In de permische formatie zijn de amphibiën en kruipende dieren

talrijker, zoowel in Europa als in Amerika. Zoo heeft men in de

permische formatie in Texas en Illinois 28 soorten van kruipende

dieren en zeven soorten van labyrinthodonten gevonden.

Bij de oudste labyrinthodonten is de schedel geheel geharnast:

de buitenste oppervlakte van den schedel is gewoonlijk

bedekt met eene leerachtige huid, die ons doet denken aan de

tegenwoordige krokodillen. De schedel is nu eens verlengd zooals

bij den archegosaurus, dan weder ineengedrongen zooals bij den

mastodontosaurus.

Bij den archegosaurus vindt men aan iedere hand vijf vingers, terwijl

de twee paar ledematen, ongeveer even groot, naar achteren gericht

zijn en dienden om te zwemmen. De beenderen waren zeer eenvoudig

en konden nog zeer gemakkelijk vervormd worden, zooals dan ook bij

het versteenen dikwijls het geval geweest is. Wij zullen niet alle

soorten der labyrinthodonten bespreken, doch willen wijzen op hetgeen

ons omtrent hunnen algemeenen bouw bekend is.

Het lichaam moet zwaar en log geweest zijn. Evenals nu nog bij de

staartloozen en de salamanders, waren de achterste ledematen te zwak

om het lichaam te dragen, zoodat de buik over den grond sleepte. Zij

brachten het grootste gedeelte van hun leven door in de moerassen,

vijvers en meren, die in zoo grooten getale den grond doorsneden in de

steenkoolperiode, de permische en de triasperiode. Somtijds sleepten

zij zich voort over het weeke klei vanden oever, waarin dikwijls het

spoor, door hunnen staart achtergelaten, is blijven bestaan. Zoo heeft

men afdruksels van het chirotherium in Meurthe en in Hérault gevonden,

waarvan schoone proeven in het museum te Parijs voorkomen.

Sommige labyrinthodonten moeten verbazend groot geweest zijn. In de

triasformatie heeft men schedels van 1,30 meters gevonden, waaruit

men vermoeden kan, dat die dieren meer dan _zes meters_ lang moeten

geweest zijn. Die uit de permische terreinen van Ohio en Illinois

waren kleiner. De vorm van den schedel en van de tanden, als grijp- en

kauworganen zoozeer overeenkomend met die der krokodillen, wijst er op,

dat wij te doen hebben met verscheurende dieren. De overeenkomst van

de labyrinthodonten met de amphibiën en de aanwezigheid van kieuwen

bij de larve, wijzen er op, dat zij tijdens het eerste gedeelte van

hun leven waterdieren waren; waarschijnlijker echter is het, dat zij

in de rivieren, dan in zee voorkwamen.

Tot aan het jaar 1867 had men in Frankrijk geen enkele kruipend

dier in de primaire formatie gevonden, hoewel men reeds in 1710

in de permische formatie van Thuringen eenen proterosaurus gevonden

had. Thans kennen wij er reeds een aantal. Hieruit blijkt dus, dat wij

ons moeten hoeden, om aan de natuur ledige vakken toe te schrijven,

die alleen het gevolg zijn van onze gebrekkige waarnemingen.

Tot de amphibiën behoort ook een salamander met korten staart, de

protriton petroleï. Tot nu toe scheen het primaire tijdperk zich

gekenmerkt te hebben door kruipende dieren, die verschilden van onze

amphibiën. De protriton echter en een versteend dier, in Duitschland

gevonden, de apateon, benevens de raniceps, in Amerika ontdekt,

komen meer daarmede overeen. De protriton wijkt in vele opzichten

van den labyrinthodon af, en komt meer overeen met onze tegenwoordige

salamanders.

De kleine salamandervormige fossielen worden in dezelfde formaties

gevonden als de labyrinthodonten. Het is waarschijnlijk, dat onder

de kleine salamandervormige fossielen verscheidene den toestand

der labyrinthodonten in hunne eerste jaren voorstellen. Doch het is

dikwijls moeilijk, om het verschil, dat veroorzaakt wordt door den

leeftijd, en het verschil in wezen te onderscheiden van dieren, die

misschien gedaanteverwisselingen ondergingen, zooals de tegenwoordige

amphibiën.

