oudste onder de fossielen, verschaft ons veel licht omtrent den
oorsprong der soorten. Ieder dier verandert, om zich aan te passen
naar de gewijzigde levensvoorwaarden. Dit is evenzoo het geval
geweest met de blind geworden insecten, die in holen leven; hunne
haren zijn langer geworden, daar de tastzin in de plaats van den
gezichtszin is getreden. Doch keeren wij terug tot de Juraperiode en
voltooien wij hare beschrijving. Wij hebben de geheele bevolking dier
periode besproken, wij moeten nog alleen de weekdieren en de lagere
dieren bespreken, die nog steeds, niettegenstaande den vooruitgang,
zijn blijven voortbestaan. En waarom zouden zij ook niet zijn blijven
voortbestaan? Immers die dieren, wier levensvoorwaarden niet gewijzigd
zijn, b.v. die, welke op den bodem der zee leven, veranderen niet. De
levenskracht der planeet is niet uitgeput, het zoude dus mogelijk zijn,
dat nog steeds het protoplasma het aanzijn schenkt aan de organismen
der azoïsche periode.
Wij zagen in het begin van dit hoofdstuk, dat de Juraformatie over een
groot gedeelte van Frankrijk bloot ligt. Eene belangrijke strook strekt
zich uit van het westen naar het oosten, en wordt breeder naarmate men
het Juragebergte nadert; zij loopt over La Rochelle, Nevers, Dyon,
Langres, Chaumont, Neufchâteau, Nancy, Metz, Luxemburg, en vertakt
zich naar het zuidoosten over de Jura en de Alpen. Die bodem is zóó
rijk aan fossielen, dat de meeste kinderen zich daar reeds van hunne
vroegste jeugd, zonder het te weten, met geologie en paleontologie
bezighouden. In groote menigte vindt men daar kegels (fig. 235)
van alle grootten, van één tot 20 centimeters. Die zwarte en puntige
kegels worden door de landlieden dondersteenen genoemd. Men heeft ze
vroeger dikwijls aangezien voor spelingen der natuur, of steenachtige
verhardingen, voor druipsteenen, vischtanden, en somtijds heeft men
ze ook duivelsklauwen genoemd. Men vindt ze in zóó grooten getale, dat
men slechts te bukken heeft om ze te vinden. Die puntige kegelvormige
steenen is het eenige wat overgebleven is van een koppootig weekdier,
dat in de zeeën dier periode zeer verspreid was, het zijn kalkscheeden
van belemnieten; wij zullen ze zoo aanstonds meer in bijzonderheden
bespreken. In het Museum te Parijs vindt men eene plaat leisteen uit
het lias van Engeland, waar men op eene oppervlakte van 25 vierkante
decimeters meer dan 900 van die kalkscheeden telt.
Met die kalkscheeden van belemnieten vindt men, als de meest gewone
fossielen, de terebratulae en de rynchonellae. Die versteende
schelpen, die iets grooter zijn dan abrikozenpitten, hebben somtijds
sierlijke vormen. De eerste zijn amandelvormig, en hebben aan de
rugklep zijdelingsche aanhangsels, zoogenaamde ooren, de laatste
zijn gewoonlijk waaiersgewijs geplooid. Men vindt ze dikwijls in zóó
groote hoeveelheden, dat steenblokken van eenige kilogrammen geheel
bestaan uit eene opeenhooping van die schelpen, die men gemakkelijk
van elkander kan losmaken. De terebratulae en de rynchonellae waren
armpootige weekdieren, die ook in de Jurazeeën in grooten getale
voorkwamen.
Fig. 238 stelt een stuk van een blok voor, dat uitsluitend bestaat
uit rynchonellae.
Zeldzamer zijn in die formaties de versteende oesters, toch vindt
men ze nog in betrekkelijk groot aantal, evenals de zeeëgels. Al
die formaties behooren tot de oudste oölithische, de bathonische
formatie. Op die heuvelhellingen, waar de Maas en de Marne ontspringen,
vindt men ook mosselschelpen, ammonieten en poliepen. Men vindt er
ook versteend hout: in de Juraperiocle waren er dus ook bosschen.
