Onze geest is door zijn vermogen, om de nauwe grenzen van ons

tegenwoordig leven te overschrijden, in staat om die lange krijtperiode

te omvatten, die misschien millioen jaren geduurd heeft.

Indien wij in onze gedachte verwijlen bij de neocomische periode en

de kusten onzer zeeën doorloopen, dan ontmoeten wij op verscheidene

plaatsen eene groote menigte dieren, door den oceaan op onze oevers

geworpen. Verschillende soorten zullen zich aan onzen blik vertoonen;

overal zullen wij de vreemde gedaanten der belemnieten ontmoeten,

en ammonieten en verschillende soorten van koppootige weekdieren.

Indien wij onze gedachten bepalen tot een later tijdstip,

het urgonische, van het vorige misschien door een tijdvak van

honderdduizend jaren gescheiden, en weder dezelfde plaatsen bezoeken,

dan bemerken wij tot onze verbazing, dat wij de koppootige weekdieren

niet meer terugzien, die in de neocomische periode één der sieraden

van de dierenwereld uitmaakten, en de oevers der zee door hunne

schitterende parelmoeren schelpen opluisterden; al die zoo sierlijk in

kamers verdeelde woningen zijn verdwenen, behoudens enkele weinige

sporen. Toch vinden wij nog hier en daar langs de kusten enkele

koraalbanken.

Indien wij honderdduizend jaren later, in de gaultperiode, dezelfde

kusten bezoeken, dan vinden wij daar groote hoeveelheden zeeëgels

en één- en tweekleppige weekdieren; wij zien weder geheel andere

koppootige weekdieren dan tijdens de neocomische periode, en geheel

nieuwe geslachten en soorten, zooals de turruliten en de helioceraten.

Zoo heeft die dierenwereld den stempel behouden van ieder der formaties

uit de krijtperiode. Indien wij gedurende die periode honderd maal

met tusschenpoozen van tienduizend jaren de oevers dier zeeën hadden

bezocht, dan zouden wij misschien de achtereenvolgende wijzigingen der

dierenwereld hebben kunnen volgen, en zouden wij het bewijs hebben

kunnen leveren, dat die verschillende vormen op velerlei wijzen met

elkander verbonden waren; dan zouden wij de ontelbare wezens, die men,

sedert zoovele eeuwen bedolven, heeft teruggevonden, levend hebben

kunnen aanschouwen. Bij de zoogdieren vindt men in die periode geen

vooruitgang; de minst ontwikkelde zijn soorten, die zooals wij zagen,

reeds in de liasperiode zijn opgetreden.

Wat ons het meest treft in de duizenden en tienduizenden eeuwen

der Jura- en krijtperiode, is zeker wel het feit, dat onmetelijke

tijdstippen op elkander volgen, zonder dat de natuur hoogere wezens

schept dan kruipende dieren. Wel neemt het aantal hagedisachtige

dieren toe; wel worden de dieren zelf grooter, doch het blijft steeds

hetzelfde type.

Toch bestond het type der zoogdieren en der vogels reeds, geschetst

als het was in de triasperiode; doch zij komen daar uiterst zeldzaam

voor. Indien zij zich niet hebben kunnen ontwikkelen, en de wereld

niet hebben kunnen veroveren, dan was daarvan niet de oorzaak, dat

de tijd voor hunne geleidelijke ontwikkeling te kort was, maar dat

de gedaante der aarde in die eeuwenlange periode niet veranderde. Het

vaste land bleef ongeschikt voor de bewoning.

Tevergeefs volgden de eeuwen op elkander: zij konden aan de levende

wezens niet het karakter van vastelandsdieren geven, daar de aarde

nog geen vastelandsvorm bezat. De kleine insectenetende knaagdieren

bleven op de eilanden der Juraperiode, wat hunne stamgenooten nog

zijn op de eilanden der Zuidzee. Hoogstens bereikten zij den trap,

waarop thans de kangoeroe's van Nieuw-Zeeland staan.

