De verschillende lagen verschillen naar gelang der plaatsen zeer

in dikte. Zoo is b.v. in het departement der Haute-Marne, dat in de

krijtperiode uit het water is verrezen, de infralias-zandsteenlaag

zeer dun, de onderste liaslaag 5 meters dik, de lias 91 meters,

en de bovenste lias 53 meters; de onderste oölitische formatie

is op de bergvlakte van Langres en in Bourgogne 30 meters dik,

de oxfordlaag slechts 5 of 6 meters, de mergel-oölithische laag

70 meters; de koraallaag, (die dikwijls onder de sequanische laag

vermengd is) is daar uiterst dun, de portlandlaag somtijds 80 tot

150 meters. Daarentegen vindt men de infraliaslaag in Lotharingen 12

meters, te Kédange 24 meters, in Luxemburg 60, in Scanië 700 meters

dik; de onderste lias is in Yorkshire 160 meters dik; de lias of zwarte

Jura van Wurtemberg is 100 meters dik, de onderste oölithische laag

is in de omstreken van Bath 60 meters dik, het klei van Kimmeridge

in Lincolnshire is in twee lagen 350 meters dik.

In het begin der Juraperiode was een groot gedeelte van Europa onder

het water bedolven. Sedert de lang vervlogen tijden der Silurische

zee, toen de granietmassa's van Bretagne, de Vendée en Auvergne te

voorschijn traden en eilanden bijna zonder plantengroei vormden, is

de zee verscheidene malen teruggegaan en weder teruggekeerd. In de

triasperiode strekte zich eene uitgestrekte, in golven uitgesneden

binnenzee uit over Frankrijk, Engeland, Spanje en Italië; die zee

strekte zich over Lotharingen, zelfs tot in Duitschland uit. In

het begin der liasperiode was de zee oostwaarts teruggetrokken,

waarbij geheel Frankrijk en een gedeelte van Duitschland droog lag;

maar spoedig bedekt zij weder geheel Frankrijk, en laat zij alleen

de eilanden der oude formatie droog, zonder dat deze met elkander in

verbinding staan, zooals Bretagne, de centrale bergvlakte, de Vogezen

en de oorspronkelijke Alpen. Die veranderingen zijn het gevolg van

de dalingen en rijzingen der aardschors, die overeenkomen met die,

welke nog thans plaats grijpen, en die wij vroeger bestudeerd hebben:

langzame, geleidelijke bewegingen, die herhaaldelijk onmerkbaar de

gedaante der aarde gewijzigd hebben. Honderdduizenden jaren zijn in

de archieven van de jeugd der aarde verborgen.

In die dagen strekte zich de zee uit over Parijs, Tours, Poitiers,

Bordeaux, Genève, Bern, Bazel, Nancy, Troyes enz. Zij bedekte het

geheele gebied, dat zich uitstrekte van Londen tot Parijs, Brussel,

Bordeaux en Marseille.

In het tweede gedeelte der Juraperiode, de oölithische periode, maakt

de daling van den bodem plaats voor eene langzame en geleidelijke

rijzing. In het midden dier periode ziet men de onder de zee bedolven

streken, die de eilanden der oorspronkelijke formatie van elkander

scheidden, boven het water uitsteken en de centrale bergvlakte van

Frankrijk verbinden met de Vendée en Bretagne en met de Vogezen en

België. Op het einde der Juraperiode zijn al die streken, die eertijds

onder de wateren bedolven waren, tot zekere hoogte opgeheven.

In Engeland vormen de Juraformaties eene breede strook, die zich

over het zuidelijke gedeelte van Groot-Brittannië uitstrekt, van het

noordoosten naar het zuidwesten; die strook is het verlengde van die,

welke rondom het bekken van Parijs gelegen is. De Jurazee heeft zich

dus over dat geheele gedeelte van Engeland evenals over Frankrijk

uitgestrekt.

