de kruipende dieren en de kikvorschen, sterven voor goed uit in de
onderste lagen der Juraformatie; de ware kruipende dieren bereiken
echter hunne hoogste ontwikkeling; zij worden vertegenwoordigd door
alle groote groepen, die wij thans nog hebben, met uitzondering van de
slangen, die eerst optreden als de eerste kruipende dieren hunne pooten
verloren hebben. Bovendien vindt men dieren van een in onze fauna
volkomen onbekend type, die in de krijtperiode weder verdwenen zijn.
Van de kruipende dieren der secundaire periode zijn _de ichthyosauren_
(van ichthus visch en sauros hagedis) reeds het langst bekend; want
Scheuchzer spreekt reeds in 1708 van wervels in het lias van Altdorf
gevonden. De natuur van deze vreemdsoortige wezens is echter eerst
in de eerste helft dezer eeuw bepaald.
De ichthyosauren hadden de wervels van eenen visch, den kop van
eene hagedis, den muil van eenen bruinvisch, de tanden van eenen
krokodil, het borstbeen van eenen ornithorynchus en de vinnen van
eenen walvisch. Men kent een groot aantal verschillende soorten,
waarvan enkele van tien tot twaalf meters groot zijn. Men vindt ze in
grooten getale in de Juraformatie, vooral in de onderste lagen. Hun
kop was lang en puntig, met ontzaglijke oogen voorzien, hunne talrijke
tanden waren groot, kegelvormig en puntig; men heeft kaken gevonden
met 180 tanden. Zij moeten eenige overeenkomst gehad hebben met onze
tegenwoordige walvisschen.
Zelfs onafhankelijk van de grootte van het monster, moeten de
oogen, die de grootte hadden van een menschenhoofd, het reeds een
schrikwekkend aanzien gegeven hebben. Binnen de oogholte ziet men eenen
cirkel, bestaande uit 13 tot 17 beenige platen, die waarschijnlijk
tot steun dienden aan het wit van het oog; het licht werd door de
opening van den cirkel doorgelaten. Die platen, die men ook vindt in de
oogen van verscheidene vogels, bij de schildpadden en de hagedissen,
dienen om het doorschijnende hoornvlies naar voren of naar achteren
te duwen, ten einde zijne kromming te vermeerderen of te verminderen,
en om daardoor het waarnemen van voorwerpen op groote en op kleine
afstanden gemakkelijk te maken, d. i. om het dier naar verkiezing
bijziend of verziend te maken. Van de oogen af neemt de schedel
reusachtige afmetingen aan, het voorhoofd stijgt om van achteren weder
af te platten: de beenderen steken in het midden en de beide zijden
tot aan het achterhoofd uit, en laten holten open, die de spieren
hielden, waarmede het dier de lange onderkaak moest bewegen.
De groote kop had eenen machtigen steun noodig; die rol werd door
den hals vervuld, die kort en dik was en waarvan de wervels zich
tot binnen in den kop uitstrekten, terwijl de benedenkaak zich vrij
vóór en onder deze bewoog. De wervelkolom wordt van den kop tot het
midden van den rug dikker. De wervels zijn bijna cirkelvormig, plat
en voorzien van uitsnijdingen voor de kraakbeenige banden, waarmede
zij onder elkander verbonden zijn.
Bij de tegenwoordige dieren is het aantal der wervels zóózeer bepaald,
dat het tot onderscheidingsmiddel der verschillende families dient;
bij de voorwereldlijke hagedissen daarentegen is dat aantal niet
bepaald, hetgeen wijst op eene onvolkomen ontwikkeling: er had zich
nog geen vast type gevormd; de wervelkolom bestaat nu eens uit 110,
dan weder uit 120, ja zelfs uit 145 wervels, waarvan 45 dienen voor
de inplanting der ribben.
De staart bevat van 80 tot 85 wervels, waarvan de eerste aan
weerszijden verlengd zijn, welke verlengstukken echter al kleiner en
kleiner worden. Het achtereinde van den staart is rond.
De met zwemvliezen voorziene pooten herinneren aan de vinnen van den
walvisch, met dit verschil, dat zij meer vingers bevatten; maar deze
bestaan, evenals de hand van den mensen (behalve de duim) uit eene
rij leden, die door spieren en kraakbeenige bandspieren aan elkander
verbonden zijn. Die pooten schijnen meer gevormd te zijn tot zwemmen
dan tot loopen, doch zij kunnen voor beide gediend hebben.
