In die stille bosschen leefde geen enkele vogel, kruipend of viervoetig

dier. De tegenwoordige boschbewoners: herten, reeën, wolven, vossen of

eekhorentjes; leeuwen, tijgers, panthers of jakhalzen; hagedissen of

kikvorschen; arenden, gieren, raven, pauwen of patrijzen, zangvogels,

nachtegalen of vinken, bestaan nog niet. Als men iets hoort bewegen,

dan is het een schorpioen onder de steenen, een kakkerlak tusschen de

bladeren of een krekel, die met de vleugels klapt. Enkele insecten,

enkele muggen gonzen reeds in de zware en zoele lucht. Maar het

leven is nog bijna geheel beperkt tot de wateren. Het daglicht is

nog niet sterk: de zon schijnt nog niet krachtig, zij is groot, doch

nevelachtig; de hemelsblauwe, heldere lucht bestaat nog niet; dag en

nacht verschillen nog weinig; de aarde kent nog geene jaargetijden

of klimaten.

Eertijds, in de azoïsche periode, was er in het geheel geen verschil

tusschen dag en nacht, hoewel de planeet reeds om hare as wentelde,

omdat het zwakke licht door de zonnenevelvlek uitgestraald, nog

niet tot de oppervlakte der aarde doordrong, en omdat de aarde zelf

langen tijd lichtgevend geweest was, en daarna door dampen omgeven

was, die het licht opslorpten. Doch nu, in het devonische tijdperk,

en zelfs in het silurische, is er verschil tusschen dag en nacht,

hoe weinig dan ook: dit weten wij reeds daaruit, dat de trilobieten,

de schaaldieren, de weekdieren en de visschen oogen bezitten. Geen

oog kan bestaan zonder licht: de oorsprong van het oog zetelt in den

lichtindruk. Wij mogen daaruit dus besluiten, dat de nevelvlek toen

reeds zeer was verdicht.

Maar wij zullen dit belangrijke vraagstuk behandelen, nu wij tot de

steenkoolperiode genaderd zijn.

VIERDE HOOFDSTUK

De steenkoolperiode.

Ontwikkeling van het plantenrijk.--Eilanden en vastland.--

Zeeklimaat.--Afwezigheid van jaargetijden.--De zonnenevelvlek.

--De dampkring, de warmte en de vochtigheid.--De planten en

boomen.--Oude bosschen en dieren, daarin levend.

Geene enkele ster is in rust in het onmetelijke heelal; geen enkel

atoom zelfs van het hardste gesteente, staat stil; geene enkele

molecule in het lichaam van plant of dier is onbewegelijk; geen enkel

bloedlichaampje in onze aderen, dat niet voortdurend stroomt; overal en

in alles is de onzichtbare en onvermoeide kracht werkzaam; werelden

veranderen van gedaante; zonnen worden ontstoken en uitgedoofd;

de aarde verandert van eeuw tot eeuw; de wezens, die haar bevolken,

wijzigen zich naar de levensvoorwaarden, en de geschiedenis der aarde

is het tafereel harer voortdurende wijziging.

Wij zagen, hoe de eilanden, uit de wereldzee opgerezen, de

levensvoorwaarden van planten en dieren hebben gewijzigd, en hoe

zeeplanten in zoetwaterplanten veranderd zijn, om zich later te

gewennen aan den vochtigen dampkring boven ondiepten. Langs de kusten

beginnen zij het eerst haar nieuw bestaan. Zij verkrijgen bladeren,

die haar in staat zullen stellen, lucht te ademen, in plaats van

ondergedompeld of drijvend te blijven. Hare broeders, de zee- of

waterdieren beginnen ook op geringe diepte onder het water, of zelfs

buiten het water te leven. Reeds fladderen insecten aan de oppervlakte

van het water; kakkerlakken, sprinkhanen, krekels, witte mieren,

kruipen, springen of glijden voort onder de eerste bladeren. De

dampkring is zwoel, bijna nog water. De hitte is verstikkend. Het

regent voortdurend.

