Het bijna geheel ontbreken van versteeningen van zeeplanten en

zeedieren in de klei, die de triasformatie sluit, de talrijkheid van

landplanten en de overvloed van gips en zout, wijzen er ons op, dat

Centraal-Europa, waar die mergel zeer verspreid is, toen door ondiep

water bedekt was, welks zoutgehalte zóó aanzienlijk was, dat het geene

levende wezens bevatten kon. De Doode zee, de groote zoutmeren van

Azië en Afrika, die gedeeltelijk door eene zoutkorst bedekt zijn,

geven ons een voorbeeld van den toestand van noordelijk Europa in

die dagen. De Oceaan had zich toen teruggetrokken naar het zuiden, en

bezette toen de Alpenstreken. Een bewijs hiervoor is, dat men, indien

men in Frankrijk tot de centrale bergvlakte nadert, vindt, dat de

schelpkalk, eene zeevorming, zich niet tot die streek uitstrekt, en dat

de mergel dadelijk op de bonte-zandsteen ligt. Men vindt de schelpkalk

terug in de Benedenalpen, in Hérault, Var en de omstreken van Toulon;

men kan haar over de geheele Alpenstreek volgen, waar zij eene groote

uitbreiding verkrijgt. Daar bestaat de triasformatie uitsluitend uit

zeevormingen, uit groote hoeveelheden dicht opééngedrongen kalksteen,

die een groot aantal fossielen bevatten. In die kalklagen vindt men

een duidelijk beeld van de dierenwereld, die in de triasperiode de

zee bevolkte.

Iedereen weet, dat het zout één der belangrijkste mineralen is. In

den vorm van steenzout wordt het in grooten getale binnen in de

formaties der secundaire periode gevonden. In Transsylvanië vindt

men zoutbergen, die verscheidene mijlen lang zijn en die steile

kanten hebben van honderden voeten hoogte, welke bergen geheel uit

steenzout bestaan. In Cardona, aan de zuidzijde der Pyreneën, vindt men

eene zoutmassa van bijna honderd meters hoogte boven den grond. Die

massa is zóó verscheurd en gespleten door den regen, dat men ze met

hunne pyramiden, horens, holten en spitsen voor eenen ijsberg zoude

aanzien; de hoeveelheid zout is zóó overvloedig, dat men de mijn

voor onuitputtelijk houdt, hoewel men haar reeds eeuwen lang ontgint

(er wordt reeds in het jaar 1103 melding van gemaakt). De geheele

zoutberg is eenige honderden meters hoog. De zoutketenen ten zuiden

en ten noorden van het Himalayagebergte leveren nog veel grootere

zoutmassa's op. Te Kallabaugh is over eene groote uitgestrektheid

de weg in zoutrotsen gehouwen van dertig meters hoogte. Doch die

ontzaglijke massa's verzinken nog in het niet, vergeleken bij de

zoutbergen, die het Titicacameer omgeven in de Peruaansche Andes;

dat meer is 350 kilometers lang.

Daar het zout gemakkelijk in water oplost, zoo vindt men in de

nabijheid der zoutbergen dikwijls zoutwatermeren. Ook het zeewater is

zout, niettegenstaande de rivieren steeds zoet water daarin leiden. Het

zeewater komt voort uit de verbinding van natrium en chloor, twee

elementen, die het oorspronkelijke water schijnt bevat te hebben.

Overal waar het zeewater verdampt, zet zich het zout af; op vele

kusten wordt het door verdamping ingezameld. Wij weten niet, of alle

zoutafzettingen op zoodanige wijze ontstaan zijn, dan wel of sommige

lagen in de aardschors zijn ontstaan door andere verschijnselen; maar

een groot aantal van die zoutmassa's, zooals in Zwitserland, zijn door

de verdamping der zee ontstaan. De weekdieren, in de kalkrotsen in de

nabijheid dier zoutlagen gevonden, bewijzen, dat het zeevormingen zijn.

