gekenmerkt worden door bepaalde geologische eigenschappen en eene
afzonderlijke fauna, waarbij zich al meer en meer de tegenwoordige
soorten van dieren vertoonen: 1e De laagste tertiaire formatie:
_Eocene_ formatie (de dageraad der tegenwoordige geslachten); 2e de
middelste tertiaire formatie: _Miocene_ formatie (minder geslachten van
den tegenwoordigen tijd); 3e bovenste tertiaire formatie: _Pliocene_
formatie (meer geslachten van den tegenwoordigen tijd).
Die drie hoofdverdeelingen, door Lyell voorgesteld en reeds sedert
langen tijd ingevoerd, worden, naarmate de geologische wetenschap zich
ontwikkeld heeft, meer en meer onderverdeeld. Enkele geologen zelfs
stellen eene andere verdeeling voor: zij noemen de eerste tertiaire
lagen _paleoceen_, de daaropvolgende _oligoceen_ (gedeeltelijk
eoceen, en gedeeltelijk mioceen) en, wat er nog van de miocene en
pliocene formatie overblijft, om de tertiaire formatie te voltooien,
_neogeen_. Wij zullen niet te ver afwijken van beide verdeelingen,
en wij zullen termen behouden, die het meest gebruikt worden, door
ons aan de verdeelingen van Lyell te houden en de eerste periode in
twee afdeelingen te verdeelen, de _paleocene_ en de _oligocene_. Het
tertiaire tijdperk kan dus als volgt geschetst worden:
Het tertiaire tijdperk.
Eocene periode.
1. Paleoceen
Suessonische formatie [36].
Parijsche formatie [37].
2. Oligoceen
Tongersche formatie [38].
Aquitanische formatie [39].
Miocene Periode.
Onderste Mioceen
Langhische formatie [40].
Middelste Mioceen
Helvetische, molasse formatie [41].
Bovenste Mioceen
Tortonische formatie [42].
Pliocene Periode.
Onderste Plioceen
Messinische formatie [43].
Middelste Plioceen
Plaisantische formatie [44].
Astische formatie [45].
Bovenste Plioceen
Arnusische formatie [46].
Al de formaties zijn genoemd naar de landen, waar zij het best
bestudeerd zijn. Toch begrijpt men, dat dit nog slechts voorloopige
namen zijn. Waarom toch den naam eener Russische, Engelsche,
Zwitsersche of Fransche provincie gegeven aan eene formatie, die over
de geheele aarde verspreid is? Eene eerst onlangs geboren wetenschap
gaat steeds aan een zoodanig euvel mank; maar reeds nu ontstaat er
verwarring tusschen namen, die geenen anderen oorsprong hebben dan
het toeval.
Wij zullen thans een oogenblik trachten te herleven te midden dier
vervlogen tijdstippen en de volgorde van hare historische ontwikkeling
nagaan. Laat ons eerst de eocene periode bespreken.
De natuur doet ons grootsche veranderingen in den toestand der aarde
bijwonen. Telkens bedekt de zee streken, die thans voor goed tot het
gebied der menschen schijnen te behooren, en een tijd later komt het
land weer bloot; nu eens overstroomt zij uitgestrekte gedeelten,
dan weder trekt zij zich terug om later weder te verschijnen. In
de eocene periode kan men zeggen, dat Europa zijnen tegenwoordigen
vorm en zijne bergketenen verkregen heeft. Reeds in het einde der
krijtperiode was eene rijzende beweging gevolgd op de groote daling
tijdens de krijtformatie. De eocene formaties wijzen reeds van het
begin af op den strijd van den oceaan en het vasteland, vooral in de
noordelijke streken, waar de zoetwaterformaties de overhand hebben,
die zich meer en meer in zuidelijke richting zullen uitbreiden,
totdat de Pyreneën opgeheven zullen worden.
Doch die strijd heeft niet plaats in het bekken der Middellandsche
zee, waar de zeevormingen iets behouden hebben van het eigenaardige
karakter, dat die streek tijdens de vorige perioden onderscheidde;
men ziet daar namelijk overgroote uitgestrektheden kalksteenen,
aan wier bouw de kleine weekdieren een belangrijk aandeel genomen
hebben. Doch die rol is niet langer toebedeeld aan de diceraten of de
rudisten, doch aan eenvoudige protozoën en vooral aan de nummulieten,
die zelfs aan de eocene formatie der Middellandsche zee den naam
hebben gegeven van nummulitische formatie.
