Eerst zag men, dat de voorloopige gang, die men gegraven had, door

eenen iganuodon heenging, van den kop tot het bekken, zoodat alleen

de achterste ledematen en de lange staart van het dier ongeschonden

waren gebleven. Doch de uitgravingen, die men ondernomen had om de

fossielen te voorschijn te brengen, brachten andere sporen aan het

licht die gevolgd werden, en weldra werd men overtuigd, dat het

dier, dat door de gang doorboord was, niet op zich zelf stond, en

dat geheele geraamten konden worden uitgegraven.

Naarmate men met de opdelving vorderde, ontmoette men nieuwe

overblijfselen, en in de uitgegraven aarde zelf vond men eene groote

hoeveelheid kruipende dieren, schildpadden, visschen en planten. Na

eenen zwaren arbeid van drie jaren en uitgravingen op eene diepte van

322 tot 356 meters, had men 29 iguanodons, waarvan een groot gedeelte

in hun hun geheel, 5 krokodillen, 1 salamander en duizenden visschen,

opgegraven [21].

In vorm, houding en gang gelijken zij op eene reusachtige

kangoeroe. Hun kop is betrekkelijk klein en gelijkt op die der

éénhoevige dieren.

Tegelijk met die iguanodons heeft men, zooals wij zagen talrijke

overblijfselen van land- en waterschildpadden ontdekt, die dikwijls

vier meters lang waren, en honderden zoetwatervisschen.

Het is dus zeker, dat door de kloof te Bernissart water gestroomd

heeft, maar daar het bezinksel afwisselt met zwarte klei, zoo mag

men besluiten, dat het water periodiek hooger en lager stond. Bij

laag water vormde de kloof een moeras: de plantengroei en de fossiele

dieren wijzen dit aan. Op den bodem vond men een modderachtig slijk,

waarin de overblijfselen van de varens, die de vochtigheid zochten

en aan den zoom der moeras groeiden, bedolven waren. De reusachtige

iguanodons, die het moeras wilden doortrekken, moeten daarin geheel

ingezakt zijn; juist daardoor is hun geheele geraamte duizenden

eeuwen bewaard gebleven en bezitten wij ze thans zoo volledig. Men

heeft ze gevonden, op de zijde liggend, en min of meer vervormd door

de drukking van de stoffen, waaronder zij begraven zijn gebleven.

Die waarneming staat niet geheel op zichzelf. Men heeft uit het

pliocene slijk van Dursart (Gard) olifanten opgedolven, die op dezelfde

wijze bedolven waren. Niettegenstaande het verbazende tijdsverloop

tusschen beide formaties bestaat er eene duidelijk zichtbare betrekking

tusschen beider graftomben: kleur en vastheid komen overeen. Doch in

Dursart vindt men eikenbladeren, terwijl het in België de varens zijn,

die behooren bij eene door het water overstroomde streek.

Men kent tegenwoordig drie soorten van iguanodons: den Iguanodon

Prestwichi, den Iguanodon Mantelli en den Iguanodon Bernissartensis.

I. De Iguanodon Bernissartensis is 9,50 meters lang, van

den bek tot aan het uiteinde van den staart, en zoo hij op

zijne achterpooten stond, hetgeen het geval was als hij liep,

was hij 4,36 meters hoog.

De kop is naar verhouding klein en in de breedte

samengedrukt. De neusgaten zijn wijd en van voren als het

ware afgeschut. De oogholten zijn middelmatig van grootte en

in vertikale richting gerekt. Het uiteinde der beide kaken is

tandeloos; het dier had waarschijnlijk eenen gehoornden bek. De

92 tanden van den bek wijzen op de leefwijze van plantenetende

dieren. Evenals bij de tegenwoordige kruipende dieren, werden

de versleten tanden dadelijk door nieuwe vervangen. De hals

is tamelijk lang en bevat behalve den proatlas tien wervels,

van ribvormige zijstukken voorzien. Hij was uiterst bewegelijk.

De romp bestaat uit 24 wervels, die door pezen stevig verbonden

waren. De staart is iets langer dan het overige deel van het

lichaam; deze bereikt eene lengte van vijf meters en bevat

51 wervels. Hij is evenals die van den krokodil zijdelings

samengedrukt.

