De zooeven genoemde karaktertrekken zijn zóó bijzonder, dat het

niet te verwonderen is, dat de pterodactyli, ook wel pterosauri en

ornithoscelidae genoemd, nu eens als vogels, dan weder als kruipende

dieren beschouwd zijn, of ook wel als dieren, tusschen beide klassen

instaande. Het onderzoek der fossielen heeft onze vroegere begrippen

over de verschillende groepen van dieren in velerlei opzichten

gewijzigd; wij kennen thans vogels, met tanden als bij de zoogdieren,

en zoogdieren met vogelbekken; sommige wezens zijn zóó vreemdsoortig,

dat zij door de uitstekendste ontleedkundigen nu eens beschouwd zijn

als gevleugelde reptielen, dan weder als vogels, die over een groot

gedeelte van hun skelet op reptielen geleken. De verdeeling in klassen,

orden en families, zooals wij die aannemen, bestaat in de natuur niet;

er zijn schakels, die de ééne soort met de andere vereenigen. Indien

de dinosauri eenigszins den overgang vertegenwoordigen tusschen

de kruipende dieren, en de vogels en de zoogdieren, dan verbinden

de pterodactyli de kruipende dieren met de vogels, doch liggen zij

dichter bij de laatste dan bij de eerste. Evenals de dinosauri zijn de

pterosauri tot nu toe alleen gevonden in de secundaire formaties van

Europa en Noord-Amerika. Ook bij deze dieren vindt men verscheidene

typen.

De pterodactyli der Juraperiode van West-Europa hadden de grootte

van musschen, lijsters en duiven. Maar in de Vereenigde Staten

heeft Marsh in de krijtformatie van Kansas beenderen gevonden

van het geslacht pteranodon, die behoord hebben tot dieren, wier

vleugeluitgebreidheid zes of zeven meters bedroeg! Deze monsters

moeten in de krijtperiode te Amerika tamelijk talrijk geweest zijn;

de Amerikaansche natuuronderzoeker verzekert toch, dat in Yale-College

te New-Haven (Connecticut) beenderen van meer dan 600 reuzenpteranodons

gevonden worden.

Die vreemde bevolking der secundaire periode is, zooals wij zagen,

met de labyrinthodonten begonnen. Stellen wij ons behalve die vreemde

vormen ook nog de woeste kreten van al die kruipende dieren voor:

het geloei en gehuil der dinosauri, het gekwaak van den labyrinthodon,

dien reusachtigen kikvorsch, aan den oever van de zilte meren!

Al die dieren richten eene vreeselijke verwoesting aan onder de

vreedzame menigte der weekdieren. Zij vermalen de parelmoerkleurige

schelpen en voeden zich met visschen en kruipende dieren. Geen enkel

wezen kan aan hunne verscheurende kaken weerstand bieden; zij worden

de heerschers der wereld.