In dien tijd strekte zich eene vier- of vijfmaal grootere
Middellandsche zee dan de onze, de nummulitische zee, dwars over Europa
uit, van Nizza tot de Krim, in de richting van den Alpenketen. Op
de plaats, waar thans de Alpen gelegen zijn, had men toen slechts
kleine eilanden. Vandaar dat men de bezinksels dier zee op de toppen
der Alpen terugvindt.
Europa had toen een Afrikaansch klimaat. Onder den invloed eener warme
zee, die in het zuiden aan de keerkringen grensde, had men droge en
brandend heete jaargetijden, afwisselend met gematigde en regenachtige
tijden; de gemiddelde jaartemperatuur bedroeg op 45° N. B. 25°. Het
is die periode van het tertiaire tijdperk, waarin Europa de hoogste
temperatuur had. In Frankrijk kwamen palmboomen in overvloed voor,
kokosboomen en dergelijke tieren welig in Engeland, waar de boomen met
afwisselende bladeren nog alleen op de hoogten gevonden worden, waarvan
zij eerst op het einde der eocene periode zullen afdalen. Zoolang die
periode duurt, blijven de streken in de nabijheid van de pool eenen
plantengroei vertoonen, die overeenkomt met eene temperatuur, gemiddeld
20° hooger dan die, welke men in onzen tijd in diezelfde streken heeft.
Ook de werking in het inwendige der aarde begint zich in dien tijd
te openbaren, en uit zich vooral door de opheffing der Pyreneën en
Apennijnen, terwijl meer in het noorden zwavel- en ijzerverbindingen
tot de oppervlakte der aarde dringen.
De laagste tertiaire formatie is sterk ontwikkeld in de omstreken van
Parijs; zij zet zich oostwaarts in België voort en noordwestwaarts in
Engeland. Parijs, Londen en Brussel zijn op die formatie gebouwd. Het
Kanaal bestond toen niet; Bretagne, met Cornwallis verbonden, sloot
aan die zijde de Engelsch-Parijsche golf af, die zich ver oostwaarts
uitstrekte, over de Ardennen heenliep en zich over België verspreidde.
In het bekken van Parijs bestaat de eocene formatie afwisselend uit
zee- en zoetwaterformaties, die aldus gerangschikt zijn:
Eocene Formatie.
Bovenste
Mergel, gips (zoetwatervorming).
Mergel, gips en harde tufsteen (zoetwatervorming).
Mergel, gips (zeevorming).
Middelste
Grofkalk (zoetwatervorming).
Zandsteen (zeevorming).
Grofkalk (zeevorming).
Onderste
II Zand (Soissons) (zeevorming).
Klei en bruinkool (zoetwatervorming).
Zand (Bracheux) (zeevorming).
I Kalksteen (zoetwatervorming).
Kalksteen (zeevorming).
Wij zullen die verschillende formaties in bijzonderheden bespreken,
die in de omstreken van Parijs zeer gemakkelijk kunnen worden
waargenomen. Wij beginnen bij de oudste lagen.
Ondereoceen: I. _Zee- en zoetwatervorming._
De onderste lagen der eocene formatie worden in de onmiddellijke
omstreken van Parijs, vooral te Meudon, waar zij de pisolithische
kalksteen bedekken, die het einde is der krijtformatie,
vertegenwoordigd door witte mergel, die beneden kalksteen met
zeefossielen bevat, en van boven eene witte verharding, die zoetwater-
en landweekdieren bevat. Het bekken van Parijs moet dus eertijds
bedekt zijn geweest met zeewater en later gedeeltelijk boven water
zijn gekomen en met zoetwater bedekt. Die zeevorming, die aantoont,
dat in de eerste eeuwen der eocene periode, de zee eenen nieuwen inval
gedaan heeft, wordt meer naar het zuiden aangewezen door eenen band van
ronde strandkeien, die thans door kiezel aan elkander verbonden zijn
en nog steeds de grens aanwijzen van den inval der zee. Ten oosten,
in België, geven die zeebezinkingen het aanzijn aan eene zandige
kalksteen, die vele schelpen bevat, en eene schoone zeefauna leert
kennen. Daarboven vindt men evenals te Meudon zoetwatergesteenten,
met niet tot de zee behoorende schelpen gevuld. Bij Reims vindt men
diezelfde kalksteen, bij Rilly is zij verscheidenene meters dik en zeer
rijk aan fossielen. Verder, bij Sézanne, vindt men eene laag harde
tufsteen, rustende tegen eene krijtrots, die op die plaats de grens
aanwijst van dat oude meer. In dat water leefden talrijke weekdieren,
met insecten, die versteend zijn en zóó goed bewaard zijn gebleven,
dat men alle bijzonderheden van hunnen bouw kent.
