dan strekken zij zich daarom nog niet over eene groote oppervlakte uit,
maar dalen zij wel tot op zekere diepte naar beneden. Door vertikale
putten en hellende mijngangen delven de mijnwerkers de kostbare
brandstof ten koste van een leven van zelfverloochening. Hoogst zelden
is een kloeke en zorgenvrije ouderdom de belooning van een werkzaam
leven vol opofferingen. Indien de mijnwerker ongedeerd is gebleven na
alle rampen, die hem in zijn leven onder de aardoppervlakte bedreigen,
zooals mijngas, instortingen, overstroomingen enz., dan zijn toch
zijne longen doortrokken met steenkolenstof, en werken zij niet meer
normaal; zijn bloed wordt slecht vernieuwd, en het daglicht, waarvan
hij nog enkele jaren hoopte te genieten, verlicht een zwak lichaam,
dat bijna zijn tweede vaderland betreurt. Indien wij ons toevertrouwen
aan het stoomros, dat de landen doorklieft en de afstanden vernietigt,
indien wij des avonds de schitterende verlichting bewonderen, die met
het daglicht wedijvert, dan denken wij slechts hoogst zelden aan den
dapperen mijnwerker, die op zijn vreedzaam arbeidsveld de grondstof
graaft ten koste van wat den mensch het liefste is.
De diepte der kolenmijnen bedraagt somtijds 500, 600 of 800 meters,
en de mijngangen, met het kompas gegraven, strekken zich dikwijls
tot 5 of 6 kilometers uit.
Die steenkolenbekkens hebben in het algemeen den vorm van grootere
of kleinere, dikkere of dunnere, diepere of minder diepe kommen,
maar de talrijke ontwrichtingen der lagen en de verscheidenheid
der oorspronkelijke omstandigheden, waaronder zich de steenkool
gevormd heeft, maken het moeilijk, eenen regel daarvoor vast
te stellen. Verscheidene geologen onderscheiden de kolenkalk
van de daarboven gelegen steenkool, die daarvan door eene laag
zandsteen gescheiden is. Men kan echter moeilijk gissen, hoeveel
achtereenvolgende bezinkingen van zout- en zoetwater door de talrijke
steenkolenbladen vertegenwoordigd worden. In de laag, die zich
uitstrekt van Valencienes tot Luik, heeft men op eene dikte van 300
meters 156 op elkander liggende bladen geteld. Enkele bladen zijn
slechts eenige decimeters dik, andere, zooals te Commentry, hebben
eene dikte van 25 meters. In België hebben enkele lagen den vorm van
eene Z, zoodat eene zelfde vertikale put, dikwijls driemaal door een
zelfde blad gaat. Dikwijls moet de mijnwerker zich in de lastigste
bochten wringen, om den steenkolenader te volgen.
De steenkool komt niet alleen voor in de formaties der primaire
periode, waarvan wij thans de geschiedenis bestudeeren. De fossiele
brandstof komt in alle formaties voor, maar zij is hoe langer hoe
minder zuiver en vast, of neemt eene kleinere ruimte in, naarmate
men de geologische ladder opklimt of afdaalt, van de eigenlijke
steenkolenformatie afgerekend. Alleen in die formatie zelf waren
de botanische en climatologische voorwaarden van dien aard, dat zij
eene zoo groote opeenhooping van planten toelieten, als de vorming
der steenkool noodzakelijk maakte. Wij moeten echter wel degelijk de
oude en de jongere steenkool onderscheiden.
Doch keeren wij thans terug tot de planten uit de periode, waaraan wij
de steenkool te danken hebben. Te midden van de prachtige varens met
hare fijn uitgesneden bladeren vindt men ook de kleinste sporeplanten,
die zich onder het water verbergen of die door hare geringe afmetingen
onzichtbaar zijn. Onder de sporeplanten vindt men de grootste en de
kleinste planten. Men vindt er zóó kleine onder, dat men meer dan
honderd millioen bijeen moet brengen, om het gewicht van één gram te
bereiken! En daarnaast de Macrocystis, die eene lengte van 500 meters
bereiken kan, en wier stam toch dun en buigzaam is.