De vier ledematen van den ichthyosaurus waren gepantserd als een
ijzeren handschoen, terwijl het overige deel van het lichaam geene
wapenrusting ter verdediging bezat.
Het groote aantal en de dubbelholle oppervlakte der wervels doen ons
besluiten, dat het monster eene grootte vlugheid bezat, waardoor het,
hoewel schijnbaar log, gemakkelijk zijne prooi kon bereiken. Indien
de lengte der vier ledematen gering schijnt, dan wijst de bouw der
staartwervels en eene vergelijking met die der visschen met lang
lichaam er op, dat de staart van den ichthyosaurus voorzien was
van breede en krachtige vinnen, die vertikaal stonden, zooals bij
al onze visschen, en niet horizontaal zooals bij den walvisch; men
begrijpt, dat hij bij eenen zoo gerekten lichaamsbouw met behulp van
eenen zoodanigen roeiriem het water met snelheid kon doorklieven. In
het Museum te Parijs vindt men eenen ichthyosaurus, waarin zich een
kleine volkomen gevormde ichthyosaurus bevindt. Moeder en kind zijn
volkomen goed bewaard gebleven. Dit is een onwederlegbaar bewijs voor
de stelling, dat die kruipende dieren levende jongen voortbrachten.
Die ichthyosaurus is door den natuuronderzoeker Chaining Pearce
gevonden, in de liasformatie van Somersetshire; het fossiele skelet
lag op den buik. Door de ééne of andere overstrooming overvallen, was
het dier met zand bedekt en toen versteend met al wat het bevatte,
met uitzondering van de zachte gedeelten. Toen men de hard geworden
klei voorzichtig weggenomen had, had men de geheele buikzijde van
het monster bloot gelegd; deze was, evenals het geheele geraamte,
volkomen bewaard gebleven.
Doch hoe groot was de verbazing van den natuuronderzoeker, toen hij
in de holte van het bekken van den ichthyosaurus, een ander dier van
dezelfde soort, doch in het klein, ontdekte, wiens skelet met den
kop naar den staart van het moederdier gelegen was!
De ontdekking van eene versteende ongeboren vrucht in het versteende
lichaam der moeder was zóó merkwaardig dat men er geen geloof aan wilde
hechten, vóórdat men het feit nauwkeurig had onderzocht; er viel echter
aan de juistheid niet te twijfelen. Zooals wij zagen, is het groote
skelet van beneden naar boven losgemaakt, waardoor reeds het denkbeeld
is uitgesloten, als zoude het kleine skelet door aanspoeling daarin
gebracht zijn; evenmin is het aan te nemen, dat het groote skelet op
het kleine gevallen is, dat reeds in de modder begraven zoude geweest
zijn, en dit laatste den stand van eene ongeboren vrucht zoude hebben
doen aannemen op het oogenblik der geboorte. De meening, als zoude
het kleine dier door het groote verslonden zijn en zoo gekomen zijn
voor de opening van het darmkanaal, wordt reeds hierdoor wederlegd,
dat het jeugdige dier zóó teer is, dat zijn geraamte in de maag van
het groote monster zou moeten verbrijzeld zijn, zelfs nog aannemende,
dat de tanden het ongedeerd gelaten hadden. Wij mogen hier opmerken,
dat het levendbaren den vischhagedissen eigen is; de haaien baren
eveneens levende jongen, evenals verschillende soorten van slangen,
de salamanders en enkele andere kruipende dieren.
Indien wij zoo de sporen van dit lang vervlogen leven terugvinden,
indien wij in het lichaam van den ichthyosaurus het voedsel
terugvinden, dat hij een oogenblik vóór zijnen dood inzwelgde, indien
wij daarin nog de overblijfselen zien van visschen, voor honderden
millioenen jaren verslonden, dan verdwijnt die onmetelijke tijdsruimte
voor onzen geest, en dan vinden wij ons als het ware in onmiddellijke
aanraking met alle gebeurtenissen, die toen ten tijde hebben plaats
gevonden, als waren zij eerst onlangs geschied. [20]
Opmerkelijk is het, dat men geene ichthyosauren gevonden heeft in de
secundaire formaties van de Vereenigde Staten van Amerika. In 1879
vond echter professor Marsh een exemplaar van drie meters lengte,
afkomstig uit de Juraformatie van het Rotsgebergte, maar _zonder
tanden_. De wervels, de ribben en de overige deelen van het skelet
konden nauwelijks onderscheiden worden van de overeen-komstige deelen
van eenen ichthyosaurus, en ook de schedel kwam in velerlei opzicht met
dien van den laatsten overeen. En toch waren er geene tanden aanwezig;
zelfs werden de tandholten gemist. De geleerde paleontoloog stelt voor,
de nieuwe hagedis "Sauranodon" of tandlooze hagedis te noemen.