Wat eene vreemde en fantastische dierenwereld. Beeldhouwers en

schilders hebben voorheen en thans de wereld verrijkt met wezens, die

nooit bestaan hebben. Gelooft men, dat de sphynxen der Egyptenaren,

op het zand neergehurkt, de centauren, de faunen, de Grieksche satyrs,

de Hindoesche en Perzische griffioenen, de slangenengelen van Raphaël,

geene verwante vormen vinden onder de levende wezens, die de aarde

in die oude tijden bevolkt hebben? De dinosauri, de iguanodons, de

plesiosauren kunnen, zoo zeggen wij met Edgard Quinet, wel degelijk

wedijveren met de draken met vlammenden muil van Medea; de vliegende

slangen met de slangen van Laocoön; de oudste herkauwende dieren

en de groote tandelooze dieren, de mylodon en het megatherium met

de gekroonde stieren van Babel, de geheimzinnige dromatheriums en

dinotheriums met de reusachtige sphynxen van Thebe, de ichthyosauren

met de draken van Hercules en de harpyen van Homerus, de hipparions met

hunne gevingerde voeten met de paarden van Neptunus of met het monster

van Rubens met de opgeheven manen. Men zou den stamvader der honden,

den amphicyon willen zien en hem hooren blaffen op den kruisweg van

de schepping der tertiaire zoogdieren. Indien de Grieksche en moderne

kunstenaar onmogelijke vormen moest verzinnen, dan had hij slechts te

putten in de bewerktuigde wereld; hij zou geheel gereedgemaakte vormen

gevonden hebben in de werkplaats der natuur; hij zou realist zijn,

niettegenstaande hij de grenzen der tegenwoordige wereld overschreed.

Ieder wezen heeft zijn natuurlijk kader. Even moeilijk als het voor ons

zoude zijn, zich den kameel voor te stellen zonder hem in den geest met

de woestijn te verbinden, evenzoo moeilijk is het, zich de krokodillen

der Juraperiode in eene andere omlijsting te denken dan die van dien

tijd. Zij waagden zich op het strand, doch vonden vóór zich een laag,

moerassig, smal eiland, het Liaseiland, dat geene krachtige pogingen

vereischte, om er bezit van te nemen. Indien de hagedissen zich op

den modder hadden gesleept en geene prooi ze aantrok, gingen zij niet

verder. Een korte, vormlooze, handvormige poot, de achterarm tegen het

lichaam gedrukt, ziedaar alles wat noodig is om die bank te bezetten,

die beurtelings onder water, beurtelings boven water, een tweeslachtig

verblijf aanbood aan tweeslachtige wezens. En daar op dien verdroogden

modder, waarop alle schepselen zich langzaam bewogen, geen gevaar

te vermijden viel, was er geen noodzakelijkheid of verlangen, om te

vluchten of zich te haasten. Zoo kan men zeggen, dat de aarde haren

stempel gedrukt heeft op de bewoners van dien tijd en het aanzijn gaf

aan de kruipende dieren. Daar waar een vaste bodem ontbrak, kon zich

de wijze van voortbewegen der landdieren niet ontwikkelen. De dieren

behoefden noch te loopen, noch te rennen, noch te vliegen; kruipen

was voldoende. Met de hagedissen waagden zich ook de schildpadden op

het land; daar het hun alleen te doen was, zich op den grond neer te

zetten, en die vaste grond slechts eene kleine uitgestrektheid had,

behoefden zij zich niet te haasten; zij hadden slechts te kruipen,

om hun erfgoed te bemachtigen, en verkregen alzoo den stempel der

onbewegelijkheid. Als op die smalle landtong, de poot zich niet

kon ontwikkelen door beweging en snelheid, hoe kon dan de vleugel

zich ontwikkelen? Men kan zich alleen vleugels denken, indien zich

groote uitgestrektheden aan den horizon openen, indien men die moet

doorklieven, om eene van verre zichtbare prooi te bereiken, of om

van klimaat te veranderen door verhuizing naar eene andere landstreek.

Doch welk wezen had op dat woeste strand der Juraperiode behoefte

om eene vlucht te nemen, teneinde een zoo klein gebied te

doorloopen. Daarom ontbreken de vogels nog. Als het eerste spoor

van eenen vleugel verschijnt, is het de vleugel van een reptiel,

den pterodactylus, met den getanden muil van eene hagedis, en

twee vliezige vleugels. Die vleugels zijn voor hem voldoende, want

hij behoeft geene wijde oceanen over te steken, om vastelanden te

bereiken, die nog niet bestaan; hij behoeft zich nog niet in één

oogwenk van eene ongenaakbare rots in eene diepe vallei te werpen. Er

zijn nog geene bergen of valleien, het is slechts een effen, smal,

ingekorven terrein, waar al de voorwerpen in elkanders nabijheid

zijn gelegen. Indien het kruipende dier, in het moeras verborgen,

eenen zwerm libellulae in het voorbijvliegen kan grijpen of eenen

grooten kever, dan is dat voldoende voor zijne voeding.

