De vreemde dieren, die als het ware den overgang vormen tusschen

de kruipende dieren en de kikvorschen, sterven voor goed uit in de

onderste lagen der Juraformatie; de ware kruipende dieren bereiken

echter hunne hoogste ontwikkeling; zij worden vertegenwoordigd door

alle groote groepen, die wij thans nog hebben, met uitzondering van de

slangen, die eerst optreden als de eerste kruipende dieren hunne pooten

verloren hebben. Bovendien vindt men dieren van een in onze fauna

volkomen onbekend type, die in de krijtperiode weder verdwenen zijn.

Van de kruipende dieren der secundaire periode zijn _de ichthyosauren_

(van ichthus visch en sauros hagedis) reeds het langst bekend; want

Scheuchzer spreekt reeds in 1708 van wervels in het lias van Altdorf

gevonden. De natuur van deze vreemdsoortige wezens is echter eerst

in de eerste helft dezer eeuw bepaald.

De ichthyosauren hadden de wervels van eenen visch, den kop van

eene hagedis, den muil van eenen bruinvisch, de tanden van eenen

krokodil, het borstbeen van eenen ornithorynchus en de vinnen van

eenen walvisch. Men kent een groot aantal verschillende soorten,

waarvan enkele van tien tot twaalf meters groot zijn. Men vindt ze in

grooten getale in de Juraformatie, vooral in de onderste lagen. Hun

kop was lang en puntig, met ontzaglijke oogen voorzien, hunne talrijke

tanden waren groot, kegelvormig en puntig; men heeft kaken gevonden

met 180 tanden. Zij moeten eenige overeenkomst gehad hebben met onze

tegenwoordige walvisschen.

Zelfs onafhankelijk van de grootte van het monster, moeten de

oogen, die de grootte hadden van een menschenhoofd, het reeds een

schrikwekkend aanzien gegeven hebben. Binnen de oogholte ziet men eenen

cirkel, bestaande uit 13 tot 17 beenige platen, die waarschijnlijk

tot steun dienden aan het wit van het oog; het licht werd door de

opening van den cirkel doorgelaten. Die platen, die men ook vindt in de

oogen van verscheidene vogels, bij de schildpadden en de hagedissen,

dienen om het doorschijnende hoornvlies naar voren of naar achteren

te duwen, ten einde zijne kromming te vermeerderen of te verminderen,

en om daardoor het waarnemen van voorwerpen op groote en op kleine

afstanden gemakkelijk te maken, d. i. om het dier naar verkiezing

bijziend of verziend te maken. Van de oogen af neemt de schedel

reusachtige afmetingen aan, het voorhoofd stijgt om van achteren weder

af te platten: de beenderen steken in het midden en de beide zijden

tot aan het achterhoofd uit, en laten holten open, die de spieren

hielden, waarmede het dier de lange onderkaak moest bewegen.

De groote kop had eenen machtigen steun noodig; die rol werd door

den hals vervuld, die kort en dik was en waarvan de wervels zich

tot binnen in den kop uitstrekten, terwijl de benedenkaak zich vrij

vóór en onder deze bewoog. De wervelkolom wordt van den kop tot het

midden van den rug dikker. De wervels zijn bijna cirkelvormig, plat

en voorzien van uitsnijdingen voor de kraakbeenige banden, waarmede

zij onder elkander verbonden zijn.

Bij de tegenwoordige dieren is het aantal der wervels zóózeer bepaald,

dat het tot onderscheidingsmiddel der verschillende families dient;

bij de voorwereldlijke hagedissen daarentegen is dat aantal niet

bepaald, hetgeen wijst op eene onvolkomen ontwikkeling: er had zich

nog geen vast type gevormd; de wervelkolom bestaat nu eens uit 110,

dan weder uit 120, ja zelfs uit 145 wervels, waarvan 45 dienen voor

de inplanting der ribben.

De staart bevat van 80 tot 85 wervels, waarvan de eerste aan

weerszijden verlengd zijn, welke verlengstukken echter al kleiner en

kleiner worden. Het achtereinde van den staart is rond.

De met zwemvliezen voorziene pooten herinneren aan de vinnen van den

walvisch, met dit verschil, dat zij meer vingers bevatten; maar deze

bestaan, evenals de hand van den mensen (behalve de duim) uit eene

rij leden, die door spieren en kraakbeenige bandspieren aan elkander

verbonden zijn. Die pooten schijnen meer gevormd te zijn tot zwemmen

dan tot loopen, doch zij kunnen voor beide gediend hebben.