De voorste ledematen zijn korter dan de achterste. Zij zijn

dik en krachtig, en eindigen in eene hand met vijf vingers. De

eerste vinger of duim heeft in plaats van het voorste lid eene

groote spoor, die een vreeselijk wapen moet geweest zijn. De

tweede, derde en vierde vinger hebben ieder drie leden,

waarvan het laatste eenen kleinen horen draagt. De vijfde

vinger stond waarschijnlijk evenals bij ons de duim tegenover

de overige vingers, zoodat het dier de takken der boomen naar

zich toe kon trekken, wier vruchten tot zijne voeding dienden.

De achterste ledematen zijn de grootste en gelijken op de

pooten der vogels.

II. De Iguanodon Mantelli onderscheidt zich van den Iguanodon

Bernissartensis in de volgende opzichten:

1º. Hij is slechts 5 tot 6 meters, in plaats van 10

meters lang.

2º. Hij heeft slechts 5 wervels aan het heiligbeen,

in plaats van zes.

3º. De neusgaten zijn wijder.

III. De Iguanodon Prestwichi onderscheidt zich door vier

wervels in het heiligbeen en door het samengestelde der tanden.

Wij kunnen ons de iguanodons voorstellen als tweeslachtige dieren,

die zich met planten voedden. Zij beten die af met hunnen gehoornden

bek, en vermaalden ze in den achterbek door middel van de 92 tanden,

die telkens vernieuwd werden. Het waren waarschijnlijk waterdieren. De

omstandigheden, waaronder de dinosauren gevonden zijn, bewijzen,

dat die dieren moeten geleefd hebben te midden der moerassen en aan

de oevers eener rivier. Nu wij mogen aannemen, dat de iguanodons een

groot gedeelte van hun leven in het water doorbrachten, kunnen wij

ons, met behulp der waarnemingen op den krokodil en den amblyrhinchus

(groote zeehagedis op de Galapagos-eilanden voorkomend) twee wijzen

van voortbewegen bij onzen dinosaurus voorstellen.

Als hij langzaam zwom, bediende hij zich van zijne vier ledematen

en zijnen staart, wilde hij daarentegen snel vooruitgaan, om zijne

vijanden te ontvluchten, dan trok hij zijne voorste ledematen langs

het lichaam in, en gebruikte hij alleen den staart. Het is duidelijk,

dat hoe korter de voorpooten zijn, zij des te gemakkelijker bij die

beweging kunnen geborgen worden, en dus minder weerstand bieden aan

de verplaatsing van het dier in het water. Alle in het water levende

zoogdieren strekken tot bewijs hiervan. Op het land _liepen_ die dieren

alleen met behulp hunner achterste ledematen. Met andere woorden:

zij waren tweevoetig, zooals de mensch en een groot aantal vogels,

en _sprongen_ niet, zooals de kangoeroes. Zij steunden bovendien niet

op den staart, maar lieten dien eenvoudig slepen.

De iguanodons, die plantetende dieren waren, moesten ten prooi

verstrekken aan de groote vleeschetende dieren van hunnen tijd. Daar

zij nu in de moerassen verblijf hielden, konden zij onder de varens,

die hen omgaven, hunne vijanden moeilijk zien aankomen, tenzij zij

rechtop stonden. In die houding konden zij bovendien hunnen aanvaller

in hunne korte en sterke armen vatten en hem de groote met eenen

snijdenden hoorn voorziene sporen hunner handen in het lichaam steken.

Onze lezers zullen zich een denkbeeld kunnen vormen van den bouw

dier vreemdsoortige wezens, door de beschouwing van fig. 224 en

zeker nog beter door de schoone teekening op blz. 409, waarin de

ontmoeting van eenen iguanodon en eenen megalosaurus in een woud der

Weald-Juraformatie geschetst wordt [22].

Onlangs (1885) heeft de Heer Dollo een nieuw kruipend dier opgebouwd,

dat in het krijt van Henegouwen gevonden is, en dat hij daarom

_Hainosaurus_ genoemd heeft, (hagedis van de Haine). Die naam is dus

op dezelfde wijze gevormd als _Mosasaurus_ (hagedis van de Maas). De

lengte van den schedel bedraagt 1,55 meters en de geheele lengte van

het dier moet 13 meters geweest zijn. Het is de grootste der bekende

mosasauren [23]. De kop van den mosasaurus, die niet minder dan 1,30

meters lang is en dikwijls eene lengte van 2,50 meters bereikt, gelijkt

op dien der monitors. De kaken zijn voorzien van scherpe tanden. De

hals bevatte waarschijnlijk hoogstens tien wervels en was even groot

als die van de ichthyosauri. De hand, met vijf vingers, eindigde

in leden, die geene klauwen bezaten en had den bouw der vinnen. De

langste vinger had zes leden; de kortste vier. Marsh teekent aan den

duim slechts drie leden. De achterste ledematen komen in bouw met de

voorste overeen, doch zijn iets kleiner. De huid was bedekt met platen

van ongeveer twee centimeters: die platen, welke aan de binnenzijde

glad waren, lagen als dakpannen over elkander; men kent nog niet de

wijze, waarop zij over het lichaam der dieren verspreid waren.