Hoewel men reeds, zooals wij zagen, sedert 1708 fossiele
overblijfselen van ichthyosauren had onderzocht, heeft men ze
eerst sedert 1814 bestudeerd; in dat jaar gaf Sir Everard Home
zijne eerste onderzoekingen in het licht over de beenderen, die in
het lias van Dorset gevonden waren. In 1816 en 1818 werden nieuwe
stukken op dezelfde plaats gevonden en in 1819 een geheel skelet. In
1824 gaf Cuvier eene volledige verhandeling over dat merkwaardige
wezen in het licht. Na dien tijd heeft men er verscheidene gevonden
in verschillende lagen der lias- en Juraformatie, maar nooit meer
na het midden der krijtperiode. Men onderscheidt vier soorten:
den ichthyosaurus communis, den grootsten van alle (12 meters), met
gegroefde en kegelvormige tanden; den ichthyosaurus platyodon, bij
welken de tanden ingedrukt zijn; den ichthyosaurus tenuirostris, met
eenen langen, dunnen muil; en den ichthyosaurus intermedius, die op de
eerste soort gelijkt, maar scherpere en dieper gegroefde tanden heeft.
Nog vreemder en dikwijls nog reusachtiger dan de ichthyosauren, waren
de plesiosauren, hunne tijdgenooten in de periode, waarvan wij thans
de geschiedenis schrijven. Hun vorm is bijzonder vreemd; men stelle
zich eenen walvisch voor, wiens romp eindigt in eenen hals, die op het
lichaam van eene slang gelijkt, en waarop een kop rust, die merkwaardig
klein is in vergelijking met de grootte van het dier; ziedaar den
plesiosaurus, die in enkele opzichten gelijkt op eenen krokodil, in
andere opzichten op eene hagedis, eene schildpad en eenen walvisch,
met bijzondere karaktertrekken, hem alleen eigen. Enkele dikke en
korte soorten gelijken weder op ichthyosauren. De plesiosauren moeten
een ontzaglijk groot lichaam gehad hebben: hunne tanden zijn meer dan
een meter lang, en enkele dijbeenderen zijn grooter dan een mensch
van middelmatige lengte! Niet minder geducht waren de cetiosauren;
hun dijbeen was meer dan 1 1/2 meter lang, en de dieren moeten dus
eene lengte gehad hebben van 18 meters. Onze tegenwoordige kruipende
dieren zijn dwergen in vergelijking met de dieren dier oude tijden!
Die koningen der Jurazeeën bewoonden de groote zeeën, hunne ledematen,
vier in getal, en afgeplat als roeiriemen, waren als het ware voor
het zwemmen geschapen; hun dikke ineengedrongen staart diende hun
tot roer. Daar zij in de lucht ademden, zwommen zij niet in de
diepte, maar aan de oppervlakte van het water, evenals de zwaan en
de watervogels. Terwijl zij hunnen langen en buigzamen hals naar
achteren bogen, schoten zij van tijd tot tijd met hunnen sterken
en met scherpe tanden gewapenden bek vooruit, om de visschen te
grijpen. Waarschijnlijk brachten zij levende jongen ter wereld,
evenals de ichthyosauren; zij leefden van de levende prooi, die zij
met hunne talrijke en scherpe tanden konden grijpen.
De eerste plesiosauren zijn ook in het lias van Engeland gevonden. In
1821 gaven Conybeare en De la Bêche de eerste beschrijving van die
dieren. Een volkomen skelet werd in 1824 ontdekt. Zij leefden, evenals
de ichthyosauren, in de lias- en Juraperiode, tot aan het midden der
krijtperiode: zij komen voor in de oude zeeën van Europa, en in die van
Amerika, Nieuw-Zeeland en Australië. Men kent reeds 73 verschillende
soorten, waarvan 24 in de krijtformatie. De bovenste helft der
Juraformaties in Frankrijk heeft 14 soorten geleverd, die voor het
meerendeel in de omstreken van Havre en Boulogne gevonden zijn.