Maar op het einde der Juraperiode was dat gedeelte van Engeland weder

uit het water verrezen, zooals de Jura, de bergvlakte van Langres en

de geheele gordel, waarvan wij zooeven gesproken hebben. Zelfs waren

ook de streken, die thans onder de wateren van het Kanaal bedolven

zijn, boven water, en wel voornamelijk de streek tusschen Portland

en Boulogne. Frankrijk was toen met Engeland verbonden, en daar waar

thans de golven van het Kanaal rollen, strekte zich een vastland uit,

met meren bedekt, die aan hunne oevers eenen rijken plantengroei

bezaten, waarbij cycadeën, varens, naaldboomen de overhand hadden, en

die bewoond waren door groote, grasetende, kruipende dieren, vooral

iguanodons, en door buideldieren. Op dat verdwenen land vormde zich

de Purbeckformatie, waarvan het eiland Purbeck, op de Engelsche kust,

tegenover Cherbourg het type is, zoowel uit een geologisch oogpunt

als uit het oogpunt der fossielen.

Terwijl dus het begin der Juraperiode zich kenmerkte door eene

daling van den bodem van een gedeelte van Frankrijk en Engeland,

had op het einde dier periode het omgekeerde plaats, waardoor een

deel van Noordelijk Europa uit de wateren verrees.

Vóór die rijzing, tijdens het bestaan der Jurazee, vond men in

Frankrijk en Engeland een groot aantal koralen. De koraalriffen zijn

nauw verbonden aan de oölithische formaties. Het kalkrijke zand,

dat door den vloed op de kust der koraalriffen wordt geworpen,

wordt vast door het water, dat er in doordringt; nu eens kleven de

korrels licht aan elkander en kan men er de kalk tusschen herkennen;

dan weder is het zand harde kalk geworden, waarbij men echter nog

steeds de kleine zandkorrels herkennen kan. Somtijds ook is het

zand vermengd met keisteentjes, die afkomstig zijn van het eiland,

dat het rif omlijst. Diezelfde formatie vindt men thans nog terug op

Ascension en op verscheidene punten der Stille Zuidzee.

De overblijfselen dier koraalriffen vindt men in de Jura over eene

dikte van 40 tot 60 meters (in de omstreken van Gray en Besançon),

in Yonne, Provence, in de Beneden-Alpen, in de omstreken van

Grenoble,--waar zij worden vertegenwoordigd door groote massa's

witte kalksteen, met poliepen vermengd, en hunnen gewonen nasleep

van zee-egels en diceraten--in Noorwegen en in Engeland, waar drie

koraallagen duidelijk op de oxfordlaag gezien worden, op de kust

van Weymouth.

Uit het feit, dat de koralen in de Juraperiode in Frankrijk en Engeland

voorkwamen, volgt dat het aequatoriale klimaat zich tot voorbij 55°

N.B. uitstrekte, hetgeen niet mogelijk is, als aan de noordpool ijs

gevonden wordt. Ook de fossiele plantengroei leidt tot diezelfde

gevolgtrekking, daar tropische planten, cycadeën en varens toen

tot in Siberië op 71° N.B. voorkwamen. In die periode waren dus de

jaargetijden en het klimaat niet scherp onderscheiden.