De vier ledematen van den ichthyosaurus waren gepantserd als een

ijzeren handschoen, terwijl het overige deel van het lichaam geene

wapenrusting ter verdediging bezat.

Het groote aantal en de dubbelholle oppervlakte der wervels doen ons

besluiten, dat het monster eene grootte vlugheid bezat, waardoor het,

hoewel schijnbaar log, gemakkelijk zijne prooi kon bereiken. Indien

de lengte der vier ledematen gering schijnt, dan wijst de bouw der

staartwervels en eene vergelijking met die der visschen met lang

lichaam er op, dat de staart van den ichthyosaurus voorzien was

van breede en krachtige vinnen, die vertikaal stonden, zooals bij

al onze visschen, en niet horizontaal zooals bij den walvisch; men

begrijpt, dat hij bij eenen zoo gerekten lichaamsbouw met behulp van

eenen zoodanigen roeiriem het water met snelheid kon doorklieven. In

het Museum te Parijs vindt men eenen ichthyosaurus, waarin zich een

kleine volkomen gevormde ichthyosaurus bevindt. Moeder en kind zijn

volkomen goed bewaard gebleven. Dit is een onwederlegbaar bewijs voor

de stelling, dat die kruipende dieren levende jongen voortbrachten.

Die ichthyosaurus is door den natuuronderzoeker Chaining Pearce

gevonden, in de liasformatie van Somersetshire; het fossiele skelet

lag op den buik. Door de ééne of andere overstrooming overvallen, was

het dier met zand bedekt en toen versteend met al wat het bevatte,

met uitzondering van de zachte gedeelten. Toen men de hard geworden

klei voorzichtig weggenomen had, had men de geheele buikzijde van

het monster bloot gelegd; deze was, evenals het geheele geraamte,

volkomen bewaard gebleven.

Doch hoe groot was de verbazing van den natuuronderzoeker, toen hij

in de holte van het bekken van den ichthyosaurus, een ander dier van

dezelfde soort, doch in het klein, ontdekte, wiens skelet met den

kop naar den staart van het moederdier gelegen was!

De ontdekking van eene versteende ongeboren vrucht in het versteende

lichaam der moeder was zóó merkwaardig dat men er geen geloof aan wilde

hechten, vóórdat men het feit nauwkeurig had onderzocht; er viel echter

aan de juistheid niet te twijfelen. Zooals wij zagen, is het groote

skelet van beneden naar boven losgemaakt, waardoor reeds het denkbeeld

is uitgesloten, als zoude het kleine skelet door aanspoeling daarin

gebracht zijn; evenmin is het aan te nemen, dat het groote skelet op

het kleine gevallen is, dat reeds in de modder begraven zoude geweest

zijn, en dit laatste den stand van eene ongeboren vrucht zoude hebben

doen aannemen op het oogenblik der geboorte. De meening, als zoude

het kleine dier door het groote verslonden zijn en zoo gekomen zijn

voor de opening van het darmkanaal, wordt reeds hierdoor wederlegd,

dat het jeugdige dier zóó teer is, dat zijn geraamte in de maag van

het groote monster zou moeten verbrijzeld zijn, zelfs nog aannemende,

dat de tanden het ongedeerd gelaten hadden. Wij mogen hier opmerken,

dat het levendbaren den vischhagedissen eigen is; de haaien baren

eveneens levende jongen, evenals verschillende soorten van slangen,

de salamanders en enkele andere kruipende dieren.

Indien wij zoo de sporen van dit lang vervlogen leven terugvinden,

indien wij in het lichaam van den ichthyosaurus het voedsel

terugvinden, dat hij een oogenblik vóór zijnen dood inzwelgde, indien

wij daarin nog de overblijfselen zien van visschen, voor honderden

millioenen jaren verslonden, dan verdwijnt die onmetelijke tijdsruimte

voor onzen geest, en dan vinden wij ons als het ware in onmiddellijke

aanraking met alle gebeurtenissen, die toen ten tijde hebben plaats

gevonden, als waren zij eerst onlangs geschied. [20]

Opmerkelijk is het, dat men geene ichthyosauren gevonden heeft in de

secundaire formaties van de Vereenigde Staten van Amerika. In 1879

vond echter professor Marsh een exemplaar van drie meters lengte,

afkomstig uit de Juraformatie van het Rotsgebergte, maar _zonder

tanden_. De wervels, de ribben en de overige deelen van het skelet

konden nauwelijks onderscheiden worden van de overeen-komstige deelen

van eenen ichthyosaurus, en ook de schedel kwam in velerlei opzicht met

dien van den laatsten overeen. En toch waren er geene tanden aanwezig;

zelfs werden de tandholten gemist. De geleerde paleontoloog stelt voor,

de nieuwe hagedis "Sauranodon" of tandlooze hagedis te noemen.