Uit dit alles volgt, dat de mosasauri kruipende dieren waren,

die uitwendig het voorkomen hadden van dolfijnen, b.v. groote

bruinvisschen. Toch kon men ze gemakkelijk daarvan onderkennen: hun

lichaam immers is niet naakt, zooals dat der dolfijnen, maar bedekt

met kleine beenige platen; zij bezitten twee paar vinnen, terwijl

de dolfijnen slechts één paar bezitten; hun staart was zijdelings

ingedrukt en niet van boven naar beneden. Bovendien eindigen de

neusgaten niet boven den kop, en zijn zij niet tot spuitgaten vervormd.

In 1884 heeft Marsh een nieuw kruipend dier opgebouwd, dat in de

Juraformatie gevonden was en dat hij den naam van _macelognates_

gegeven heeft. Het is eene soort van kikvorsch, met tanden achter

in de kaken en eenen gehoornden bek. Bij al die verschillende dieren

moeten nog de _champsosauri_ gevoegd worden, waarvan men den juisten

vorm nog niet volkomen kent. Ook hebben wij tijdens de triasperiode

de zonderlinge dicynodonten van Zuid-Afrika leeren kennen (fig. 206

blz 356). In de krijtperiode zullen wij nog andere terugvinden. De

natuuronderzoeker Cotta noemde ze "de hooge adel van het rijk van

Neptunus, tot de tanden gewapend en bedekt met een ondoordringbaar

pantser, de vrijbuiters der oorspronkelijke zeeën." Toch zijn die

kruipende dieren nog niet de zonderlingste wezens uit dien vreemden

tijd, want wij hebben nog niet gesproken van de vliegende reptielen,

_de pterodactyli_, en van de tandvogels, de _odontorithen_.

Al die wezens schijnen de gaping aan te vullen, die in onzen tijd de

meest volkomen kruipende dieren, de krokodillen en de schildpadden,

van de lagere zoogdieren, de buideldieren, en de minst tot vliegen

geschikte vogels, zooals den struisvogel, den emu en den casuaris

scheidt. Zij staan zóóver van de kruipende dieren af, dat men voor hen

eene afzonderlijke onderafdeeling zoude moeten maken van denzelfden

rang als die der tegenwoordige kruipende dieren; de punten van verschil

immers met onze kruipende dieren zijn veel grooter dan die tusschen de

schildpadden en de slangen. Wij kennen van de dinosauren alleen het

geraamte; indien wij hunnen bouw nauwkeurig kenden, en tevens hunnen

bloedsomloop en hunne ontwikkeling, dan zouden wij waarschijnlijk geen

oogenblik aarzelen, daarvan eene tusschenklasse te vormen tusschen

de zoogdieren en vogels, en de kruipende dieren in engeren zin. Men

begint te vermoeden, dat onder die dieren zeer verschillende typen

voorkomen, die evenveel van elkander verschillen als bij de zoogdieren

de dikhuidigen, de herkauwenden of de vleeschetende dieren.

De grootte en vorm van den schedel verschilt veel bij de verschillende

typen. De schedel, die evenals die der krokodillen bij de dinosauren

der triasperiode zeer gerekt is, is bij de dieren van den lateren

tijd veel ingekort. Bij enkele dieren, zooals bij den hypsilophodon,

zijn de beenderen der oogholten met de voorhoofdsbeenderen in verband,

evenals bij de zoogdieren en vele vogels. De hersenen komen overeen

met die der kruipende dieren en zijn dikwijls bijzonder klein. De

tusschenkaaksbeenderen zijn gescheiden; de beide helften van de

onderkaak zijn alleen door kraakbeen vereenigd. De samenstelling van

den schedel gelijkt dus bij die hagedissen in enkele opzichten op

die der krokodillen.

