Indien men een stukje krijt onder den mikroskoop beschouwt, dan

ziet men daarin niet meer een vormeloos en grof poeder, maar alle

korrels nemen eene regelmatige gedaante aan. Fig. 251-253 bestaan

uit stukjes schelp, mikroskopische ammonieten en een geheel heir

foraminiferen. Die geheele wereld der oude wateren komt onder den

mikroskoop te voorschijn; eene geheele krijtrots is niets anders dan

eene eeuwendurende opeenhooping van die zeedieren uit eene andere

periode der aarde!

De schelpen der foraminiferen vormen alleen reeds geheele ketenen van

hooge rotsen en uitgestrekte banken van bouwmateriaal. De foraminiferen

zijn zeeschelpen, waarvan de grootste hoogstens twee millimeters groot

zijn, en waarvan men meer dan 800 verschillende soorten heeft leeren

kennen! Hoevelen van die kleine wezens waren er niet noodig, opdat

hunne opeengestapelde overblijfselen zoo uitgestrekte krijtbanken

konden vormen! De grofkalk uit de omstreken van Parijs is op sommige

plaatsen zóó vol van die overblijfselen, dat een cubieke centimeter

uit de groeven van Gentilly er minstens 20000 bevat; dit geeft dus

20 milliard op 1 cub. meter.

Indien wij een huis voorbijgaan, dat afgebroken wordt, of een huis in

aanbouw, en wij omgeven zijn door een stofwolk, die ons in de keel

dringt, dan verzwelgen wij dikwijls zonder het te weten honderden

van die kleine wezens. Men geeft aan die mikroskopische fossielen

ook wel den naam van _miliolae_; hun volume overtreft zelden dat Van

eene gierstkorrel.

De Egyptische pyramiden zijn eveneens gebouwd uit dezelfde steensoort

en rusten op eene basis van nummulietenkalk. Wij zagen reeds vroeger,

dat de ouden de brokstukken, die aan den voet neervielen, voor

versteende linzen aanzagen. De naam van nummulieten is afgeleid uit

hunne overeenkomst met kleine muntstukjes.

De foraminiferen hebben dus een gedeelte van den grond afgescheiden,

waarop wij loopen, van de huizen, die ons beschutten, en van de

gebouwen, die wij aan de nakomelingschap nalaten. Ieder diertje

heeft zijn korreltje geleverd, ieder type heeft een onmerkbaar

laagje afgezet. De soorten, die nog thans leven, maken rustig, op den

bodem van den Oceaan, het bouwmateriaal gereed, dat voor toekomstige

geslachten dienst moet doen.

Ehrenberg, die duizenden monsters slijk onderzocht heeft, in alle zeeën

opgezameld, heeft onder andere ook de modder bestudeerd, die op eene

diepte van 300 tot 500 meters is opgevischt bij gelegenheid van de

peilingen ten behoeve van eenen transatlantischen kabel. Dikwijls vond

de Berlijnsche natuuronderzoeker in de schelpen, die bij de peilingen

opgehaald werden, overblijfselen van het zachte deel van het dier. Hij

leidt daaruit af, dat die dieren ook werkelijk op die groote diepte

leven, en dat hunne verbazend snelle vermenigvuldiging het middel is,

waardoor geleidelijk de onderzeesche valleien effen gemaakt worden.

De grootste van alle foraminiferen, de nummulitidae, hebben eene

belangrijke rol gespeeld in verschillende geologische periodes. Men

vindt ze in ontzaglijke hoeveelheden in de secundaire en tertiaire

formaties, en zij kwamen in zóó grooten getale voor in de zeeën,

die eenige onzer vaste landen bedekten, dat hunne kalkschilden alleen

reeds hooge bergen vormen.

