De hoogst ontwikkelde gewervelde dieren der triasformatie zijn

de amphibiën en de kruipende dieren. Men heeft nog geen flauw

vermoeden van den hond, den aap of den mensch. De labyrinthodonten,

die wij tijdens de permische periode hebben leeren kennen, blijven

de heerschers der wereld: het chirotherium, de trematosaurus, de

mastodontosaurus enz., vergezeld van de vischhagedissen: den placodus,

den nothosaurus, den simosaurus enz. De dinosauren treden op. Die

reusachtige kruipende dieren hadden zeer sterke achterste ledematen,

en hoewel zij aan hunne voorste ledematen handen hadden met vijf

duidelijk te onderscheiden vingers, hadden zij aan hunne ontzaglijke

voeten slechts drie vingers (de beide andere vingers blijven

verborgen) Tot die groep van kruipende dieren der triasperiode, die in

vertikalen stand liepen, behooren de megadactylus, de clepsysaurus,

de bathygnathus enz. en waarschijnlijk ook het brontozoön, waarvan

wij zoo aanstonds (blz. 359) een afdruksel geven, tegelijk met

regendroppels, die zeker juist gevallen zijn op het oogenblik, dat het

dier daar voorbijtrok, en dus tegelijk versteend zijn. Dat afdruksel

is gevonden in de zandsteen der bovenste triasformatie. Die schijnbaar

niets bijzonders vertoonende steen is dus voor ons als het ware eene

photografie van een tooneel uit een reeds lang vervlogen tijd. Het

is, als zag men het ontzaglijke kruipende dier reusachtige stappen

doen, en door den storm overvallen, langs de oppervlakte van de kust

voortrennen, het afdruksel zijner stappen achterlatend op de zachte

klei, die het tot leering van de geologen der toekomst bewaart.

Die pooten met drie teenen hadden oorspronkelijk doen denken aan

reusachtige vogels, en men was er zoo toe gekomen, aan te nemen,

dat de vogels reeds in de triasperiode voorkwamen. Dit wordt dan ook

in een aantal handboeken der geologie medegedeeld, waarin die sporen

dan ook afdruksels van de stappen van _vogels_ genoemd worden. Maar

men heeft in die lagen geenen enkelen versteenden vogel gevonden,

en bovendien kent men de tweepootige kruipende dieren, welke die

sporen van hunnen doortocht kunnen hebben nagelaten. Trouwens anders

zoude uit de grootte dier afdruksels volgen, dat de vogels reeds bij

hun ontstaan eene verbazende grootte moeten gehad hebben. De vogels

treden eerst in de Juraperiode op.

Onder de kruipende dieren der triasformatie vindt men de theriodonten,

de voorloopers der vogelbekdieren.

De dinosauriërs en de vischhagedissen zullen als vorsten heerschen

gedurende de Juraperiode, en wij zullen dan ook in het hoofdstuk over

de Juraperiode eene afzonderlijke studie aan die dieren wijden. Toch

kunnen wij reeds nu tot leering onzer lezers diegenen onder deze

bespreken, welke tot de triasperiode behooren. Onder andere zal men

in fig. 205 de capitosauren vinden, die in voorkomen en gang evenals

de overige labyrinthodonten het midden hielden tusschen de krokodillen

en de salamanders. Die diersoort kwam zeer veel voor van de permische

tot aan de keuperperiode. De belodon, één der eerste krokodilachtige

dieren, onderscheidde zich door zijne zijdelingsche afplatting en de

hoogte der bovenkaak, waarvan het uiteinde haakvormig omgebogen was. De

tanden waren vertikaal en kegelvormig, terwijl het lichaam voorzien was

van een schild, dat nog veel sterker was dan dat der krokodillen. Hij

is alleen gevonden in de bovenste keuperformatie van Wurtemberg.

De nothosauren, de voorloopers der plesiosauren, komen gedurende de

geheele triasperiode voor. De nothosaurus mirabilis wordt vooral in

de schelpkalk gevonden. Het is waarschijnlijk, dat hij, hoewel een

zeedier, steeds de kusten naderde en de stroomen opzwom.

