Een andere merkwaardige vorm, die der _stigmaria's_, heeft aanleiding

gegeven tot onjuiste opvattingen, totdat men de oplossing van het

raadsel gevonden heeft. In de steenkolenformatie vond men verbazend

groote min of meer gebogen, maar nooit rechte stammen van eene vreemde

soort; die boomen kenmerkten zich door eene gegolfde schors, door eene

plotselinge vernauwing van den stam en door vlekken, van de grootte

eener erwt, die in regelmatige spiralen om den stam liepen. Die

vlekken waren kleine stempels, afdruksels van bladeren, die bij de

sigillaria's, (zooals bij onze palmen en boomvarens), uit den stam

zelf kwamen; maar die bladeren schenen volstrekt niet tot dezelfde

familie te behooren. Nauwkeuriger onderzoekingen deden stompen vinden,

die dergelijke houtachtige, cilindrische bladeren droegen; het waren

veeleer bladstelen dan bladeren. Eindelijk vond men eenen prachtigen

stam eener sigillaria, die nog hare wortels behouden had, en het

bleek toen, dat de _stigmaria_, die men als een boom beschouwd had,

niets anders dan de wortel der _sigillaria_.

Die soort is met de oorspronkelijke flora uitgestorven; doch

de sigillaria's gaan over in varens, de schoonste boomen dier

familie. Wat wij thans varens noemen, is nog slechts een flauw spoor

van die prachtige planten van eertijds. Zij gelijken op palmboomen,

doch de bladeren zijn enkel- of dubbel gevind; bovendien ontstaan de

jonge bladeren der varens gelijktijdig en zijn zij slakkenhuisvormig

opgewonden, terwijl de bladeren der palmboomen na elkander ontstaan

en uit eenen rechten stam groeien, die spits toeloopt.

De varens en de sigillaria's zijn planten, die vocht, schaduw en

warmte noodig hebben, want zij wijzen alle op een tropisch klimaat.

De _fossiele boomen_ zijn van jongeren datum dan de steenkool. Hoewel

echter de planten, die in kiezel veranderd zijn, niet tot de

steenkoolformatie behooren, zijn zij toch ongetwijfeld uit de periode

der roode zandsteen, die onmiddellijk daarop volgt. Misschien hebben

zich die planten ontwikkeld tijdens de steenkoolformatie, zonder

verkoold te zijn, en zijn zij op de oppervlakte gebleven, die daarna

met zand en klei bedekt is; daarna kan zich het kiezel uit het mengsel

hebben afgescheiden, om zich in de houtvezels af te zetten, of is

deze molecule voor molecule in de plaats van de koolstof getreden.

Men vindt somtijds geheele lagen versteend hout. Het stadhuis

te Nordhausen bevat eene zandsteenen trap, waarvan ieder stuk

onwederlegbaar aantoont, dat het oorspronkelijk hout geweest is,

en dat de massa van jaar tot jaar is toegenomen met houtlagen,

bestaande uit vezels, stammen en takken; op andere plaatsen vindt

men, dat de houtmassa in prachtige agaatsteenen veranderd is, die

nu eens doorschijnend, dan weder ondoorschijnend zijn en de meest

verschillende kleuren vertoonen. Op van Diemensland vindt men een

bosch, bestaande uit versteende boomen, die in opaal veranderd

zijn. Nergens vindt men waarschijnlijk schooner versteend hout,

en nergens is de oorspronkelijke bouw der weefsels beter bewaard

gebleven. Terwijl het van buiten nog steeds eene gelijkslachtige

en blinkende oppervlakte vertoont, bestaat het van binnen uit

concentrische lagen, die wel vast aaneengesloten schijnen, maar toch

over hare geheele lengte gemakkelijk kunnen worden gespleten.

Sir James Ross deelt het volgende mede: "Ten zuiden van de haven

(op het eiland Kerguelen) bevindt zich de merkwaardige rots, door

Cook beschreven. Het is eene ontzaglijke bazaltmassa, 500 voet dik,

veel jonger dan het gesteente, waarop zij rust, en waaruit zij in

half-vloeibaren toestand schijnt verrezen te zijn, tot eene hoogte van

600 voet boven de oppervlakte der zee. Tusschen die twee gesteenten van

verschillenden ouderdom heeft men versteende boomen gevonden; men heeft

er éénen van zeven voet uitgegraven en naar Engeland gezonden. De graad

van versteening van dat hout wisselt af tusschen de zeer brandbare

steenkool en de vuursteen, hard genoeg om glas te snijden. Eene laag

leisteen, verscheidene voeten dik, en op die boomen afgezet, schijnt

de verkoling te hebben belet, toen de lava ging stroomen. Één der

merkwaardigste geologische karaktertrekken van dat eiland is juist,

dat men er verscheidene lagen steenkool boven elkander vindt, in

dikte afwisselend tusschen enkele duimen en verscheidene voeten."