De verbrokkeling van het vasteland leverde eenen onoverkomelijken

slagboom op tegen de ontwikkeling der vastelandszoogdieren, want deze

kunnen alleen dan zich tot groote soorten verheffen, als zij een groot

veld vóór zich hebben. Als nomadische wezens moeten zij ruimte hebben,

om te trekken, als grasetende dieren hebben zij behoefte aan steeds

nieuwe weiden. Men kan zich de groote vleeschetende dieren niet denken

zonder kudden van grasetende dieren, en de laatste zijn niet denkbaar

zonder uitgestrekte grasrijke vlakten. Ieder levend wezen moet de

afspiegeling zijn van eenen bepaalden vorm zijner omgeving. De kameel

is niet te scheiden van de woestijn, het paard van de steppen, de gems

van de steile bergen, de olifant en de rhinoceros van de ontzaglijke

bosschen, de giraffe van de oasen, het rund van de maagdelijke vlakten,

de hippopotamus van de zoetwaterstroomen. Ieder dier zoogdieren komt

overeen met eene bepaalde gedaante der aarde, en te zamen onderstellen

zij eene zóó groote uitgestrektheid, als alleen het vasteland aanbiedt.

Indien men zich het vasteland ingekrompen denkt tot de grootte van een

eiland, zelfs al stelt men zich een groot aantal van die eilanden voor,

dan nog kan men zich binnen die enge grenzen het optreden der groote

zoogdieren niet denken, daar dit volstrekt niet in overeenstemming

zoude zijn met hunne omgeving. Zoolang de aarde nog den eilandvorm

behouden hoeft, om den vastelandvorm aan te nemen, zoolang kan de

dierenwereld zich niet van het kruipende dier tot het zoogdier,

en nog veel minder tot den mensch ontwikkelen.

Indien gij op een eiland de fossiele overblijfselen vindt van een groot

zoogdier, wees dan overtuigd, dat het er niet tehuis behoort en dat

het er van buiten is ingebracht, òf dat het eiland van een vastland

is losgeraakt. Reeds het feit alleen, dat men fossiele beenderen

van olifanten en rhinocerossen te Palermo gevonden heeft, bewijst,

dat Sicilië eertijds met het vasteland verbonden was. Men behoeft

daartoe niet eens de onderzeesche bezinkingen te onderzoeken. De

groote zoogdieren en de eilanden sluiten elkander uit.

Wij behoeven er ons dus niet over te verwonderen, dat de zeeën der

Jura- en der krijtperiode, geen nieuwe typen van levende wezens

hebben kunnen voortbrengen. Op de oppervlakte van al die op elkander

gelijkende eilanden, die het één na het andere uit het water verrezen,

moesten de kruipende dieren standhouden, die zich wel langzamerhand

vervormden, maar toch niet konden treden uit het kader, waarin zij

ingesloten waren.

Het einde der secundaire periode duidt dus het verdwijnen der oude

wereld aan, en het optreden eener nieuwe wereld. De fossielen worden

zeldzaam; versteende zoogdieren komen bijna niet voor. Het is de

schemering, die den dageraad voorafgaat. Hetzelfde is het geval met

de planten. Het aantal bekende plantensoorten is in de krijtperiode

niet meer dan 300. Nog altijd hebben varens en naaldboomen de

overhand. Doch spoedig zullen zij plaats maken voor nieuwe soorten. Het

karakter der planten uit de krijtperiode bestaat in het optreden der

tweezaadbollige, bedektzadige planten. Van dien tijd af vindt men in

de Europeesche flora twee verschillende typen, het ééne bestemd om

te verdwijnen of naar het zuiden te worden teruggedrongen, het andere

om de grondslag te worden van den plantengroei in midden-Europa. Zoo

komen de populieren, de beuken, het klimop, de kastanjes en de platanen

voor naast de palmen en de laurierboomen.

De naaldboomen uit de Juraperiode waren voor het meerendeel hooge

boomen. Enkele geleken op de araucaria's of behoorden inderdaad tot

die afdeeling, andere hadden het voorkomen van onze cipressen doch

met sterkere en zwaardere takken; andere eindelijk hadden slechts

onbuigzame takken en naakte of weinig vertakte stammen. De bladeren

dier laatste beperkten zich tot met knobbels bedekte, dicht bij

elkander gelegen schubben.

Ten tijde der wealdperiode, het begin der krijtformatie of als men

liever wil, het einde der oölithische formatie, ziet men op een aantal

plaatsen het land uit de zee te voorschijn treden; in Engeland, in het

noorden van Duitschland, in de Jura en elders beginnen de rivieren en

meren zich meer en meer uit te breiden. Het zijn de eerste aanwijzingen

van de omwenteling, die in de plantenwereld wordt voorbereid.

De ontwikkeling in de organische wereld, waaraan de tweezaadbollige

planten haar ontstaan en hare uitbreiding te danken hadden, heeft

plaats gegrepen gedurende de krijtperiode.