Hoe moeielijk het ook wezen moge, om nauwkeurig de tijdstippen

van het wijken en voorwaartsschrijden der zee vast te stellen, zoo

mogen wij toch besluiten, dat Europa in het begin der Juraperiode

een archipel was bestaande uit grootere of kleinere eilanden. Ten

tijde van de lias was de centrale bergvlakte van Frankrijk van

de Vendée ten westen, van de Vogezen en een gedeelte der Alpen in

het oosten door de zee gescheiden. Op het einde der Oxfordperiode

breidden die eilanden zich uit en hechtten zij zich aan elkander,

aan de ééne zijde door de landengte van Poitiers, aan de andere zijde

door die van Côte-d'Or. In de koraalperiode hebben de drie bekkens,

waarin Frankrijk verdeeld is, dat van Parijs in het noorden, dat van

Aquitanië in het zuidwesten, dat der Rhône in het zuidoosten geen

directe gemeenschap met elkander, daar de zeestraten van Poitiers en

Côte-d'Or afgesloten zijn. Die rijzing, die zoo duidelijk te voorschijn

treedt in het westen en noorden van Frankrijk, wordt nog sterker op

het einde der Juraperiode. Frankrijk wordt met Engeland verbonden,

en op de plaats, waar thans het kanaal is, vindt men een uitgestrekt

vastland, waarop de dier- en plantensoorten het karakter vertoonen van

te leven in streken, die niet hoog boven de oppervlakte der zee gelegen

waren en die telkens door de zee overstroomd werden. Toch vindt men er

een aantal zoetwaterplanten en -dieren; de zoetwater- en zeeschelpen

wisselen af over eene dikte van 125 meters: de periode is dus van

zeer langen duur geweest. Ook in de Jura waren er zoet watermeren.

Wij zagen zooeven, dat de korallische laag in het zuiden van Frankrijk,

Provence, Beneden-Alpen, Dauphiné vertegenwoordigd wordt door groote

massa's witte kalk, vol poliepen. De kalk is daar onmiddellijk door

krijt bedekt. Hieruit volgt, dat die bodem na de koraalperiode, in de

eeuwen, waarop zich de Kimmeridge- en Portlandformaties gevormd hebben,

buiten het water uitstak en tot aan de periode der krijtformatie

boven water gebleven is.

Op de Juraperiode volgt de krijtperiode. Van het begin dier periode

af verandert weder alles in de verdeeling van land en zee. De rijzing

van den bodem van Frankrijk, Engeland en het noorden van Europa, die

de hoofdtrek der oölithische periode is geweest, houdt op en maakt

plaats voor eene beweging in tegengestelden zin. Een groot gedeelte

van Noordelijk Europa daalt weder onder water en er zet zich niets

af dan alleen daar waar de mikroskopische wezens van den Oceaan hunne

krachten beproeven.

Wij beleven eenen tijd van kalmte, waarin de oneindig kleine wezens

op den bodem der zee werkten en het krijt vormden, dat tot eene

dikte van honderden meters bijna uitsluitend bestaat uit hunne

overblijfselen. In Frankrijk bedekte eene uitgestrekte zee den voet

der Jura; die zee was aan de ééne zijde verbonden met de Parijsche

zee, aan de andere zijde met eene zuidelijke zee, die zich tot aan de

tegenwoordige Middellandsche zee uitstrekte. Het zuiden van Frankrijk,

dat sedert de koraalperiode boven het water uitstak, is weder gedaald

en maakt weder deel uit van eene uitgestrekte watermassa, die zich

over het geheele zuiden van Europa uitstrekt. In dien tijd belette

de centrale bergvlakte, die geheel boven water uitstak, en die aan de

ééne zijde met de Vogezen, aan de andere zijde met de Vendée verbonden

was, de gemeenschap tusschen die Middellandsche en de Parijsche zee,

die zich tot aan het zuiden van Engeland uitstrekte. Het begin der

krijtperiode kenmerkt zich dus door eene groote verandering in de

kaart der aarde en door den terugkeer der zee naar streken, die zij

reeds lang had verlaten. Die inval der zee schijnt zijn maximum te

hebben bereikt in de periode van het witte krijt.