De tijd voor het ware vliegen is nog niet gekomen; de vleugel met

zijne groote vleugelwijdte ontwikkelt zich eerst, als het vasteland

zich ontwikkeld heeft, als de bergen zijn opgerezen, de valleien

uitgediept, het klimaat gewijzigd is, en de eilandgroepen te voorschijn

zijn getreden, die aan de vogels op hunne verre tochten tot rustplaats

kunnen strekken.

Wij zien dus, dat de tijdperken niet voorbijgaan zonder een levend

beeld van zich achter te laten. Zij drukken op onuitwischbare wijze

hunnen stempel op de elkander opvolgende schepselen. Zij herleven

daarin. Ieder oogenblik van de eeuwigheid heeft zich dus vastgezet in

een type, eene soort, eene familie, die daarvan de vertegenwoordiger

is. Indien de woestijn verdween, dan zoude deze nog in den kameel

afgebeeld zijn. Uit dat oogpunt teekent de rij der georganiseerde

wezens de rij der groote vervlogen tijdperken. Iedere plant, ieder

dier, tot zijn type teruggebracht, is als het ware een vast punt in

de opvolging der gebeurtenissen, die de geschiedenis der aarde vormen.

Toch wane men niet, dat die wonderlijke Juraperiode, de grootste

en vruchtbaarste van de geheele geschiedenis der aarde, alleen die

ontzaglijke en fantastische dinosauri en gevleugelde reptielen

heeft voortgebracht; het was hare bestemming, om nog eenen stap

verder te gaan op de baan der schepping, en om zich nog op andere

wijze te openbaren dan door die geweldige krachtsuitingen; zij heeft

het voorrecht gehad, _den vogel_ het aanzijn te schenken, nog wel

niet de zwaluw of de nachtegaal, maar den laagst ontwikkelden, den

oorspronkelijken vogel.

De ontdekking der eerste veeren van den fossielen vogel was

hoogst belangrijk. Zij dateert van 1860 en is gedaan in de

bovenste Juraformatie van Beieren, in de lithographische steen van

Solenhofen. De geologen twijfelden aan de echtheid van de veer, totdat

men in het volgende jaar in dezelfde formatie en vlak bij de plaats,

waar de veer gevonden was, een gedeelte ontdekte van het lichaam van

den oorspronkelijken vogel, die den naam kreeg van _archeopteryx_. Het

duurde verscheidene jaren, eer het mogelijk was, nauwkeuriger kennis

omtrent dien vogel op te doen. In 1863 gaf Owen er voor het eerst

eene beschrijving van. In 1877 werd een tweede exemplaar, schooner en

vollediger, gevonden op 14 kilometers van de plek, waar het eerste

gevonden is. Het eerste exemplaar is aangekocht door het Museüm van

Londen, het tweede door dat van Berlijn. Het onderzoek van dat laatste

exemplaar heeft geleerd, dat de schedel reeds den eigenaardigen vorm

van eenen vogelschedel heeft, maar dat hij voorzien is van kaken

met tanden in tandkassen. De grootte van dien vogel komt overeen

met die van eene duif. De staart is hoogst merkwaardig. Hij is zeer

lang en bestaat uit 20 wervels, die ieder aan weerszijden eene veer

dragen. Door die wervels is het meer de staart van een kruipend dier

dan van eenen vogel. De archeopteryx vult juist de leege ruimte aan

tusschen de kruipende dieren en de vogels. Reeds lang wist men, dat

de vogels vervormde kruipende dieren zijn; maar men kende nog geene

fossielen uit dien overgangstijd. De archeopteryx is dus in ieder

opzicht eene der belangrijkste ontdekkingen der paleontologie.