Men vindt de sporeplanten overal: in het water, op de oppervlakte
der aarde, in den grond, in de lucht, in de levende lichamen, in de
lijken. Hare rol is uiterst belangrijk.
De wateren zijn vol wieren; de stroomen, de rivieren, de vijvers,
de poelen voeden onmetelijke hoeveelheden dier planten; de bodem
der zeeën is er mee bedekt; zij geven het aanzijn aan bosschen, die
in verscheidenheid van vormen en schoonheid van kleur niet onderdoen
voor de bosschen op het land. Als het bloote oog in die wateren niets
nieuws meer waarneemt, dan ontdekt men met een vergrootglas weer nieuwe
landschappen; spoedig is ook het vergrootglas niet meer voldoende,
en indien men dan den mikroskoop te hulp neemt, dan bemerkt men, dat
men tevergeefs zijnen gezichtseinder uitbreidt door telkens sterker
vergrootingen, want steeds ontdekt men nieuwe plantensoorten, en krijgt
men de overtuiging, dat de natuur ons het oneindige te peilen geeft.
Al die sporeplanten, groot en klein, leven, en dat leven is veel meer
dan het onze de bron van het leven op aarde. Als men die planten
aan den arbeid ziet, dan begrijpt men, welke belangrijke rol zij
spelen onder de verschijnselen, die op onze planeet plaats vinden:
terwijl zij, om te leven, het koolzuur onttrekken aan de wateren, die
verzadigd zijn van dubbel koolzure kalk, bereiden zij de onoplosbare
koolzure kalk, die zich afscheidt, en vervaardigen zij lagen van steen,
waarin zij hare overblijfselen achterlaten als getuigen van het deel,
dat zij aan den arbeid genomen hebben. Andere planten werken op het
kiezelzuur; zij houden dat vast, bedienen zich er van, om beschermende
omhulsels te vervaardigen, en zich met duizelingwekkende snelheid
vermenigvuldigend, vormen zij de gesteenten, die zich snel verheffen;
de opvolgende geslachten legeren zich op de lijken van die, welke
vóór hen geleefd hebben, en die daar blijven liggen, omgeven door
kiezelrijke schelpen, die hun tot lijkwade dienen.
Somtijds doen die kleine sporeplanten, medegevoerd door de stroomen,
hare dooden in zóó grooten getale stranden, dat zij de mondingen
van die stroomen verstoppen. Aan de monden van den Oder en vele
andere rivieren, bestaat de modder voor een derde of de helft uit
ontelbare soorten van planten. In de haven van Pillau wordt iedere
eeuw eene massa van één millioen cubieke meters van die oneindige
kleine wezens afgezet.
Nauwelijks komen die gesteenten boven water, of andere sporeplanten
maken zich er van meester: gewoonlijk zijn het korstmossen. Aan de
rotsen vastgehecht, ontleden zij zelfs de hardste gesteenten. Die
merkwaardige planten, die men overal vindt, waar een terrein
geschikt gemaakt kan worden voor de vestiging van hooger ontwikkelde
planten, hetzij wieren, hetzij paddestoelen, zijn voor verschillende
soorten van arbeid geschikt; men vindt ze dan ook op het kwarts,
op zandsteen, leisteen, het bazalt en het porphyr van uitgedoofde
vulkanen, en zelfs op de nauwelijks afgekoelde lava van nog steeds
vuurspuwende bergen. Wij moeten echter opmerken, dat de sporeplanten
oorspronkelijk waterplanten waren en nog altijd min of meer het water
zoeken; nauwelijks wagen zich de hoogst ontwikkelde op droge plaatsen;
de korstmossen sterven wel niet in de brandende woestenijen, maar
_leven_ daar slechts, als zij eenig vocht vinden. Men gevoelt bij
alle sporeplanten eene geheime verwantschap met de wieren, waaruit
zij ongetwijfeld zijn voortgekomen; bijna alle moeten zij òf in het
water leven òf hebben zij behoefte aan meer of minder vochtige lucht.