De dicynodonten hebben eenigszins overeenkomst met de schildpadden

door den vorm van den kop, met uitzondering van de snijtanden, die

aan die der zoogdieren herinneren. In verschillende opzichten naderen

zij evenveel tot de zoogdieren als tot de kruipende dieren.

De zanglodon, tijdgenoot van den belodon en de labyrinthodonten

der keuperperiode, was een reusachtige vleeschetende dinosaurus en

tamelijk rijzig van gestalte. Volgens Kapff en anderen zou de kop,

onder den naam teratosaurus bekend en in dezelfde formaties gevonden,

tot eenen zanglodon behooren.

De dieren der triasperiode vertoonden voor het meerendeel vormen, die

geheel vreemd waren aan die van onze tegenwoordige wereld. Het waren

in de eerste plaats tweevoetige dieren, die in grootte en gedaante

zeer veel verschilden van het type der tegenwoordige vogels, doch die

bijna alleen bekend zijn door de afdruksels hunner voetstappen, die

wel viermaal zoo groot zijn als die van den struisvogel. Het aantal

en de schikking der vingers wijzen bij andere weder op zóó groote

onregelmatigheden, dat men waarlijk niet weet, hoe ze te verklaren,

nu het geraamte niet tot ons is gekomen. Onder de kruipende dieren

herinneren sommige aan de schildpadden, andere aan hagedisssen of

krokodillen, of wel vertoonen zij evenals de dicynodonten, wier kaken

met omgebogen slagtanden voorzien waren, de gemengde kenmerken van

die verschillende groepen.

De dolichosauren, die gedeeltelijk tot de hagedissen, gedeeltelijk

tot de slangen behoorden, wijzen het tijdstip aan, waarop de

laatste zich van den gemeenschappelijken stam der hagedisachtigen

hebben afgescheiden. Verder teruggaande, zijn de hagedissen geene

afzonderlijke orde en vindt men typen, die de hagedissen met

de leguanen, en de monitors met de krokodillen verbinden. Ook de

krokodillen wijzigen hun skelet, om andere kenmerken aan te nemen, die

men thans alleen in de ongeboren vrucht terugvindt. De labyrinthodonten

naderen tot de kikvorschen en zelfs tot de visschen en behooren,

zooals wij zagen, tot de oudste, merkwaardigste en meest weifelende

der oorspronkelijke dierenwereld. De grootte van hun lichaam, hunne

bedekking van beenderige platen, hun gepantserde kop maken het ons

onmogelijk, daarin kikvorschen te zien. Zij ademden op volwassen

leeftijd door longen, liepen op den grond, en waren de opvolgers van

andere kruipende dieren, die meer in het water leefden. Waarschijnlijk

vertegenwoordigen zij eenen bijzonderen toestand, dien alle kruipende

dieren doorloopen hebben vóórdat zij landdieren werden.

Wij moeten hier het volgende opmerken: de permische periode heeft

ons de geboorte der kruipende dieren doen bijwonen; de triasperiode

vertoont ons, naast de ontwikkeling der hagedissen, die van nu af

als heerschers optreden, de geboorte der zoogdieren, die zich door

de komst der buideldieren aankondigen.

De geboorte der zoogdieren!... De eerste trede van de ladder, die

tot de menschheid voert.

De kruipende dieren, de reuzenhagedissen der secundaire periode,

vertegenwoordigen de kracht. Met de zoogdieren begint de periode van

het gevoel.

Al die ontzaglijke hagedissen zijn gedoemd te sterven; zij dragen

de vlam van de verstandelijke ontwikkeling niet met zich; geen dier

soorten zal tijdgenoot worden van den mensch. De nederige buideldieren,

die op dit oogenblik het daglicht aanschouwen onder de zon der

triasperiode, zijn de eerste dieren, die de liefde kennen. Tot nu

toe bestond de liefde nog niet op de aarde: plantdieren, weekdieren,

schaaldieren, de oorspronkelijke insecten, visschen, kikvorschen,

kruipende dieren hebben niet bemind. Zij hebben alleen eieren kunnen

leggen, die zij zelfs niet eens zelf uitbroeden, en waarvoor zij

de zorg aan de natuur overlaten. De eerste zoogdieren leggen bijna

geene eieren meer. Wij zeggen _bijna_, want de ornithorhynchus legt

nog eieren. Doch geleidelijk brengen de dieren levende jongen voort

in plaats van eieren te leggen.