Wel doet ons het onderzoek van den bodem de plaatsen kennen, waar het

land de plaats van de zee heeft ingenomen, nadat de bodem der zee

gerezen was; maar het is niet zoo eenvoudig, de plaatsen te leeren

kennen, die in zee veranderd zijn, daar men nog niet ver genoeg

gevorderd is in het onderzoek van den bodem der zee. Wij kunnen

dus den toestand van Europa voor eene bepaalde geologische periode

niet nauwkeurig bepalen. Al is het immers mogelijk, in kaarten den

toestand van Europa te teekenen in de silurische en de Juraperiode,

tijdens de krijtformatie of in het midden der tertiaire periode,

zoo zoude men tusschen die kaarten nog verscheidene andere moeten

teekenen, geheel met de overige verschillend, en die met uitzondering

der oorspronkelijke formaties, die boven de zee zijn blijven uitsteken

sedert het begin der silurische periode, op een groot aantal plaatsen

den gedurigen terugkeer en het verdwijnen der zee zouden moeten

aanwijzen.

Indien men toch b.v. de opheffingen der voornaamste bergen

beschouwt, zooals de Alpen, de Pyreneën enz., dan ziet men, dat

daar verschillende rijzingen en dalingen hebben plaats gegrepen. De

oorspronkelijke gesteenten der Alpen, graniet, gneiss en schiefer,

dragen geene azoïsche of primaire formaties boven zich: zij waren

dus tijdens de laurentische, cambrische, silurische, devonische en

steenkoolperiode reeds uit de zee opgerezen. In de Permische periode

moeten zij gedaald zijn, want zij dragen eene anthraciet-houdende

laag op de kristallijnen lagen. Tijdens de afzetting der Permische

formatie vormden de Alpen eene kuststreek, die daalde om bezinksels

van dolomiet, gips en andere triasgesteenten op te nemen. Die daling

was echter niet algemeen, maar alleen aan enkele plaatsen eigen,

en in het begin der Juraperiode neemt men een aantal schommelingen

waar, die eindigen in een volkomen inzinken onder de oppervlakte der

zee. Vervolgens zetten zich op de verzwolgen Alpen de oölithische

formaties af, die volkomen zeevormingen waren, en daarna de formaties

der krijtperiode, waarvan alleen de laatste eene neiging vertoonen om

in den vorm van eilanden te verrijzen. Om die eilanden, die langen

tijd weinig ontwikkeld waren, plaatsen zich de eocene zeeformaties,

uit het begin der tertiaire periode. Maar die ketenen blijven stijgen

en vormen weldra te midden der eocene zee een vastland, dat door zijne

bewegelijkheid aan groote afbrokkelingen is blootgesteld en waarvan de

overblijfselen zich ophoopen in de lagen der molasse, die nu eens het

karakter draagt eener landformatie, dan weder van eene zeeformatie,

en daardoor de veranderlijkheid der kusten duidelijk aantoont.

Nauwelijks is de molasse vast geworden, of de vervorming bereikt haar

toppunt en de miocene lagen worden sterk geschud zonder dat de pliocene

periode, in het begin waarvan die beweging geschiedt, andere sporen

achterlaat dan bezinkingen, door de bergstroomen afgezet en kleine

bekkens van bruinkool op korten afstand daarvan gelegen. Men ziet dus,

dat de opheffing der Alpen een werk van langen adem is geweest, en

dat de verschillende ketenen, waardoor die bergstreek in verschillende

deelen verdeeld is, niet uit denzelfden tijd dagteekenen. De binnenste

ketenen behooren tot de eocene of misschien wel tot de krijtperiode;