Over eene groote uitgestrektheid vormen die schelpen de geheele

Arabische keten, die langs den oever van den Nijl loopt; zij zijn

daar zeer talrijk en dicht opeengehoopt. In verscheidene gedeelten

van Opper-Egypte bestaat de bodem van de woestijn uit eene dikke

laag nummulieten, waarin de voeten van reizigers en kameelen een

eind inzakken.

De bodem van de stad Richmond en de omringende streken in den staat

Virginia, bestaat uit eene laag fossiele diatomeën van bijna tien

meters dikte, behoorende tot soorten, die nog thans in de IJszee leven.

Daarentegen heeft men in de zoetwatermeren van West-Afrika, zoodanige

levende organismen ontdekt, van eene soort, die in fossielen toestand

in Zweden en Noorwegen onder den naam van mineraal meel bekend is.

Het oude hertogdom Luneburg wordt gewoonlijk beschouwd als eene

zandvlakte; doch dit is slechts voor enkele aan de oppervlakte gelegen

gedeelten het geval; de formaties, op eenige diepte gelegen, bestaan

over honderden vierkante mijlen uit eene laag diatomeën, die 10 tot

20 meters dik is. De laag diatomeën van Brandenburg, waarop de stad

Berlijn gebouwd is, is nog dikker; zij is op enkele plaatsen 40 tot

50 meters dik; maar zij is niet zoo zuiver als die van Luneburg;

men vindt daarin vele andere organismen en ook anorganische stoffen.

De tripelaarde, ook bekend onder den naam van mineraal meel, die

vooral in de omstreken van Bilin in Boheme gevonden wordt, is niets

anders dan eene verzameling kiezelrijke schelpen van mikroskopische

wezens. Alexander von Humboldt verhaalt zelfs, dat enkele volksstammen

der Antillen daarvan eene lekkernij bereiden, die bestaat uit kleine

rolletjes van een deeg, uit die infusiediertjes samengesteld en boven

het vuur gedroogd, om er eene soort van koek van te maken.

Die mikroskopische wezens zijn over de geheele aarde verspreid,

van de polen tot den evenaar. Al de organische wezens van onzen

tijd verschillen naar de klimaten; de diatomeën daarentegen schijnen

noch den invloed der warmte, noch dien der koude te ondervinden: de

soorten in China en Japan gevonden, zijn volkomen dezelfde als die,

welke in de Baltische zee leven. Nieuw-Holland, waarvan de organische

voortbrengselen zóózeer onderscheiden zijn van die van de oude wereld,

bezit soorten, die zoowel verspreid zijn in de verzengde streken

van Afrika en Azië, als in de koude streken van Europa en Amerika;

de soorten, die men ontdekt heeft in de warme bronnen van Carlsbad,

vindt men ook in de nabijheid der polen; die, welke op de oppervlakte

der zee leven, zijn eveneens, door middel van het dieplood, op eene

diepte van 600 meters gevonden, waar zij onder eene drukking van 60

atmosferen stonden.

Wij zagen vroeger, dat de oudste lagen der aardschors, die, welke

dadelijk na de afkoeling der oppervlakte door de nog kokende

zee zijn afgezet, reeds diatomeën bevatten, die overeenkomen

met de nog thans levende soorten. De ontzaglijkste dieren der

voorwereld, de atlantosauri, de brontosauri, de monsterachtige

krokodillen en vliegende hagedissen, de mammouths, zij allen

zijn thans verdwenen, zonder eenig ander spoor na te laten dan

hunne fossiele overblijfselen. De mikroskopisch kleine diatomeën

daarentegen hebben alle omwentelingen der aarde, alle gevechten der

ontketende elementen overleefd: hare afstammelingen bevolken nog

dezelfde zeeën, die de beenderen der reusachtige dieren verzwolgen

hebben, waarvan geen enkele is overgebleven, om zijn geslacht voort

te planten. Terwijl eenerzijds de bijzondere kleinheid der diatomeën

haar weerstandsvermogen verklaart, zoo kunnen wij anderzijds uit haar

ongeloofelijk sterk voortplantingsvermogen hare beteekenis begrijpen

voor de huishouding der natuur.