Overal kregen toen de tweezaadlobbige planten of loofboomen de

overhand; overal hebben de cycadeën en naaldboomen, die tot nu toe

de onbetwiste heerschappij hadden over het plantenrijk, de neiging

af te nemen en te wijken.

De tweezaadlobbige planten komen in grooten getale voor in het

cenomanische Duitschland, in Moravië, Saksen, Boheme, Silezië tusschen

49° en 50° N.B. Te midden dier streek, die toen in de nabijheid van

de golven eener noordelijke zee gelegen was, vertoonen de loofboomen

een merkwaardig mengsel van uitgestorven, van uitheemsch en tropisch

geworden, en van Europeesch gebleven soorten of ten minste van soorten,

die nog in het noorden buiten Europa voorkomen. De credneria is

een voorbeeld der eerste soort; de hymenea, die tot de peulvruchten

behoort, is een voorbeeld der tweede soort. Die typen, die van toen

af aan in hoofdtrekken gegrondvest waren, zijn na dien tijd bijna

niet meer veranderd.

De plataan, de beuk, de eik, de kastanje zijn zoowel in Amerika als

in Europa in de krijtformatie gevonden. Het zijn de voorloopers der

tegenwoordige plantenwereld.

De eerste palmboomen vindt men in Europa in de tweede helft der

krijtperiode; het spreekt vanzelf, dat wij hierbij geen rekening

houden met de verkeerde opvattingen omtrent de aanwezigheid dier

planten in de steenkoolperiode.

Nördenskjöld heeft eene cenomanische laag van landplanten ontdekt op

Groenland. Men vindt daar eene bamboessoort, eene cycadea, tropische

varens, gleichenia's en bedektzadige planten, waaronder vooral

eene populiersoort van de familie populus euphratica, en daarbij

vijgeboomen, magnolia's, enz. Dit merkwaardig geheel wordt voltooid

door pijnboomen, sequoia's, enz.; palmen komen er niet voor; deze

worden op dat tijdstip wel gevonden in Silezië en Provence. Hieruit

schijnt te mogen worden afgeleid, dat zich toen de klimaten in de

poolstreken begonnen te scheiden.

Saporta zegt: "Het gelijktijdig voorkomen der twee typen, die

elkander in onzen tijd schijnen uit te sluiten, had toen zijnen

grond. Niettegenstaande de warmte, die zeker getemperd werd door

de vochtigheid en die waarschijnlijk tamelijk gelijkmatig was,

konden zij in de beste harmonie te zamen leven. De grootte der

planten uit die periode wijst op eenen tijd, die zeer geschikt was

voor de ontwikkeling der plantenwereld, en daardoor hebben zich

de verschillende typen der tweezaadlobbige planten zoo snel kunnen

ontwikkelen. De meeste tweezaadlobbige planten zijn van dien tijd

afkomstig, en hadden van toen af aan het karakter, dat haar nog steeds

onderscheidt. De tweede helft der krijtperiode kan beschouwd worden

als het uitgangspunt van den plantengroei, die ons klimaat eigen is,

evenals de steenkoolperiode het uitgangspunt der geheele plantenwereld

is. Van de cenomanische periode af begint eene ontwikkeling, waaruit

nieuwe soorten in toenemende mate ontstaan.

"Het Europeesch klimaat is verscheidene malen gewijzigd, en daaruit

kan verklaard worden, hoe in den loop der tertiaire periode beurtelings

soorten met weinig en taai loof, beurtelings soorten met eenen rijken

bladerentooi gevonden worden. Hetzelfde heeft nog onder onze eigen

oogen plaats; de afwijkingen in de boomen op de ééne plaats of de

andere zijn het beeld van de afwijkingen, die het gevolg waren van

het verschil in tijd op dezelfde plaats. Dezelfde verschijnselen,

die wij thans opmerken, indien wij verschillende streken der aarde

vergelijken, hebben zich eertijds na elkander voorgedaan in den loop

der tijden. De wijze van werken der natuur is eigenlijk volkomen

dezelfde gebleven. Steeds heeft zij de organismen gewijzigd naar hare

omgeving, en onder den invloed dier omgeving is de kracht geboren,

die de veranderingen schept, waaraan ieder levend wezen onderworpen

is. Die kracht treedt des te sterker op, daar zij steeds voortwerkt

en haren invloed uitoefent op organismen, aan den grond vastgehecht,

zooals de planten, die daaraan onderworpen zijn, zonder zich door de

vlucht daaraan te kunnen onttrekken."