Indien men eene zoutmijn binnentreedt, geraakt men steeds onder den

indruk van het vreemde voorkomen dier onderaardsche grotten. Hier

en daar verbreeden zich de gaanderijen tot groote kamers of holen;

in het midden vindt men dikwijls eenen kleinen vijver; de wanden en

gewelven schitteren door duizenden zoutkristallen. Die zoutkamers

zijn wel de merkwaardigste voortbrengselen dier formaties en maken

eenen vreemden indruk, als men ze bij fakkellicht bezoekt. [18]

De Duitsche zoutlagen vertoonen eene treffende overeenkomst in

vorm met die van Noordelijk-Zwitserland; men mag daaruit besluiten,

dat zij tegelijkertijd en op dezelfde wijze zijn afgezet. Het zout

van Wurtemberg, dat in lagen van 10 tot 20 meters voorkomt, is van

denzelfden aard als het zeezout.

Toch is de zee waarschijnlijk niet de eenige oorzaak van het ontstaan

dier merkwaardige zoutrotsen. Te Dieuze vindt men in het zout holten

met bewegelijke luchtbellen; het is vermengd met klei, gips, zwavelzure

soda en zwavelzure magnesia; maar het bevat geen chloor-magnesium, en

geene sporen van iodium of bromium. Het is dus niet waarschijnlijk,

dat dit zout ontstaan is door verdamping der zoutwatermoerassen;

wel waarschijnlijk is het, dat dit zout langs vulcanischen weg is

te voorschijn gekomen. Lagen mergel en klei met gips en anhydriet

scheiden de zoutlagen van elkander. Het gips vormt talrijke, doch

kleinere hoopen dan het steenzout, en ieder van die hoopen heeft

den vorm van eenen grooten knobbel, waaromheen de mergel gewelfd

gerangschikt ligt. Die opzwelling kan verklaard worden door aan te

nemen, dat het gips ontstaan is door eene wijziging der kalk door de

uitstroomingen van zwavel.

In den tijd, toen het zout gevormd werd, hadden er telkens bewegingen

in de zee plaats, en uit het feit, dat men schelpkalklagen boven de

zoutlagen vindt, volgt, dat de zee, na het verdampen van het water en

de vorming der zandbanken op de uitgedroogde plaatsen is teruggekeerd

en er die kalk en klei heeft afgezet. De dieren, die in de schelpkalk

voorkomen, geven ons reeds enkele aanwijzingen omtrent het tijdstip

van de vorming der zoutlagen. Zij leeren ons tevens de zeedieren van

die verwijderde tijdstippen kennen.

In de Zwitsersche salinen heeft Oswald Heer belangrijke voorbeelden van

de fauna dier dagen gevonden, o.a. eene kreeft met eenen langen staart

en een knobbelig schild, zeesterren en zeeleliën. Aan de oevers der

Reuss zijn de rotsen vol zeeleliën. Die dieren leefden in koloniën, zoo

schrijft de geleerde Zwitsersche natuuronderzoeker, en een zoodanige

bank, bewoond door geheele familiën zeeleliën met hare dunne en

lange voeten, en die van boven open gaan als eene tulp, terwijl uit

de fijn gebeeldhouwde schaal de trilharen uittreden als eene garve

losse draden, moeten een prachtig schouwspel opgeleverd hebben.

Terwijl die dieren leefden, die geheel vreemd zijn aan onze

tegenwoordige fauna, verschenen ook talrijke weekdieren. Deze

naderden veel meer tot de thans nog bestaande soorten en vele daaronder

behoorden tot soorten, die nog thans voorkomen. Tot die soorten behoort

de lima lineata, die men kan herkennen aan hare twee groote, diep

gegroefde kleppen in den vorm van horens, en haren platten, gladden

kam. De éénkleppigen zijn niet zeldzaam, en de meeste behooren tot

soorten, die nog thans bestaan: daartoe behooren o.a. de turbonilla,

en een schoone nautilus, waarvan men dikwijls exemplaren gevonden

heeft van eenen voet in middellijn.

De _ceratites nodosus_ is de eerste vertegenwoordiger van de thans

uitgestorven familie der ammonieten. De ammonieten en de nautili

behooren tot de groep der koppootigen, die den eersten rang innemen in

de orde der weekdieren en die zich onderscheiden door den bouw hunner

schelpen. De talrijke weekdieren dienden tot voedsel van de visschen

en de amphibiën, waarvan de verschillende soorten de zee bevolkten.