In de roode zandsteen en onder dat gesteente vindt men versteende

boomen, waarin eene kiezelmassa is doorgedrongen, en die in chalcedoon

veranderd zijn; van die stammen, dwars doorgesneden, tot platen gezaagd

en gepolijst, worden luxeartikelen vervaardigd, even schoon als agaat

of kornalijn.

Maar keeren wij tot het steenkooltijdperk terug.

Met de sigillaria's openden de cardoïten, die eveneens uitgestorven

zijn, het tijdperk der naaktzadigen, waarvan de naaldboomen en cycadeën

de thans nog levende vertegenwoordigers zijn; ook zij waren boomen

van veertig meters hoogte, alleen aan de kruin vertakt, en gedekt

door groote bladeren, een meter lang. Die lange bladeren komen in

grooten getale voor in de geheele steenkoolformatie, en vooral in

de bovenste lagen. De gekleurde plaat tegenover blz. 274 geeft den

lezer een denkbeeld van den aard dier onmetelijke wouden, die zoowel

op den bodem van het water gevonden worden als op eenen grond, die

reeds zijn plantenkarakter verkregen heeft door de menigte planten,

in dien grond reeds sedert eeuwen opgehoopt.

Dit is de flora, die onze planeet versierde op het tijdstip, waarop

de rijke kolenmijnen gevormd werden, die in onzen tijd door de

menschelijke industrie ontgonnen werden; men ziet, hoe snelle en

reusachtige vorderingen het plantenrijk heeft gemaakt. Doch alsof

de natuur zich nu eens uitsluitend heeft willen toeleggen op de

uitbreiding en ontwikkeling van het plantenrijk, is het dierenrijk

slechts weinig vooruitgegaan.

De vischsoorten, die aan de devonische periode eigen zijn, zetten zich

ook in de steenkoolperiode voort, en worden vertegenwoordigd door

de glansschubbigen, waarmede wij reeds kennis gemaakt hebben. Zij

ontwikkelen zich in die periode sterk, krijgen eene groote

verscheidenheid in vormen en bereiken eene aanzienlijke grootte,

zooals b.v. de megalichthys. Enkele soorten moeten tegelijk door

kieuwen en door longen geademd hebben, zoodat zij ook in droge modder

konden leven.

De weekdieren nemen in die periode eene andere gedaante aan. Het meest

komen voor de armpootigen, bekend onder den naam van productidae,

groote gewelfde dieren. De soorten der vroegere periodes nemen af

met uitzondering der spiriferidae en enkele andere. Ook verminderen

de koploozen, doch de buikpootigen nemen weer toe. De plantdieren

veranderen weinig. Men vindt stekelhuidigen, zee-egels, zeesterren

uit de silurische periode voortgekomen, en zeeleliën, waarvan men in

die periode meer dan vijfduizend soorten kent.

De schaaldieren ondergaan merkbare veranderingen; de trilobieten

verdwijnen bijna geheel; de schorpioenen nemen toe. Reeds vroeger

(blz. 168) hebben wij van eenen schorpioen gesproken, in de

silurische formatie gevonden. Fig. 178 stelt zijnen opvolger voor

in het steenkooltijdperk. De in de lucht ademende dieren worden

reeds talrijker. Evenals de spinachtige dieren, zijn ook de oudste

duizendpooten in de steenkoolformatie ontdekt. Maar het zijn de

insecten, die zich het snelst ontwikkelen.

Tot voor korten tijd had men slechts een gering aantal fossiele

insecten gevonden, en dat wel alleen in de secundaire en tertiaire

periode. Tot in 1878 had men over de geheele aarde slechts 120

overblijfselen van fossiele insecten ontdekt; na 1878 heeft men alleen

in Frankrijk in de steenkolenmijnen van Commentry 1300 exemplaren

gevonden. Eenige soorten waren reeds in de devonische formatie

gevonden, en onlangs ook in de silurische. Hoewel men in het algemeen

alleen de vleugelen vond, (daar het lichaam van een insect moeilijk

bewaard kan blijven) zijn de insecten van Commentry tamelijk volledig

behouden gebleven.