die welke daarop volgen, tot de miocene, en die aan den rand tot de

pliocene periode. Men wane echter niet, dat er nooit diepe golven

ontstaan zijn, waardoor de zee voortdrong tot de inwendige reeds

gevormde ketenen. Men vindt daarvoor het bewijs in het voorkomen

van muntschelpen of nummulieten in het inwendige der westelijke

Alpen. De geschiedenis der Oost-Alpen is niet volkomen dezelfde

als die der Zwitsersche Alpen: zij zijn eerst voor goed uit de zee

verrezen ten tijde der bovenste krijtformatie, en zij vormden reeds

in de oölithische periode eene keten van eilanden, waarop de zee in

de cenomanische periode langzamerhand inbreuk maakte. De opheffing

der eocene ketenen heeft daar waarschijnlijk eer plaats gegrepen dan

in de centrale Alpen. De grenslijn der beide ketenen lag toen evenals

thans in de Rijnvallei. Van de silurische tot aan de steenkoolperiode,

is de streek, gelegen ten oosten van den Rijn, gedeeltelijk onder

water gebleven, terwijl het westen een vastland vormde, bestaande uit

oorspronkelijke gesteenten, en dat waarschijnlijk in verbinding stond

met de Vogezen, de centrale bergvlakte en het Schwarzwald. Daarna dalen

de Oostalpen, en eene rijke triasfauna treedt daar op, terwijl het

grootste gedeelte der Westalpen boven water blijft. Op het einde dier

periode overstroomt de Rhetische zee Zwitserland, dat hoe langer hoe

meer daalt. De voornaamste rijzingen der Westalpen zijn het resultaat

van eene rij van geleidelijke bewegingen of schokken, die in de periode

der molasse op elkander gevolgd zijn. Die bewegingen, die op de ruggen

der eerste Alpenketenen de onderste en middelste lagen dier formatie

hebben opgeheven, wierpen langzamerhand de wateren, waarin zich de

bovenste lagen vormden, buiten den gordel der bergen, en gaven het

aanzijn aan zoetwaterbekkens, waarin zich de bruinkool afzette.

Evenals de Alpen, zijn ook de Pyreneën de vrucht van telkens hernieuwde

beroeringen; doch de keten is veel eenvoudiger van bouw dan die der

Alpen; zij vertoont slechts ééne enkele massa van oude formaties, die

de as der keten vormt, en waarvan de beide hellingen zeer verschillend

zijn samengesteld. De helling aan de Fransche zijde is veel steiler,

dan die aan de zijde van Spanje; de verplaatsingen zijn er talrijk

en ingewikkeld. Aan de Spaansche zijde wijken de bezonken lagen

over het algemeen weinig van den horizontalen stand af. De eerste

opheffing schijnt te hebben plaats gegrepen vóór de afzetting der

steenkoollagen, daarna komt eene doorloopende rij van lagen van de

steenkoolafzettignen tot aan de onderste krijtlagen. Hierop schijnt

eene nieuwe beweging gevolgd te zijn, waardoor eene verbreking plaats

had tusschen het verband der vorige rij en die der volgende lagen,

van het krijt tot de eoceenformatie. Op het einde der eocene periode

heeft eene beweging plaats, die veel sterker was dan alle vorige,

en die aan de Pyreneën haren voornaamsten vorm geeft. Wij zagen, dat

de beslissende opheffing der Alpen is voorafgegaan door de vorming

van verbazende ophoopingen van molasse, die het bewijs zijn van eenen

bodem, die door zijne bewegelijkheid gemakkelijk afgebeten werd; zoo

is ook de opheffing der Pyreneën voorafgegaan door de bezinking van

kleine steentjes. De nummulietlagen zijn tot op verbazende hoogten

gebracht in den keten der Pyreneën, waar zij eene hoogte van 3352

meters bereiken. De voornaamste omwentelingen in de Pyreneën hebben

plaats gegrepen tijdens de vorming der eocene formaties.

De beslissende opheffing der Pyreneën heeft dus plaats gegrepen in de

eerste eeuwen der tertiaire periode, tegen het einde der eoceenperiode;

hetzelfde is het geval geweest bij de Apennijnen. De beslissende

opheffing der Alpen daarentegen heeft plaats gegrepen in de laatste

eeuwen der tertiaire periode, tegen het einde der miocene periode.