In de keuperperiode komen de landdieren slechts in geringen getale

voor. Heer heeft tevergeefs naar insecten gezocht in die formaties

in Zwitserland; alleen in de leiachtige klei heeft hij twee soorten

van schildvleugelen gevonden. Bij Richen, in de bonte zandsteen,

heeft men groote afdruksels van schubben van eenen reusachtigen

labyrinthodon en het geraamte van eene kleine hagedis gevonden,

die veel overeenkomst had met de salamanders. Te Rheinfelden heeft

men eene soort van krokodil ontdekt, den sclerosaurus armatus, en

schubben van den kop van den grooten mastodontosaurus. Ook heeft

men een aantal hagedissen in het keuper van Wurtemberg gevonden;

de meest voorkomende is de belodon Plieningeri, die veel geleek op

de Gavialiden van tropisch Amerika; hij heeft dezelfde kaken, lang,

smal en met groote tanden gewapend. Gressly heeft te Liestal groote

en holle beenderen te voorschijn gebracht, die ongetwijfeld behoord

hebben tot eene soort van ontzaglijk groote teratosauren.

Het is waarschijnlijk, dat de triaszee het geheele deel van Zwitserland

bedekt heeft, dat thans door de molasse wordt ingenomen; toch

vindt men hare bezinksels tot nu toe alleen bij den Stockhorn. Men

ontmoet kalkbanken en bonte-zandsteen aan de oevers van het meer

van Thun; zij bevatten talrijke versteeningen en vormen de grens

der triasformatie. Van meer gewicht zijn de bezinkingen der zee

uit de triasformatie aan de zuidoostelijke grens van Zwitserland

en de gedeelten van Savoye, die daaraan grenzen. Een ader van gips

en koolzure kalk strekt zich uit van Bex naar Morillon, in Savoye,

en naar Villeneuve; verder vindt men van Meillerie af, aan den oever

van het meer van Genève en boven Thonon, de rhetische lagen, die in

zuidelijke richting tot de Arvo kunnen gevolgd worden; men verkrijgt

dus het bewijs der tegenwoordigheid van de triaszee in Savoye door

het bestaan van verschillende lagen, die het land doorloopen.

Wij moeten nog opmerken, dat eene breede strook van triasgesteenten

uitgaat van Tyrol en den Vorarlberg, Vadutz en Triesen en uitkomt

aan den Rijn, zonder Zwitserland aan te raken; zij strekt zich ten

noorden en ten oosten uit over de grensgebergten der Prättigau (op

drieduizend meters boven de oppervlakte der zee). Van daar strekken de

triasgesteenten zich uit over Davos tot aan Oberhalbstein en Engadin,

waar zij in Ponte weder beginnen, om zich voort te zetten tot Sulsana

en vandaar oostwaarts tot Scarlthal en Münsterthal. De kalkbergen,

die de rechtergrens der vallei van Engadin innemen van Ponte tot aan

Remus, behooren evenzoo tot die formatie.

Deze streek was dus niet onder de zee bedolven in de keuperperiode,

terwijl de zee het overige gedeelte der Alpen, waar de triasformatie

gevonden wordt, bedekt, zooals blijkt uit de wieren en zeeschelpen,

daar gevonden. Die formatie behoort tot de schelpkalk of de keuper,

en het is mogelijk uit den aard en de organische samenstelling der

gesteenten verscheidene verdiepingen der bezinksels te herkennen.

In die gesteenten heeft men de overblijfselen van 55 soorten zeedieren

gevonden, die geen twijfel overlaten aan hunnen oorsprong; men vindt er

niet alleen den encrinus liliiformis, de zoo fijn gestreepte halobia

lommelii en de halobia obliqua, maar verschillende hemnitzia's, de

ammonites luganensis en scaphitiformis enz.; men vindt er nog andere

weekdieren en schelpen, die het trias kenmerken, en die bewijzen,

dat de triasfauna in dezelfde vormen verspreid was in Duitschland,

Zwitserland en Italië.