Nederig begin! Zoogdieren zonder melkklieren. Jongen, die ter wereld

komen als het ware als eieren zonder schaal en die eerst na hunne

geboorte voldragen zijn! De natuur wil ons ook hier weder de langzame

ontwikkeling der schepping doen kennen. Het eerst zijn fossiele

overblijfselen van zoogdieren uit de secundaire periode ontdekt in

het jaar 1818 in de Juraformatie van Stonesfield bij Oxford. Men vond

daar eene kaak, die door Cuvier herkend werd als te behooren tot een

klein zoogdier van de klasse der buideldieren; die ontdekking verwekte

de algemeene verbazing der geologen, daar deze het onmogelijk geacht

hadden, dat er vóór de tertiaire periode zoogdieren zouden bestaan

hebben. Owen merkte op, dat de soort, waartoe die kaak behoord

had, groote verwantschap had met een Australisch buideldier, den

myrmecobius. In diezelfde formatie te Stonesfield vindt men evenzoo

eene kaak van eenen opossum, en in 1854 werd daar nog eene andere

ontdekt, die tot eene geheel verschillende soort had behoord, waaraan

men den naam van stereognathus gaf. In 1847 vond men in de bovenste

triaslaag van Stuttgart den tand van een klein zoogdier, microlestes

genaamd. Sedert dien tijd heeft men zoowel daar, als in het bovenste

trias van Somersetshire en in Noord-Carolina eenige andere fossiele

kaken gevonden, die hadden toebehoord aan kleine buideldieren of aan

lager staande insecteneters. De kaak van een diomatherium silvestre

(een klein buideldier) is door den Amerikaanschen geoloog Emons in de

roode zandsteen van Noord Amerika gevonden. Onze lezers weten, dat de

buideldieren tot de meest onvolkomen en de oudste klasse der zoogdieren

behooren, en dat de laagste orde der zoogdieren, de vogelbekdieren,

thans nog slechts vertegenwoordigd worden door twee soorten, die in

Nieuw-Holland en Van-Diemensland gevonden worden: den ornithorhynchus

en de echidna hystrix. Zij zijn de laatst overblijvenden van eene

eertijds talrijke groep, die tijdens de secundaire periode de eenige

vertegenwoordigster was van de zoogdieren, en waaruit door langzame

ontwikkeling en splitsing alle latere zoogdieren zijn voortgekomen.

De buideldieren hebben hunnen naam te danken aan eenen buidel of zak,

dien het wijfje aan de onderzijde van den buik draagt, en waarin de

jongen nog langen tijd na hunne geboorte blijven. In dien zak bevinden

zich twee melkklieren, waaraan zich de jonggeborenen vasthechten. De

jongen komen bij de buideldieren veel onvolkomener ter wereld,

dan dit gewoonlijk bij de zoogdieren het geval is. Zij zijn naakt,

blind en doof en blijven zóólang in dien buidel, totdat hunne

ledematen en hunne zintuigen voldoende ontwikkeld zijn. De buidel

is dus als het ware eene tweede baarmoeder, waarin de ontwikkeling

voltooid wordt. Als de jongen eene zekere ontwikkeling verkregen

hebben, laten zij de melkklieren los zonder daarom nog den buidel

te verlaten. Indien zij dien van tijd tot tijd verlaten, keeren zij

daarin weder spoedig terug, en men mag zeggen, dat zij in dien buidel

hunne geheele kindsheid doorbrengen. Bij verscheidene dieren van

die orde duurt de zwangerschap niet langer dan ééne maand, terwijl

het jonge individu nog zeven tot acht maanden in den buidel blijft

vertoeven. Bij de reuzenkangoeroe verloopen er zeven maanden van het

oogenblik, waarop het jong in den zak wordt neergelegd tot dat, waarop

het voor het eerst den kop te voorschijn brengt; en eerst negen weken

later komt het voor het eerst uit den zak. De volgende negen weken

leeft de jeugdige kangoeroe nu eens buiten, dan weder in den buidel.