En toch was de ontdekking van dat dier nog slechts een voorspel van

de ontdekkingen, onlangs in Amerika gedaan naar aanleiding der eerste

fossiele vogels; die ontdekkingen waren zóó belangrijk en talrijk,

dat Marsh aan de voornaamste ontdekkingen een folio boekdeel wijdt,

dat als het ware alleen nog maar eenen ontleedkundigen catalogus vormt

van de onderzochte exemplaren. Uit dat prachtige werk, de vrucht van

doorwrochte studie, zullen wij enkele exemplaren als typen kiezen,

indien wij in ons volgend hoofdstuk de krijtperiode behandelen,

waarin die dieren tot hunne grootste ontwikkeling gekomen zijn.

Al die landvogels (meer dan duizend in aantal) zijn gevonden naast

pterodactyli van 25 voet vleugelwijdte, mosasauri, sauropoden en

reusachtige stegosauri. Volgens Marsh vindt men in de Amerikaansche

Juraformaties kleine dinosauri, wier beenderen, van het skelet

gescheiden, als de schedel ontbreekt, niet kunnen onderscheiden

worden van die der vogels uit dezelfde lagen. Enkele van deze leefden

op de boomen en onderscheidden zich van de vogels alleen door de

afwezigheid van veeren. Hoe zijn die veeren ontstaan? Wij hebben eene

aanwijzing daarvan in het vliegen van den galeopithecus, de vliegende

eekhorentjes, de vliegende hagedissen en de vliegende kikvorschen. Bij

de oorspronkelijke vogels, die op de boomen leefden en die van tak

op tak sprongen, waren zelfs reeds rudimentaire veeren een voordeel,

want zij zouden eenen grooteren sprong naar beneden hebben mogelijk

gemaakt of de kracht van den val hebben kunnen breken. Naarmate de

veeren groeiden, werd het lichaam warmer en het bloed werkzamer. Met

het toenemen van het aantal veeren zoude het vermogen om te vliegen

zijn toegenomen; die verhoogde werkzaamheid zoude weer eenen vollediger

bloedsomloop tengevolge hebben enz.

De ramphorynchus kan ons een zeer goed denkbeeld geven van die kleine

vliegende dinosauri.

De leer van de ontwikkeling der ongeboren vrucht heeft reeds lang

de overeenkomst aangetoond van de schubben en stekels der kruipende

dieren, en de wratvormige stompjes, die bij de ongeboren vrucht der

vogels, de eerste sporen van het gevederte zijn. Het is dus geene

wetenschappelijke ketterij, aan te nemen, dat er kruipende dieren

geweest zijn, met veeren bekleed; dit is misschien het geval geweest

met den compsognathes en den archeopteryx. Naar de onderzoekingen

van Carl Vogt, op het tweede exemplaar gedaan, had de eerste vogel

ongetwijfeld een naakt lichaam. Hij schrijft daaromtrent het volgende:

Aan iedere hand heeft hij drie lange en slanke vingers, met

kromme, scherpe klauwen. De duim is de kortste; de beide andere

zijn bijna even lang; toch heeft de tweede de overhand. Die

twee vingers waren klaarblijkelijk met elkander verbonden

door peesachtige vliezen. De duim bestaat uit twee leden en

een middelhandsbeen, en de andere vingers uit drie leden en

een middelhandsbeen.

De vleugels waren aan den voorarm en de hand bevestigd,

zonder dat men in het skelet eene bijzondere aanpassing voor

dat doel vindt. De duim was vrij, evenals de twee andere

vingers. Indien men in zijne gedachte alle veeren wegneemt,

dan heeft men eene drievingerige hand van een kruipend dier

voor oogen, zooals de compsognathes en vele andere dinosauri

gehad hebben blijkens de sporen hunner voetstappen.

Ik durf beweren, dat geen enkele geleerde, wien men het skelet

van eenen archeopteryx zonder veeren liet zien, zou kunnen

vermoeden, dat dit dier bij zijn leven vleugels bezeten heeft.

Later zullen wij de ontwikkeling der vogels volgen, indien wij de

tertiaire periode bestudeeren.