Wij zagen vroeger, dat het zout één der belangrijkste voortbrengselen

is van de triasformatie; doch ook het gips, behoort tot diezelfde

formatie. Men vindt het tusschen de schelpkalk en het keuper,

bij voorbeeld te Habsburg, Mullingen, Niederweningen, Birmensdorf,

Gebensdorf, Munsterthal enz. Het gips bevat hier en daar zwavelzure

natron en magnesia; die zouten, in water opgelost, leveren de

purgeerende minerale wateren. Uit hunnen aard zijn die wateren een

handelsartikel; er zijn trouwens andere rijke minerale bronnen uit

de triasformatie, zooals het zoo hooggeschatte water uit Baden, dat

uit eene groote diepte te voorschijn komend, waarschijnlijk uit de

keuperformatie voortkomt. De zwavelhoudende wateren van Schinznach en

de jodiumhoudende wateren van Wildegg vinden waarschijnlijk hunnen

oorsprong in de gips der triasformatie. Behalve het zout en de gips

en de minerale wateren bevat de triasformatie nog rijke hulpbronnen;

het levert ons talrijke bouwmaterialen, en door hare ontleding geeft

zij ons in den vorm van mergelaarde eene uitstekende meststof; de

keuperstreken onderscheiden zich door hare vette weiden, vruchtbare

akkers en rijke wijngaarden; overal is de triasformatie eene bron

van welvaart voor de bevolking.

Alleen het dolomiet maakt eene uitzondering; als de regens dat

gesteente ontleed hebben, blijft er niets over dan zand, dat het water

doorlaat en onvruchtbaar is. Waar de bodem dan ook alleen uit dolomiet

bestaat, zooals in de kalkbergen van Vorarlberg in sommige vlakten

van Engadin, is de plantengroei zeer arm; de boomen en de struiken

komen daar niet tot wasdom, de weiden zijn daar slechts bedekt met

enkele grasstoppels en de hooger gelegen streken zijn totaal kaal. In

Zwitserland zijn enkele dolomietstreken (zooals de Moravallei, die

van St. Giacomo naar den Munsterthalalp leidt), waar de plantengroei

geheel ontbreekt, en waar alles van de diepte der vallei tot op de

toppen der bergen het beeld vertoont van verlatenheid en dood.

Als roode zandsteen en mergel vindt men het trias meer of minder

doorloopend op den rand der centrale bergvlakte van Frankrijk. Men

vindt er sporen van bij Alais, tusschen het permo-steenkoolstelsel

en de lias, in de golf van Aveyron bij Rodez en Espalion en tusschen

St. Antoine en Villefranche-d'Aveyron. Om dan het trias weder terug

te vinden, moet men den noordelijken rand der bergvlakte volgen in

Berry, waar de samenstelling dezelfde is als in Nièvre.

In Provence vindt men eene triasstrook op roode zandsteen. Die strook

strekt zich uit van Toulon naar Antibes, en men vindt daarin de drie

gewone afdeelingen van het Lotharingsche trias terug.

In het département du Gard, dragen dertig meters lei en metaalerts

eene 15 meters dikke magnesiumlaag met ijzerpyriet, zwavel en lood,

waarop 115 meters zandsteen en gekleurde mergel gelegen zijn met

kalk vermengd.

Bij Lodève, te Fozières, vindt men afdruksels van eenen labyrinthodon

in de bonte zandsteen.

De bonte zandsteen komt evenzoo voor den dag in verschillende deelen

der Pyreneën, vooral in het zuiden van Bayonne.

Aan het andere uiteinde van Frankrijk schijnt de streek der Ardennen

in de triasperiode bestaan te hebben uit een heuvelachtig terrein,

waar door het wegvreten van de rotsen steenblokken, keisteenen, zand en

klei naar de binnenmeren gevoerd werden. Slechts weinige overblijfselen

van die afzetsels zijn tot ons gekomen; zij onderscheiden zich alle

door hunne roode kleur. De geheele strook, bestaande uit horizontale

of weinig hellende lagen, is 150 meters dik.

De triasformatie in de Ardennen was dus geene zeevorming; ditzelfde

geldt voor het geheele noordelijke deel van Frankrijk. De vernieling

van oudere formaties heeft daar het aanzijn geschonken aan kleine

steentjes, waarvan men in Artois exemplaren terugvindt.

De Jura- en krijtlagen van het bekken van Parijs zijn oorzaak, dat

men ten zuidwesten der Ardennen geene triasformatie ziet; zij komt

weer te voorschijn te Cotentin, waar zij bestaat uit grint, zand,

zandsteen en roode mergel, doch tot eene dikte van niet meer dan

60 meters. Het is de voortzetting van het trias van Somerset- en

Devonshire, en schijnt alleen in verband te staan met het bovenste

gedeelte der keuperformatie.