In 1839 ontdekte de Engelsche natuuronderzoeker Richard Owen een even
groot kruipend dier als den plesiosaurus, waaraan hij den naam van
pliosaurus gaf, en die van den vorigen daarin verschilt, dat zijn hals
minder gerekt en veel korter is, evenals bij den ichthyosaurus. Toch
behoort de pliosaurus tot het type der plesiosauren.
In dienzelfden tijd leerde de Duitsche geleerde Hermann Meyer
kruipende dieren kennen, die afkomstig zijn uit de benedenste lagen
der secundaire formatie en die in het trias gevonden zijn. Die dieren,
bekend onder de namen van nothosauren, pistosauren, simosauren, hebben
vele punten van overeenkomst met de plesiosauren. Men ziet hieruit,
zooals dit ook blijkt bij de verschillende hondenrassen van onzen tijd,
die onderling zóózeer in vorm en grootte verschillen, hoe moeilijk het
is, de grens te trekken tusschen soortverschillen en rasverschillen.
Onze lezers zullen zich nog beter dan door de geteekende fossielen
rekenschap kunnen geven van het voorkomen der ichthyosauren en
plesiosauren, indien zij fig. 212 blz. 370 beschouwen, en vooral bij
het bestudeeren van de titelplaat van dit werk: op die plaat zijn de
plesiosaurus en de ichthyosaurus geplaatst, vergezeld van niet minder
vreemde wezens, die wij thans zullen beschrijven.
De laatste ontdekkingen toch der paleontologie bewijzen, dat de
dieren, waarvan wij gesproken hebben, nog niet de vreemdsoortigste
wezens zijn van die periode. Wij mogen beweren, dat de vreemdste
wezens, die ooit op onze planeet bestaan hebben, de _dinosauren_
der Juraperiode geweest zijn.
Zooals hun naam aanwijst (deinos, verschrikkelijk), waren het
vreeselijke wezens, die de zoogdieren voorafgingen, op het land en
in de zee leefden, en eene uitbreiding verkregen, die vergeleken
kan worden met die der thans levende zoogdieren. Enkele waren
vleeschetende, andere grasetende dieren; zij voedden zich met de
planten, die in de diepe wouden groeiden en elkander verscheurden. Van
het trias af tot aan het einde der krijtperiode, beheerschten zij de
wereld, en waren zij na elkander tijdgenooten van de ichthyosauren,
de plesiosauren, de teleosauren, de mosasauren enz. De ontdekkingen
van den laatsten tijd stellen ons thans in staat, den weg te vinden
in die fossiele overblijfselen, de voornaamste soorten weder op te
bouwen, en in die vreemde bevolking der secundaire periode groepen
vast te stellen.
Het ligt voor de hand, ze eerst in twee klassen te verdeelen: de
grasetende en de vleeschetende dieren. In ieder dier klassen zullen
wij de voornaamste soorten opgeven:
Dinosauren.
Grasetende Dieren.
I.--Sauropoden (Hagedispootigen).
Voornaamste soorten: Atlantosaurus,
Brontosaurus.--Diplodocus.--Morosaurus.--Cetiosaurus.
II.--Stegosauri (Schildhagedissen).
Voornaamste soorten: Stegosaurus communis, Diracodon,
Omosaurus.--Scelidosaurus, Hylaeosaurus.
III.--Ornithopoden (Vogelpootigen).
Voornaamste soorten: Iguanodon,
Camptonotus.--Hypsilophodon.--Hadrosaurus.
Vleeschetende Dieren.
IV.--Theropoden (Met pooten van vleeschetende dieren).
Voornaamste soorten: Megalosaurus,
Allosaurus.--Ceratosaurus.--Labrosaurus.--Zanelodon.--
Amphisaurus.--Coelurus.--Compsognathes.
Wij zullen van ieder dier afdeelingen een kort denkbeeld geven:
In de eerste serie vinden wij vooreerst de atlantosauren en
de brontosauren, reuzen der secundaire fauna. De eerste waren
30, de tweede 16 meters lang. Het waren reusachtige grasetende,
viervoetige dieren, de grootste viervoetige dieren, die er ooit bestaan
hebben. Fig. 222 geeft eene vergelijking tusschen den atlantosaurus
en den olifant. De brontosaurus was een zooltreder en had aan de
vier pooten vijf teenen; zijn kop was zeer klein, en wel kleiner dan
bij eenig bekend gewerveld dier; zijn hals was lang en buigzaam,
zijn romp kort. Waarschijnlijk was het een tweeslachtig dier. De
Amerikaansche paleontoloog Marsh heeft zijn skelet weder opgebouwd
(fig. 223). Naar alle waarschijnlijkheid was het een traag en dom dier,
dat 30000 kilogram woog. Het liep zooals de tegenwoordige beren loopen,
en de indruk zijner stappen was bijna een vierkante meter groot.