Wij spraken zooeven van de belemnieten en de scherpe steenen,
die zij achtergelaten hebben. Het waren koppootige weekdieren,
verwant aan de groote inktvisschen van onzen tijd. Iedereen kent
de inktvisschen niet alleen omdat hij ze aan den oever der zee of
in de aquaria gezien heeft, maar ook om den inktzak, eene klier in
den vorm van een peervormig zakje, waarin eene bruinzwarte vloeistof
wordt afgescheiden, en om het zeeschuim of sepiabeen. Die bruinzwarte
vloeistof werd ook door de belemnieten afgescheiden, en is zelfs
in den zak van het dier teruggevonden als een fossiel poeder; men
heeft zelfs teekeningen kunnen vervaardigen met die sepia, die reeds
millioenen jaren oud is. Volgens de onderzoekingen van Blainville
en d'Orbigny bereikten de belemnieten somtijds eene lengte van
twee meters. Men kent 5 hoofdsoorten. Het waren goede zwemmers,
die gewoonlijk achteruit zwommen, in den horizontalen stand van
fig. 241. In de Juraformaties bereiken de belemnieten hunne grootste
lengte. Zij zijn reeds lang uitgestorven.
De koppootige weekdieren met vangarmen, vooral de ammonieten,
ontwikkelen zich langzamerhand, totdat zij in de krijtperiode hun
maximum bereiken. Tot de merkwaardigste behooren de ammonites Jason
(fig. 245). Tot de koplooze en buikpootige weekdieren van die periode
behooren voornamelijk: de trigonia clavellata en de pleurotomaria
conoïdea (fig. 243). De zeeëgels komen in grooten getale voor
(fig. 242). De zeeleliën bereiken voor de tweede maal, doch nu voor
het laatst, een maximum; van nu af aan gaan zij achteruit. In sommige
streken en op sommige diepten vormden zij geheele onderzeesche
velden. De voornaamste soorten zijn de pentacrinus (fig. 244), de
apiocrinus, de millericrinus en de isocrinus. Zij bezaten gewoonlijk
eenen langen rechten steel en eenen kelk, gevormd uit dikke stukken;
de armen waren vrij en dikwijls sterk vertakt. Al die weekdieren
hebben sporen achtergelaten in de formaties, die wij thans behandelen,
en door ze weder voor den geest te roepen, kunnen wij ons rekenschap
geven van de oorspronkelijke bevolking dier zeeën.
Nog meer echter wordt onze aandacht getrokken door de koraalriffen,
die de laatste eeuwen der Juraperiode hebben gekenmerkt, en die aan
die geheele laag den naam van korallische laag gegeven hebben. Die
laag is bijzonder sterk ontwikkeld aan de Maas, waar zij tot 150
meters dik is, bij de Jura, in Zwitserland, Provence, Dauphiné,
Bourgogne en in Normandië bij Trouville. In al die streken vindt
men in grooten getale den oölithkalksteen, die gewoonlijk met de
koraalriffen gevonden wordt; ook vindt men er dicht opeengedrongen,
fijnkorreligen kalksteen, een zeker bewijs, dat de bezinking heeft
plaats gegrepen onder groote diepte, buiten de beweging der golven. De
korallische formatie bestaat uit uitgebreide banken van massieven,
vasten kalksteen, bestaande uit koralen, waarvan enkele gebroken zijn,
andere de ligging behouden hebben, die zij tijdens hunne ontwikkeling
bezaten. Hoewel zij niet zoo groot waren als de koraalriffen der
tropische zeeën, hadden toch de riffen der korallische formatie
eene veel grootere uitgestrektheid, omdat men ze op alle breedten
ontmoet. Men vindt in fig. 246 de voornaamste soorten van koralen,
in die formaties gevonden.