De insecten, wier verschijning wij reeds vóór de dagen der

steenkoolperiode begroet hebben (blz. 263) nemen gedurende de

Juraperiode snel toe, en ontwikkelen zich evenzeer tot volkomener

soorten. Ook hier openbaart zich de groote wet van den vooruitgang,

zooals wij die leerden kennen in het geheele dierenrijk. Wij zagen,

dat de insecten der primaire periode behoorden tot de lagere soorten,

de rechtvleugeligen, de netvleugeligen en de halfvleugeligen (zooals

kakkerlakken, krekels, sprinkhanen, witte mieren, waterjuffers),

en dat men in die oude formaties nog geene overblijfselen van

insecten gevonden heeft, die behoorden tot de hoogere orden der

vliesvleugeligen, tweevleugeligen of vlinders, bijen, mieren of

kapellen. In de oudste bezinksels der Juraperiode, in het trias, heeft

Oswald Heer, alleen in Zwitserland, tweeduizend exemplaren gevonden,

aldus verdeeld over 143 soorten:

Rechtvleugeligen 7 soorten.

Netvleugeligen 7 soorten.

Schildvleugeligen 116 soorten.

Vliesvleugeligen 1 soorten.

Halfvleugeligen 12 soorten.

Men ziet, dat de schildvleugeligen de groote meerderheid uitmaken. Die

insecten leveren de helft der fossiele soorten, en wijzen er op,

dat het vasteland met bosschen begroeid was.

Fig. 233 en 234 stellen vleugels van eenen fossielen kever en van

eene fossiele waterjuffer voor, gevonden in de oölitische formatie

van Stonesfield, bij Oxford.

De rijkdom der insectenfauna bewijst, dat het vasteland in dien tijd

eene groote uitgestrektheid had en dat wij hier niet meer de kleine

eilanden der liaszee voor oogen hebben. Het bestaan van waterjuffers

en schildvleugelige insecten in zoo groote hoeveelheden wijst op

rivieren of zoetwaterbekkens. Wij weten, dat alle kleine eilanden

van den Atlantischen Oceaan slechts aan zeer weinige waterdieren tot

verblijfplaats strekken; de Canarische eilanden, Madera, de Azoren

bezitten er slechts enkele. De reden is eenvoudig: de beken zijn te

klein, en op sommige tijden van het jaar bijna geheel uitgedroogd,

hetgeen een beletsel is voor het bestaan van zoetwaterdieren. Een

eiland moet eene zekere uitgestrektheid hebben, opdat de beken er niet

uitdrogen. Al weten wij nu, dat er in de Juraperiode waarschijnlijk

meer water viel dan thans, en dat de regen zich over het geheele jaar

regelmatiger verdeelde, dan thans op de genoemde eilanden het geval

is, toch mogen wij uit het groote aantal zoetwaterinsecten opmaken,

dat de eilanden der Juraperiode zeer groot waren.

Tijdens de Juraperiode huppelden in Frankrijk en Engeland kleine

krekels in de struiken, de waterjuffers schommelden door de lucht,

de kakkerlakken en witte mieren zochten hun voedsel in de bosschen, en

vroolijke zwermen van waterkevers verlustigden zich op de oppervlakte

van het water.

Ook vond men daar reeds de sprinkhanen met hunne onharmonische en

knersende geluiden.

In overeenstemming met andere klassen van dieren moeten de

oorspronkelijke insecten groote afmetingen gehad hebben en vormen,

die meer of minder van de tegenwoordige verschilden. Wij hebben reeds

in de steenkoolperiode gesproken over de reusachtige grootte van den

titanophasma. Doch in de Juraperiode hadden de insecten reeds dezelfde

afmetingen als in onzen tijd.

Indien wij op het aantal families letten, dan zien wij, dat dit op

een warm klimaat wijst; wij herinneren o.a. aan de witte mieren en

de kakkerlakken; de laatsten hebben veel meer overeenkomst met die

der warme luchtstreken dan met de onze. Hetzelfde is met de planten

het geval. De cycadeën en de groote boomvarens komen alleen in de

verzengde luchtstreken voor.