De diplodocus was 14 meters lang en geleek in ledematen en gang veel
op den brontosaurus; de kop was klein, hij leefde in het water, en de
tandvorming was onvolkomen, achter in de kaak ontbraken de tanden;
het was een grasetend dier. De schedel was klein, _zooals bij alle
dinosauren_.
De cetiosaurus had dijbeenderen van 1,70 meters lengte; de kop en
de wervelkolom bedroegen te zamen 12 meters, zoodat het dier 16 tot
17 meters lang was! Hij kon op het vaste land leven, en kon zich in
de moerassen of aan de monding der groote rivieren terugtrekken;
gewoonlijk leefde hij te midden der varens, der cycadeën en de
naaldboomen, en bewoog hij zich in de bosschen, die door insecten en
kleine zoogdieren bevolkt waren. Hij behoorde tot de grasetende dieren.
Onder de hagedispootigen vindt men de grootste der landdieren. Ook
Sauvage schat de lengte van sommige op _vijf-en-dertig meters_.
De stegosauren waren tweevoetige kruipende dieren, die eene lengte
konden bereiken van 10 meters; de voorste ledematen zijn veel korter
en minder stevig dan de achterste ledematen; vijf vingers aan ieder
dier ledematen, kleine kop en kleine schedel; een waterdier, dat zich
met planten voedde. Het lichaam was door eene wapenrusting beschermd,
die uit platen en dorens bestond, waarvan enkele 63 centimeters
groot waren.
Onder de vogelpootigen zijn ongetwijfeld de _iguanodons_ de
merkwaardigste. Wij komen daarop zoo aanstonds terug. Maar eerst
moeten wij ons algemeen overzicht der dinosauren voltooien.
De hypsilophodon had de grootte van eenen grooten hond. Het was
een viervoetig dier, een teentreder en met vier vingers aan vóór- en
achterpooten. Zijne tanden, die over de geheele kaken verspreid waren,
toonen aan, dat het een grasetend dier was. Het miste alle aanvals-
of verdedigingswapenen.
De diclonius was omstreeks 15 meters lang; een tweevoetig dier;
(de voorste ledematen waren veel korter dan de achterste, zooals bij
vele soorten uit dat tijdperk), een teentreder; vier vingers aan de
handen en drie aan de pooten. De kop was 1,18 meters lang. Het dier is
van boven naar beneden sterk afgeplat en heeft van boven gezien veel
overeenkomst in vorm met den ornithorhynchus. De kaken eindigen in
eenen gehoornden bek, en bevatten 2072 tanden. Het skelet is ongeveer
11,50 meters lang.
Met den ceratosaurus vangen wij onze bespreking der vleeschetende
dinosauren aan. Dat dier was omstreeks zes meters lang. Het was
tweevoetig, evenals de stegosauren en de ornithopoden. Zijn kop is
omstreeks 60 centimeters lang, de kaken bevatten over hunne geheele
uitgestrektheid sterke en snijdende tanden. Evenals de rhinoceros
had hij eenen grooten horen op den neus. De megalosaurus was een
tweevoetig dier derzelfde afdeeling. Evenals de teratosaurus bewoonde
hij de inhammen en moerassen en voedde hij zich met visschen.
De allosaurus, eveneens een teentreder en tweevoetig, had drie
teenen en vier vingers. De achterste ledematen, waarop het gewicht
van het geheele lichaam rust, eindigen, evenals bij de sauropoden, de
stegosauri en de ornithopoden, in kleine hoeven. De voorste ledematen,
die dienden, om de prooi vast te houden, zijn van scherpe klauwen
voorzien.
De compsognathes was slechts één meter lang. Hij had aan de voorste
en achterste ledematen slechts drie vingers; zeer merkwaardig door
zijne beteekenis tegenover de vogels. De dinosauren toch zijn verwant
met de hagedissen en de krokodillen, en tevens met de vogels. De
compsognathes is de dinosaurus, die de meeste overeenkomst heeft
met de vogels. Evenals de morosaurus (verwant met den brontosaurus)
was hij levend barend.