De grootste soort van labyrinthodonten is bekend door zijne

beenderen en ook door de afdruksels der pooten. Bij Lodève zijn

de voetsporen vergezeld van die van eenen slependen staart. Dat

dier, half salamander, half krokodil, was over het geheele lichaam

bedekt met fijne hoornachtige schubben. De ledematen waren kort

maar krachtig; de weinige harmonie tusschen voor- en achterpooten

wijst op de eigenschappen van een springend dier, maar logger dan de

tegenwoordige amphibiën. Men kan zich van die dieren, de oudste der

op het land levende gewervelden, de volgende voorstelling maken. Zij

waren traag, gulzig, zochten kleine prooi, liepen over het vochtige

zand, beschermd door eene ondoordringbare wapenrusting; zij waren

de koningen der schepping op een tijdstip, waarop een stevige bouw

voldoende was voor de heerschappij; zij hadden geenen enkelen vijand

te vreezen, daar verstand en vlugheid nog geene rol speelden, en

omdat het instinct zich nog slechts bepaalde tot het onderhouden en

het voortplanten van de soort.

Het leven van dergelijke wezens bestond nergens anders in, dan in het

volgen van het water bij zijn voorwaartstreden en achteruitwijken;

zij ademden en bewogen zich buiten het water, doch zonder zich ver

van hunne wieg te verwijderen.

Naast de labyrinthodonten vindt men eene nog onvolkomener soort,

die nog dichter bij het uitgangspunt stond: de ganocephalen

(pantserkoppen). Dit type wijst ons op den tijd, toen de kruipende

dieren, misschien reeds geschikt voor ademing in de lucht,

nog altijd zwommen. Het zijn als het ware minder gevorderde

labyrinthodonten. Zooals bijna altijd, als men de oorspronkelijke

typen eener reeks vóór zich heeft, zijn zij klein in vergelijking met

de labyrinthodonten uit de triasperiode. De grootste (de archegosaurus)

is nog geen meter lang. Zijne ledematen waren zwak en beter geschikt om

te zwemmen of te kruipen dan om te loopen; toch hebben zij reeds pooten

met afzonderlijke teenen. Hij is vleeschetend evenals de labyrinthodon,

en verhoudt zich tot dezen als de salamander tot den kikvorsch,

welke eerste op een zeker punt der gedaanteverwisseling blijft staan

en zijn geheele leven meer of minder een jonge kikvorsch blijft.

Zoo ziet men in den archegosaurus het type der gewervelde dieren in

wording, op het oogenblik, waarop de verbeening van de wervelkolom

voltooid wordt. In de primaire periode waren de amphibiën en kruipende

dieren nog jong; verscheidene typen waren nog weinig in hunne

ontwikkeling gevorderd; vandaar dat zelfs bij volwassen individuen

enkele karaktertrekken het beeld vertoonen van de tegenwoordige

kruipende dieren, in jeugdigen of zelfs nog in ongeboren toestand.

Fig. 188 stelt één der meest bekende Europeesche labyrinthodonten voor,

_den mastodontosaurus_, met korten, platten, breeden en parabolischen

kop en goedgewapende kaken; de bovenkaak droeg twee rijen tanden,

waarvan de buitenste alleen er honderd bevatte. Die soort kreeg hare

grootste uitbreiding in de triasperiode en is daarna uitgestorven. Op

de teekening is één der dieren voorgesteld, op den rug gezien, het

andere, half in water gedompeld, doet ons de borstplaten zien. Links

ziet men op dit landschap paardestaarten en calamiten, rechts

boomvarens, tijdgenooten der labyrinthodonten, van de steenkool-

tot de triasperiode. Wij zullen de labyrinthodonten terugvinden in

het begin der secundaire periode.

De planten der permisehe periode zijn, evenals de dieren, de

ontwikkeling van die uit de steenkoolperiode, (ontwikkeling in

den zin van wijziging der soorten, doch teruggang wat betreft de

afmetingen). De grootste sigillaria's met hare wortels, de cordaïten

met groote bladeren blijven nog eeuwen lang bestaan; maar weldra

verdwijnen deze vormen, om voor _de coniferen_ plaats te maken. Die

naaldboomen kondigen weder hunne opvolgers uit onzen tijd aan. De

vormen veranderen. Men raadt reeds de bladeren, en bijna zelfs de

bloemen en vruchten der toekomstige eeuwen. Maar hoever zijn wij nog af

van de sierlijke planten van onzen tijd! Toch zijn de oorspronkelijke

tijden voorbij. De natuur wijdt de secundaire periode in: de schepping

treedt in eene nieuwe phase, die het leven eene hoogere vlucht geeft

en de schatten van onze moderne schepping gereedmaakt.