Die wezens planten zich door deeling voort. Uit één dier lichaampjes

vormen zich plotseling twee, waarvan elk grooter wordt, op hunne

beurt splitsen deze zich weder, en zoo voort, zoodat men heeft kunnen

waarnemen, dat ééne enkele diatomeë in 48 uren een millioen dier

wezens kan voortbrengen, en in 4 dagen 150 milliard. Doch zij leven

niet lang; hunne overblijfselen blijven echter bestaan. Niet altijd

echter heeft de voortplanting zoo snel plaats; toch kan men haar

somtijds met het oog volgen. De modder, die zich in de haven van Pilau

(bij Koningsbergen) afzet, bestaat voor de helft uit mikroskopische

organismen; daardoor moet de haven voortdurend onderhouden worden,

daar de nieuwe bezinkingen jaarlijks 14000 cubieke voeten bedragen. Als

men daarin niet voorzag, zou de haven spoedig niet meer bevaarbaar

zijn, daar men binnen eene eeuw daarin eene laag diatomeën van 1 1/2

millioen cubieke meters vinden zou.

In het zeezand vindt men dikwijls kleine schelpen; reeds in de eerste

jaren der vorige eeuw, gaven zich twee Italiaansche geleerden,

Bianchi en Beccaria, de moeite, om het aantal schelpen te tellen,

die in een ons zand der Adriatische zee, in de nabijheid van Bologna,

gevonden werden; zij vonden daarin 1120. Beccaria toonde aan, dat

geheele heuvels vastland, ten zuiden van Bologna, uitsluitend uit die

schelpen gevormd zijn. Maar in dien tijd, toen men gewoon was alle

dergelijke verschijnselen op rekening van den zondvloed te stellen,

begreep men de beteekenis van dat feit volstrekt niet.

In den loop dezer eeuw, lang vóór de peilingen, voor het leggen

van den transatlantischen kabel gedaan, had men gevonden, dat een

groot gedeelte van den bodem van den Atlantischen Oceaan uit een

bezinksel bestond, dat thans bekend staat onder den naam van modder

van _globigerinen_. Het bestaat uit schelpen van kleine foraminiferen,

die voornamelijk behooren tot het geslacht _Globigerina_; in drogen

toestand geleek die modder veel op fijn zand; de kleine schelpen, die

gemakkelijk van elkander genomen konden worden, maakten het duidelijk,

dat het bezinksel grootendeels daaruit was samengesteld. Indien men,

door middel eener daarvoor speciaal uitgedachte methode, monsters

haalde uit een dieper gelegen deel van den bodem, vond men gebroken

schelpen der globigerinen, die vast aan elkander gehecht waren, zoodat

zij een gelijkmatig slib vormden, waarin men nog een groot aantal

ongebroken schelpen en goed herkenbare stukken kon onderscheiden. De

geheele massa bestond bijna uitsluitend uit koolzure kalk, en het

eenige gesteente, dat daaruit zou kunnen voortkomen, zou kalksteen

kunnen zijn. Uit deze waarnemingen heeft men de gevolgtrekking

afgeleid, dat zich over eene groote uitgestrektheid van het

noordelijke gedeelte van den Atlantischen Oceaan en op verscheidene

andere gedeelten van de aardoppervlakte, kalksteenen van die soort

moeten hebben afgezet. Andere waarnemingen hebben aangetoond, dat

het bijna dezelfde stof was, waaruit het krijt bestond, en het is

ontwijfelbaar zeker, dat het bezinksel, dat nog steeds afgezet wordt,

volkomen hetzelfde is als krijt.