Fig. 273 stelt een landschap voor uit de krijtperiode, en wel tijdens

de cenomanische formatie. Men ziet, dat de wereld zich in de richting

van onzen tijd ontwikkelt. Het zijn niet meer de paardestaarten en de

calamiten der devonische periode, of de varens der steenkoolperiode

(blz. 284), de sigillaria's, de lepidodendrons (blz. 298) of de

haidingera's en de voltzia's der triasperiode. (blz. 330 en 354). Wij

naderen meer en meer tot het tegenwoordige type. Maar toch zijn het

nog niet onze tropische landschappen, noch onze bosschen met eiken,

beuken of olmen, of onze bosschages met linden, populieren of wilgen.

Toch zijn de nieuwere soorten reeds geboren. De sequoia's, de

pijnboomen, de bamboe's, de vijgeboomen, de magnolia's, de palmboomen,

de platanen, de populieren, de eiken, de linden, de kastanjes, de

beuken, de wilgen, het klimop bestaan reeds. De woonplaats van den

mensen wordt reeds gereedgemaakt. Men ziet, hoe de plantenwereld zich

evenals de dierenwereld regelmatig ontwikkeld heeft, en dat juist

tijdens de krijtperiode de tweezaadlobbige planten zijn overgegaan

in de hoogst ontwikkelde organismen van het plantenrijk. Van dien

tijd af hebben wij afwisseling van jaargetijden, boomen met in den

winter afvallende en in de lente zich weder vernieuwende bladeren. De

bewoners der oude bosschen zijn verdwenen. De wonderlijke iguanodons,

de vreemdsoortige reptielen met hunne fantastische vlucht, de

reuzenhagedissen, die geheel vormlooze, ruwe, weinig sierlijke

wereld is thans onder de fossielenrijke lagen begraven. Boven hunne

grafsteden kweelen de vogels, fladderen de insecten, vliegen de

vlinders en in die liefelijke omgeving beschijnen de zonnestralen

de eerste bloemen. Het ruwe gekrijsch van de monsterachtige dieren

wordt al zeldzamer en zeldzamer gehoord en wordt overstemd door

duizenden welluidende stemmen, die zich doen hooren onder den adem

der hartstochten. Op de afzondering der eerste wezens is het leven

in kudden gevolgd. Bij de buideldieren heeft zich het gevoel van

moederliefde ontwikkeld. Verstandige zorg voor hun kroost is de

levensvoorwaarde der vogels geworden. De planten zoowel als de dieren

zijn schooner geworden; spoedig zullen zij, naast schitterende bloemen,

saprijke vruchten opleveren. De warmte is meer gematigd, de lucht

is zuiverder, de hemel helderder. De aarde wordt volmaakter. De

menschheid ontwaakt weldra--binnen enkele duizenden eeuwen--met

hare hoogere neigingen, maar ook met hare dierlijke hartstochten,

die aan haren oorsprong herinneren, met hare nagels, tanden, wapenen,

haar oorlogsbudget en hare staande legers.

VIJFDE BOEK.

Het tertiaire tijdperk.

EERSTE HOOFDSTUK.

De Eocene Periode.

De jaren zijn op de jaren, de eeuwen op de eeuwen gevolgd; duizenden,

tienduizenden eeuwen zijn over de aarde heengegleden sedert den

oorsprong van het geschapene. Op de kosmische periode van de schepping

der planeet, toen het leven nog ontbrak, is de azoïsche periode

gevolgd, de tijd der laagst ontwikkelde organismen, der koplooze

dieren zonder zintuigen, der planten zonder bladeren en vruchten, eene

gevoellooze, stomme en blinde wereld. Langen tijd daarna verschenen

de iets meer ontwikkelde wezens der primaire periode, uit de eerste

voortgekomen: de weekdieren, de schaaldieren, de visschen, nog doof en

stom, doch niet meer blind. Wij hebben daarna de geboorte der kruipende

dieren en der boomen met blijvende bladeren gadegeslagen, die het

type waren der drie groote perioden van het secundaire tijdperk; en

reeds begroetten wij op het einde van dat tijdperk de verschijning

der vogel-reptielen, en die der oorspronkelijke zoogdieren, de

buideldieren. Zoo heeft ons de geschiedenis der schepping langzaam,

doch geleidelijk naar het voorportaal der tertiaire tijden gevoerd,

waarin wij thans binnentreden, en die zich kenmerken door de grootste

schrede op de baan van den vooruitgang, de verschijning der menschheid.