Dringen wij iets dieper in den grond door, dan blijkt het dat de
verschijnselen, die wij daar waarnemen, het vervolg zijn van die,
welke plaats gegrepen hebben in de tijdperken, die aan het onze zijn
voorafgegaan. Dezelfde arbeid werd verricht, en wel op dezelfde wijze,
het evenwicht werd tot stand gebracht door de vereenigde werking van
voortbrengende en verterende elementen; maar te oordeelen naar de
getuigenissen dier eeuwen, waren het alleen de sporeplanten, die dien
arbeid verrichtten, terwijl de zaadplanten eerst veel later verschenen,
om eerst met de sporeplanten samen te werken, ze later aan te vullen,
en eindelijk te trachten ze te vervangen in haren arbeid.
Tijdens den langen duur der steenkoolperiode werd de levenskracht
der planeet in de wateren hoofdzakelijk vertegenwoordigd door de
visschen, op het land door de planten. Nog bestaan wel niet de hoogere
ontwikkelde soorten in het dieren- en plantenrijk, maar reeds openbaart
zich het streven der natuur door de opklimming van het delfstoffenrijk
tot aan de visschen en insecten aan de ééne zijde, en de varens en
sigillaria's aan de andere zijde. Dat streven zal blijven voortduren,
totdat de natuur het aanzijn zal geschonken hebben aan de gevoelige
en de vleeschetende planten, het kruidje-roer-mij-niet en de drosera,
en aan de vogels, de zoogdieren en den mensch.
In de periode, die wij thans bestudeeren, hebben de planten de
grootste vorderingen gemaakt, en de natuur noodigt ons zelf uit, om
een oogenblik te vertoeven, ten einde die merkwaardige plantenwereld,
die zoo dikwijls miskend is, te bewonderen. De planten zijn niet minder
merkwaardig dan de dieren, ook zij leven, en het is alleen door eenen
samenloop van omstandigheden, dat niet het hoogst ontwikkelde ras
een plantenras geworden is, in plaats van het menschenras.
Laten wij ons eerst nog even herinneren, dat de planten in twee groote
afdeelingen kunnen gesplitst worden: de cryptogamen (geheim bloeiende
sporeplanten) en de phanerogamen (openlijk bloeiende zaadplanten). De
eerste zijn nederige, weinig schitterende planten, zonder bloemen;
"de huwelijkssponde der plant", de voortplantingsorganen, zijn
onzichtbaar, mikroskopisch klein, en zóó verborgen, dat eertijds zelfs
uitstekende plantkundigen aan het bestaan dier organen twijfelden,
en die planten agamen, (zonder voortplanting) wilden noemen. Tot die
cryptogamen behooren de wieren, de zwammen, de schimmels, de mossen,
de paardestaarten, de varens. In werkelijkheid is er bij deze planten
evenmin als bij de zaadplanten, generatio spontanea, maar evenals bij
de lagere dieren, waarvan wij de ontwikkelingsgeschiedenis hebben
medegedeeld, is de wijze van voortplanting nog weifelend, en heeft
zij nog niet die volmaaktheid bereikt, dat de geslachten volkomen
gescheiden zijn, en dat twee verschillende, elkander aanvullende
wezens tot elkander moeten naderen.
Geen bloemen, geen behaagzucht, geen welriekende geuren, geen wellust:
minnarijen van weekdieren, schaaldieren, visschen.