Daar de leefwijze der verschillende dinosauren onderling zeer

verschilde, zoo moet er ook eene groote verscheidenheid bestaan

hebben in den vorm der tanden. De vleeschetende dieren, zooals

de megalosaurus, hadden sterke en scherpe tanden, die aan de

randen gekerfd waren. De grasetende dieren, zooals de iguanodon,

de vectisaurus, de laosaurus, de hypsilophodon hadden kaken,

die van tanden voorzien waren, welke uitstekend geschikt waren

om te snijden en te vermalen; die tanden sleten evenals die der

tegenwoordige grasetende zoogdieren en werden dadelijk vernieuwd, als

zij versleten waren; de onderkaak kon zich evenals bij de tegenwoordige

herkauwende dieren horizontaal bewegen, ten einde de tanden in staat

te stellen, het voedsel te vermalen; die beweging bestaat niet bij

de tegenwoordige kruipende dieren; de grootte der gaten en kanalen,

waardoor de zenuwen heengingen, toont aan, dat die dieren weeke lippen

hadden. De hadrosauren, grasetende dieren, hadden verscheidene rijen

van tanden, die door het afslijten eene malende oppervlakte hadden in

den vorm van een dambord. Bij de grasetende dieren, die tot de groep

der vogelpootigen gerangschikt zijn, droeg de tusschenkaak geene

tanden; hetzelfde is het geval met het uiteinde van de benedenkaak,

die waarschijnlijk eindigde in eenen gehoornden bek, waarmede het dier

de knoppen en bladeren afsneed, die het voor zijne voeding noodig had.

In die secundaire tijden, waarin die vreemdsoortige en reusachtige

dinosauren leefden, vinden wij de kruipende dieren in hunne

grootste ontwikkeling. De zoogdieren zijn nog klein en worden alleen

vertegenwoordigd door de laagste soorten; de dinosauren schijnen op de

oppervlakte der aarde de rol gespeeld te hebben, thans weggelegd voor

de groote vleeschetende en plantenetende zoogdieren; maar terwijl de

zoogdieren zich steeds verder ontwikkeld hebben, zoodat zij reeds

tegen het einde der tertiaire periode den bloei bereikt hebben,

dien wij thans nog bewonderen, zijn de kruipende dieren steeds

achteruitgegaan: de hoogere dieren hebben de overwinning behaald op

de minder ontwikkelde wezens. Op het einde der secundaire periode

verdwenen de dinosauren voor goed, zonder afstammelingen na te laten;

zij hebben zich niet kunnen voegen in de nieuwe levensvoorwaarden, die

hun werden opgelegd, en zijn dus uitgestorven, terwijl de zoogdieren

daarentegen dagelijks meer naderden tot de hoogste ontwikkelde typen.

Tijdens het laatste gedeelte der Juraperiode was West-Europa doorsneden

door moerassen, lagunen en dikwijls overstroomde inhammen; die

bevoorrechte plaatsen hadden eenen rijkeren en meer afwisselenden

plantengroei dan de bergstreken; daar groeiden groote varens met

lederachtig loof, terwijl de helling en hoogten bedekt waren met

planten, die naderden tot de araucaria's en de cycadeën, en die het

voedsel vormden der plantenetende dinosauren dier periode. Hetzelfde

was het geval in het begin der krijtperiode, toen de wealdformaties

ontstonden.

Wij zagen zooeven, dat de dinosauren verdwenen zijn in het midden

der krijtperiode; de reden van die verdwijning lag in de ontzaglijke

veranderingen, die in dien tijd in de temperatuur plaats vonden. Tot

nu toe wees de verspreiding der planten en dieren over de oppervlakte

der aarde, en tevens de aard der dieren en planten, op eene hooge,

gelijkmatige temperatuur, die niet zoo veel hooger was aan den

aequator dan op onze breedte, en die tot op 76° noorderbreedte

tropisch was. In één woord: over de geheele aarde heerschte het

klimaat der tegenwoordige verzengde luchtstreken. Gedurende al die

eeuwen schijnt de temperatuur niet de minste schommeling te hebben

ondergaan; hoogstens heeft men uit het voorkomen der bezinkingen

de periodes van betrekkelijke vochtigheid en droogte trachten af te

leiden. In het midden der krijtperiode wordt de toestand anders, en kan

men het begin eener verkoeling naar het noorden waarnemen. Wij leiden

dit af uit de afwezigheid van riffen en de zeldzaamheid van koralen,

op de plaats waar thans Europa ligt, uit het zeldzaam voorkomen van

rudistae boven 45° Noorderbreedte, en uit de verschijning op die

plaatsen van plantenfamiliën, die slechts bij uitzondering in de

tropen gevonden worden.