De compsognathes is in de lithographische steen van Solenhofen,
in Beieren, gevonden, en dus iets vóór de Juraperiode; in die
fijnkorrelige formatie, gevormd in ondiep en rustig water, zijn
de dieren prachtig bewaard gebleven; men vindt daarin visschen,
insecten en zelfs volkomen weeke dieren, zooals zeesterren en
medusen. "Het Solenhofensche dier is," zoo zegt Sauvage, "zeer klein,
en is belangrijk door de onevenredigheid tusschen de voorste en de
achterste ledematen; die laatste toch zijn lang, de andere zeer kort,
de voorste wervels zijn van voren bol, van achteren hol; de lange hals
eindigt in eenen kop, die veel op dien der vogels gelijkt; de tanden
zijn talrijk, de voor- en achterpooten hebben slechts drie vingers,
het grootste hielbeen is met het scheenbeen verbonden, zooals men dat
bij de vogels ziet. De compsognathes is dus wel een kruipend dier,
maar grenst toch aan de vogels; het is één van die dieren, welke in de
oudste tijden den overgang vormden tusschen de verschillende groepen,
en dus op hunnen gemeenschappelijken oorsprong wijzen."
Wij zullen thans onze aandacht bepalen tot de _iguanodons_, die aan
de geologen eerst goed bekend zijn sedert de kostbare en belangrijke
ontdekking, onlangs in België gedaan. Men heeft daar een aantal van
die dinosauren gevonden en opgegraven, die uitstekend bewaard gebleven
waren. Wij zullen de uitstekende beschrijving weergeven, die de heer
Dollo, de aan het Museum te Brussel verbonden natuuronderzoeker,
daarvan gegeven heeft.
De eerste ontdekking van overblijfselen van iguanodons, dagteekent
van het jaar 1822. Gideon Mantell, de Engelsche natuuronderzoeker,
vond toen in de Wealdformatie van Tilgate Forest (Sussexshire)
de eerste tanden van het dier, waaraan men eenige jaren later den
naam van Iguanodon gegeven heeft. Die tanden waren zóó merkwaardig,
dat zij reeds door hunne zonderlinge gedaante de aandacht van den
oppervlakkigsten waarnemer zouden getrokken hebben. Zij konden
onmogelijk verward worden met tanden van krokodillen, megalosauren
en plesiosauren, de eenige van tanden voorziene kruipende dieren, die
men tot nu toe in die formatie gevonden had. Drie jaren later meende
dezelfde natuuronderzoeker, dat zij het best vergeleken konden worden
met die van eenen leguaan (Iguana, kamhagedis), en die overeenkomst
trof hem zoozeer, dat hij het dier den naam gaf van _Leguaantandige_
of _Iguanodon_. Zoo was dus het geslacht _Iguanodon_ ontdekt uit de
beschouwing van eenen tand.
Eerst negen jaren later legde men de hand op eene verzameling
beenderen, die tegelijk met tanden van eenen iguanodon gevonden
waren. In 1834 werden enkele fossiele stukken te voorschijn gebracht,
maar eerst in het jaar 1868 gaf Huxley eene tamelijk volledige
beschrijving van het dier.
Tot aan de ontdekking te Bernissart, had men nog geene geheele
iguanodons opgegraven. Wel had men nauwkeurige gegevens omtrent de
plaats van die hagedis op de ladder der wezens, maar men wist nog niets
met zekerheid omtrent zijne grootte, de verhouding der verschillende
deelen van het lichaam, zijnen schedel, zijne wervelkolom en zijne
voorpooten.
Den 7den Mei 1878 deelde van Beneden, hoogleeraar te Leuven, aan de
Belgische academie mede, dat men eene groote menigte beenderen van
reusachtige kruipende dieren gevonden had op 322 meters diepte, te
Bernissart, een dorpje tusschen Bergen en Doornik, in de nabijheid
der Fransche grenzen. De beroemde paleontoloog wees op den slechten
toestand, waarin zij bewaard waren gebleven, en durfde dus alleen
het _vermoeden_ uitspreken, dat zij tot het geslacht Iguanodon
behoorden. Onder die overblijfselen bevonden zich tevens andere, vooral
van schildpadden, krokodillen, visschen en een aantal planten. Het
te voorschijn brengen van beenderen ging met talrijke moeilijkheden
gepaard: de uitvoering was kostbaar en vereischte veel zorg, terwijl
het resultaat onzeker bleef.