Het jong komt den 39sten dag ter wereld. De moeder neemt het in den

bek, opent den buidel met hare voorpooten en hecht het jong aan

één der melkklieren vast. Twaalf uren na de geboorte is de jonge

kangoeroe nog slechts 32 millimeters lang, en kan het nog vergeleken

worden met de ongeboren vrucht der overige dieren. Het is eene weeke,

doorschijnende, op eenen worm gelijkende massa; de oogen zijn dicht;

de neus en de ooren nauwelijks aangewezen, de ledematen nog lang niet

ontwikkeld. Het jong gelijkt nog in het minst niet op de moeder. De

voorste ledematen zijn een derde langer dan de achterste; de staart

is kort en tusschen de achterpooten omgebogen. Het hangt aan de

melkklier als eene levenlooze massa, en kan zelfs nog niet zuigen,

zoodat de melk op eene zeer eigenaardige wijze uit de klier in den

bek gestort wordt; eerst later begint het te zuigen.

Zóó voedt het jong zich gedurende acht maanden met de moedermelk;

van tijd tot tijd vertoont het den kop, maar het is nog niet in staat,

zich alleen te bewegen. De natuuronderzoeker Owen nam een jong van vier

dagen van de moederborst af, om te weten of een zoo onvolkomen wezen

haar uit zich zelf kon terugvinden, dan wel of de moeder het weer zelf

zou aanleggen. Het resultaat der proefneming was het volgende: Na het

wegnemen van het jong, kwam een droppel wit vocht te voorschijn. Wel

werd het jong onrustig, maar het scheen geene pogingen te doen,

om zich weder aan de moeder vast te hechten, en kon zich volstrekt

niet bewegen. Men legde het toen in den zak neder en liet het weder

aan de moeder over. Deze was toen erg rusteloos, bukte zich, krabde

tegen de buitenzijde van den zak, maakte dien met de pooten los, stak

er den kop in en bewoog dien in verschillende richtingen. Eindelijk

stierf het jong, zonder dat de moeder het weder had vastgehecht.

Indien de jonge kangoeroe éénmaal eene zekere grootte bereikt heeft,

groeit zij zeer snel. Zij steekt dan den kop uit en kijkt met hare

oogen naar alle zijden rond, beweegt hare kleine pooten en begint te

eten. De moeder verzorgt haar nog steeds zeer teeder, zonder zich

echter zoo bezorgd te maken als vroeger. In den eersten tijd duldt

zij niet, dat men het ziet of betast. Zij jaagt zelfs den vader weg,

zoo deze zijne spruit wil zien. Zoodra het jong echter den kop maar

ééns naar buiten gebracht heeft, is de moeder niet meer zoo bang om

het te voorschijn te doen treden. De jeugdige kangoeroe is trouwens

zeer vreesachtig, de minste aanleiding doet haar weder naar den buidel

vluchten, waarin zij alle mogelijke standen inneemt, nu eens komt

zij met den kop, dan weder met de achterpooten of den staart naar

buiten. Het is een merkwaardig schouwspel, om te zien, hoe de moeder,

als zij zich verplaatsen wil, het jong dwingt om zich in de diepten

van den buidel te begeven en het daarbij zwakke stooten toebrengt. Na

verloop van eenigen tijd verlaat de jeugdige kangoeroe den buidel

en springt zij om de moeder heen, maar bij het minste gevaar vliegt

zij weder hals over kop in den buidel; in een oogenblik draait zij

weder om, en nu zij zeker is tegen elk gevaar beveiligd te zijn,

kijkt zij met eenen grappigen blik naar buiten.