II. _Zand van Soissons._ Daarna heeft de zee de geheele
Engelsch-Parijsche golf weder bedekt, zij heeft daar glaukoniet-zand
met zeeschelpen afgezet, die talrijk zijn in de omstreken van Bracheux,
waar zij gekenmerkt worden door de aanwezigheid van eene groote
oestersoort, die geheele banken vormt.
_Klei en bruinkool._ De golf, waar dit zand zich afzette, was dus zeer
uitgestrekt. Eene rijzing van het Engelsch-Parijsche bekken, die daarop
gevolgd is, vooral in het oosten, heeft in het midden van het bekken,
in de onmiddellijke omgeving van Parijs, een meer doen ontstaan,
waarin zich kleilagen hebben afgezet, die te Vaurigard en Issy voor
baksteenen, en te Montereau, waar de klei zuiverder is, voor porselein
en aardewerk gebruikt worden. Die klei, welke bruinkool bevat, strekt
zich veel verder uit dan de lagere kleilagen. Hetzelfde is het geval
in Engeland, waar het zand en het met bruinkool vermengde krijt bedekt
is met een bruin, taai klei, _London clay_, dat te Londen eene dikte
heeft van 150 meters. Het _London clay_ heeft nog deze merkwaardigheid,
dat het zeeschelpen bevat, die tot soorten behooren, die alleen in de
warme zeeën leven; met die fossielen vindt men daar een groot aantal
schildpadden, meer dan zestig soorten visschen, talrijke beenderen
van zoogdieren, en groote, samengedrukte hoekige vruchten, tamelijk
gelijkend op kokosnoten, die op de oppervlakte van het water moeten
gedreven hebben, vóórdat zij in de modder bedolven zijn, waarin wij ze
thans uitstekend bewaard terugvinden. Men heeft die tropische vruchten
teruggevonden in de mergel en het zand van het Trocadero, toen men de
grondwerken verrichtte voor het gebouw van de Parijsche tentoonstelling
van 1867; Parijs was in die periode een inham in de nabijheid der zee.
_Bovenste zand van Soissons._ Toen die klei zich afzette in het zuiden
van Engeland en in België, lag het bekken van Parijs nog onder water:
het fijne en gele zand, dat bij Soissons de klei met bruinkool bedekt,
en dat wijst op eenen terugkeer van de zee op die plaatsen, bevat
eene groote hoeveelheid nummulieten.
Dat zand is zeer ontwikkeld ten noordoosten van Parijs, vooral in de
Aisne-vallei, waar het 50 meters dik is. In België is het boven de
klei van Vlaanderen nog veel sterker ontwikkeld. De nummulietenzee
is dus van het oosten gekomen; zij is over Vlaanderen tot het bekken
van Parijs doorgedrongen, door eene straat, die overeenkomt met de
tegenwoordige vallei der Oise, en zij strekte zich niet verder uit dan
de onmiddellijke omgeving van Parijs. Het glaukonietzand te Vaurigard
en Vauves, dat daar de keien bedekt, behoort tot de grofkalklaag en
wijst het begin aan der middelste eocene periode.
Middelste Eocene Formatie. _Onderste grofkalk._ Het grofkalk bevat
eene verzameling van fossielenhoudende kalksteenen, die uitstekende
bouwsteenen opleveren; de vlakte der laag bedraagt van 30 tot 35
meters; beneden vindt men grof zand met kleine zwarte vuursteenen en
groene korrels glaukoniet, die dikwijls aan elkander verbonden zijn
door kalksteen; het bevat tanden van zeehonden, kleine poliepen en
eene groote nummulietsoort, die in het grofkalk zeer veel voorkomt.
Dat glaukonietzand wijst op het begin der zeevorming, die zich zal
uitstrekken over het zuidoosten van Ile-de France.
Daarboven vindt men eene grove kalksteen, met vele schelpen, en
een ontzaglijk aantal nummulieten; daarin komen groote tweekleppige
weekdieren, zeeëgels en eene cerithidensoort voor, die voor die laag
kenschetsend is.