Het tertiaire tijdperk kan met één woord worden omschreven: het

is het tijdperk, waarin de voorwaarden voor het leven, dat tot

nu toe eenvormig was, zich zóódanig gesplitst hebben, dat zij de

verscheidenheid hebben voortgebracht, die het tegenwoordige tijdperk

kenmerkt. Op het einde der krijtperiode begon Europa, dat zich slechts

tot een klein centraal vastland beperkte en dat weinig verheffing

had, uit de zee op te rijzen. Met talrijke lotwisselingen zal die

beweging steeds duidelijker op den voorgrond treden en zullen hooge

bergketenen verrijzen. Terwijl in de nabijheid der Middellandsche zee,

de lagen in het algemeen het karakter eener zeeformatie behouden,

zal in de noordelijke streken de zee al meer en meer teruggedrongen

worden tot hare tegenwoordige grenzen. De warme luchtstreek zal, na

gedurende langen tijd haar gebied te hebben verdedigd, geheel naar

het zuiden terugwijken; spoedig zal het verschil in breedte tusschen

Provence en Engeland voldoende zijn, om eene geheel andere flora te

voorschijn te roepen, in afwachting dat de afkoeling aan de pool alle

planten terugdringt, die geene lange winters kunnen verdragen.

Het toenemen van het vasteland en de groote verscheidenheid in

de omstandigheden, die zich van nu af aan openbaart, brengt eene

gewichtige verandering teweeg in de planten- en dierenwereld. Men

ziet eene ingewikkelde verdeeling der organen, die evenzeer de hoogere

ontwikkeling van het lichaam kenmerkt, als de verdeeling van den arbeid

het kenmerk is van den vooruitgang in de beschaving. De zoogdieren,

die langen tijd niet tot hoogere ontwikkeling konden komen, ontwikkelen

zich van nu af aan bijzonder krachtig en nemen bezit van de aarde,

terwijl de plantenwereld, vóór den beslissenden inval der koude van

de poolstreken, eenen tot nu toe ongekenden luister verkrijgen. De

heerschappij der naaktzadige planten is geëindigd, de palmen en de

boomen met afvallende bladeren verkrijgen de overhand en zullen in

het midden der tertiaire periode hunnen hoogsten bloei bereiken. In

de zeeën spelen de koppootige weekdieren nog slechts eene zeer

ondergeschikte rol, de armpootigen zijn slecht vertegenwoordigd

en de ammonieten hebben hun laatste woord gesproken. Daarentegen

komen de plaatkieuwige dieren in grooten getale voor, en met deze de

buikpootige weekdieren, wier ontwikkeling samenhangt met het karakter

van de meeste formaties, die in dien tijd boven water gestegen zijn. In

de eigenlijk gezegde zeestreken bloeien de foraminiferen, ten minste in

het begin der periode; zij bouwen de kalklagen, die den tertiairen vorm

der binnenzeeën bepalen, zooals de banken, door de rudisten gebouwd,

den secundairen vorm bepaalden. De verschillende diersoorten bepalen

zich meer en meer tot bepaalde streken onder den invloed van uitwendige

omstandigheden, die al meer en meer verschillend waren.

Tegelijkertijd ontwaakt weder de vulkanische kracht, die eeuwenlang in

rust was gebleven, en deze geeft over de geheele aarde het aanzijn aan

grootsche natuurverschijnselen, waarvan onze vulkanische verschijnselen

slechts eene zwakke echo zijn. De oude scheuren in de aardschors openen

zich weder; nieuwe kloven ontstaan, op wier wanden de uit het inwendige

der aarde afkomstige stoffen worden afgezet, en wel voornamelijk het

goud en het zilver. Het is, alsof de aarde aanstalten maakt, om hem

waardiglijk te ontvangen, die als heer der aarde moet heerschen.

Het is de periode der vulkanische verschijnselen; voor het eerst zijn

de gesteenten met bellen en blazen voorzien, en zijn zij vergezeld van

asch en slakken, getuigen van eene krachtige gasontwikkeling. Op het

einde der periode komen de kraters te voorschijn. In Frankrijk opent

zich de centrale bergvlakte en verschaft zij eenen doorgang aan het

bazalt en het trachyt. Daaruit bestaan nog thans in Auvergne de bergen,

zooals de Puy-de-Dôme en de Mont-Doré, die eene hoogte hebben van 1500

tot 1800 meters. Hetzelfde is over de geheele aarde het geval. In

Europa zijn het de centrale vlakten van Duitschland, Hongarije en

Zevenbergen, waar de uitbarstingen het sterkst geweest zijn.