Die rijke Juraperiode geeft ons een helder denkbeeld van de

vruchtbaarheid der natuur, want de aarde was toen zeer verschillend van

die van onzen tijd. Het kan zijn nut hebben, de wereld te beschouwen

uit het oogpunt der organische natuur, en hetgeen ons de aarde leert,

in verband te brengen met onze opvattingen van het heelal.

Letten wij b.v. op het landschap van araucaria's en cycadeën, waarin

zich de reusachtige _stegosaurus_ beweegt met zijn lichaam, dat bedekt

was met beenige en doornachtige platen, en met zijne merkwaardig

korte voorste ledematen,--den compsonotus, een' anderen niet minder

merkwaardigen dinosaurus,--en de vreemde vliegende reptielen, de

pterodactyli (fig. 227). Vormt dit landschap niet eene wereld, die

geheel van de onze verschilt? Zou men zich die kunnen voorstellen,

als men de versteeningen niet ontdekt had? Die bewoners der secundaire

periode zijn allen op het laatst der krijtperiode verdwenen. Toen

heerschte over de geheele aarde het klimaat der tegenwoordige

tropen; tot op de hoogste breedten heeft men dezelfde planten en

dieren teruggevonden. Het is de periode der kruipende dieren, en

welke kruipende dieren! De brontosaurus, wij merkten het reeds op,

bereikte eene lengte van 16 meters en moest meer dan 30000 kilogram

wegen! De atlantosaurus was nog grooter. De Europeesche cetiosaurus

deed niet onder voor zijne Amerikaansche mededingers: men kan daarover

gemakkelijk oordeelen, indien men weet, dat het dijbeen 1,70 meter

lang, en dat het gedeelte van den kop en de wervelkolom, dat bekend

is, reeds 12 meters lang is, hetgeen voor het geheele dier eene lengte

van 16 tot 17 meters geeft. De iguanodons waren dikwijls tien meters

lang; de grootste heeft eenen kop van 1,20 meters en de voorpooten

waren 2,50 meters lang.

Zonder zelfs te spreken van de oude wereld der ichthyosauren,

der plesiosauren, der labyrinthodonten, der paleotheriums, is de

periode der dinosauren voldoende, om getuigenis af te leggen van de

verscheidenheid van de voortbrengselen der levenskracht, zelfs op

onze nietige planeet. De natuur zelf beantwoordt hen, die aan hare

vruchtbaarheid twijfelen, en wij behoeven aan hare wonderen niets

toe te voegen.

Noch de denkbeeldige dieren, door de fabelleer van alle volkeren

verzonnen, noch de spooksels, door de vrees geschapen in de sombere

tijden, toen de menschelijke gedachte scheen te sluimeren en te

droomen, zouden kunnen wedijveren met de fantastische voortbrengselen

der aarde tijdens den oorsprong der viervoetige dieren en der

zoogdieren. Het is, alsof de natuur van alles in kolossale verhoudingen

de proef genomen heeft, vóórdat zij kon besluiten tot de vormen,

die eens in de menschheid moesten eindigen.

Terwijl de zeeën doorploegd werden door reusachtige kruipende

dieren, ichthyosauren, plesiosauren, pliosauren, nothosauren,

waarvan de tegenwoordige natuur ons geen flauw denkbeeld kan geven;

terwijl op het vasteland de dinosauren heerschten, misschien wel de

merkwaardigste dieren, ons door de oudheid nagelaten, waren de hemelen

met niet minder vreemde wezens bevolkt, met dieren, die noch vogels,

noch kruipende dieren waren, of liever met dieren, die tegelijk vogels

waren, zonder veeren en met tanden gewapend, tegelijk warmbloedige

kruipende dieren, die noch konden loopen, noch konden zwemmen. Het

zijn in den waren zin des woords de draken uit de fabelleer, en de

meest rijke verbeelding kan zich geene verzameling van zóó vreemde

monsters denken, of zij hebben tijdens de Juraperiode geleefd.