Van St.-Quentin tot Rijssel vindt men aan de oppervlakte van
den bodem kiezelhoudende blokken verspreid, waarin de nummulites
laevigata voorkomt, somtijds omsloten door bont-roode klei. Dit zijn
de laatste overblijfselen van eene laag, die ons aantoont, dat de
lagere grofkalkzee zich in die richting tot zóóver uitstrekte en in
België werd voortgezet in eene straat, die langs de Sommevallei het
departement du Nord in zijne geheele uitgestrektheid doorsneed.
_Bovenste grofkalk._ Het bovenste grofkalk verliest weder het
karakter eener zeevorming, aan de vorige lagen eigen, en wijst op eene
kustformatie. Het bevat aan de benedenoppervlakte een zoetwatervlak
besloten tusschen twee zeebanken, die ieder gekenmerkt zijn door
den overvloed van cerithiden, die daar voorkomen met buikpootige
brakwater-weekdieren. De zoetwater-kalksteen bevat limnaeiden en
paludiniden (tot de buikpootige weekdieren behoorend), daartusschen
ligt dikwijls klei met bruinkool, die eenen tropischen plantengroei
bevat, o.a. palmboomen. Men vindt daar ook den lophiodon.
Daar de grofkalkzee zich meer en meer naar het noorden terugtrekt,
eindigt die rij in dunne lagen dicht opeengepakte of kiezelhoudende
kalksteen, afwisselend met gebladerde, dikwijls magnesiumhoudende
mergel, waarin men hoogst zelden fossielen aantreft.
_Zandsteen._ Na die afwisseling van zoetwater- en zeevorming, die
het einde aanwijst der grofkalk, heeft de terugkeer van de zee in het
bekken van Parijs weer het aanzijn geschonken aan een zandbezinksel,
welks fauna weinig met die der grofkalk verschilt. Met een aantal
soorten aan de beide lagen eigen, vindt men nog eene geheel aan de
laatste laag eigen soort van nummuliet.
_Bovenste grofkalk van St.-Ouen._ Na die bezinking sluit zich de golf
van het bekken van Parijs geheel af bij hare monding, en verandert zij
dus in een zoetwatermeer, waarin zich nu kalksteen en mergel afzet,
met vuursteenlagen daartusschen, wier dikte een twintigtal meters
kan bereiken. Die kalksteen strekt zich ten noorden van Parijs uit en
bevat limneïden met enkele schelpen, niet tot zeedieren behoorend. Op
het einde der eocene periode hebben dus de zoetwatervormingen in het
bekken van Parijs de overhand.
Bovenste Eocene Formatie. _Gipshoudende mergel._ De bovenste eocene
laag bestaat uit eene lange reeks lagen gebladerde mergel, met lagen
gips er tusschen in; die bezinksels, die eene dikte van 60 meters
kunnen bereiken, zijn nog grootendeels eene zoetwaterformatie. Van
onderen heeft men eene dunne laag gipshoudende mergel op de kalksteen
van St.-Ouen. Daarboven liggen de eigenlijke gipshoudende mergellagen,
waar het gips uit drie lensvormige lagen bestaat. De eerste twee zijn
gemiddeld 4 of 5 meters dik; de laatste is de dikste en strekt zich
het verst uit; te Montmartre is zij 20 meters dik. De gips heeft daar
de gedaante van suiker en is in prisma's verdeeld, gelijkende op die
van het bazalt. Dat geheel bovenste gedeelte, eene zoetwatervorming,
eindigt van onder in blauwachtig, van boven in zeer wit mergel.
In de bovenste massa vindt men de dikhuidige dieren, paleotheriums,
anoplotheriums, enz., waarmede wij weldra kennis zullen maken, en
die beschouwd kunnen worden als de wezens, die het kenmerk zijn der
bovenste eocene formatie.
Dit is de opvolging der versteende lagen tijdens de eocene
periode. Merkwaardig is het, dat die gesteenten eene belangrijke rol
gespeeld hebben bij den bouw van steden en woningen. Indien er geene
bouwsteenen waren, hoe zouden dan dorpen, steden, huizen en monumenten
gebouwd kunnen worden? De menschheid is niet alleen afhankelijk van het
dieren- en plantenrijk, maar is ook de slaaf van het delfstoffenrijk,
dat zich afspiegelt in hare wijze van werken en hare geschiedenis.
Die afwisselingen van zee, vastland en meren hebben alleen in die
ééne periode honderdduizenden jaren geduurd!