Die kleine wezens hebben eene veel krachtiger werking uitgeoefend dan

de ontzaglijkste plutonische en vulkanische krachten. De laatste hebben

niets anders kunnen uitrichten, dan hetgeen reeds bestond van het

middelpunt naar de oppervlakte te brengen, of wel het te vernietigen

of omver te werpen. De poliepen daarentegen bouwden, _schiepen_ en

vervormden langzaam doch onophoudelijk, in den loop van millioenen

jaren, de gedaante der planeet. Von Schleiden zegt daaromtrent

volkomen juist: "De wijzigingen der aardoppervlakte zijn gedeeltelijk

het werk van dieren en planten, waarvan men ten onrechte meent, dat

de bestemming alleen is, door de aarde gedragen en gevoed te worden;

en het zijn niet de ontzaglijke gevaarten, zooals de walvisschen en

olifanten, of de hooge eiken en boababs, maar de poliepen zoo groot

als een speldenknop, de polythalamen, met het bloote oog onzichtbaar,

de kleinste mikroskopische planten, in de moerassen verborgen, die

den grootsten invloed hebben uitgeoefend op den bouw der aarde."

Met bewondering beschouwen wij eene lange rij bergen, met bosschen van

eiken en beuken bedekt, en wij gaan met minachting het groenachtige

schuim van eenen stilstaanden waterpoel voorbij; en toch beweegt

zich in dat geminachte schuim eene wereld van kleine wezens, die de

bergen bouwen. Zoo is het ook in de zee, waar eene onuitputtelijke

voortbrengende kracht zonder tusschenpoozen de rotsen bedekt met

wezens, die zelf weer nieuwe rotsen bouwen, en die wezens zijn zóó

klein, dat zij zich aan het menschelijke oog onttrekken.

Het krijt is dus een voortbrengsel van het organische leven. Het

bestaat uit vormlooze kalkdeeltjes, waarmede een groot aantal

mikroskopische schilden van foraminiferen verbonden zijn, die

vooral tot het geslacht globigerina behooren. Doch er is eene groote

verscheidenheid in de samenstelling van het krijt; nu eens is het

verbonden met klei en wordt het dan _mergel_, dan weer is het met

groene ijzerhoudende korrels verbonden (groenzand). Als het hard en

vast is, noemt men het wit krijt, als het geel en zandig is, noemt

men het tufkrijt.

In het krijt komen nog enkele vreemde stoffen voor, waaronder het

kiezel en het zwavelijzer. Het kiezel komt veel voor in het witte

krijt, dat het bovenste gedeelte van de krijtformatie uitmaakt. Men

vindt het daar als knobbelige klompen, in gordels, die op één of twee

meters in de krijtmassa van elkander verwijderd zijn. Dat kiezel is

afkomstig van de ontleding van organische kiezelhoudende lichamen,

zooals de sponzen.

Ook de kleur verschilt: de ééne krijtsoort is grijs, de andere lichter,

enkele zijn zelfs geheel zwart.

Het zwavelijzer komt dikwijls voor in den vorm van staafjes of

bolletjes van vezelachtigen bouw, goudgeel (geel pyriet) of zilverwit

(wit pyriet).

Al behoeft men niet aan te nemen, dat het krijt op groote diepte

gevormd is, toch is het zeker, dat de bezinking aan geene beroeringen

was blootgesteld, en dat de naburige oevers er niets bij aangebracht

hebben. Die bezinking heeft overigens uiterst langzaam plaats gegrepen;

het is immers niet zeldzaam, zeeëgels te vinden, op wier schaal zich

crania's (tot de armpootigen behoorend) hebben ontwikkeld om op hunne

beurt na den dood van de zeeëgels te dienen tot aanhechtingsvlak van

serpuleae (kalkkokerwormen). Verschillende geslachten van zeedieren

zijn dus op hetzelfde punt op elkander gevolgd, vóórdat zich op den

bodem eene eenigszins dikke krijtlaag had afgezet.