Hoewel men reeds, zooals wij zagen, sedert 1708 fossiele

overblijfselen van ichthyosauren had onderzocht, heeft men ze

eerst sedert 1814 bestudeerd; in dat jaar gaf Sir Everard Home

zijne eerste onderzoekingen in het licht over de beenderen, die in

het lias van Dorset gevonden waren. In 1816 en 1818 werden nieuwe

stukken op dezelfde plaats gevonden en in 1819 een geheel skelet. In

1824 gaf Cuvier eene volledige verhandeling over dat merkwaardige

wezen in het licht. Na dien tijd heeft men er verscheidene gevonden

in verschillende lagen der lias- en Juraformatie, maar nooit meer

na het midden der krijtperiode. Men onderscheidt vier soorten:

den ichthyosaurus communis, den grootsten van alle (12 meters), met

gegroefde en kegelvormige tanden; den ichthyosaurus platyodon, bij

welken de tanden ingedrukt zijn; den ichthyosaurus tenuirostris, met

eenen langen, dunnen muil; en den ichthyosaurus intermedius, die op de

eerste soort gelijkt, maar scherpere en dieper gegroefde tanden heeft.

Nog vreemder en dikwijls nog reusachtiger dan de ichthyosauren, waren

de plesiosauren, hunne tijdgenooten in de periode, waarvan wij thans

de geschiedenis schrijven. Hun vorm is bijzonder vreemd; men stelle

zich eenen walvisch voor, wiens romp eindigt in eenen hals, die op het

lichaam van eene slang gelijkt, en waarop een kop rust, die merkwaardig

klein is in vergelijking met de grootte van het dier; ziedaar den

plesiosaurus, die in enkele opzichten gelijkt op eenen krokodil, in

andere opzichten op eene hagedis, eene schildpad en eenen walvisch,

met bijzondere karaktertrekken, hem alleen eigen. Enkele dikke en

korte soorten gelijken weder op ichthyosauren. De plesiosauren moeten

een ontzaglijk groot lichaam gehad hebben: hunne tanden zijn meer dan

een meter lang, en enkele dijbeenderen zijn grooter dan een mensch

van middelmatige lengte! Niet minder geducht waren de cetiosauren;

hun dijbeen was meer dan 1 1/2 meter lang, en de dieren moeten dus

eene lengte gehad hebben van 18 meters. Onze tegenwoordige kruipende

dieren zijn dwergen in vergelijking met de dieren dier oude tijden!

Die koningen der Jurazeeën bewoonden de groote zeeën, hunne ledematen,

vier in getal, en afgeplat als roeiriemen, waren als het ware voor

het zwemmen geschapen; hun dikke ineengedrongen staart diende hun

tot roer. Daar zij in de lucht ademden, zwommen zij niet in de

diepte, maar aan de oppervlakte van het water, evenals de zwaan en

de watervogels. Terwijl zij hunnen langen en buigzamen hals naar

achteren bogen, schoten zij van tijd tot tijd met hunnen sterken

en met scherpe tanden gewapenden bek vooruit, om de visschen te

grijpen. Waarschijnlijk brachten zij levende jongen ter wereld,

evenals de ichthyosauren; zij leefden van de levende prooi, die zij

met hunne talrijke en scherpe tanden konden grijpen.

De eerste plesiosauren zijn ook in het lias van Engeland gevonden. In

1821 gaven Conybeare en De la Bêche de eerste beschrijving van die

dieren. Een volkomen skelet werd in 1824 ontdekt. Zij leefden, evenals

de ichthyosauren, in de lias- en Juraperiode, tot aan het midden der

krijtperiode: zij komen voor in de oude zeeën van Europa, en in die van

Amerika, Nieuw-Zeeland en Australië. Men kent reeds 73 verschillende

soorten, waarvan 24 in de krijtformatie. De bovenste helft der

Juraformaties in Frankrijk heeft 14 soorten geleverd, die voor het

meerendeel in de omstreken van Havre en Boulogne gevonden zijn.