Onder de buideldieren vindt men evenals onder alle families van

het dierenrijk de grootste verscheidenheid van vorm en verstand. De

opossum (eene buidelrat) b.v. schijnt veel meer verstand te bezitten

dan de kangoeroe. Audubon geeft van zijne levenswijze de volgende

beschrijving:

"Let op, hoe hij aan den voet van dien reusachtigen boom stil staat

en ronddraait om den stam, om onder de met sneeuw bedekte wortels

eene opening te vinden, waarin hij kan binnensluipen. Na eenige

minuten komt hij weder te voorschijn, een eekhorentje medeslepend,

dat reeds van het leven beroofd is: hij houdt het in den bek, terwijl

hij langzaam den boom opklimt. Blijkbaar vindt hij de laagste takken

niet naar zijne gading, want hij klimt steeds hooger, totdat hij eene

plek gevonden heeft, waar hij minder in het gezicht komt; daar zet hij

zich op zijn gemak neder, rolt zijnen langen staart om de jeugdige

takken en verscheurt met zijne scherpe tanden het arme eekhorentje,

dat hij met de klauwen zijner voorpooten vasthoudt.

De schoone lentedagen zijn aangebroken; de boomen vormen krachtige

knoppen; maar de opossum is bijna naakt en schijnt door vasten

uitgeput. Hij zoekt de kreken op en smult nu aan de jeugdige

kikkers. Maar de brandnetel begint zijne teere en saprijke knoppen te

ontwikkelen, die hem een kostbaar voedsel opleveren. Het morgengeroep

van den wilden kalkoen doet hem aangenaam aan, want de sluwerd weet,

dat hij nu spoedig de stem van het wijfje zal hooren, en dat hij haar

naar haar nest kan volgen om hare eieren te rooven. En terwijl hij

door de bosschen zweeft, nu eens op den grond, dan weder op de boomen

van tak tot tak springend, hoort hij het gekraai van eenen haan;

en zijn hart klopt van genot, als hij zich te binnenbrengt, wat een

heerlijk maal hij het vorige jaar gehad heeft op eene nabijzijnde

boerderij. Zachtjes, de oogen wijd geopend, gaat hij vooruit en

verbergt hij zich in het hoenderhok.

Waarom, eerzame landman, hebt gij het vorige jaar zoovele kraaien

en raven gedood? Koop u nu kruit en lood, maak uw geweer schoon, zet

uwe vallen gereed en zorg, dat uwe trage honden trouw waken, want de

opossum nadert, de strooper is op weg. Hoort gij de kreten van uwe

kippen? Eéne der beste is door den sluwen dief medegenomen. Gij loert

op vos en uil, en waant u gelukkig, zoo gij hunnen vijand en uwen

vriend, de arme raaf gedood hebt. Nog geen week geleden lagen onder

deze groote kip een dozijn eieren; zij zijn verdwenen, de opossum

heeft ze weggestolen.

Het wijfje van den opossum is een voorbeeld van moederliefde. Sla

uwen blik in dien zonderlingen buidel, waar de jongen ieder aan eene

melkklier bevestigd zijn. De zorgzame moeder voedt ze niet alleen,

maar beveiligt ze ook tegen den vijand; zij neemt ze met zich mede,

zooals de zeehond haar kroost medevoert, of verbergt ze onder de

bladeren van eenen tulpeboom. Na twee maanden beginnen zij voor zich

zelf te kunnen zorgen, met wijze lessen gaan zij de wereld in. Maar als

de pachter den opossum op heeterdaad heeft betrapt, terwijl hij éénen

zijner schoonste hoenders vermoordde, en zich woedend op het arme dier

werpt, rolt het zich tot eenen bal samen. Naarmate de man woedender

wordt, blijft het dier rustiger liggen; eindelijk blijft het onder den

voet van den pachter liggen zonder eenig teeken van leven te geven,

met de tong uit den bek, en de oogen gesloten, totdat zijn beul hem

laat liggen in het denkbeeld, dat het dier dood is. Doch neen! het is

niet dood. Het hield zich slechts zoo; nauwelijks heeft de vijand de

hielen gekeerd, of het dier richt zich weer op en vlucht in het bosch.