De dierenwereld uit de krijtformatie is de voortzetting van de

Jurafauna, met eene neiging tot ontwikkeling, die eerst in de

tertiaire periode tot haar recht komt. Men kent reeds 6000 soorten,

die kenmerkend zijn voor die periode. De secundaire typen hebben de

overhand, maar op het einde treden reeds de tertiaire typen op. Wij

zien hier weder diezelfde wet van geleidelijken overgang, die wij

gedurende onze geheele studie hebben leeren kennen.

Onder de lagere klassen der dierenwereld hebben wij reeds de aandacht

gevestigd op de groote en merkwaardige ontwikkeling der foraminiferen,

die op die der poliepen en sponzen der korallische formatie volgde. De

koralen bouwen in onze streken geene riffen meer, en op het einde

der krijtperiode verlaten zij de noordelijke zeeën geheel en al,

hetgeen wijst op eene verlaging van temperatuur. De zeesterren

handhaven zich langer; de zeeëgels gaan vooruit (wij wijzen onder de

karakteristieke schelpen dier formatie op den micraster cor-anguinum

(fig. 255), dien men in het bekken van Parijs in grooten getale

vindt). De bryozoën (mosdieren) nemen, vooral in de hoogere lagen,

in aantal toe. De armpootige weekdieren brengen nieuwe soorten voort,

vooral de terebratulinae, waarvan verschillende soorten nog in onze

diepe zeeën voorkomen (fig. 256-258). Enkele lagen zijn rijk aan

oesters. De koplooze en buikpootige weekdieren ontwikkelen zich

eveneens, en geven het aanzijn aan de merkwaardige familie der

rudistae, die alleen voorkomen in de krijtformatie.

De rudistae zijn vreemdsoortige weekdieren, die het geduld en het

verstand der natuuronderzoekers niet minder op de proef gesteld

hebben dan de belemnieten. Hunne massieve en onregelmatige schelp

gelijkt op eenen uitgerekten horen; het geheel is bezaaid met

buisvormige openingen De voornaamste geslachten der rudistae zijn

de hippuriten, de spheruliten, de radioliten, de caprinen en de

caprotinen (fig. 259-260). Zij leefden dikwijls in koloniën, die

uitgestrekte banken vormden, waar individuen van alle tijden zich aan

elkander vasthechtten. Zij komen in grooten getale voor in het krijt

in het zuidwesten van Frankrijk en worden uiterst zelden boven 45°

N.B. gevonden, een nieuw bewijs voor de waarschijnlijke verlaging der

temperatuur. Men vindt nog thans prachtige typen dier oude riffen,

zooals zij zich gevormd hebben onder den invloed der onderzeesche

stroomen, die groote hoeveelheden van die wezens op bepaalde punten

ophoopten. Merkwaardig is die verzameling van nog loodrecht staande

rudistae, die men op zichzelf of in groepen tegen de helling van

sommige bergen in Provence vindt. Het is, alsof de zee nog eerst

onlangs teruggetrokken is, en zóó de onderzeesche dierenwereld,

zooals zij toen leefde, ongedeerd voor onze oogen toovert. Men

vindt daar ontzaglijke groepen hippuriten, omgeven door poliepen,

zeeëgels, weekdieren, die in die dierlijke koloniën vereenigd leefden,

overeenkomende met die, welke op de koraalriffen der Antillen en

Oceanië leven. Die verzameling kan alleen dan voor ons behouden

gebleven zijn, indien zij plotseling bedekt is geworden met bezinksels,

die thans, nu zij onder den invloed van den dampkring vernietigd

worden, die wereld der oude tijden weder voor ons blootleggen.