Alle insecten, tot nu toe in de primaire formaties gevonden, Zijn

rechtvleugeligen, netvleugeligen of halfvleugeligen, en dus minder

ontwikkelde dieren dan de vliesvleugeligen en schubvleugeligen; hun

lichaam vertoont nog niet die zuivere scheiding van kop, borststuk

en achterlijf, die men b.v. bij de vliesvleugeligen bewondert. Een

kakkerlak, een krekel, een sprinkhaan, zijn niet zoo ontwikkeld als

een vlinder met geschubde vleugels, eene bij, of eene mier. Het is

natuurlijk, dat de rechtvleugeligen vóór de vliesvleugeligen zijn

opgetreden.

In de bosschen der steenkoolperiode vond men de voorouders der

kakkerlakken, der krekels, der sprinkhanen, der witte mieren, der

waterjuffers. Men kent reeds sedert lang de kakkerlakken, door Oswald

Heer in de steenkool van Zwitserland ontdekt. Onder die oude insecten

vindt men er (meganeura en titanophasma) van 33 en 25 centimeters: geen

enkel insect van onzen tijd bereikt meer die grootte. Wij noemen nog

de _protophasma Damasii_ die prachtig bewaard is gebleven, en waarin

men (fig. 181) het oog, de sprieten, den fijnen bouw der vleugelen,

nog uitstekend kan terugvinden.

Indien men aan die insecten denkt en ze in den geest doet herleven in

de schitterende wouden dier periode, terwijl men zich de gevoeligheid

dier sprieten en dier oogen met duizenden facetten voor den geest

roept, dan bewondert men de grootheid van den arbeid, door de natuur

volbracht sedert den tijd, toen alleen de raadselachtige organismen der

oorspronkelijke zeeën dreven in de wereldzee der cambrische periode.

De steenkoolperiode schijnt ook het tijdperk te zijn, waarop de

kruipende dieren het eerst optraden. Men heeft in de steenkoolformatie

amphibiën gevonden, op salamanders en kikvorschen gelijkend, waarvan

enkele meer dan twee meters lang waren. Van dien tijd dagteekenen ook

de labyrinthodonten, (kikvorsch-hagedissen) die den overgang vormen

tusschen de amphibiën en de kruipende dieren. Wij zullen ze leeren

kennen in de permische periode, waarin zij zich snel ontwikkeld hebben,

ten einde zich voor te bereiden voor de heerschappij, die zij in de

secundaire periode moesten voeren.

VIJFDE HOOFDSTUK

Einde van het Primaire Tijdperk.

De permische periode.--Amphibiën en kruipende dieren.

Uit het oogpunt van het leven beschouwd is de permische periode

niet minder dan uit een natuurkundig oogpunt de voortzetting der

steenkoolperiode. Toch is de steenkoolperiode zelf voorbij; men vindt

thans kalk- en zandsteenen, zonder brandbare stoffen, en die in meer

of minder dikke lagen op de kolenlaag gelegen zijn.

Wij zagen reeds vroeger, dat de steenkolenformatie in Rusland meer dan

een derde van Russisch-Europa uitmaakt. Hetzelfde is met de permische

formatie het geval; een groot gedeelte van Midden-Rusland wordt door

die formatie, die naar de provincie Perm genoemd wordt, ingenomen. Men

noemt die formatie ook wel rood-doodliggend, om de weinige fossielen,

die zij bevat.

In Frankrijk ligt die formatie op verscheidene plaatsen bloot. Op

de centrale hoogvlakte, die, zooals wij zagen, zoo rijk is aan

steenkolenlagen, bedekt de permische formatie dikwijls die lagen

met eene laag van 900 tot 1000 meters, bestaande uit zandsteen en

leisteen. In de Vogezen neemt die formatie den bodem der valleien in,

die op den oostelijken rand dier bergstreek de secundaire bergketens

snijden: daar rust zij onmiddellijk op het gneiss, dat den ondergrond

van die valleien vormt, en vermengt zij zich met het porfier, dat

daar is uitgeworpen in den tijd, toen dat geheele oostelijke gedeelte

der Vogezen met permische wouden (varens, cordaïten, enz.) bedekt

was. Het oudste gedeelte der permische formatie is eene strandvorming,

in ondiepe zee gevormd.