VIERDE BOEK.

Het secundaire tijdperk.

EERSTE HOOFDSTUK.

De triasperiode.

De dampkring is gezuiverd. De zon, niet meer zoo ontzaglijk groot

en nevelachtig als te voren, begint aan eenen azuren hemel te

schitteren. De uitbarstingen van den inwendigen oven, die gedurig het

bezinken van de steenkool- en de permische formatie in den weg hadden

gestaan, worden zeldzamer en rustiger, de spleten laten niet meer

zoo gemakkelijk de inwendige warmte door en zijn gevuld met aderen,

die langzamerhand afkoelen. De planten en dieren, die uit het water

de kusten en vlakten hadden opgezocht, stijgen al hooger en hooger,

naarmate de oneffenheden van den bodem duidelijker te voorschijn

komen ten gevolge van de voortdurende samentrekking van den steeds

afkoelenden bol, en van de verschuivingen en ontwrichtingen, die

daardoor veroorzaakt worden. De planten, niet meer uitsluitend gevoed

door het water en den dampkring, behouden hare reusachtige afmetingen

uit de steenkoolperiode en beginnen zich al meer en meer te splitsen;

de cycadeën en coniferen treden op. Nog zijn er geene boomen met

afvallende bladeren, daar er nog geene jaargetijden bestaan. De

kruipende dieren krijgen op het vasteland de overhand. In de zee

vermenigvuldigen zich de weekdieren, vooral de koppootige uit het

geslacht der ammonieten, die reeds in grooten getale optreden in het

begin der nieuwe periode, om gedurende dat geheele tijdperk voort te

duren. Ook de visschen ontwikkelen zich; zij houden op kraakbeenig

te zijn en worden beenig. De arbeid der natuur breidt zich uit en

vertakt zich.

Nemen wij de secundaire periode in haar geheel, dan is de vooruitgang

bij de primaire periode onbetwistbaar. Dit wil echter niet zeggen, dat

die periode begonnen is met eene plotselinge schepping van bepaalde

typen van dieren of planten, of met eene omwenteling in de natuur,

evenmin als dit bij den overgang der azoïsche tot de primaire periode

het geval is geweest. De aandachtige lezer begrijpt, dat er tusschen

de ééne periode en hare voorgangster of opvolgster geen sprong plaats

heeft, evenmin als dit het geval is tusschen den laatsten dag van

het ééne jaar en den eersten dag van het volgende jaar. De dagen en

jaren van de perioden van het leven op aarde volgen even geleidelijk

op elkander als de gewone dagen en jaren; de secundaire periode is

de voortzetting der primaire.

Ieder wezen streeft naar vooruitgang, en dat streven is juist de bron

zijner werkzaamheid. De plant zoekt onbewust maar toch met nadruk

het licht, dat voor hare ontluiking het gunstigst is, en de beste

sappen voor hare voeding. De visch zwemt naar het water, dat voor

hem het verkieslijkst is, en begeeft zich naar den oorsprong der

stroomen. Het insect kiest den besten honig of de rijpste druif. De

vogel kiest voor zijn nest het fijnste mos, en de gemakkelijkste

plaats. De hond bespiedt den wil van zijnen meester en zoekt hem

te behagen. Zoowel in het planten- als in het dierenrijk, werken

duizenden uit- en inwendige eigenschappen, zooals de kleur--waardoor

de insecten bepaalde bloemen verkiezen, en die dus eene groote rol

speelt bij de bevruchting, evenals zij van invloed is op de paring der

insecten, vogels en zoogdieren--de reuk, die evenzeer haren invloed

doet gelden--de spier- en zenuwkracht, de wijze van voeding en de

daaruit voortvloeiende hoedanigheden, mede tot den vooruitgang, door

dat streven naar het hoogere, waarmede ieder wezen begaafd is. Neem

dat streven weg, en gij verbreekt de drijfveer der beweging, en de

geheele natuur, van de plant tot aan den mensch, valt weder tot het

laagste peil terug. Zonder die gave verliest zelfs het leven zijne

reden van bestaan, en blijft de menschheid stilstaan. Vooruitgang

is de algemeene drang der natuur. Ieder onzer, in welken kring ook

geboren, streeft naar verbetering, de ééne in materieelen, de andere in

moreelen of intellectueelen zin; de gierigaard verrijkt zich als moest

hij nooit sterven; de geleerde studeert onophoudelijk, dorstend naar

het onbekende en wanhopend over hetgeen hem nog te leeren overblijft;