Deze feiten zijn tegenwoordig voldoende vastgesteld. Het kan

oppervlakkig moeilijk schijnen aan te nemen, dat men den betrekkelijken

ouderdom der bergen kan lezen in de archieven der oorspronkelijke

wereld, toch zijn de geologen, en met name Leopold von Buch, Élie de

Beaumont en Constant Prevost daarin door hunne uitstekende nasporingen

geslaagd. Men zou bij het zien van eenen berg geneigd zijn te meenen,

dat zij uit den grond is verrezen door eenen verticalen naar boven

gerichten druk, op de wijze der vulkanen. Toch begrijpt men bij

eenig nadenken, als men nagaat, dat de aarde bij hare afkoeling

moet zijn samengetrokken, dat dit niet kan geschied zijn zonder dat

plooien, of inwendige leegten of gewelven moeten zijn ontstaan, of

ontwrichtingen der schors moeten hebben plaats gegrepen, die aan de

bergen het aanzijn geschonken hebben. Indien men den bouw der bergen

onderzoekt, dan ziet men, dat meesttijds in het midden van den berg

het oorspronkelijke gesteente te voorschijn treedt uit de scheuren

der bezonken lagen, en zoo de toppen vormt. Daar iedere laag, die

bezonken is, zich in het water moet hebben afgezet in meer of minder

horizontale lagen, zoo kunnen die lagen nooit eenen schuinen stand

verkregen hebben dan door eene opheffing, die na hare bezinking heeft

plaats gegrepen. De bergketen heeft dus haren vertikalen vorm verkregen

nadat de verschillende lagen afgezet zijn, die zij heeft opgetild,

doch vóórdat de horizontale lagen zijn gevormd, die men op de zijden

van den berg vindt. In een vorig hoofdstuk hebben wij gezien, dat dit

nog in onzen tijd op dezelfde wijze geschiedt. De voornaamste oorzaak

van de vorming der bergen is de langzame samentrekking der aarde. Die

vorming der bergen is ook de oorzaak van die aardbevingen, die niet

door vulkanen ontstaan. Bijna overal is ten gevolge van den weeken

toestand van de kern de bodem der planeet in langzame schommeling.

Iedere eeuw wordt de oppervlakte van den bodem op enkele gedeelte

opgeheven en op andere neergedrukt; hetzelfde is met de bedding

der zee het geval. Door die voortdurende veranderingen en door

meteorologische oorzaken, zooals regen, wind, eb en vloed enz. heeft

de aardschors telkens nieuwe vormen aangenomen van het oogenblik af,

dat hare oppervlakte bewoond is geworden door bewerktuigde wezens

en de bedding van den Oceaan is opgeheven tot de hoogte der hoogste

bergen. Wel duizelen wij, wanneer wij alle oneffenheden nagaan, die

sedert het begin van dat tijdstip in de aardschors zijn ontstaan;

doch als men daarbij rekening houdt met den verbazenden tijd, waarin

die oneffenheden zijn ontstaan, dan behoeven wij geene plotselinge

omwentelingen daarbij aan te nemen. Trouwens het resultaat dier

veranderingen is eigenlijk nog onbeduidend, daar de hoogste bergketenen

bijna geene wijziging brengen in den regelmatigen vorm van den

aardbol. De Gorisankar b.v., die eene hoogte heeft van 8840 meters

boven de oppervlakte der zee, moet op eene aardglobe van 1,44 meters

middellijn worden voorgesteld door eene zandkorrel van 1 m.m. dikte.

Men kan dus de oneffenheden op de oppervlakte der aarde als uiterst

klein beschouwen, en uit een geologisch oogpunt als van tijdelijken

aard, zooals b.v. de vorm en de hoogte van den kegel van den Vesuvius

tusschen twee uitbarstingen. Hoe gering echter die oneffenheid is

in vergelijking der geheele massa, zoo hangt toch de toestand van

den dampkring en het klimaat af van de plaats en de richting dier

kleine oneffenheden.