Wij moeten nog even spreken over de koraalbanken, die in zoo grooten
getale in de Jurazee gevonden worden in de kantons Bazel, Solothurn
en Bern. Die koraalbanken hebben in Europa eene soortgelijke rol
gespeeld als de tegenwoordige koraalriffen van den Indischen Oceaan en
de stille Zuidzee. De juiste verspreiding en de vorm der koraalbanken
in de Jurazeeën van Europa is een nog onopgelost vraagstuk.
Men kan de vraag stellen, of zij door de wateren bedekt waren, dan wel
of zij boven het water uitstaken en eilanden vormden, zooals men er
een groot aantal in de Zuidzee vindt; beide gevallen kwamen voor. In
Zwitserland, in het kanton Bazel, is de koraallaag bedekt met eene wel
is waar weinig belangrijke steenkoollaag, maar die er toch op wijst,
dat daar een vastland aanwezig was; in het westelijk gedeelte der Jura
waren de koraaleilanden bedekt met planten, zooals men zien kan uit de
aanwezigheid van schoone bladeren van cycadeën. In de omstreken van
Lyon was een koraaleiland met een bosch van cycadeën, want men vindt
hier en daar in die streek groote en schoone bladeren van dien boom.
Wij hebben in fig. 247 een zeelandschap geteekend, dat een juist
denkbeeld geeft van de koraaleilanden der Juraperiode en van het
voorkomen der oude atollen van Frankrijk. Men vindt er schildpadden,
die uit de zee kwamen en zich naar den zandigen oever begaven,
om er hare eieren neer te leggen, pterodactyli, die naar de kust
vlogen, en in de nabijheid van de kust langhalzige plesiosauri, die
hun voedsel zochten. In de diepten der zee kunnen wij een bosch van
koralen onderscheiden, en de dieren, die daarbij gevonden werden.
Wij moeten, om onze beschrijving van de merkwaardigste van alle
perioden vóór de geboorte van den mensch, volledig te doen zijn,
hier nog bijvoegen, dat de plantenwereld gedurende de verschillende
tijdperken der Juraperiode van het laagste lias tot aan de bovenste
oölithlaag, niet zulke scherp begrensde en karakteristieke
vormen vertoont als het dierenrijk. De oorspronkelijke soorten
sterven langzaam uit, om plaats te maken voor een rijkeren en meer
gesplitsten plantengroei. Het is een overgangstijdperk. De bedekt
bloeienden hebben nog de overhand: varens, paardestaarten enz.; maar
de naaktzadige zaadplanten (cycadeën, naaldboomen) beginnen reeds
eene rol te spelen. _Er zijn nog geene jaar getijden of klimaten_:
dezelfde plantenfamilies worden gevonden van den evenaar tot aan
Siberië en Spitzbergen. Zelfs in Frankrijk, aan de oevers der zee,
die de streken bedekte, waar later Parijs gesticht werd, zou men toen
landschappen hebben kunnen zien, gelijkende op die van nevensgaande
teekening: op den voorgrond pandaneën met luchtwortels, cycadeën met
lagen stam, en op den achtergrond de plesiosauren met hunne lange
halzen, in het water zwemmende.
De krijtperiode, die op de Juraperiode volgt, voltooit de geschiedenis
der secundaire periode.
DERDE HOOFDSTUK
De krijtperiode
Indien gij, waarde lezer, met aandacht blz. 179 van dit werk beschouwt,
en de doorsnede van den Artesischen put van Grenelle te Parijs
bestudeert, dan hebt gij de beste voorbereiding voor de studie der
laatste periode van het secundaire tijdperk, _de krijtperiode_.
Men ziet, dat men van eene diepte van 41 meters van de oppervlakte
van den bodem te Parijs tot op eene diepte van 506 meters, krijt,
nog eens krijt en niets dan krijt vindt. Al dat krijt heeft zich
afgezet op den bodem der zee, toen de zee die streken bedekte, die
thans door den mensch bewoond worden.