de kunstenaar tracht meer en meer het ideaal der hoogste schoonheid

te bereiken; de denker ziet eene meer volkomen menschheid vóór zich,

en zoo gaat de mensch door al zijne hartstochten, verlangens en

aspiraties, in vreugde en in smart, steeds vooruit, en wel verre van

voldaan te zijn met wat het leven ons schenken kan, bepalen wij den

kring onzer verlangens niet tot deze aarde alleen, doch voelen wij

ons geroepen, die hooger op te voeren. Die goddelijke drang, reeds

eigen aan het atoom, aan het laagste wezen, de cel en het protoplasma,

dat deel van het goddelijke, dat de zichtbare natuur, het uitvloeisel

der onzichtbare kracht in zich bevat; die drang naar het oneindige,

is de oorzaak der voortdurende volmaking der wezens, de geleidelijke

verandering der soorten en van den regelmatigen vooruitgang van de

eerste dagen van het organische leven tot op onzen tijd.

Het tijdperk, dat wij thans bespreken, wordt in drie perioden

onderverdeeld, die door hare karakteristieke eigenschappen scherp

onderscheiden kunnen worden: de trias- de jura- en de krijtperiode.

De eerste periode heet _trias_, omdat de formaties dier

periode bij de eerste studie dier formaties zich in drie lagen

vertoonden: de bonte-zandsteen, de schelpkalk en de keuper,

waarin de mergel voorkomt. Die drie lagen vindt men regelmatig op

elkander in Wurtemberg, Beieren, Lotharingen en elders; doch die

verdeeling, die berust op het bestaan eener zeevorming tusschen twee

zoetwatervormingen, geldt o. a. niet voor Engeland, de Alpenstreken,

het Himalayagebergte en Californië. Bovendien vindt men dikwijls de

triasformatie nauw aan de permische formatie verbonden, waardoor de

geleidelijke ontwikkeling der organische wereld nog nader bevestigd

wordt. Wel kunnen enkele lagen ontbreken, maar de volgorde wordt

nooit gewijzigd, nooit ligt de bonte-zandsteen onder de schelpkalk,

evenals de juraformatie nooit boven de krijtformatie gelegen is.

De tweede periode van het secundaire tijdperk, heet de _Juraperiode_,

omdat het Juragebergte, dat eerst later is opgeheven, grootendeels

bestaat uit formaties, die in deze periode bezonken zijn. Deze periode

wordt weder onderverdeeld in de lias- en de oölietperiode.

De derde periode heet de _krijtperiode_, omdat de formaties, toen

door de zee afgezet, bijna geheel uit krijt bestaan. Men verdeelt

haar weder in drie afdeelingen: de onderste, de middelste en de

bovenste krijtformatie.

De triasperiode, die het secundaire tijdperk inleidt, bevat, zooals wij

zagen, drie verschillende formaties, de bonte zandsteen, de schelpkalk

en de keuper. De eerste wordt in groote hoeveelheden in de Vogezen

gevonden; de tweede in Beieren, en de derde in de Tyroler Alpen. Men

noemt daarom die drie formaties ook wel Vogezische, Franconische en

Tyroler formatie.

Onder welke omstandigheden zijn die formaties ontstaan? In het begin

der triasperiode zijn de binnenzeeën, waarin zich in het noorden

van Duitschland en Engeland de zeebezinkingen der bovenste permische

formatie hadden afgezet, uitgedroogd; men moet meer in het zuiden, in

de nabijheid der Middellandsche zee zijn, om eenen zeetoestand terug

te vinden. Maar weldra ontstaan er in noordelijke richting golven,

en de zee strekt zich het verst uit in de Frankonische periode,

toen Lotharingen en de oostelijke rand der centrale bergvlakte door

de zee werden bespoeld. Doch weldra trekt het zeewater zich naar het

oosten en het zuiden terug en daardoor krijgen in de Tyrolsche periode

lagunen, misschien zelfs poelen, de overhand over geheel Frankrijk,

geheel Engeland, en het grootste gedeelte van Spanje. Men vindt de

zee weder ten oosten van het laatste land, in Italië: van Sicilië tot

aan Venetië, bij Salzburg en in de nabijheid der Carpathen. In één

woord: de Middellandsche zee der permo-steenkool-periode is eenigszins

noordwaarts verplaatst, minder uitgestrekt naar het westen en verbonden

met de lagere gedeelten van den Ural en Centraal-Azië. Over dat

geheele grondgebied, waar voor het eerst de ammonieten optraden op

het einde der permische periode, krijgt die uitgebreide familie der

koppootigen eene verbazende uitbreiding, en ditzelfde verschijnsel

openbaart zich in westelijk-Amerika, zoowel als in de poolstreken,

terwijl de trias in Zuid-Afrika en in Australië veel meer het voorkomen

heeft van eene vastelandformatie.