Men kan den ouderdom van eene omwenteling nagaan uit den ouderdom

der formaties, die daardoor gewijzigd worden. Indien twee lagen

onmiddellijk op elkander rusten, zóódanig dat zij beide niet denzelfden

hoek met den horizon maken, dan is het duidelijk, dat men daar te

doen heeft met twee afzonderlijke opheffingen, waarvan de ééne heeft

plaats gehad vóór en de andere na de afzetting der jongste laag. Eene

breuk is natuurlijk steeds jonger dan de formatie, die gebroken is,

en daarin hebben wij dus reeds eene benaderde bepaling voor den tijd,

waarop de omwenteling moet hebben plaats gegrepen. Indien zich eene

belangrijke keten van hoogten vormt, dan verandert deze den toestand

van het vasteland geheel en al; sommige zeeën worden ver weggeworpen

en de kaart der streek wordt dus daardoor geheel gewijzigd.

Men begrijpt uit het voorgaande, hoe moeilijk de taak is, om ons

een denkbeeld te maken van den vorm der aarde op verschillende

tijdstippen. Wij zullen echter hier niet verder uitweiden over de

formaties der tertiaire periode, hoeveel wij ook nog zouden kunnen

mededeelen over de rijzingen en dalingen der Pyreneën, Alpen en

andere bergketenen, of over de veranderingen in den vorm der zeeën

en landen. Wij zullen daarop in het gedeelte, dat over de tertiaire

formaties handelt, nog terugkomen. Het was echter voor ons van belang,

om ons een juist denkbeeld te vormen van de geografische veranderingen,

die in den loop der tijden door die rijzingen en dalingen hebben

plaats gegrepen.

Wat onze aandacht het meest trekt in de beschouwing van die

vervlogen perioden, is het leven, waardoor zij werden gekenmerkt;

geene enkele periode zoude toch kunnen wedijveren met die welke wij

thans beschouwen, wat betreft de vreemdsoortigheid der wezens uit

dat tijdperk. Nieuwsgierig, doch tevens met huivering, aanschouwen

wij de reusachtige kruipende dieren der Juraperiode, en voornamelijk

de ichthyosauren (vischhagedissen) en de plesiosauren (zeedraken),

die het kenmerk zijn van die dierenwereld.

De kruipende dieren vertegenwoordigen het verledene, eeuwen lang

hebben zij als heerschers over de aardoppervlakte geregeerd; men ziet

eene lange rij dieren verschijnen, die behooren tot geheel verdwenen

vormen, in vergelijking waarmede de thans bestaande kruipende dieren

nietige dwergen zijn. Enkele kruipende dieren der secundaire periode

kunnen wij begroeten als de reusachtigste van alle bekende landdieren;

zij waren grooter dan olifanten en walvisschen; men heeft dijbeenderen

gevonden van meer dan twee meters, hetgeen wijst op dieren van eene

zóó verbazende kracht, dat het onze verbeelding te boven gaat. Geheele

groepen, waarvan niets in de tegenwoordige natuur ons een denkbeeld

kan geven, hebben de oceanen, het vaste land of de moerassen bewoond;

zij zijn onherroepelijk verdwenen zonder nakomelingen achter te

laten; enkele dier groepen staan zóó geheel op zich zelf, dat zij

meer verschillen van onze tegenwoordige dieren, dan de slang van den

krokodil verschilt; reeds thans kent men honderden soorten van die

dieren, die zoo langen tijd op de oppervlakte der aarde de rol van onze

zoogdieren hebben vervuld; men vindt er vleeschetende, grasetende,

insectenetende en vruchtenetende dieren onder; zij zijn overal te

vinden, op het vaste land, in het water en in de lucht. Indien het

primaire tijdperk te recht den naam kon dragen van het tijdperk der

visschen, dan kan men van de secundaire periode zeggen, dat zij de

ontwikkeling der kruipende dieren tot hun maximum heeft bijgewoond.

De Wereld vóór de schepping van den mensch · 第 21 / 40 段