Maar de natuur verheft zich tot een poëtischer ideaal. Uit de
sporeplanten komen de zaadplanten voort, evenals de gewervelde dieren
uit de ongewervelde. De zaadplanten zijn de hooger ontwikkelde,
met schitterenden bruidstooi, en voortplantingsorganen, die bij de
meeste met het bloote oog zichtbaar zijn: de mannelijke organen,
_de meeldraden_, dragen de bevruchtende stof, het _stuifmeel_;
het vrouwelijk orgaan, _de stamper_, bevat de te bevruchten eitjes,
die het aanzijn geven aan eene nieuwe plant. De zaadplanten worden
in twee afdeelingen verdeeld: de _gymnospermen_ (naaktzadigen) en
de _angiospermen_ (bedektzadigen); bij de eerste zijn de eitjes niet
in eenen gesloten zak, eierstok, ingesloten; en groeit het hout door
jaarringen aan (naaldboomen); bij de tweede zijn de eitjes opgesloten
in den eierstok; de angiospermen worden weder in twee klassen verdeeld:
_de monocotylidonen_ (éénzaadlobbigen), waar het hout niet aangroeit
door concentrische ringen (palmen, bananen, suikerriet, dekriet,
hyacinten enz.) en de _dicotylidonen_ (twee zaadlobbigen), waar het
hout door jaarringen aangroeit en de vaatbundels onbegrensd zijn
(eiken, olmen, enz.). Doch wij mogen niet te veel in bijzonderheden
afdalen: wij schrijven geen handboek over plantkunde. Wel mogen wij
het leven der planten leeren kennen, door hare zeden en aandoeningen
te bestudeeren.
Fig. 150-154 stellen eenige bloemen voor. In de bloemkroon ziet men
in het midden een aan haar benedeneinde gezwollen draadje (stijl),
dit is _de stamper_ of het vrouwelijke orgaan; de zwelling aan de
benedenzijde is de eierstok, die de eitjes bevat; de top van den
stamper is de stempel.
Rondom dien stamper ziet men _de meeldraden_ of mannelijke organen,
vijf of meer in getal (hun aantal is veranderlijk), en ook de
stamper kan één- of veelvoudig zijn. De meeldraden bestaan uit eenen
_helmdraad_, die eindigt in eenen ovalen geelgekleurden _helmknop_, die
een geel poeder, het _stuifmeel_ bevat, dat voor de bevruchting dient.
Men zal zich gemakkelijk van de bevruchting der bloemen rekenschap
geven bij de beschouwing der fig. 154-157. Fig. 154 stelt eene _kalmia_
voor, terwijl de meeldraden in rust zijn, vóór de bevruchting; fig. 155
diezelfde bloem op het oogenblik der bevruchting, als de meeldraden
zich geplaatst hebben op den stempel van den stamper; fig. 156 is
eene _loasa lateritia_, waar men alle meeldraden aangetrokken ziet
door den stamper.
Voor de bevruchting is het noodzakelijk, dat het stuifmeel de eitjes
aanrake. De eitjes, die niet door die bevruchtende stof worden
aangeraakt, blijven onvruchtbaar. Op het oogenblik der bevruchting
opent zich de helmknop en werpt deze het stuifmeel op den stempel. Uit
iederen stuifmeelkorrel gaat eene zeer fijne buis uit, die in den
stempel dringt, den stamper in zijne geheele lengte doortrekt,
om de eitjes te zoeken, die haar aantrekken, en door haar bevrucht
worden. Van dat oogenblik af begint de vrucht zich te ontwikkelen: het
bevruchte eitje wordt eene zaadkorrel en de eierstok eene vrucht. De
bloem, met hare geuren en schoonheid, verdwijnt; het schoone wijkt
voor het ware, het aangename voor het nuttige. Het doel der natuur
is volbracht.