Planten en dieren zijn nog dezelfde als in de vorige periode, maar

zij staan reeds op het punt, om plaats te maken voor volkomener

vormen. De omgeving verandert. Toch zijn er nog geene jaargetijden op

onze planeet, en de zon is nog niet zeer lichtgevend. De temperatuur

is nog overal gelijkmatig en tropisch. De bodem ondergaat dalingen,

die het gevolg zijn van inwendige afkoeling en samentrekking der

aarde. In het begin dier nieuwe periode voert eene algemeene daling van

den bodem de zee weer terug over een groot gedeelte van Europa, vooral

Rusland, Centraal-Duitschland, het zuid-westen van Engeland, den voet

der Vogezen enz. Groote opeenhoopingen verzamelen zich in de zeeën:

zij vormen het _jonge roode zandsteen_. Daarboven zet zich in tijden

van betrekkelijke kalmte de magnesiumkalk, ook wel zechsteen genoemd,

af. Dit is in Centraal- en West-Europa de gewone samenstelling der

permische formatie, die trouwens zeer veranderlijk is. Op verscheidene

plaatsen brengen onderaardsche inspuitingen in de zeeën delfstoffen,

die in het algemeen verderfelijk zijn voor het leven; b.v. het koper

in Thuringen en Rusland, het gips en het steenzout in Rusland en

Amerika, en het magnesium overal. Uit een mineralogisch standpunt

gelijkt dan ook de permische formatie meer op het trias, dat daarop

volgt, dan op de formaties, die zijn voorafgegaan; uit een organisch

oogpunt is echter het omgekeerde het geval. Behalve in Rusland en in

de Vereenigde Staten, waar nog steeds de stilte der vorige perioden

voortduurt, zijn de bewegingen van den bodem en de omwentelingen der

lagen uiterst talrijk; vandaar dan ook, dat in de Vereenigde Staten

de permische formatie 250 meters is, terwijl deze in Boheme 700

meters en in Saksen 1200 meters bedraagt. De onderste lagen rusten

nu eens op de steenkool, dan weder op leisteen of graniet, hetgeen

wijst op den invloed der zee. De permische periode teekent het einde

van een groot geologisch tijdvak, omdat daarin de meeste oude typen

uitsterven, hetzij omdat zij hun natuurlijk uiteinde bereikt hebben,

hetzij omdat de omgeving niet meer geschikt voor hen is. Slechts

enkele typen blijven voortbestaan: nog geene enkele der nieuwe vormen,

die het secundaire tijdperk teekenen, komt ten tooneele. Het is dus

natuurlijk, dat het einde der permische periode tevens als het einde

der paleozoïsche periode beschouwd wordt.

De dierenwereld uit die periode telt nauwelijks driehonderd bekende

soorten. Alle dierengroepen geraken in verval, ten minste in Europa en

in de Vereenigde Staten. De poliepen, de zeeleliën en de stekelhuidigen

tellen nog slechts enkele soorten. Bijna alle paleozoïsche armpootigen

zijn verdwenen, enkele komen nog voor het laatst voor. Die klasse zal

zich niet meer uit haar verval opheffen en altijd overtroffen worden

door de buikpootige en koplooze weekdieren. De koppootigen zijn tot

enkele soorten teruggebracht, en de schaaldieren worden alleen nog

slechts vertegenwoordigd door de laatste der trilobieten, enkele

limulen en enkele cypridinen. De glansschubbige visschen behouden

hunne stelling en zijn merkwaardig door het groote aantal soorten

en individuen.

De ontwikkeling van het leven schrijdt regelmatig voorwaarts. Boven

de drie afdeelingen: plantdieren, weekdieren en ringwormen, alle

ongewervelde dieren, staan de gewervelde dieren. Gedurende de azoïsche

en primaire periodes hebben wij na elkander de dieren der drie eerste

afdeelingen zien verschijnen, en wel zóó, dat de meest volkomene

ongewervelde dieren, de spinachtigen, de duizendpooten, de insecten,

de gelede dieren in het algemeen, het laatst verschenen zijn, lang

na de plantdieren en de weekdieren. Zoo zagen wij ook de gewervelde

dieren met de laagst ontwikkelde, de visschen, beginnen. Die hooger

ontwikkelde afdeeling bestaat uit de volgende klassen:

Visschen.

Amphibiën.

Kruipende dieren.

Vogels.

Zoogdieren.

Wij hebben de eerste dier klassen zien optreden. Wij zullen thans de

ontwikkeling der tweede klasse bijwonen.