Die dikke krijtlaag, die onder Parijs doorloopt, is eene soort van
onregelmatige kom, waarvan de randen op zekeren afstand van de stad
aan de oppervlakte komen: het krijt ligt bloot over eene strook, gaande
van Arras, over St. Quentin, Rheims, Châlons-sur-Marne, Troyes, Sens,
Auxerre, Bourges, Tours, Loudun, le Mans, Rouaan. Dat blootleggen
van het krijt over eene groote uitgestrektheid, heeft aan een deel
van Champagne hare bekende onvruchtbaarheid gegeven; over duizenden
hectaren heeft de bebouwbare grond geene meerdere dikte dan van 15
tot 20 centimeters, er is dus geen belangrijke plantengroei mogelijk,
alleen de valleien blijven groen en eenigszins vruchtbaar; als men
in eenen luchtballon over die streken heentrekt, schijnen de smalle
weiden, die aan de oevers der stroomen gelegen zijn, rivieren, die
zich kronkelen over eenen gelen en dorren bodem. Die krijtformatie
wordt ook in andere gedeelten van Frankrijk teruggevonden, zij komt
door eene plaatselijke rijzing van den grond, vlak bij Parijs bloot,
bij de heuvels van Meudon, Bellevue en Bougival. Men vindt haar ook
terug te Mantes, le Mans, Gisors en bij Rouaan; langs de oevers der
Seine van Vernon naar Havre, het bovenste gedeelte van de rotssteilte
van kaap la Hève, vijftig meters dik. Men vindt daar de cenomanische
formatie. In Engeland heeft men de turonische formatie, doch beide
behooren tot de krijtformatie. Het Kanaal heeft zijne bedding
gegraven door het krijt: in een vorig hoofdstuk zagen wij, dat het
Kanaal breeder wordt. Dezelfde krijtformatie, vindt men tusschen
Saintes en Cahors, op de beide hellingen der Pyreneën, overal aan de
Spaansche zijde, in de Fransche Alpen, aan den rechter Rijnoever,
in Engeland, Duitschland, een klein gedeelte van Limburg, Algiers,
Palestina, Noord-Amerika, Groenland, in één woord bijna overal op
de aardoppervlakte.
Evenals de vorige formaties, hebben ook de krijtformaties het
aanzijn verkregen op den bodem van het water. Al de streken, waar de
krijtformatie bloot ligt, waren onder de golven gelegen. Zoo strekte
zich in de krijtperiode eene uitgestrekte zee uit over de geheele
streek, die wij zooeven genoemd hebben, in de omstreken van Parijs,
van Bar-le-Duc ten oosten, tot le Mans ten westen, en van Bourges ten
zuiden tot Engeland en nog verder. Eene andere zee bedekte een deel
der Pyreneën, de Zee-alpen, Savoye en Perigord. De Juraketen is vóór
de krijtperiode opgerezen.
Het is nog niet zeker, of enkele deelen van het Kanaal, van den
Atlantischen Oceaan en van de Middellandsche zee, niet reeds toen boven
water lagen en later weer zijn gedaald, en of niet enkele golven of
straten reeds bestaan hebben, ten gevolge van plaatselijke dalingen.