In 1839 ontdekte de Engelsche natuuronderzoeker Richard Owen een even

groot kruipend dier als den plesiosaurus, waaraan hij den naam van

pliosaurus gaf, en die van den vorigen daarin verschilt, dat zijn hals

minder gerekt en veel korter is, evenals bij den ichthyosaurus. Toch

behoort de pliosaurus tot het type der plesiosauren.

In dienzelfden tijd leerde de Duitsche geleerde Hermann Meyer

kruipende dieren kennen, die afkomstig zijn uit de benedenste lagen

der secundaire formatie en die in het trias gevonden zijn. Die dieren,

bekend onder de namen van nothosauren, pistosauren, simosauren, hebben

vele punten van overeenkomst met de plesiosauren. Men ziet hieruit,

zooals dit ook blijkt bij de verschillende hondenrassen van onzen tijd,

die onderling zóózeer in vorm en grootte verschillen, hoe moeilijk het

is, de grens te trekken tusschen soortverschillen en rasverschillen.

Onze lezers zullen zich nog beter dan door de geteekende fossielen

rekenschap kunnen geven van het voorkomen der ichthyosauren en

plesiosauren, indien zij fig. 212 blz. 370 beschouwen, en vooral bij

het bestudeeren van de titelplaat van dit werk: op die plaat zijn de

plesiosaurus en de ichthyosaurus geplaatst, vergezeld van niet minder

vreemde wezens, die wij thans zullen beschrijven.

De laatste ontdekkingen toch der paleontologie bewijzen, dat de

dieren, waarvan wij gesproken hebben, nog niet de vreemdsoortigste

wezens zijn van die periode. Wij mogen beweren, dat de vreemdste

wezens, die ooit op onze planeet bestaan hebben, de _dinosauren_

der Juraperiode geweest zijn.

Zooals hun naam aanwijst (deinos, verschrikkelijk), waren het

vreeselijke wezens, die de zoogdieren voorafgingen, op het land en

in de zee leefden, en eene uitbreiding verkregen, die vergeleken

kan worden met die der thans levende zoogdieren. Enkele waren

vleeschetende, andere grasetende dieren; zij voedden zich met de

planten, die in de diepe wouden groeiden en elkander verscheurden. Van

het trias af tot aan het einde der krijtperiode, beheerschten zij de

wereld, en waren zij na elkander tijdgenooten van de ichthyosauren,

de plesiosauren, de teleosauren, de mosasauren enz. De ontdekkingen

van den laatsten tijd stellen ons thans in staat, den weg te vinden

in die fossiele overblijfselen, de voornaamste soorten weder op te

bouwen, en in die vreemde bevolking der secundaire periode groepen

vast te stellen.

Het ligt voor de hand, ze eerst in twee klassen te verdeelen: de

grasetende en de vleeschetende dieren. In ieder dier klassen zullen

wij de voornaamste soorten opgeven:

Dinosauren.

Grasetende Dieren.

I.--Sauropoden (Hagedispootigen).

Voornaamste soorten: Atlantosaurus,

Brontosaurus.--Diplodocus.--Morosaurus.--Cetiosaurus.

II.--Stegosauri (Schildhagedissen).

Voornaamste soorten: Stegosaurus communis, Diracodon,

Omosaurus.--Scelidosaurus, Hylaeosaurus.

III.--Ornithopoden (Vogelpootigen).

Voornaamste soorten: Iguanodon,

Camptonotus.--Hypsilophodon.--Hadrosaurus.

Vleeschetende Dieren.

IV.--Theropoden (Met pooten van vleeschetende dieren).

Voornaamste soorten: Megalosaurus,

Allosaurus.--Ceratosaurus.--Labrosaurus.--Zanelodon.--

Amphisaurus.--Coelurus.--Compsognathes.

Wij zullen van ieder dier afdeelingen een kort denkbeeld geven:

In de eerste serie vinden wij vooreerst de atlantosauren en

de brontosauren, reuzen der secundaire fauna. De eerste waren

30, de tweede 16 meters lang. Het waren reusachtige grasetende,

viervoetige dieren, de grootste viervoetige dieren, die er ooit bestaan

hebben. Fig. 222 geeft eene vergelijking tusschen den atlantosaurus

en den olifant. De brontosaurus was een zooltreder en had aan de

vier pooten vijf teenen; zijn kop was zeer klein, en wel kleiner dan

bij eenig bekend gewerveld dier; zijn hals was lang en buigzaam,

zijn romp kort. Waarschijnlijk was het een tweeslachtig dier. De

Amerikaansche paleontoloog Marsh heeft zijn skelet weder opgebouwd

(fig. 223). Naar alle waarschijnlijkheid was het een traag en dom dier,

dat 30000 kilogram woog. Het liep zooals de tegenwoordige beren loopen,

en de indruk zijner stappen was bijna een vierkante meter groot.