Men mag dus aannemen, dat het geheele bekken van Parijs (waaraan

Engeland aansloot) in de triasperiode uit eene streek bestond,

waarin groote meren waren, en dat die streek eindigde in eene zee,

wier westelijke oever zich uitstrekte van Luxemburg tot Autun.

In de Westalpen heeft de triasformatie een eigenaardig voorkomen,

dat zich zeer onderscheidt van het Franconische of Vogezische type.

Om onze schets der triasformatie te voltooien, voegen wij nog hierbij,

dat het trias zijne grootste uitbreiding vindt in het noordwesten

van Engeland (1500 meters). Daar vindt men ook de grootste ronde

keisteenen, waarbij het kwarts in menigte voorkomt. In het noorden of

noordwesten moet dus het vasteland gezocht worden, dat de bouwstoffen

geleverd heeft voor de triasformatie. Het Engelsche trias rust nu eens

op de permische laag, dan weder op de steenkool- of zelfs de cambrische

laag; bovendien vindt men in de onderlagen dikwijls bonte-zandsteen. In

de middengraafschappen is de dikte van het stelsel 950 meters. Het is

waarschijnlijk, dat daar de Franconische laag vertegenwoordigd is. In

de dolomietlagen, die van zes tot vijftien meters dik zijn, heeft men

de beenderen der oude thecodontosauren, der paleosauren cylindrodon en

platyodon met tanden van den ceratodus ontdekt. In Wales heeft men in

dezelfde lagen sporen van den brontozoön ontdekt. De keuperzandsteen

bevat beenderen en afdruksels der voetstappen van de labyrinthodonten,

en een visch, dysteronotus cyphus. Het steenzout komt er in voor in

lensvormige roode massa's, 60 meters diep.

Op de zuidkust van Devonshire, te Budleigh Salterton, bestaat

het trias uit keien van silurische en devonische kwartsieten, die

afkomstig schijnen uit primaire gesteenten, die thans bedekt zijn

door de wateren van het Kanaal.

Ook in Noord-Amerika komt het trias in drie verschillende streken voor

den dag: in het gebied der Apalachen, het Rotsgebergte overeenkomend

met Noord-Europa, en het gebied der stille Zuidzee, waarvan het

karakter hetzelfde is als dat der Alpen. Het trias der Apalachen vormt

nauwe strooken, die zich vooral in Connecticut verlengen en die over

eene groote uitgestrektheid hetzelfde karakter dragen. Het bestaat

uit bruinachtig rood zandsteen, dat somtijds den bouw heeft van eene

vlakte van graniet met schiefer, en is minstens 1000 meters diep,

terwijl het talrijke sporen draagt van het kabbelen der golven en

van afdruksels van regendruppels.

In Connecticut heeft men talrijke sporen van labyrinthodonten,

waarvan men meer dan 12000 afdruksels vindt. De Amerikaansche geologen

hebben in die laag eene kleine buidelrat, het dromatherium silvestre,

gevonden, den oudsten vertegenwoordiger dier klasse. Ten oosten van het

Rotsgebergte, bestaat het trias uit rood-zandsteen, bonte gypshoudende

mergel en magnesia. De dikte wisselt af tusschen 600 en 1800 meters.

Wij zien dus, dat de triasformatie eene voorname plaats inneemt in

de sedimentformaties en eene belangrijke periode vertegenwoordigt

in de geschiedenis van de wijziging der soorten. Met haar beginnen

nieuwe vormen van het leven, en de natuuronderzoeker kan hier evenals

in de primaire periode waarnemen, hoe de ontwikkeling van het leven

steeds evenwijdig loopt met de paleontologische ontdekkingen in de

verschillende formaties.

Langzaam doch gestadig ontwikkelt zich het dierlijke leven in zijne

hoogere vertakkingen. Een groot aantal soorten van ongewervelde dieren

(plantdieren, weekdieren en ringwormen), waarmede wij kennis gemaakt

hebben, zijn van het wereldtooneel verdwenen om voor nieuwe wezens

plaats te maken.