Zooals de naam reeds aanwijst, bestaat de krijtformatie hoofdzakelijk
uit krijt. Toch bevat zij, vooral aan de onder- zijde, dicht
opeengedrongen kalksteen en klei; maar de weinig samenhangende
gesteenten, zand of gemakkelijk te verbreken zandsteen en vooral
krijt, hebben in het bovenste gedeelte verreweg de overhand. In het
algemeen zijn de krijtgesteenten lichter van kleur en frisscher dan
de Juragesteenten, de fossielen zijn niet zoo volkomen veranderd en
schijnen ook jeugdiger dan in de laatstgenoemde formatie. Men vindt in
het krijt zeer weinig ijzer, gips, dolomiet en steenzout, daarentegen
vindt men er klompen vuursteen in grooten getale. De grootste dikte
dier formatie bedraagt meer dan tweeduizend meters. Hoewel het bijna
geheel eene zeeformatie is, bevat zij toch op verschillende diepten
zoetwater, dat zich verder uitstrekt dan bij de Juraformatie, en dat
somtijds bruinkool oplevert. In Engeland en op andere plaatsen begint
de krijtformatie met klei en zand, dat bezonken is in moerassen,
die overeenkomen met die, waarin zich de Purbecklaag vormde. De
schommelingen van den bodem hebben zich gedurende de geheele periode
voortgezet, zoodat de zee telkens stroomde over streken, waar zich
eene diepe laag bezinksel afzette, en andere plaatsen droog bleven,
waar dus geheele lagen gemist worden. Toch is de richting der beweging
in West-Europa in het algemeen eene rijzende; de zeebekkens nemen
nog wel ongeveer dezelfde ruimten in als in de Juraperiode, maar zij
verminderen langzamerhand in oppervlakte. Hieruit volgt, dat de dieren
en bezinkingen meer en meer gaan verschillen, zelfs op korte afstanden,
en vergeleken kunnen worden met die der silurische periode.
Daarentegen overstroomt in Noord-Amerika de zee de kust van den
Atlantischen Oceaan, en dringt zij tot ten westen van de Mississippi
door, waar uitgestrekte bezinkingen getuigenis afleggen van hare
tegenwoordigheid.
Die formaties hebben gewoonlijk den vorm van hooge bergvlakten,
die meestal dorre en onvruchtbare vlakten of lage bergen met ronde
hellingen vormen. Bijna overal vormen zij strooken, die concentrisch
zijn met de groote strooken Juraformatie, die wij beschreven hebben en
steunen zij daarop, bedolven onder de tertiaire formaties, die ze in de
vlakten bedekken. Op enkele punten liggen zij op de steenkoolformatie
en zelfs wel eens op de oudere kristallijnen lagen, waaruit volgt, dat
in dien tijd nog groote bewegingen in den bodem hebben plaats gegrepen.
De zeeën, waarin die lagen bezonken zijn, bedekten nog een groot
gedeelte van Europa, maar haar vorm was niet meer dezelfde als in
de Juraperiode. De krijtperiode kenmerkt zich door eenen terugkeer
der zee op plaatsen, reeds lang te voren door haar verlaten. Zoo is
het zuidelijke deel van Frankrijk, dat reeds sedert de korallische
periode boven water gelegen was, weder onder water geraakt en heeft
het deel uitgemaakt van eene uitgestrekte zee, die zich over het
geheele zuidelijke deel van Europa uitstrekte.
De centrale bergvlakte van Frankrijk, die geheel boven water uitstak,
en aan de ééne zijde verbonden was met de Vogezen, aan de andere
zijde met de Vendée, maakte elke verbinding onmogelijk tusschen die
Zuidzee en die welke zich tot ver in het noorden over het bekken van
Parijs en het zuiden van Engeland uitstrekte. Vandaar verklaart zich
het groote onderscheid tusschen de krijtformaties van het noorden en
het zuiden van Frankrijk.
De krijtperiode wordt, evenals de Juraperiode, in twee goed te
onderscheiden deelen verdeeld. Evenals wij in de Juraformatie de
lias van de oölithlaag onderscheidden, zoo moeten wij ook in de
krijtformatie de onderkrijtformatie van de eigenlijke krijtformatie
onderscheiden. De eerste, die onmiddellijk op de Juralaag volgt, bevat
geen krijt, maar kalksteen, zonder klei, die veel overeenkomt met de
Juraformatie. Ieder dier afdeelingen, de onder- en bovenkrijtlaag,
kan weder in verschillende lagen verdeeld worden:
Voornaamste verdeeling der krijtformatie.
I. Onderlaag.
Neocomische formatie [25].
Urgonische formatie [26]. Gault, zand en klei [27].
Aptische formatie [28].
Albische formatie [29].
II. Bovenlaag.
Cenomanische formatie [30].