Eene andere soort, de Philander Aeneas (Aeneasrat), leeft alleen

op de boomen en komt alleen op den grond voor de jacht. Hij kan

door middel van zijnen langen staart gemakkelijk klimmen en zich

daarmede overal aan vasthechten, en zoodra hij gaat rusten, begint

hij met dien om eenen tak te rollen. Op den grond loopt hij langzaam

en moeilijk; toch kan hij kleine zoogdieren, insecten, schaaldieren,

vangen, vooral kreeften, waarop hij verzot is. Op de takken der boomen

vervolgt hij de vogels en plundert hij de nesten; ook voedt hij zich

met vruchten. Somtijds bezoekt hij de hoenderhokken en doodt hij

kippen en duiven.

De jongen worden, als zij half volwassen zijn, op den rug der moeder

gedragen, waartoe zij zich met hunnen staart aan dien der moeder

vasthouden. Zelfs als zij bijna geheel volwassen zijn, en dus de

moedermelk niet meer behoeven, blijven zij nog bij hunne moeder, en

vluchten zij op haren rug bij het minste gevaar. Daaraan zijn zij

hunnen naam van Philander Aeneas verschuldigd [19]. Als de moeder

verschrikt is, laat zij een gesis hooren en verspreidt zij eenen

hoogst onaangenamen reuk.

Doch wij mogen niet langer bij die afstammelingen der eerste zoogdieren

stilstaan. Het zij voldoende, als wij hebben aangetoond, hoe laag

ontwikkeld zij zijn onder de levendbarende dieren, en dat zij toch

het rijk der hoogere dieren inwijden. De verstandelijke en zinnelijke

vermogens zijn ontstaan, om niet meer te verdwijnen.

TWEEDE HOOFDSTUK

De Juraperiode.

Het Rijk der Reuzenhagedissen.

Wij zijn thans genaderd tot de merkwaardigste van alle perioden,

die het optreden van den mensch op aarde zijn voorafgegaan. Eene

onmetelijke zee strekt zich nog over het grootste gedeelte van Europa

en Azië uit, en over groote uitgestrektheden van Afrika en de beide

deelen van Amerika, die thans honderden en duizenden meters boven de

oppervlakte van den Oceaan gelegen zijn. In die zeeën leven reusachtige

en vreemdsoortige dieren, waarvan thans geen enkele afstammeling meer

over is. Hoewel de planeet veel meer tot den tegenwoordigen toestand

genaderd is dan in de primaire periode, schijnt zij in menig opzicht

meer van den tegenwoordigen toestand te verschillen, omdat het leven

op de planeet eene vertakking ondergaat, die volstrekt niet doet

vermoeden, wat zij in de tertiaire en quaternaire periode worden

zal. Een bewoner van Mars of van de maan, die onze aarde zoude bezocht

hebben ten tijde van de kruipende dieren van het Juratijdperk, zou

niet tot het vermoeden komen, dat eens de dag zal aanbreken, waarop

de bodem der zee, na gerezen te zijn, de verblijfplaats zoude worden

der groote steden, zooals New-York, Londen, Parijs of Weenen. In de

zeeën zwemt de logge ichthyosaurus met zijne ontzaglijke oogen en

vreeselijke kaken; de plesiosaurus met zijnen langen hals, die met

zijne lange pooten zwom, in de diepte der zee onderdook en dadelijk

weer op de oppervlakte verscheen; de teleosaurus, monsterkrokodil

van tien meters lengte, wiens gespleten muil, die eene wijdte

had van twee meters, dieren kon verzwelgen zoo groot als ossen;