Bij de dieren zijn reeds sedert langen tijd de geslachten gescheiden,
en die scheiding is een zeer krachtige oorzaak van vooruitgang
en ontwikkeling. Bij de planten is de scheiding der geslachten
uitzondering. Daar de planten op hare plaats blijven, zoo is
scheiding der geslachten in haar nadeel, zoodat deze waarschijnlijk
wel nooit algemeen zal worden. De éénhuizige planten, waar mannelijke
en vrouwelijke bloemen op dezelfde plant voorkomen, gaan het meest
vooruit. De vorm der bloem hangt samen met de betrekkelijke lengte
van de meeldraden en van den stamper. Daar de bevruchting het best
verzekerd wordt, indien het stuifmeel boven het vrouwelijk orgaan
gelegen is, opdat het neervallend op den stempel kome, zijn bij de
recht opstaande bloemen de meeldraden langer dan de stamper en steken
zij daar boven uit. Bij de fuchsia's, waar de bloemen neerhangen, is
de stempel ver onder de meeldraden gelegen, en als het stuifmeel uit
de helmknoppen valt, komt het dus weder op den stempel. Bij een groot
aantal bloemen zetten zich de meeldraden bij de minste aanraking in
beweging; als men ze even aantikt, of een insect er maar aan raakt,
vallen zij op den stempel neer. De insecten spelen dan ook eene
belangrijke rol bij het bevruchten der bloemen. Indien zij zich in
de bloemkroon neerzetten, brengen zij de zoo gevoelige meeldraden in
beweging, die instinctmatig in aanraking komen met den stempel. De
bijen, de hommels, de kapellen nemen het stuifmeel mede, als zij
honig gezocht hebben in de bloemkroon, en als zij zich dan op andere
bloemen nederzetten, geven zij daar het stuifmeel af, dat die bloemen
veel sneller bevrucht, dan zonder de tusschenkomst dier insecten het
geval zoude geweest zijn. Bij de planten met gescheiden geslachten,
zooals de dadels, de kastanjes, en andere, is de bevruchting zelfs
zonder de hulp der insecten of van den wind onmogelijk. Men kent
de geschiedenis van den vrouwelijken dadel, te Otranto geplant,
die onvruchtbaar bleef, totdat een mannelijke dadel te Brindisi zóó
hoog boven de naburige boomen uitstak, dat de wind het bevruchtende
stuifmeel naar Otranto kon overbrengen.
De vallisneria, eene bekende waterplant, behoort tot de merkwaardigste
der planten met gescheiden geslachten. De vrouwelijke bloemen worden
door eenen langen steel gedragen, die haar in staat stelt, tot aan de
oppervlakte van het water te komen en daar hare bekoorlijkheden ten
toon te spreiden. De mannelijke bloemen stijgen niet hoog genoeg,
om ze te bereiken. Maar somtijds ontsnappen zij plotseling uit de
bloemscheede, die ze omsloten hield, en verheffen zij zich tot de
huwelijkssponde. Dan verspreiden de helmknoppen hun stuifmeel en wordt
dit door de vrouwelijke bloemen opgenomen. Daarna wikkelen zij haren
steel spiraalvormig op, zeggen het licht vaarwel en dalen zij af tot
onder het water, om er de vrucht van hare liefde te doen rijpen.
Nog hooger in ontwikkeling zijn de planten met willekeurige
of teweeggebrachte bewegingen, die op hare wijze zenuwen en
spieren bevatten en begaafd zijn met vermogens, die hooger staan
dan die van een groot aantal lagere dieren. Daartoe behooren het
kruidje-roer-mij-niet, de drosera, de vliegenvanger, de aldrovandia,
de pinguicula, de utricularia, enz. De merkwaardigste en nauwkeurigst
bestudeerde is de drosera, merkwaardig type der _vleeschetende
planten_. Wij zijn zóózeer gewend aan het denkbeeld, dat de planten
door hare bladeren ademen, en dat zij zich door hare wortels met de
sappen der aarde voeden, dat onze gewone begrippen omtrent de onschuld
van het plantenrijk omver geworpen worden, indien wij hooren spreken
van eene plant, die eet en haar voedsel verteert als een dier. Do
drosera, die de venen en de moerassen bewoont, heeft bladeren, die
bedekt zijn met voelhorens, en vloeistofdruppels afscheiden, die in
de zon schitteren. Indien een insect, vlieg, vlinder, of waterjuffer
zich op het blad plaatst, dan dalen alle voelhorens (dikwijls ten
getale van 260) op het insect af en nemen het gevangen. Al plaatst
het zich op den rand van het blad, dan wordt het reeds gegrepen en
naar het midden gesleept. Het wordt met een slijmerig vocht besmeerd
en sterft spoedig. Daarna eet de plant het in letterlijken zin op:
het slorpt het op en verteert het door middel van eene soort van
maagsap. De vleeschetende plant scheidt eene gistingsstof af, met
pepsine overeenkomend, en die ook bij de spijsvertering dezelfde rol
vervult. Men kan de plant rauw, of gebraden vleesch, stukken hard
ei, beenderen of graten geven, zij geeft bijna niets terug! De plant
heeft eene ongeloofelijk krachtige spijsvertering.