Turonische formatie [31].
Senonische [32] en campanische formatie [33].
Deensche en Garumnische formatie [34].
De onderkrijtformatie is wat hare algemeene eigenschappen
betreft, nauw verbonden met de voorafgaande formatie. De flora,
waar de cycadeën en de naaldboomen de overhand hebben, en waar
de bedektzadige tweezaadlobbige planten nog onbekend zijn, is de
flora der Juraperiode. Indien pijnboomen, denneboomen en cederen
daar op een verband wijzen met de boomtypen der tropen, dan vindt
men toch dat verband evenzeer bij de polen, zooals in Groenland,
als in centraal-Europa, weder een bewijs, dat de klimaten nog
weinig verschilden. Toch is het opmerkelijk, dat de poliepen die
zich in de oölithische periode tot in Yorkshire (tot meer dan 50°
N.B.) uitstrekken, merkbaar naar het zuiden teruggeweken zijn,
want de caprotinae, die voor de onderste krijtlaag dezelfde rol
vervullen als de diceraten in de Juraperiode, worden alleen in de
strook bij de Middellandsche zee gevonden. Het is dus niet onmogelijk,
dat de tropische toestanden, die noodig zijn voor de koraalvorming,
niet meer bestonden in het noordelijk gedeelte van ons halfrond. Hot
vasteland werd toen waarschijnlijk geregeerd door de groote tweevoetige
dinosauri, doch reeds met gemengde karaktertrekken, die ze tegelijk
doen behooren tot de zoogdieren, de vogels en de kruipende dieren. Wat
de zeedieren betreft, kan men zeggen, dat zij de typen der oölithische
periode voortzetten; alleen komen in de krijtperiode betrekkelijk
veel koppootige weekdieren met weinig gewonden schaal voor.
Wij zeiden zooeven, dat de krijtformatie begint met kalksteen, zand
en klei, zoodat er nog eenige overeenkomst is met de Juraformatie;
eerst in de hoogere lagen vindt men inderdaad krijt.
Het Gault is te herkennen aan zijne donkere kleur, zoodat men het
reeds van verre ziet, daar de donkere strooken sterk afsteken bij de
lichte kleur der omringende gesteenten. Het is eene somtijds groene,
somtijds zwarte zandsteen, die eene groote menigte groene korrels
bevat, die het den naam van _groenzand_ gegeven hebben. Die korrels
bestaan uit een silicaat van ijzeroxyd; die oxydatie is juist de
oorzaak van de donkere kleur. Het Gault bevat op sommige plaatsen
talrijke klompen, die waarschijnlijk phosphorzure kalk bevatten. Het
komt zeer veel voorin de Alpenstreken van Oost-Zwitserland, vooral
bij het Vierwaldstättermeer, bij Pragel en in Unterwald; in de Berner
en Lucerneralpen komt het echter niet voor; in groote hoeveelheden
vindt men het in het Rhônedal en in Savoye. Verder van de Rhône af,
is het licht-groengrijs; dit is ook in de Jura het geval, waar het
door blauwe klei bedekt is.
Het feit, dat men die korrels overal in de krijtformatie terugvindt,
en vooral in het Engelsche Gault, moet het gevolg zijn van eene
algemeene oorzaak, die bij hare verschijning en verdwijning gewerkt
heeft. Tijdens de krijtperiode moet er tweemaal eene hoeveelheid ijzer
uit het inwendige der aarde te voorschijn gekomen zijn, en zich over
geheel Europa hebben verspreid; wij zijn thans echter nog niet in
staat, eene deugdelijke verklaring van dat verschijnsel te geven.
