoeveel voorloopige
toestanden er noodig waren voor ieder standpunt der menschheid; hoe
lang de arische volksstammen de ontwikkeling van het sanskrit zijn
voorafgegaan; hoe zich achter iedere oudheid eene nog oudere oudheid
openbaart, achter ieder geslacht een nog ouder geslacht, en hoeveel
honderden eeuwen reeds verloopen waren, vóórdat de eerstgeborenen van
den eersten dag der menschenwereld het daglicht zagen. Tevergeefs,
want de gewoonte wint het van hetgeen wij aanschouwen. Wij moeten
ons dus niet er over verwonderen, dat bij de eerste openbaring van de
beenderen in de tertiaire formatie verspreid, eene dergelijke stomme
verbazing den geest bevangen hield. De menschelijke geest kon het
raadsel niet ontwarren. Hoe zouden de geleerdste, de verstandigste, de
meest logische denkers een ander antwoord kunnen gegeven hebben, dan:
"Het gaat de menschelijke bevatting te boven. Laat ons het onmogelijke
niet beproeven. De organismen, wier overblijfselen wij zooeven ontdekt
hebben, waren reeds van het begin af wat zij later waren. Zij zijn
geheel afgewerkt uit de hand van den Schepper gekomen. Meer te willen
weten, is de grenzen van ons kenvermogen overschrijden. Pas op,
dat het u niet duizelt: houd stil. Tracht God niet van aangezicht
tot aangezicht te zien."
Ziedaar, met andere woorden, het antwoord van Cuvier, die voor
den geest die nieuwe afgronden geopend had. Maar de menschelijke
weetgierigheid, tegelijkertijd aangetrokken en afgestooten, kon geen
vrede hebben met eene zoo groote angstvalligheid. De onmogelijkheid
der oude verklaring sprong in het oog. Hoe kan de eik plotseling haren
vollen wasdom bereikt hebben, hoe kan de leeuw uit het niet ontstaan
zijn, zonder eerst welp geweest te zijn?
En de mensch, dien men zich dertig jaren oud, en dus volwassen moest
voorstellen, zonder moeder, zonder kindsheid, dadelijk met zijne
volle kracht en volle oefening! En die oefening is noodig voor de
minste beweging, voor de nietigste handeling, voor het eenvoudigste
gebruik der zintuigen. Wat zou die man van dertig jaren uitrichten,
die plotseling verschenen was, en niet had leeren zien, betasten en
hooren. Wat zou hij hebben aan zijne machtige armen, als hij niet
kon grijpen, aan zijne oogen, als hij niet had leeren zien en had
leeren afstanden beoordeelen; aan zijne voeten, als hij niet had
leeren loopen. Zijne kracht zelf zoude zich tegen hem keeren.
De oplossing kwam, zooals wij zagen, van verschillende punten te
gelijk. Eerst ziet men hier en daar losse draden, die tot geleiddraden
konden dienen. De wezens, die in de verschillende tijdperken op
elkander gevolgd zijn, hebben dikwijls naast groote verschilpunten,
trekken van overeenkomst behouden. Daar wij de laatst opgetreden
wezens der schepping zijn, hebben wij de geboorte der wezens niet
bijgewoond. "Wij zijn gelijk aan de wezens van één dag, die sterven
op den dag, waarop zij geboren zijn, wij hebben den tijd niet gehad om
de gedaanteverwisselingen der organische wereld te leeren kennen." En
toch, indien wij de overblijfselen bestudeeren, die in de lagen der
aarde verborgen zijn, dan kunnen wij uit de overeenstemming tusschen de
dieren van onzen tijd en hunne voorgangers een besluit trekken omtrent
hunne verwantschap. Wij vinden b.v. in fossielen toestand hyena's,
katten, olifanten, rhinocerossen, tapirs, zwijnen, herten, gazellen,
dolfijnen enz., die nauwelijks van de tegenwoordige soorten kunnen
onderscheiden worden; men mag dus besluiten, dat zij de voorouders
dier dieren geweest zijn, daar het verschil niet grooter is dan dat
van rassen, die eenen gemeenschappelijken oorsprong hebben; in de
geologische tijden, zoowel als in de tegenwoordige tijden, hebben zich
de soorten tot rassen onderverdeeld, en het is onmogelijk te zeggen,
waar de soort begint, waar het ras ophoudt.