De schommelingen van den bodem, die onophoudelijk plaats grepen,

nog meer dan in de onmiddellijk voorafgaande periode, openbaren zich

door tallooze afwisselingen van zout- en zoetwater tijdens de geheele

tertiaire periode. In het begin van het tijdperk had het vasteland

ongeveer den ouden vorm behouden, en herkent men nog de drie Fransche

bekkens, wier landengten iets in breedte zijn toegenomen; doch spoedig

is het vasteland voor goed uit de zee verrezen en verkrijgt het zijnen

tegenwoordigen vorm. In dat tijdperk hebben de Alpen, de Himalaya en

de Cordillera's hunne reusachtige hoogte verkregen.

De tertiaire gesteenten zijn zeer verschillend. Zij bestaan uit meer

of minder zuiver zand, somtijds zóó saamgepakt, dat het zandsteen

van verschillende vastheid vormt; verder bestaan zij uit mergel,

klei en kalksteen. Gips, steenzout, ijzerhoudende mineralen,

zwavel, kiezelhoudende klompen, bruinkool, komen in grooten getale

voor. Verscheidene steensoorten zijn rechtstreeks uit de diepten

der aarde afkomstig, waarvan zij in meer of minder beperkte bekkens

uitgeworpen zijn: dit is het geval met het zand, de klei en de

ijzersteenen der Berner Jura. Terwijl de tertiaire lagen over het

algemeen horizontaal zijn en in haar geheel zijn gebleven, vindt men

ze alleen verbroken en opgeheven in de bergen. De dikte der tertiaire

formatie bedraagt somtijds meer dan 3000 meters, doch misschien komt

zij nergens volledig voor.

In het tijdperk, toen zich die tertiaire formatie vormde, welke aan

Frankrijk, dat toen nog met Engeland verbonden was, ongeveer zijnen

tegenwoordigen vorm gaf, krijgt de planten- en dierenwereld hare

laatste ontwikkeling. Geheel vrij geworden van de oude vormen, die

aan de vorige tijdperken eigen waren, gelijken de planten en dieren

zóózeer op die van onzen tijd, dat men terecht heeft kunnen zeggen,

dat wij nog altijd in de tertiaire periode leven. Wij zijn er trouwens

beter mede bekend dan met die der vorige tijdperken en zij bevatten

een groot aantal typen, die niet zijn bewaard gebleven in de oudere

formaties, waarin zij waarschijnlijk reeds bestonden.

De kruipende en tweeslachtige dieren naderen tot die van onzen

tijd, vooral de kikvorschen en de salamanders; schildpadden,

krokodillen, hagedissen en slangen treden het laatst op, als

gewijzigde afstammelingen der oude hagedissen. De vogels hebben

talrijke overblijfselen achtergelaten.

De zoogdieren drukken echter op de dierenwereld der tertiaire periode

hunnen eigenaardigen stempel. Al de orden der zoogdieren komen er in

voor. Eerst de dikhuidigen, die tot uitgestorven geslachten behoorden,

en enkele verscheurende dieren, enkele vleugelhandigen en knaagdieren;

vervolgens verschijnen de snuitdieren, vinpootige dieren (zeehonden

enz.), meerdere knaagdieren, insecteneters, vierhandigen en zeer

waarschijnlijk de tweehandigen.

De tertiaire periode is dus de periode, waarin voor goed het vasteland

ontstond; wij moeten hier echter nog bijvoegen, dat de verschillende

lagen dier formatie een zóó groot tijdsverloop voorstellen, dat men

mag aannemen, dat de verdeeling van land en zee daarom nog niet over

de geheele aarde standvastig is gebleven. De bodem is overal in het

begin van het tijdperk onderworpen aan onophoudelijke schommelingen,

die eerst de golven in lagunen veranderd hebben en ze daarna hebben

drooggelegd. Het water van den dampkring, dat zich ophoopte in de

bekkens, heeft meren gevormd, waaromheen zich een rijke plantengroei

ontwikkeld heeft, die verwant was aan dien onzer tegenwoordige

bosschen. Die toestand heeft voortgeduurd, totdat eene beweging in

tegengestelden zin het zeewater weer terugvoerde naar de plaatsen,

die het eertijds bespoelde. Die afwisselende rijzingen en dalingen

hebben het vasteland langzamerhand zijnen tegenwoordigen vorm gegeven.

De Wereld vóór de schepping van den mensch · 第 27 / 40 段