De dikte der krijtlaag in het bekken van Parijs is ontzaglijk groot; in
de rotssteilten van het Kanaal is zij dikker dan 100 meters; naarmate
men het midden van het bekken nadert, neemt die dikte toe; te Parijs
hebben de boringen voor de Artesische putten krijt doen vinden op eene
diepte van 460 meters; men kan het in twee hoofdafdeelingen verdeelen;
de eerste bestaat uit krijt met licht gekleurde vuursteenen, de
tweede uit wit krijt met gordels van vuursteenen, en op verschillende
diepten bevatten zij spatangiden (tot de zeeëgels behoorend), en
vooral _micrasters_ (eveneens zeeëgels),
Dat krijt met micrasters is het hoofdbestanddeel der rotsen van Dieppe.
Al die krijtlagen vormen in het bekken van Parijs, om de tertiaire
lagen, die in het middelpunt gelegen zijn, eene uitgestrekte,
golvende, hoefijzervormige vlakte, waarvan de beide beenen op de
Normandische kust uitkomen, het ééne tusschen Dieppe en Tréport,
het andere tusschen Boulogne en Calais. Die twee krijtstrooken zetten
zich door het Kanaal voort, en komen weer op de Engelsche kust voor
den dag, waar zij de witte krijtrotsen vormen, aan weerszijden van
Dover. Engeland draagt daarom den naam van Albion. Het krijt wordt
daar ook gevonden rondom de tertiaire lagen, waarop Londen gelegen is,
en vormt daar eene heuvelenrij, die den naam van Downs draagt. Al die
streken, Orleans, Parijs, Dieppe, Londen, waren dus in dien tijd onder
water bedolven. In de omstreken van Parijs, te Meudon, vindt men,
boven het witte krijt, eene gele kalksteen, bestaande uit kleine,
ronde korrels en overblijfselen van fossielen, bekend onder den naam
van pisolithische steen; die steen, die het bovenste bezinksel is der
krijtperiode, bevat een mengsel van stoffen uit de krijtformatie en
de tertiaire formatie. Men vindt daar onder andere, ananchiten [35],
cerithiden1, die vergeleken kunnen worden met het cerithium1 gigantëum,
dat in de Parijsche tertiaire formatie in groote hoeveelheden voorkomt.
Men vindt diezelfde formatie in losse brokken tegen het krijt aan op
verschillende punten van de omstreken van Parijs. Zij heeft duidelijk
het karakter eener kustformatie, en wijst door hare verdeeling op
eene belangrijke verandering, die heeft plaats gehad in den toestand
van het Parijsche bekken, dat eerst door de zee bedekt was. Die zee,
van het noorden komende, is geleidelijk teruggeweken, zoodat al die
krijtmassa's, die wij besproken hebben, bij het terugwijken de ééne
op de andere is afgezet. Na het afzetten der pisolithische kalksteen,
die slechts over eene kleine uitgestrektheid beperkt is, was het
geheele noordelijke deel van Frankrijk boven water gekomen.
Hoe zijn die dikke krijtlagen gevormd, die dikwijls 500, 1000 en
2000 meters dik zijn? Het antwoord is, door bezinking op den bodem
van het water, evenals de vorige formaties, maar toch op eene andere
wijze. Krijt is koolzure kalk. Die koolzure kalk was in meer of minder
verzadigde oplossing in de wateren der oorspronkelijke zeeën aanwezig,
daar onnoemelijke hoeveelheden schaaldieren er zich van bediend hebben,
om hunne kalkschelpen te vervaardigen. In die vloeibare middenstof
krioelden poliepen, foraminiferen en rudistae en vormden deze eene
tallooze bevolking. Wat werden de lichamen dier dieren, groot en klein,
maar gewoonlijk mikroskopisch klein, na hunnen dood? De organische
stof verdween door rotting op den bodem van het water; er bleef niets
anders over, dan de onverdelgbare anorganische stof, de koolzure kalk,
die de schaal vormde. Die kalkmassa hoopte zich tot dikke lagen in het
bekken der zee op; zij verbond zich tot ééne enkele massa en vormde
zoo eene doorloopende bedding op den bodem der zee. Die telkens op
elkander afgezette lagen, die in den loop der eeuwen al dikker en
dikker werden, vormden langzamerhand onze krijtformatie.