De verschillende formaties der secundaire periode zijn zeer duidelijk

van elkander onderscheiden, zij zijn van geheel verschillende

samenstelling en met duizenden eeuwen tusschenruimte ontstaan. Toch

mogen wij ze in ééne enkele periode samenvatten, daar de planten

en dieren dier geheele periode in karakter overeenstemmen. In de

bonte-zandsteen vindt men dezelfde soorten als in de schelpkalk en

de keuper, en zelfs wordt een groot aantal tot in de krijtformatie

teruggevonden. In die geheele periode is de oppervlakte der aarde wel

niet volkomen veranderd, maar toch vertoont zij een groot verschil

in vergelijking met de vorige periode.

Vooreerst vinden wij in grooten getale de planten, die wij reeds

leerden kennen, doch bij de oude vormen dier planten komen weder

nieuwe soorten voor. Er zijn weder varens, grassen, paardestaarten

en wolfsklauwen, doch de groote soorten der twee laatste familiën

verdwijnen en zij naderen meer tot de tegenwoordige planten.

De grassen komen in grooten getale voor, doch niet meer in groote

lagen verkoolde plantenstof, zooals vroeger, maar in den vorm van

talrijke afdruksels in de zandsteen.

Bijzonder eigen aan de secundaire periode zijn de Cycadeën, eene plant,

waarvan in de steenkoolperiode slechts vier soorten, en waarvan

thans veertig soorten bekend zijn. In de triasformatie vindt men

van de cycadeën twintig soorten, in de Juraformatie dertig en in de

krijtformatie vijftien soorten, d. i. dus in het geheel vijfenzestig,

of vijfentwintig meer dan wij er thans van vinden. Fig. 192 geeft

een denkbeeld van den algemeenen vorm dier familie.

Die plantengroep, die zeer dicht aan de palmen grenst en

eenen tropischen oorsprong verraadt, komt het eerst voor in de

steenkoolformatie en doorloopt alle overige formaties behalve de

schelpkalk. Men kan dus den vorm der cycadeën volgen van de secundaire

periode tot op onzen tijd: zij komen in zóó groote menigte voor,

dat hare versteende vruchten, bladeren en geraamte overal worden

teruggevonden.

Fig. 193 stelt enkele versteende cycadeënvruchten voor, waarvan de

voornaamste op eene kokosnoot gelijkt. De cycadeën bereikten eene

hoogte van tien tot twaalf meters: tegenwoordig zijn zij zelden hooger

dan 1 meter. De boomachtige cycadeën zijn thans vervangen door de

schoonere palmen.

De lias- en Juraformaties toonen ons duidelijk de verandering in

den bodem aan. Wij vinden daarin reeds enkele bloeiende planten,

en wel vooreerst de coniferen, wier bladeren naaldvormig zijn, en

wier kegelvormige vruchten aan de geheele familie haren naam gegeven

hebben. In den bergketen, die zich uitstrekt tusschen Adersdach en

Kudowa, bij het dorp Radowenz in Bohème, heeft men in 1857 een geheel

bosch ontdekt, waarin die versteende boomsoort de overhand heeft. In

de steenkoolformatie, in de omstreken van Pilsen (Boheme), heeft men

stammen van acht meters lengte en één meter middellijn bloot gelegd,

die nu eens rechtop staan, dan weder nederliggen, en alle op dezelfde

wijze versteend zijn; men vermoedt, dat zij veranderd zijn door het

kiezelhoudend water.

De boomen van die familie wijzen op het bestaan van eenen drogen

bodem en van een minder warm klimaat; de aarde moet dus gedeeltelijk

haar karakter van moerassen en eilanden verloren hebben; op hare

oppervlakte moet zij heuvelen en bergen hebben zien oprijzen: het

gelijktijdig voorkomen van de vruchten en stammen van coniferen

met palmen, die vocht en warmte noodig hebben, terwijl de eerste de

voorkeur geven aan eenen drogen bodem en eene lagere temperatuur,

leidt ons van de hoogten en heuvels naar de bergen, waar men zelfs

in de tropen de coniferen vindt.