De ammonieten bereiken thans hunne hoogste ontwikkeling en vertoonen

eenen overvloed der meest verschillende typen. Het geslacht _ammonites_

heeft evenals in de Juraperiode de overhand; het zoude ons te ver

voeren, indien wij zelfs de voornaamste vormen wilden beschrijven;

wij noemen dus alleen den ammonites inflatus (fig. 261) en den

ammonites radiatus (fig. 262), die tot de merkwaardigste kunnen

gerekend worden. Zij verdwijnen van nu af aan voor goed. De belemnieten

worden nog vertegenwoordigd door de geslachten actinocomax (fig. 263)

en belemnitella mucronatus (fig. 264). Boven de krijtformatie vindt men

geene ammonieten of belemnieten meer, zoodat men uit de aanwezigheid

dier fossielen reeds met zekerheid kan besluiten, dat eene formatie

niet ouder is dan het trias of jonger dan het krijt. Terecht, ziet men,

beschouwen de geologen de schelpen als de herinneringsmedailles van

de groote tijdperken in de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde. Hij,

die eene belemniet zou vinden in de steenkoolformatie, zoude eene

ontdekking doen, even vreemd, als wanneer men in een handschrift van

Cicero een Fransch woord vond. Het is een onmogelijk anachronisme.

Evenals in de Juraperiode vormen de weekdieren ook nog in de

krijtperiode het belangrijkste deel van de bevolking der zeeën. De

koppootigen wedijveren in aantal met die der Juraperiode; indien de

ammonieten niet in zóó grooten getale voorkomen, zijn daarentegen

de nautili veel talrijker geworden; met de turruliten, baculiten,

ptychoceraten en hamiten verschijnen geheel nieuwe soorten. De

talrijke vormen van die groep met rechte, gebogen of aan het uiteinde

omgekrulde schelpen zijn het kenmerk der krijtperiode. Reeds tijdens de

Juraperiode vindt men hieronder eene groote verscheidenheid van vormen;

die verscheidenheid blijft nog tijdens de krijtperiode voortduren, en

zelfs komen er nog nieuwe typen bij. De ammonieten zijn niet alleen

spiraalsgewijze in één vlak gewonden, zooals in de Juraperiode;

zij krijgen in de krijtperiode ook nog de gedaante van horens,

staven en van schelpen met wenteltrapvormige of slakkenhuisvormige

windingen. Vóórdat die weekdieren dus van het tooneel verdwenen,

hadden zij nog eene groote verscheidenheid van vormen.

Onder de hooger ontwikkelde dieren kan men de langzame verandering

der visschen en der kruipende dieren waarnemen. De glansschubbige

visschen geraken in verval en hebben plaats gemaakt voor de beenige

visschen. De kruipende dieren, die de Juraperiode gekenmerkt hebben,

sterven langzamerhand uit. In de tweede helft der krijtperiode

vindt men geene ichthyosauren, plesiosauren of pterodactyli

meer. De dinosauri worden nog vertegenwoordigd door de iguanodons,

de megalosauri, de hyleosauri, de pelorosauri en vooral door de

reusachtige _mosasauri_. De krokodillen, de afstammelingen der

hagedissen uit de Juraperiode, verschijnen thans, om tot op onze

dagen te duren.

De visschen en de amphibiën schijnen niet talrijk geweest te zijn,

hoewel men hier en daar enkele overblijfselen vindt. Onder de

eerste zijn de haaien merkwaardig; men heeft daarvan zes soorten in

Zwitserland ontdekt; zij behooren tot geslachten, waarvan enkele nog

thans voorkomen, zooals de oxyrhina en de odontaspis; andere behooren

tot de geslachten otodus en corax, die alleen in het krijt en in de

tertiaire zee voorkomen. Wij vinden de glansschubbigen evenals in

de Juraperiode vertegenwoordigd door het geslacht pycnodus met vijf

soorten; ook vindt men de geslachten sphaenodus en gyrodus.

Pictet heeft vier soorten van visschen beschreven, die op haringen

gelijken, en die hij gevonden heeft in de neocomische lagen; zij zijn

verwant aan de geslachten elops en megalops der tropen. De visschen

der krijtperiode wijken af van die der Juraperiode en naderen tot de

tegenwoordige fauna.