De diplodocus was 14 meters lang en geleek in ledematen en gang veel

op den brontosaurus; de kop was klein, hij leefde in het water, en de

tandvorming was onvolkomen, achter in de kaak ontbraken de tanden;

het was een grasetend dier. De schedel was klein, _zooals bij alle

dinosauren_.

De cetiosaurus had dijbeenderen van 1,70 meters lengte; de kop en

de wervelkolom bedroegen te zamen 12 meters, zoodat het dier 16 tot

17 meters lang was! Hij kon op het vaste land leven, en kon zich in

de moerassen of aan de monding der groote rivieren terugtrekken;

gewoonlijk leefde hij te midden der varens, der cycadeën en de

naaldboomen, en bewoog hij zich in de bosschen, die door insecten en

kleine zoogdieren bevolkt waren. Hij behoorde tot de grasetende dieren.

Onder de hagedispootigen vindt men de grootste der landdieren. Ook

Sauvage schat de lengte van sommige op _vijf-en-dertig meters_.

De stegosauren waren tweevoetige kruipende dieren, die eene lengte

konden bereiken van 10 meters; de voorste ledematen zijn veel korter

en minder stevig dan de achterste ledematen; vijf vingers aan ieder

dier ledematen, kleine kop en kleine schedel; een waterdier, dat zich

met planten voedde. Het lichaam was door eene wapenrusting beschermd,

die uit platen en dorens bestond, waarvan enkele 63 centimeters

groot waren.

Onder de vogelpootigen zijn ongetwijfeld de _iguanodons_ de

merkwaardigste. Wij komen daarop zoo aanstonds terug. Maar eerst

moeten wij ons algemeen overzicht der dinosauren voltooien.

De hypsilophodon had de grootte van eenen grooten hond. Het was

een viervoetig dier, een teentreder en met vier vingers aan vóór- en

achterpooten. Zijne tanden, die over de geheele kaken verspreid waren,

toonen aan, dat het een grasetend dier was. Het miste alle aanvals-

of verdedigingswapenen.

De diclonius was omstreeks 15 meters lang; een tweevoetig dier;

(de voorste ledematen waren veel korter dan de achterste, zooals bij

vele soorten uit dat tijdperk), een teentreder; vier vingers aan de

handen en drie aan de pooten. De kop was 1,18 meters lang. Het dier is

van boven naar beneden sterk afgeplat en heeft van boven gezien veel

overeenkomst in vorm met den ornithorhynchus. De kaken eindigen in

eenen gehoornden bek, en bevatten 2072 tanden. Het skelet is ongeveer

11,50 meters lang.

Met den ceratosaurus vangen wij onze bespreking der vleeschetende

dinosauren aan. Dat dier was omstreeks zes meters lang. Het was

tweevoetig, evenals de stegosauren en de ornithopoden. Zijn kop is

omstreeks 60 centimeters lang, de kaken bevatten over hunne geheele

uitgestrektheid sterke en snijdende tanden. Evenals de rhinoceros

had hij eenen grooten horen op den neus. De megalosaurus was een

tweevoetig dier derzelfde afdeeling. Evenals de teratosaurus bewoonde

hij de inhammen en moerassen en voedde hij zich met visschen.

De allosaurus, eveneens een teentreder en tweevoetig, had drie

teenen en vier vingers. De achterste ledematen, waarop het gewicht

van het geheele lichaam rust, eindigen, evenals bij de sauropoden, de

stegosauri en de ornithopoden, in kleine hoeven. De voorste ledematen,

die dienden, om de prooi vast te houden, zijn van scherpe klauwen

voorzien.

De compsognathes was slechts één meter lang. Hij had aan de voorste

en achterste ledematen slechts drie vingers; zeer merkwaardig door

zijne beteekenis tegenover de vogels. De dinosauren toch zijn verwant

met de hagedissen en de krokodillen, en tevens met de vogels. De

compsognathes is de dinosaurus, die de meeste overeenkomst heeft

met de vogels. Evenals de morosaurus (verwant met den brontosaurus)

was hij levend barend.