Wij mogen daaruit besluiten, dat er bergketenen bestonden, bedekt met

dichte wouden van naaldboomen, misschien wel bergvlakten, ingesloten

in het binnenland, terwijl de cycadeën, de varens, de wolfsklauwen,

met palmen en lelieachtige planten er tusschen, de kusten dier

uitgestrekte formaties omgaven. Het organische leven schijnt zich te

hebben verzameld in de ravijnen dier boomrijke heuvels.

Onder de verschillende soorten van naaldboomen vindt men in groote

menigte de zoo schoone araucaria's. Fig. 194 stelt eenen versteenden

tak dier plant voor. Bij haar leven zijn de takken dier planten

regelmatig om den stam gerold, en daardoor vertoonen die planten

eenen zoo sierlijken vorm.

Tot de merkwaardige boomen van die wouden der secundaire periode

behooren de voltzia en het pterophyllum, alsmede de haidingera,

een naaldboom, die zeer veel voorkomt in de schelpkalkperiode,

en die in bouw moet geleken hebben op onze cederen. Doch de

rijkdom aan planten uit de steenkoolperiode heeft plaats gemaakt

voor betrekkelijke armoede; het zijn niet meer die diepe bosschen

met reuzenboomen, en ondoordringbare schaduw. De planten zijn dun

gezaaid, het terrein is meer golvend, en het licht speelt op een groen

grastapijt. Het plantentype der steenkoolperiode is verdwenen, maar

de "bedektzadigen", d.i. de planten, die alleen reeds 9/10 uitmaken

van de tegenwoordige flora, zijn nog niet gevormd, behoudens enkele

zeldzame éénzaadlobbigen. Men vindt bijna alleen sporeplanten en

naaktzadigen, de eerste vertegenwoordigd door varens, paardestaarten

e.a., de tweede door cycadeën en naaldboomen. Over den geheelen

archipel, die toen bestond, waar nu Europa gelegen is, merkt men op,

dat de plantengroei der kusten en lage streken van dien der heuvels

en bergtoppen verschilt: beneden, de varens met breed ontwikkelde of

fijn uitgesneden bladeren, de paardestaarten en de oorspronkelijke

naaldboomen; boven, op de drogere en hooger gelegen plaatsen, de

varens met schraal en hard loof, cycadeën en de reuzenconiferen,

die de voornaamste boomen waren der wouden op de bergen.

De zandsteen, die thans op de toppen van de secundaire bergketenen

der Vogezen ligt tot eene dikte van vijftig tot zestig meters,

en die op eene vijfhonderd meters dikke laag fijne steentjes rust,

hetgeen te zamen de eerste verdieping der triasformatie uitmaakt,

is vol van landplanten, die bewijzen, dat de wouden van dat tijdperk

nog bezet waren met boomvarens en met eene groote menigte cycadeën

en naaldboomen, die veel overeenkomst hadden met onze cypressen. De

cypressen, die niet onder den invloed der jaargetijden staan, en die

daarom de graven der afgestorvenen met haren blijvenden bladerendos

beschutten, de pijnboomen met hunne uitgebreide takken, die sombere

en eentonige boomen, zijn de oudste van de thans bestaande planten,

want de varens en paardestaarten der primaire periode hebben thans

nog slechts kruidachtige vertegenwoordigers. Wij zijn nog ver van de

vruchtboomen verwijderd.

De derde, en dus de jongste laag der triasreeks, die der bonte

mergels, wordt somtijds de _zoutlaag_ genoemd, omdat men er veel

gips en steenzout in vindt. In Lotharingen Wurtemberg, Beieren

en Zwitserland vormen die steenzoutlagen op sommige punten rijke

mijnen. Te Dieuze (Lotharingen) telt men niet minder dan dertien

op elkander liggende lagen tot eene dikte van vijftig meters. Die

zoutlagen der triasformatie strekken zich uit tot het Juragebergte

waar zij de talrijke zoute bronnen dier streek voeden, zooals b.v. te

Lons-le-Saulnier. In de beroemde zoutmijn te Strassfurt is de zoutlaag,

vermengd met zwavelzure magnesia en keukenzout, 166 meters dik. Die

laag strekt zich uit tot onder Berlijn, waar eene zoutlaag van 1550

meters dikte op eene diepte van slechts 90 meters onder de oppervlakte

gevonden wordt.

De Wereld vóór de schepping van den mensch · 第 18 / 40 段