de hyleosaurus, met zijn gepantserd schild, die de oevers onveilig

maakte; terwijl op de eilanden, die uit het water verrezen waren, aan

den voet der heuvels, aan den oever der zeeën, in stroomen en meren,

in de met varens, cycadeën, araucaria's en verschillende naaldboomen

versierde bosschen, de ontelbare soorten van dinosauriërs leefden,

die in de secundaire periode de zoogdieren der tertiaire periode

voorafgingen: atlantosauren, reusachtige grasetende viervoetige

dieren van 30 meters lengte; brontosauren, sauropoden van 15 tot 20

meters; dicloniën, tweevoetige kruipende dieren van 12 tot 15 meters

lengte; stegosauren, tweevoetige dieren van 10 meters; iguanodons,

tweevoetige dieren met de klauwen van eenen vogel, en de vleeschetende

theropoden: de megalosauren, ceratosauren, labrosauren, amphisauriden,

compsognathen enz., kruipende dieren van elke grootte en gedaante,

waarvan enkele half krokodil en half vogel waren, en die van het land

en de zee, de oevers en de bosschen eene fantastische wereld moesten

maken, waarvan wij ons thans geen denkbeeld meer kunnen vormen. En

daarboven dan nog de ontzaglijke pterodactylen met vliezige vleugels,

die door de lucht sprongen en zich op de oevers neerwierpen te midden

der woeste kreten dier geheele bevolking, en de ontelbare tandvogels,

die met ontzaglijke snelheid de ruimte doorkliefden om zich op hunne

prooi te werpen ... en wij hebben een zwak beeld van het schouwspel,

dat onze planeet moet hebben aangeboden in die lang vervlogen eeuwen.

Terecht wordt die periode het tijdperk der kruipende dieren

genoemd. En toch, hoever zijn die wezens niet in vorm en gewoonten

verwijderd van de kruipende dieren van onzen tijd! Die dieren kropen

niet. Het waren geen slangen of adders; het waren veeleer reusachtige

hagedissen, waarvan sommige op vier pooten, andere bij voorkeur op

hunne achterpooten liepen en den vertikalen stand aannamen, en dat

wel hagedissen van 10, 15, 20, 30 meters lengte! Die kruipende dieren

met hunne ontzaglijke ledematen waren de voorouders van de krokodillen

en de hagedissen der tertiaire periode. De pooten zijn langzamerhand

verdwenen.--Ook de vogels hadden de kruipende dieren tot voorouders.

Die zoo rijke Juraperiode heeft zich over een zeer groot tijdvak

uitgestrekt. Onmiddellijk na de laatste triaslagen heeft zich eerst

zandsteen afgezet, daarna mergel met koolzure kalk vermengd. Men

vindt daarin vele fossielen, vooral schelpen, ammonieten enz. Die

eerste lagen heeten _lias_ of zwarte Jura. Daarboven hebben zich

lagen van eenen anderen aard afgezet, voornamelijk fijnkorrelig

kalksteen, dat doet denken aan eene verzameling visscheneieren. Daarom

heet die kalksteen ook wel: _oölithisch_ (oön, ei en lithos,

steen). De formatie der Juraperiode kan dus in twee hoofdafdeelingen

verdeeld worden, de lias en de oölithische formatie. Ieder dier

hoofdverdeelingen kan weder onderverdeeld worden, want er zijn een

groot aantal lagen, die uit een mineralogisch oogpunt en uit het

oogpunt van fossielen onderling zeer verschillen. De voornaamste zijn:

Voornaamste verdeelingen der Juraperiode.

I. Liasformatie.

Zandsteen der Infraliasformatie

Rhetische laag. (Rhetische Alpen)

Zwarte Jura.

Onderste liasformatie

Sinemurische laag. (Semur)

Middelste liasformatie

Charmouthische laag. (Charmouth)

Bovenste liasformatie

Toarcische laag. (Thouarsi)

II. Oölithische formatie.

Onderste oölitihische formatie

Bathonische (Bath) en Bajocische laag (Bayeux)

Bruine Jura.

Middelste oölitihische formatie

1. Oxfordlaag

2. Corallische (koralen), sequanische (Seine),

kimmeridische laag

Witte Jura.

Bovenste oölitihische formatie

Portland en Purbecklaag

Er zijn nog wel andere verdeelingen; maar wij moeten alles vermijden,

wat de zaak ingewikkelder maakt. Alleen merken wij op, dat de lagen hoe

langer zoo helderder worden, geleidelijk van donker naar wit overgaan,

naarmate wij de krijtformatie naderen, die zooals wij zagen, op de

Juraformatie ligt. Vandaar ook de namen: zwarte, bruine en witte Jura.

De Wereld vóór de schepping van den mensch · 第 20 / 40 段