De araucaria's strekken zich uit van de warme tot de gematigde

luchtstreken en de thuya zelfs tot zeer noordelijke breedten, en toch

zijn dit de twee boomsoorten onder de naaldboomen, die het meest naar

het zuiden afdalen; zij zijn dus niet in tegenspraak met de vroeger

gegeven onderstelling, hoewel wij uit hunne aanwezigheid niet mogen

besluiten tot een warm klimaat. Niet alleen de lucht, doch ook de zee

had op onze breedte eene hoogere temperatuur dan thans; de ammonieten,

nauw verwant met de nautili, die thans nog in de Indische zee leven,

leveren daarvoor het bewijs, evenals de pentacriniden, die alleen op

de kusten der Antillen voorkomen.

De insecten, die reeds in grooten getale en in groote verscheidenheid

voorkwamen in de Juraperiode, leggen dus evenals de overige planten

en dieren getuigenis af omtrent de temperatuur in dien tijd. Doch zoo

aanstonds zullen wij daarvoor een ander bewijs verkrijgen in de koralen

der Jurazeeën. Vóórdat wij echter van de insecten en vooral van de

schildvleugeligen uit dien tijd afstappen, moeten wij nog opmerken, dat

wij ook bij hen belangrijke feiten kunnen waarnemen ten gunste van de

aanpassing der soorten naar de levensvoorwaarden. Zoo zijn de insecten,

die in het water leven, slechts gering in aantal, in vergelijking

met die, welke op het land voorkomen; in de zee komen slechts zeer

weinigen voor; die gelede dieren zijn niet voor het zeeleven gebouwd,

en worden daarin dan ook vervangen door de schaaldieren. Toch zijn

er enkele insecten, die een groot gedeelte van hun leven onder de

zee doorbrengen. Hooren wij, wat Audouin daaromtrent mededeelt:

Op eene reis, in 1822 langs de kusten der Vendée, bezocht ik

een aantal eilanden van den Oceaan, ten einde schaaldieren en

andere zeedieren te verzamelen. Eens was ik in den loop van

September bezig met het doorzoeken van het eiland Noirmoutiers,

en ik had gebruik gemaakt van de eb, om tot op 200 vademen

in de zeebedding voort te gaan, toen ik plotseling te midden

dier diepte getroffen werd door een uiterst klein dier, dat

ik dadelijk als een insect herkende. Het liep snel over de

oppervlakte der steenen, over het zeewier, over de sponzen

en de overige voorwerpen, zooeven door de zee verlaten,

en die nog vochtig waren door de laatste golf.

Op het eerste gezicht vermoedde ik, dat dit kleine insect,

dat ontegenzeggelijk tot de carabidae behoorde, waarvan alle

soorten vleeschetende landdieren zijn, bij toeval daar aanwezig

was, en dat ik het misschien zelf had medegevoerd. Toch vond

ik het dier merkwaardig genoeg, om het mede te nemen. Doch

spoedig zag ik een tweede en een derde exemplaar. Nog iets

verder zag ik een vierde en zoo had ik binnen zes minuten een

tiental bijeen... Den volgenden dag kwam ik terug, toen het

water begon te vallen, met het doel om den teruggang van het

water stap voor stap te volgen. Eerst was ik zeer verbaasd,

dat ik niettegenstaande mijn ijverig zoeken geen enkel van

die insecten ontmoette op het terrein, dat het eerst bloot

lag. Eerst nadat het water een eind gezakt was, begon ik ze

op te merken. Ik zag er meer dan 15, maar in plaats van ze te

vangen, bestudeerde ik hunne bewegingen en besloot de plaats

niet te verlaten, vóórdat zij die zelf verlaten hadden.