Bij de plantdieren merkt men op, dat het beperkte aantal soorten van

zeeleliën als het ware wordt goedgemaakt door de buitengewone menigte

individuen van den encrinus liliiformis, wier kalkplaatjes dikke en

uitgestrekte lagen vormen in de schelpkalk der triasformatie. Wij

hebben die wezens reeds leeren kennen, toen wij den oorsprong der

soorten in de silurische periode bestudeerden (blz. 157). Thans is dat

type in verval. Andere soorten zijn geheel verdwenen. De beroemde

trilobieten zijn voorgoed uitgestorven. Daarentegen verkrijgen

de _ammonieten_, gedurende de permische periode ontstaan, eene

verbazende uitbreiding. De ammonieten waren koppootige weekdieren,

wier spiraalvormige schelpen de grootste verscheidenheid in grootte en

in vorm aanboden. Zij hebben gedurende de geheele secundaire periode

geheerscht, en zijn daarna verdwenen. In de triasperiode hadden de

ammonites Aon en de ceratites nodosus de overhand. Hunne voorouders

waren de nautiliden, die wij in de devonische periode hebben ontmoet

of het ééne of andere nog oudere weekdier, waarvan dan de nautiliden

en de ammonieten afstamden. In de triasperiode geraken de nautiliden

in verval: men vindt alleen nog den orthoceras en de goniatiden.

Men kent de ammonieten reeds langen tijd, en reeds de oudheid had door

de beschouwing dier versteende schelpen de oude gedaantewisselingen

der aarde en der zeeën geraden. Zij ontleenen hunnen naam aan de

overeenkomst hunner kronkelingen met de ramshorens, die men vindt op

de symbolische voorstellingen van Jupiter Ammon.

Vooral in de Juraperiode nemen de ammonieten hunne grootste vlucht. Op

het einde dier periode vindt men er, die de grootte hebben van een

wagenrad.

Ook de armpootigen komen evenals de koppootigen in verschillende

soorten voor. Behalve den spirifer der devonische periode (blz. 260)

en den productus der steenkoolperiode (blz. 315) vindt men nog

terebratulae en rynchonellae, die wij vooral in de Juraperiode zullen

leeren kennen. Al die schelpen vindt men thans in de tweede laag der

triasformatie, de schelpkalk, eene zeevorming.

De koplooze zoowel als de buikpootige weekdieren zijn nog sterker

vooruitgegaan; van nu af aan hebben die twee klassen de overhand

onder de weekdieren. Zij verdienen nog te meer onze aandacht,

omdat het voornamelijk de schelpen der verschillende soorten van

weekdieren zijn, die de formaties kenmerken, daar die schelpen zeer

talrijk en zeer verspreid zijn, en gewoonlijk ongeschonden bewaard

zijn gebleven, terwijl de beenderen van groote dieren zeldzaam en

meer of minder beschadigd zijn. De familie der ostraceën (oesters)

treedt tegelijkertijd op met de pectineën, de posidonia, cardita,

lima enz. De oesters, voor het eerst optredend in de triasperiode,

zullen van geslacht tot geslacht blijven voortleven en zullen de

tijdgenooten der menschheid worden. Zij zullen zelfs één zijner eerste

voedingsmiddelen uitmaken aan den oever der zee.

Bij de gelede dieren vindt men nu onder de schaaldieren de

schaalkreeften of tienpootigen, waartoe de macruren (langstaarten)

behooren. Men heeft geheele goed bewaarde schilden van kreeften

gevonden. Het grootste verschil tusschen die kreeften en die van

onzen tijd is in hare kracht gelegen. Hare scharen, van scherpe

tanden voorzien, waren hare natuurlijke verdedigingsmiddelen, die

zij noodig hadden tegen de vraatzuchtige monsters, die de wateren

onveilig maakten.

De visschen schijnen weinig vooruit gegaan te zijn. Zij behooren

bijna uitsluitend tot de placoïden en de glansschubbigen.

Onder de visschen der triasperiode kunnen wij den ceratodus als type

der periode beschouwen, een vreemd type, van kieuwen voorzien als

de gewone visschen en van longen, zooals de in de lucht ademende

dieren, en van platte, aan de kanten diep ingesneden tanden. Het

merkwaardigst is, dat die visch nog in onzen tijd bestaat, en onlangs

is teruggevonden in de rivieren van Australië, waar hij eene lengte

van 1,20 meters bereikt.

De Wereld vóór de schepping van den mensch · 第 19 / 40 段