Wij hebben ruimte te kort, om langer over die planten uitte weiden. Het
zoude anders belangrijk zijn, nog een oogenblik stil te staan bij de
vliegenvangers, die de onvoorzichtige vliegen, die zich een oogenblik
op de bladeren neerzetten, meedoogenloos vermorzelen en verslinden, of
bij andere verwante soorten; doch wij mogen niet langer vertoeven. Ons
doel was alleen, bij de beschrijving der steenkoolperiode, de periode
van het plantenrijk bij uitnemendheid, dat plantenrijk te leeren
begrijpen: te leeren gevoelen, dat ook dat rijk niet vreemd is aan
het leven onzer planeet, en dat het veel minder ver afligt van het
dierenrijk, dan men oppervlakkig meent. Indien wij ons bezig zullen
houden met den oorsprong van den menschelijken geest, dan zullen wij
zien, dat zelfs uit het oogpunt van de geestvermogens, de plant niet
zoo werkeloos is, als men meent. Honger, dorst, ziekte, gulzigheid,
wellust, ja zelfs liefde, zijn gewaarwordingen, die den planten niet
geheel en al vreemd zijn.
De hooger ontwikkelde planten zijn eerst zeer laat opgetreden,
evenals de hoogere dieren; en er is geen reden te gelooven, dat
er in de toekomst niet nog veel hooger ontwikkelde planten zullen
bestaan; het plantenrijk immers gaat evenzeer vooruit als het
dierenrijk en het menschdom. De bedektzadige planten zijn van jongen
datum: de eenzaadlobbigen zijn begonnen in de triasperiode, en de
tweezaadlobbigen in de krijtperiode. In de steenkoolperiode bestond
het plantenrijk hoofdzakelijk uit sporeplanten: de naaktzadigen treden
juist op.
Fig. 157 geeft een duidelijk overzicht van het plantenrijk in de
verschillende perioden. Men ziet, dat in de azoïsche periode alleen
hoogsteenvoudige cryptogamen, protophyten en wieren voorkwamen; dat in
de primaire periode, het devonische tijdperk het aanzijn gaf aan de
korstmossen, de bladmossen, de eerste varens, de wolfsklauwen en de
paardestaarten, die zich vooral ontwikkelen in de steenkoolperiode;
dat in die laatste periode ook de naaktzadige cycadeën ontstaan,
die aan de varens grenzen, en in de permische periode de coniferen,
die in de secundaire periode de overhand hebben. Men ziet ook, dat de
bedektzadigen in de triasperiode begonnen zijn met de éénzaadlobbigen,
terwijl de tweedzaadlobbigen eerst op het einde dier periode ontstaan
zijn, om voort te duren tot op onzen tijd. Onze lezers kennen thans de
grondtrekken van het gebouw van het leven op aarde, de grondwaarheden
van "de wereld vóór de schepping van den mensch."
Langzaam, stap voor stap, volmaakte zich het plantenrijk,
terwijl het zich aanpaste aan de levensvoorwaarden der planeet. De
steenkoolperiode was het tijdperk der sterkste uitbreiding van dat
rijk. Bij dien vruchtbaren plantengroei kon men in de lauwe wateren,
in de nauwelijks verrezen eilanden, in de vochtige wadden, de meest
verschillende soorten ontdekken van sporeplanten, zooals paardestaarten
en mossen. Zij vormden als het ware het weefsel der formaties, waarop
de reusachtige paardestaarten groeien moesten. Van de laagste vormen,
waar het protoplasma bloot ligt, klimt men ongemerkt op tot de vormen,
die aan de zaadplanten grenzen.