De kruipende dieren uit de zee voleindigen hunne regeering. Indien een

waarnemer en denker uit dien tijd de streken had kunnen aanschouwen,

waar thans Parijs schittert, en had kunnen doordringen in de diepte

der zee, waarin zich de krijtbanken afgezet hebben, die wij in de

doorsnede der artesische put van Grenelle hebben leeren kennen, dan

had die voorlooper der toekomstige menschheid in die wateren de oude

visschen dier periode kunnen zien, de macropoma, den gyrodus, den

belenostomus, den lepidotus, tegelijk met de koppootige weekdieren,

de hippuriten, de zeeëgels, de sponzen, die een leven leiden,

dat niets doet vermoeden van de toekomstige bestemming der aarde,

en die beheerscht worden door de reusachtige kruipende dieren aan

de oppervlakte, zooals den beroemden _mosasaurus_, die reeds vroeger

beschreven is en die tot in de laatste tijden der krijtperiode blijft

heerschen. Fig. 268 geeft daarvan een denkbeeld.

De vogels nemen langzamerhand bezit van de lucht. Op den archeopteryx

der Juraperiode volgen de tandvogels, waarmede wij reeds kennis

gemaakt hebben, de ichthyornis, de hesperornis enz.

De oudste en best gekende van die oorspronkelijke vogels is de

hesperornis regalis. Hij schijnt in het midden der krijtperiode

tamelijk veel te zijn voorgekomen. Het was een watervogel. Hij bewoonde

de oevers der zee, die zich toen over Noord-Amerika uitstrekte; hij

was zeer groot en moet geleken hebben op eenen grooten pinguin. Zijne

vleugels beperkten zich tot één enkel naaldvormig been, dat het

sleutelbeen voorstelt; zijn plat borstbeen zonder kam geleek op dat

der struisvogels, en zijn schouderblad herinnert aan de dinosauri. De

achterste ledematen, met hunne met zwemvliezen voorziene pooten, waren

bijzonder sterk, en hij had eenen stevigen staart, die, met zijne

twaalf zijdelings uitgestrekte wervels, een krachtig bewegingstoestel

moet gevormd hebben.

De bek was puntig als die van den duikelaar of de ooievaar. De

bovenkaak bevatte veertien tanden, zonder tanden op de voorkaak,

de benedenkaak daarentegen had tanden over den geheelen rand, aan

iederen kant 33, en de twee helften, door een kraakbeenig gewricht

vereenigd, konden zich uitzetten, waardoor het dier in staat was groote

lichamen te verzwelgen, zooals dit ook bij de slangen het geval is. In

hoofdzaak kwam het dier met de kruipende dieren overeen: de tanden

zijn met stevige wortels in eene gemeenschappelijke groeve ingeplant;

zij zijn met een glad glazuursel bedekt, en zijn kegelvormig met een

punt naar achteren, zoodat zij evenals de kruipende dieren geschikt

zijn, om het voedsel te grijpen, niet om het te kauwen.

Ook de schedel had wegens zijne geringe afmetingen groote overeenkomst

met dien der kruipende dieren.

Wij moeten nog den ichthyornis noemen, die nauw verwant was met

den hesperornis regalis. De kenmerken, waarin hij van den laatste

verschilt, doen hem juist tot onze tegenwoordige vogels naderen. Hij

behoort door zijnen kleinen schedel en door zijne dubbel-holle

wervels tot de kruipende dieren, maar overigens heeft hij alle

eigenschappen van eenen vogel. In het bijzonder heeft hij goed

ontwikkelde vleugels. Hij is niet grooter dan eene duif of eene raaf,

en hij komt overeen met onze zeezwaluwen.

De vergelijking van die oorspronkelijke vogels zou ons tot de meening

doen overhellen, dat zij niet van éénen tak der kruipende dieren,

maar van verschillende afstammen.

De Wereld vóór de schepping van den mensch · 第 26 / 40 段