De amphibiën zijn noch visschen noch kruipende dieren. Hun zenuwstelsel

is ontwikkelder dan dat der eerste klasse, en minder ontwikkeld dan

dat der tweede klasse. Men noemt ze amphibiën (tweeslachtig), omdat

zij zoowel in het water als visschen, als in de lucht als kruipende

dieren kunnen leven. Tot de amphibiën behooren de kikvorsch en de pad,

(staartlooze dieren) en de salamanders (die den staart behouden). Tot

de kruipende dieren behooren de slangen, de hagedissen, de krokodillen

en de schildpadden.

De amphibiën ademen de lucht in, die in het water op gelost is,

en wel gedurende den eersten tijd van hun leven, door kieuwen. De

kruipende dieren ademen steeds de gewone lucht in door longen. De

amphibiën vertoonen bovendien voortdurend gedaantewisselingen; op het

oogenblik, waarop zij het ei verlaten, zijn zij nog niet tot volkomen

ontwikkeling gekomen, en hebben zij nog niet den bouw hunner ouders;

dit geschiedt eerst als zij volwassen worden. In het begin van

hun leven is hun bestaan aan dat der visschen gelijk, en zijn het

waterdieren. Nu eens ontbreken de ledematen geheel en al, dan weer

gelijkt het lichaam op eene schijf, en is het afgeplat en van lange

pooten voorzien. Bij sommige, die op het land leven en geene ledematen

bezitten, gelijkt het lichaam op dat van eenen aardworm. Bij die, welke

zich steeds in het water ophouden, is de staart zijdelings afgeplat,

en maakt deze het zwemmen mogelijk. De pooten vertoonen alle trappen

van ontwikkeling; eerst niet in staat, om het lichaam te dragen,

verkrijgen zij later klauwen. Somtijds bestaan alleen de voorpooten,

dan weer zijn alleen de achterpooten zichtbaar. Bij de staartloozen

sterft de staart af en verdwijnt deze bij het volwassen dier geheel.

De uitwendige vorm der amphibiën bewijst, dat haar bouw geschikt

is, om zoowel in het water als in de lucht te leven, maar dat zij

langzamerhand naderen tot de landdieren, geschikt om te kruipen en

te springen.

Hoewel het zenuwstelsel nog zeer eenvoudig is, is het toch hooger

ontwikkeld dan dat der visschen. De hersenen zijn klein in vergelijking

met de wervelkolom. Evenals de visschen leggen de amphibiën eieren. De

levend barenden komen eerst later ten tooneele. [17]

Evenals de kruipende dieren, tieren de amphibiën het best in een warm

en vochtig klimaat; zij komen vooral voor in de tropische landen der

nieuwe wereld. In die maagdelijke wouden vinden zij het geheele jaar

de vochtigheid en de warmte, die zij voor hare ontwikkeling noodig

hebben. In de onmetelijke bosschen van Zuid-Amerika en Zuidelijk-Azië

vindt men een onnoemelijk aantal soorten; het water in de holten der

boomen, op de bladeren, in het mos, op den grond, werkt het uitkomen

der eieren en de ontwikkeling der larven zeer in de hand.

Die voorwaarden van bewoonbaarheid kenmerkten juist de permische

periode: zij pasten juist voor de amphibiën, en de varens en de

sigillaria's van die periode.

Evenals wij de devonische periode het tijdperk der visschen genoemd

hebben, omdat deze juist in dien tijd hun bestaan gevestigd hebben,

en evenals de steenkoolperiode de tijd van de heerschappij der

planten kan genoemd worden, zoo zouden wij de permische periode

kunnen beschouwen als die van de ontwikkeling der amphibiën. Wel is

het waar, dat de amphibiën en de kruipende dieren reeds dagteekenen

uit de steenkoolperiode, misschien zelfs uit het devonische tijdperk,

doch eerst in het permische tijdperk ontwikkelen zich de amphibiën,

terwijl de kruipende dieren eerst in het secundaire tijdperk, en vooral

in de Juraperiode, eene hoofdrol zullen spelen. Het werd eertijds als

een axioma beschouwd, dat er geene kruipende dieren bestaan hebben

vóór de permische periode, en wel vóór de magnesiumkalk, doch in

het jaar 1844 werden in de steenkoolformatie kruipende dieren (land-

en waterdieren) gevonden.