Die lagere planten, die bladmossen, die paardestaarten, groeien, en
bereiken eindelijk eene hoogte van verscheidene meters. Men heeft in
de steenkoolformatie zelfs calamiten en paardestaarten van tien tot
twaalf meters gevonden.
Doch dit was nog slechts het voorspel van de prachtige wouden, waarin
de schubboomen, sigillaria's en boomvarens de overhand hebben. De
schubboomen behooren tot de familie der lycopodiaceën, die thans
slechts vertegenwoordigd worden door onze gewone wolfsklauwen. Zij
bereikten toen eene verbazende hoogte, en hunne sierlijkheid wedijverde
met hunne kracht. Reeds kon men in de stukken, in de steenkool
teruggevonden, die kracht en die sierlijkheid vermoeden. Toen men
ze later leerde kennen, vond men, dat die stukken behoorden tot
reusachtige boomen, van 30 tot 40 meters hoogte en 1 1/2 meter
middellijn. De schors dier boomen was bijzonder schoon, gegraveerd
met sierlijke ruiten. Men heeft zelfs den juisten vorm van hunnen
inwendigen bouw teruggevonden: in het midden was eene soort van
merg, evenals bij hunne tijdgenooten, de calamodendrons (fig. 165
en 166). Men ziet, dat er toen geene jaarringen waren, die ons in
staat zouden stellen, den leeftijd van den boom te leeren kennen,
en de jaren van ziekte en voorspoed.
Bij de calamiten en schubboomen moeten wij nog als vertegenwoordigers
der flora van dat tijdperk de varens voegen, die onder die voorspoedige
omstandigheden boomvarens worden. In plaats van eene hoogte van
enkele meters te bereiken, zooals thans zelfs in de tropen het geval
is, werden zij 12 tot 15 meters hoog. Zij waren in de paleozoïsche
periode, gedurende het eerste levenstijdperk op aarde, de heerschers
en gebieders.
Maar geene enkele plant van die oude tijden was zoo merkwaardig
als de reusachtige boomen, die thans uitgestorven zijn en bekend
staan onder den naam van sigillaria's. Die boomen, die dikwijls eene
hoogte van 40 meters bereikten, zijn de overgangsvormen tusschen de
sporeplanten en de zaadplanten, want het zijn bijna reeds naaktzadige
planten. Zij gelijken op de cycadeën en de coniferen. Zij hebben geene
jaarringen, en hare eitjes worden door geenen eierstok beschermd. De
naaktzadigen zijn onvolkomen, of liever hoogsteenvoudige zaadplanten,
dichter staande bij de cryptogamen dan de bedektzadigen. Deze laatste
zullen eerst veel later de overhand verkrijgen.
Men ziet het, de gang der natuur is steeds dezelfde: van het eenvoudige
naar het samengestelde, van het onvolkomene naar het meer volmaakte,
van de armoede naar den rijkdom.
Sedert de eerste ontdekking van stammen van sigillaria's was men
verbaasd over de vreemdsoortige schikking van sommige ovale litteekens
rondom die schoone cilindrische stammen; aan de overeenstemming in
vorm van die litteekens met stempels, zijn die boomen hunnen naam van
sigillaria's (stempelboomen) verschuldigd. De boomen werden gesteund
door krachtige wortels, die zich dikwijls tot 15 en 20 meters van
den voet van den boom onder den grond uitstrekten.
Andere boomen dier familie zijn van boven tot beneden met zeshoekige
schilden bedekt, die tevens de sporen van bladeren dragen; of wel
die soorten van schubben zijn driemaal langer dan breed, en dragen
de knoopen der bladeren aan den bovensten hoek.