Weldra had ik reden mij over mijn geduld te verheugen. Ik kon

mij namelijk overtuigen, dat zoodra de zee de plaats, door

één der insecten ingenomen, blootlegde, het insect daarvan

gebruik maakte, om dadelijk weg te loopen en vlug over den

vochtigen grond voortliep; doch zoodra de vloed opkwam en den

grond bedekte, zag ik telkens die kleine insecten in plaats

van hun heil in de vlucht te zoeken, zich snel verbergen onder

eenen naburigen steen, die dadelijk daarop onder water geraakte

en door eene telkens aangroeiende watermassa werd bedekt.

Het was dus buiten twijfel, dat die kleine dieren den bodem

der zee niet verlieten, om de kust op te zoeken, en dat zij

gedurende den duur van den vloed, d.i. 6 uren lang, naar gelang

van de plaatsen door 20, 30 of 40 voet water bedekt waren.

Hieruit volgt, dat de dieren slechts met groote tusschenpoozen,

en dan nog slechts kort, vrij in de lucht kunnen ademen, en

dat zij veel langer onder water dan boven water zijn. Maar

de natuur, die naarmate de wezens aan grootere gevaren zijn

blootgesteld, betere voorzorgen neemt tot hun behoud, heeft

het kleine insect het middel gegeven, zich met eene luchtbel

te omgeven, en gemaakt, dat die luchtbel aan het dier niet

gemakkelijk ontsnappen kan.

Indien men met het bloote oog of liever met eene loupe de

oppervlakte zijner vleugels beschouwt, of zijnen kop, zijn

middenlijf, zijne sprieten, zijne pooten, in één woord, zijn

geheele lichaam, dan ziet men, dat het bedekt is met haartjes,

waarvan enkele eene tamelijke lengte hebben.

Indien men dan plotseling het insect van de lucht in het

zeewater overbrengt, dan bemerkt men, dat ieder dier haren

eene kleine laag elastische vloeistof bevat, die eerst tot

kleine ovaalvormige lichamen vereenigd, weldra eenen kleinen

bol vormt, die zijn lichaam van alle zijden omgeeft, en die

nooit ontsnapt, hoe het dier zich ook beweegt. Het insect

neemt steeds eene kleine luchtlaag mede, en indien het zich

onder eenen steen verschuilt, is het tijdelijk in dezelfde

omstandigheden als de zich vrij in de lucht bewegende insecten.

Het door Audouin bestudeerde insect was de aepus marinus; later

heeft Charles Robin in 1848 te Dieppe eene tweede soort ontdekt en

de waarnemingen van Robin hebben die van Audouin bevestigd; die van

Coquerel, te Brest gedaan, zijn echter nog vollediger; hij is zelfs

zoo gelukkig geweest, de larve te ontdekken.

De aepus Robini, zoo zegt hij, wordt alleen gevonden

onder steenen, die stevig aan den grond vastzitten, op

plaatsen die bedekt zijn met grof grint, en steeds onder de

laagwater-lijn. Als de zee zich terugtrekt, en het zand nog

vochtig is, ziet men er geen' enkelen; zij zijn dan in kleine

gaten tamelijk diep verborgen. Zij komen eerst te voorschijn,

zoodra de grond minder vochtig wordt, en men ziet ze met

groote snelheid aanstormen, als men den steen optilt, die

hun tot schuilplaats diende.

Het leven dier merkwaardige insecten hangt dus geheel

af van de getijden. Zij blijven onder het water in slaap,

zoolang het hoog water is, en bewegen zich eerst, als de zee

teruggaat. Indien de Oceaan ten gevolge eener storing in

de natuurwetten minder regelmatig onze kusten blootlegde,

zou dat insect zeker moeten omkomen; merkwaardig voorbeeld

van de schoone harmonie, die wij bij iederen stap op het

gebied der natuur waarnemen. Vandaar, dat het insect niet

gevonden wordt op de kusten der Middellandsche zee, waar

geene getijden bestaan.

De Wereld vóór de schepping van den mensch · 第 24 / 40 段