Om zich een denkbeeld te vormen van de buitengewone veranderlijkheid
in de eocene periode, zij het voldoende op te merken, dat het
oudste gedeelte der tertiaire formatie in het bekken van Parijs
vertegenwoordigd wordt door een twintigtal verschillende lagen,
die ieder eene bijzondere mineralogische karaktertrek of enkele
eigenaardige fossielen bezitten, en waarvan sommige zeevormingen,
andere zoetwatervormingen zijn; daarentegen bestaat zij in de Pyreneën,
in Zuid-Europa, tot zelfs in China, bijna uitsluitend uit eene
bank vast opeengedrongen kalksteen, die geheel eene zeeformatie is,
en het voorkomen heeft van eene Juraformatie, waarin het wemelt van
foraminiferen, zoodat zelfs de steen nummulietenkalk genoemd wordt. In
al de bekkens ontdekt men tusschen de verschillende lagen fossielen,
en wel gewoonlijk des te talrijker, naarmate men in eene hoogere
laag komt. Iedere afdeeling der tertiaire periode onderscheidt zich
dan ook duidelijker van de krijtperiode dan van volgende perioden:
een groot aantal soorten der miocene periode komen ook in de pliocene
formatie voor, en de tegenwoordige zeeën, b.v. de Middellandsche zee,
bevatten nog een zóó groot aantal pliocene weekdieren, dat de grens
niet gemakkelijk te trekken is tusschen de tertiaire bezinkingen en
die van onzen tijd. Voegen wij nog hierbij, dat men in den laatsten
tijd een groot aantal tertiaire soorten ontdekt heeft, die men meende,
dat uitgestorven waren, en die toch in de diepten der zee in grooten
getale voorkomen.
De poolstreken, thans ijskoud en verlaten, waren toen, evenals in
de secundaire tijden, bedekt met plantenrijke bosschen; doch er is
reeds eene neiging tot afkoeling. Het zijn geen tropische planten
meer, maar platanen, linden, kastanjes, beuken, pijnboomen, berken,
noteboomen. Die boomen zullen later eerst in onze streken gevonden
worden, wanneer de temperatuur voldoende gedaald zal zijn. Maar in
dien tijd waren Frankrijk, Duitschland, België, Engeland nog met
palmboomen bedekt, omdat daar nog een tropisch klimaat heerschte.
Langzaam en geleidelijk, doch steeds vooruitgaande, heeft zich van
eeuw tot eeuw het leven ontwikkeld en gesplitst. De ongewervelde
dieren der azoïsche periode hebben het aanzijn geschonken aan de
gewervelde dieren. Op de weekdieren zijn de visschen gevolgd, op de
visschen de kruipende dieren van het water, daarop de tweeslachtige
dieren, en uit de kruipende dieren zijn de vogels voortgekomen. Met
de vogelbekdieren en de buideldieren, uit de tweeslachtige dieren
voortgekomen, is de heerschappij der zoogdieren begonnen, die tijdens
het tertiaire tijdperk de wereld zijn gaan beheerschen. Wij zullen
thans de ontwikkeling dier klasse van hoogere dieren volgen, waaruit
de dikhuidige, de herkauwende, de verscheurende dieren, de knaagdieren,
de halfapen, de apen en de mensch zijn voortgekomen.
Wij geven hier (blz. 499) eene schets van het chronologisch verband
tusschen de ontwikkeling van het dierenrijk en de opvolging der
geologische tijdperken. Eén blik is voldoende, om die grootsche
geschiedenis te kunnen opbouwen. De tegenwoordige orden der
visschen bestonden reeds tijdens de krijtperiode, en waarschijnlijk
reeds vroeger; zij begonnen zich te vormen in de devonische en
de steenkoolperiode. De tegenwoordige orden der kruipende dieren
bestonden reeds vóór de eocene periode; hunne vorming is begonnen
in de permische periode. De tegenwoordige orden der zoogdieren zijn
eerst volledig tot ontwikkeling gekomen in de miocene periode; in het
eocene tijdperk begonnen zij zich eerst te splitsen en verschilden
zij nog slechts zeer weinig van elkander.