Niet alleen door hunne grootte onderscheidden zich de kruipende dieren

in de oude tijden: ook door de talrijke en zeldzame vormen, die zij

aannamen. Wij wijzen hier op de dieren, die niet, zooals de vliegende

draken, door middel hunner ribben vlogen, of zooals de vogels,

door vleugels met aan de uiteinden vergroeide middelhandsbeenderen,

of zooals de vleermuizen door vleugels, waarbij de duim alleen vrij

is, maar door middel van vleugels, die gesteund werden door eenen

zeer langen vinger, terwijl de andere vingers hunne gewone lengte

en hunne klauwen behouden hadden. Die vliegende reptielen (vreemde

tegenstelling) hadden eenen langen hals, en den bek van een vogel.

Die vreemde dieren zijn de pterodactyli. Hunne korte en stevige kaken

zijn aan de voorzijde voorzien van tanden, terwijl de kaak zich tot

eene soort bek verlengt, die bij den ramphorynchus en den dimorphodon

waarschijnlijk met eenen hoorn bekleed was en geene tanden bevatte. Die

tanden doen door hunnen stand en de wijze hunner inplanting meer denken

aan de merkwaardige van tanden voorziene vogels der krijtformatie

van Amerika, zooals den hesperornis, dan aan kruipende dieren. [24]

De pterodactyli waren dieren, die zich met kracht en snel door de

lucht konden voortbewegen: hunne voorste ledematen zijn dan ook

geheel daartoe ingericht. Bij de vogels, de dieren der lucht bij

uitnemendheid, bestaan de vleugels uit onbuigzame pennen, die met haar

ééne uiteinde bevestigd zijn aan eene platte en bijna onbeweeglijke

stomp; de twee beenderen van den middenarm kunnen niet om elkander

draaien, en de handwortel bestaat slechts uit twee kleine beentjes;

de hand bestaat uit eenen weinig ontwikkelden duim, eenen pink en

eenen middenvinger, die uit twee leden bestaat. Het vliegorgaan der

zich in de lucht bewegende zoogdieren, zooals de vleermuizen, is

geheel anders samengesteld. Bij de laatste dient een zeer dun vlies,

tusschen de voorste en achterste ledematen en de huid, voor het

vliegen; om dat vlies te dragen, moeten de vingers bijzonder lang zijn.

Evenals verscheidene andere dieren dier periode, vertoont de

pterodactylus een mengsel van zeer verschillende karaktertrekken. De

hals, gevormd uit zeven wervels, wijst op een zoogdier, de vliezen,

die voor het vliegen dienen en zich uitstrekken tusschen de vóór-

en achterpooten, behooren tot de vleermuizen, terwijl men den

pterodactylus naar den bouw van den voet onder de kruipende dieren

moet rangschikken; de zoogdieren toch hebben aan alle vingers hetzelfde

aantal leden; de kruipende dieren daarentegen, en met name de hagedis,

hebben het kleinste aantal leden aan den vinger, die de plaats van

den duim inneemt, en één lid meer aan iederen volgenden vinger,

tot aan den laatsten, die één minder heeft dan de vorige.

De pterodactylus, die dezelfde inrichting der vingers heeft,

wordt dus onder de hagedissen gerangschikt; het was eene soort

van vliegende hagedis van middelmatige grootte, en, te oordeelen

naar het aantal insecten, dat men dicht bij zijne overblijfselen

vindt, een insecteneter. Het hoofdvoedsel schijnt uit libellulae

bestaan te hebben, waarvan men eene zeer schoone soort bij hunne

overblijfselen vindt. Men heeft opgemerkt, dat de pterodactylus

geene verdedigingswapenen of haren bezat; in de afdruksels vindt men

daarvan geen spoor. Blz. 422 geeft een denkbeeld van zijne grootte

in vergelijking met die van de vleermuis.

In de lithographische steen van Beieren, waarin zoovele merkwaardige

dieren gevonden zijn, die uitstekend bewaard zijn gebleven, heeft

men in 1873 eenen rhamphorynchus gevonden, met volkomen gaven

vleugel. Uit dat exemplaar blijkt, dat de vleugel een vlies was,

dat op dat der vleermuizen geleek, glad en netvormig. Het vlies was

aan de binnenzijde aan den geheelen arm verbonden, de vijfde vinger,

die lang uitgerekt was, steunde het tot aan het uiteinde. De staart was

zeer lang en de staartwervels werden vastgehouden door beenige pezen;

de merkwaardige toestel, die men aan het uiteinde van den staart van

den rhamphorynchus waarneemt, deed klaarblijkelijk dienst als roer.

De Wereld vóór de schepping van den mensch · 第 23 / 40 段