De compsognathes is in de lithographische steen van Solenhofen,

in Beieren, gevonden, en dus iets vóór de Juraperiode; in die

fijnkorrelige formatie, gevormd in ondiep en rustig water, zijn

de dieren prachtig bewaard gebleven; men vindt daarin visschen,

insecten en zelfs volkomen weeke dieren, zooals zeesterren en

medusen. "Het Solenhofensche dier is," zoo zegt Sauvage, "zeer klein,

en is belangrijk door de onevenredigheid tusschen de voorste en de

achterste ledematen; die laatste toch zijn lang, de andere zeer kort,

de voorste wervels zijn van voren bol, van achteren hol; de lange hals

eindigt in eenen kop, die veel op dien der vogels gelijkt; de tanden

zijn talrijk, de voor- en achterpooten hebben slechts drie vingers,

het grootste hielbeen is met het scheenbeen verbonden, zooals men dat

bij de vogels ziet. De compsognathes is dus wel een kruipend dier,

maar grenst toch aan de vogels; het is één van die dieren, welke in de

oudste tijden den overgang vormden tusschen de verschillende groepen,

en dus op hunnen gemeenschappelijken oorsprong wijzen."

Wij zullen thans onze aandacht bepalen tot de _iguanodons_, die aan

de geologen eerst goed bekend zijn sedert de kostbare en belangrijke

ontdekking, onlangs in België gedaan. Men heeft daar een aantal van

die dinosauren gevonden en opgegraven, die uitstekend bewaard gebleven

waren. Wij zullen de uitstekende beschrijving weergeven, die de heer

Dollo, de aan het Museum te Brussel verbonden natuuronderzoeker,

daarvan gegeven heeft.

De eerste ontdekking van overblijfselen van iguanodons, dagteekent

van het jaar 1822. Gideon Mantell, de Engelsche natuuronderzoeker,

vond toen in de Wealdformatie van Tilgate Forest (Sussexshire)

de eerste tanden van het dier, waaraan men eenige jaren later den

naam van Iguanodon gegeven heeft. Die tanden waren zóó merkwaardig,

dat zij reeds door hunne zonderlinge gedaante de aandacht van den

oppervlakkigsten waarnemer zouden getrokken hebben. Zij konden

onmogelijk verward worden met tanden van krokodillen, megalosauren

en plesiosauren, de eenige van tanden voorziene kruipende dieren, die

men tot nu toe in die formatie gevonden had. Drie jaren later meende

dezelfde natuuronderzoeker, dat zij het best vergeleken konden worden

met die van eenen leguaan (Iguana, kamhagedis), en die overeenkomst

trof hem zoozeer, dat hij het dier den naam gaf van _Leguaantandige_

of _Iguanodon_. Zoo was dus het geslacht _Iguanodon_ ontdekt uit de

beschouwing van eenen tand.

Eerst negen jaren later legde men de hand op eene verzameling

beenderen, die tegelijk met tanden van eenen iguanodon gevonden

waren. In 1834 werden enkele fossiele stukken te voorschijn gebracht,

maar eerst in het jaar 1868 gaf Huxley eene tamelijk volledige

beschrijving van het dier.

Tot aan de ontdekking te Bernissart, had men nog geene geheele

iguanodons opgegraven. Wel had men nauwkeurige gegevens omtrent de

plaats van die hagedis op de ladder der wezens, maar men wist nog niets

met zekerheid omtrent zijne grootte, de verhouding der verschillende

deelen van het lichaam, zijnen schedel, zijne wervelkolom en zijne

voorpooten.

Den 7den Mei 1878 deelde van Beneden, hoogleeraar te Leuven, aan de

Belgische academie mede, dat men eene groote menigte beenderen van

reusachtige kruipende dieren gevonden had op 322 meters diepte, te

Bernissart, een dorpje tusschen Bergen en Doornik, in de nabijheid

der Fransche grenzen. De beroemde paleontoloog wees op den slechten

toestand, waarin zij bewaard waren gebleven, en durfde dus alleen

het _vermoeden_ uitspreken, dat zij tot het geslacht Iguanodon

behoorden. Onder die overblijfselen bevonden zich tevens andere, vooral

van schildpadden, krokodillen, visschen en een aantal planten. Het

te voorschijn brengen van beenderen ging met talrijke moeilijkheden

gepaard: de uitvoering was kostbaar en vereischte veel zorg, terwijl

het resultaat onzeker bleef.

De Wereld vóór de schepping van den mensch · 第 22 / 40 段