In de eocene formatie der Vereenigde Staten zijn de kruipende dieren
talrijk, hoewel zij vervallen zijn van den rang, dien zij in de
secundaire periode innamen. Men vindt geene landdinosauri meer,
en er vliegen geene pterosauri meer in de lucht: deze zijn met de
Jurazeeën en krijtzeeën, waarin zij leefden, verdwenen. Voortaan
nemen de krokodillen, schildpadden en hagedissen hunne plaats in,
en de slangen treden voor het eerst op het vasteland van Amerika
op. De krokodillen behooren reeds tot de tegenwoordige typen, reeds
een twaalftal soorten kunnen onderscheiden worden. Van de schildpadden
zijn reeds 43 soorten bekend. Men kent nog slechts zes eocene soorten
van slangen.
In de bezinksels der eocene zeeën heeft men verschillende roggen
gevonden, en daaronder den sidderrog of electrischen rog, dien men kan
herkennen aan zijne om het geheele lichaam gelegen vinnen. Men heeft
sidderroggen gevonden in de omstreken van Verona, op den berg Bolca,
die beroemd is door zijn groot aantal fossielen; zij zijn veel grooter
dan die, welke thans de Middellandsche zee bewonen. Die fossiele
wezens hebben thans hunne vertegenwoordigers bijna uitsluitend in de
zuidelijke zeeën; _de ostracion quadricornis_ b.v. is merkwaardig
door de vreemde ligging zijner oogen, die op horens bevestigd zijn
(fig. 277).
Ook te Aix (Provence) heeft men eene groote hoeveelheid fossiele
visschen. Men vindt daar vooral eene soort van karper (lebias
cephalotes), die zich van de overige karpers onderscheidt door zijnen
van tanden voorzienen bek. Die soort bestaat nog heden ten dage in
het zoetwater van Provence. Fig. 276 is gemaakt naar eene teekening
van Agassiz.
Tot de merkwaardigste visschen van dat tijdperk behoort de platax
altissimus (fig. 278).
De vogels, die wij voor het eerst in de gedaante van den archeopteryx
hebben zien verschijnen, scheiden zich thans voor goed van de
kruipende dieren. Fig. 279 stelt een merkwaardig afdruksel voor,
in de benedenlagen van den heuvel van Montmartre gevonden. Het zijn
de overblijfselen van een gevleugeld wezen, dat het voorkomen en den
bouw heeft van onze tegenwoordige vogels, en dat men den naam gegeven
heeft van den vogel van Montmartre.
Die vogel was niet bijzonder groot. De gastornis parisiensis echter, in
1855 door Gaston Planté in de eocene lagen van Mendon gevonden, moet,
zooals uit de gevonden tibia blijkt, eene zeer groote vleugelwijdte
gehad hebben.
Wij zullen zien, dat de vogels eerst in de miocene periode tot hunne
volle ontwikkeling komen. Zooals wij reeds hebben opgemerkt, zijn het
de zoogdieren, die kenschetsend zijn voor het tertiaire tijdperk. Wij
hebben vroeger reeds gesproken over hun eerste optreden in den vorm
van buideldieren. Die lagere zoogdieren zijn in Europa de voorgangers
der placentaire zoogdieren geweest; na daar in de secundaire periode
te hebben geleefd, zijn zij in de eocene periode zeldzaam geworden
en in het midden der miocene periode verdwenen. Waarschijnlijk zijn
verscheidene van deze in placentaire zoogdieren veranderd. Diegene,
welke geen verandering hebben ondergaan of niet verhuisd zijn, waren
in den strijd om het bestaan in ongunstige omstandigheden. Hoe groot
ook hun moed en hunne kinderliefde zijn, toch zijn hunne jongen,
zwakke en ontijdig ter wereld gekomen wezens, meer blootgesteld aan
de aanvallen der roofdieren dan de placentaire zoogdieren en vooral
de knaagdieren en dikhuidigen, die reeds zeer ontwikkeld ter wereld
komen. Bovendien kunnen de buideldieren met hunne jongen in hunnen
buidel of op hunnen rug geene rivieren oversteken zonder gevaar te
loopen ze in het water te zien stikken; de placentaire zoogdieren,
wier jongen genoeg ontwikkeld ter wereld komen om te kunnen loopen
en zwemmen, ondervinden diezelfde bezwaren niet. Daar de grasetende
dieren van veld tot veld moeten gaan om de planten te plukken, die
in ieder jaargetijde bloeien, moeten zij meer last gehad hebben van
zeearmen en stroomen dan de vleeschetende buideldieren; misschien is
dit één der redenen, waarom zij vroeger uit onze streken verdwenen
zijn, want opmerkelijk is het, dat men in onze tertiaire formaties
geen enkel grasetend buideldier gevonden heeft, en wel overblijfselen
van vleeschetende buideldieren.