Reeds in 1863 heeft Dawson verscheidene amphibiën en kruipende dieren

gevonden, vooral eene soort, die den naam van _Hylonomus_ gekregen

heeft, en die door de inrichting harer wervels in staat moet geweest

zijn, om buiten het water te klimmen en te springen. Huxley heeft in de

steenkool van Groot-Brittanië verscheidene kruipende dieren gevonden,

waaronder _den Anthracosaurus_, twee meters lang. King vond in de

steenkool van Pensylvanië de indruksels van een ontzaglijk dier,

_den Batrachopus_; de indruksels der achterpooten waren bijna een

voet lang, en overtroffen dus in grootte die der doolhoftandigen uit

de triasperiode. Die indruksels wijzen op een dier, dat in de lucht

ademde; want naar de wijze hunner versteening moeten die indruksels

gemaakt zijn door een viervoetig dier, dat op de weeke klei aan

den oever liep, en moet die klei in de zon gedroogd en gespleten

zijn. Daarna moet de klei bedekt zijn geworden met zand, en dit

zand in zandsteen veranderd zijn. Enkele voetstappen van kruipende

dieren in Pensylvanië gevonden, hebben doen vermoeden, dat zij tot

de devonische periode behoord hebben.

Niet alleen dat de dieren de sporen van hunnen stap achterlaten aan

eenen effenen, slibbigen oever, ook de regen, in groote droppels

neervallend, boort in dat slib een aantal ronde holten. Onder den

invloed der warmte worden al die sporen hard. Indien nu bij eenen

volgenden vloed het zeewater weder nieuw fijn zand brengt op den

uitgedroogden oever, dan zal dat zand als het ware afgietsels vormen in

die holten, en weder drogende, getuigenis afleggen van den doortocht

van dieren en het neerstorten van den regen. Zoo kan men aantoonen,

dat in die periode de regen met stroomen moet zijn neergevallen.

De afdruksels der voetstappen behooren tot die van amphibiën, die op de

zandvlakten van het land in de steenkoolperiode niet alleen de sporen

van hunnen doortocht hebben achtergelaten, maar ook deelen van hun

geraamte, vooral beenige platen, gelijkende op die, welke het schild

der krokodillen vormen, en ook kegelvormige tanden, ingewikkeld

van vorm, waaraan die dieren den naam van _labyrinthodonten_

(doolhoftandigen) verschuldigd zijn. Hunne verbazende grootte, hunne

wapenrusting van beenige platen, hunne kaken met krachtige tanden, hun

gepantserde kop, dat alles maakt die thans verdwenen amphibiënfamilie

tot de merkwaardigste verschijning der primaire dierenwereld.

De bonte zandsteengroeven bij Lodève (departement Hérault),

bevatten talrijke afdruksels van de stappen der labyrinthodonten

uit de triasperiode, die zóó goed bewaard zijn, dat men er al de

bijzonderheden van de schubbige huid der dieren in kan terugvinden. Zij

waren eenige meters lang en hadden korte, doch krachtige ledematen,

terwijl de weinige evenredigheid tusschen de stevige achterpooten en

de slankere vóórpooten wijst op een springend dier.

Het dier, dat de genoemde stappen heeft afgedrukt, had vier handen,

vandaar zijn naam _chirotherium_. De voorste ledematen waren veel

kleiner dan de achterste, die ongeveer den vorm hadden van eene zware

mannenhand, met dat verschil, dat de vingers korter en dikker waren;

de lengte der achterhanden bedroeg 24 centimeters, d.i. het dubbele

der voorhanden. Het chirotherium was een reuzenlabyrinthodon. Fig. 185

doet ons, zooals uit den stand der duimen blijkt, niet de afdruksels

der handen zien, maar afdruksels, die ontstaan zijn door het zand,

in de stappen afgezet. Het dier liep evenals het paard, met de pooten

zeer dicht bij het middenvlak van het lichaam.

De zoo verschillende grootte van de ledematen van die dieren heeft

tot de meening geleid, dat zij verwantschap moesten hebben met de

kangoeroe's, doch de laatste loopen niet, zij gebruiken de achterpooten

alleen om te springen, en gebruiken hunne voorste ledematen alleen,

om hun voedsel te nemen; alleen bij toeval plaatsen zij die op den

grond. Die amphibiën daarentegen hebben bepaald handvormige ledematen;

het chirotherium moet eene soort reuzensalamander geweest zijn.

Reeds in de steenkoolformatie leefden de labyrinthodonten te zamen met

andere amphibiën, die eenigszins op de tegenwoordige soorten gelijken,

en met de hagedissen.

De Wereld vóór de schepping van den mensch · 第 17 / 40 段