Uitstekende levensvoorwaarden voor het plantenrijk! Aan den

oorsprong van het leven waren er planten noch dieren: er was

alleen protoplasma, drijvend in het water, amoeben en protisten,

de voorouders der dieren en der planten. Daarna heeft zich het leven

vertakt in twee staken, die langen tijd verbonden waren, alsof zij

de scheiding betreurden, maar die eindelijk uitliepen in takken,

die thans ver van elkander verwijderd zijn, want een groote afstand

scheidt thans schijnbaar het rund van het gras, dat het eet: toch

hebben zij oorspronkelijk denzelfden stamvader gehad, en voor hem, die

de natuur ontleedt, zijn zij lang niet zoo verscheiden als voor den

herder, die de kudde weidt. In het begin der steenkoolperiode heeft

het plantenrijk reuzenschreden gemaakt ten gevolge van de bijzonder

gunstige omstandigheden, waardoor zich deze belangrijke phase van de

geschiedenis der aarde kenmerkt.

De inwendige warmte der aarde drong nog door de aardschors heen en

onderhield eene hooge temperatuur in den dampkring. Wel schijnt het

voor hem, die eenen vulkaan bestijgt, alsof eene geringe laag slakken

en asch voldoende is, om de warmte te onderscheppen, en iedereen weet,

dat men, door een weinigje asch in de holte der hand te nemen, eene

gloeiende kool kan vasthouden zonder zich te branden; maar men vergete

niet, dat de temperatuur der lava nooit hooger is dan 1000°, terwijl

die van den oorspronkelijken aardbol minstens negen- of tienmaal

hooger was; de mechanische warmteleer leert, dat alleen reeds de

verdichting van alle moleculen der aarde van haren neveltoestand tot

hare tegenwoordige dichtheid eene hitte moet hebben veroorzaakt van

89880°, de warmte, ontstaan door de scheikundige verbindingen niet

medegerekend. Door de spleten, door uitbarstingen, en zelfs door

de dunne aardschors heen, die nog nauwelijks vast en die met water

doortrokken was, kwam die inwendige warmte in den dampkring, die

toen nog de warmtestralen niet doorliet. _Het opslorpend vermogen

van waterdamp is_ 16000 _maal grooter dan dat van droge lucht._

Wij zagen zooeven, dat de dampkring verzadigd was van waterdamp,

en dat de regen bijna voortdurend neerviel. Voegen wij nog hierbij,

dat er geen vastland was, maar alleen eilanden en dus de geheele aarde

onder den invloed van een zeeklimaat stond, en het is duidelijk, dat de

temperatuur van de oppervlakte der aarde uitnemend geschikt was voor de

ontwikkeling van den plantengroei, en dat wel niet alleen in de tropen,

maar over de geheele aarde, daar er nog geene jaargetijden bestonden.

Onze lezers weten uit "de Wonderen des Hemels" [15], dat de aarde zich

om de zon beweegt, en dat hare as helt ten opzichte van het vlak der

ecliptica. Gedurende de helft van het jaar is de ééne pool naar de

zon toegekeerd, en de zes overige maanden de andere pool. Vandaar de

lange winternachten en de lange zomerdagen, de lage temperatuur aan de

polen en de groote afwisseling in jaargetijden. Gedurende het primaire

tijdperk verschilde de helling der as niet veel van de tegenwoordige

helling. Had dus de zon toen evenals thans eenen overwegenden invloed

op de warmte der aarde, dan zouden reeds toen klimaten bestaan hebben:

de zonnestralen, loodrecht vallende op de keerkringslanden, zouden

daar eene veel hoogere temperatuur hebben doen ontstaan dan aan de

poolstreken, waar zij veel schuiner vallen. Doch de plantengroei

der steenkoolperiode wijst juist op het tegendeel. Dezelfde

plantensoorten, die aan de tropen voorkwamen, werden ook in de

poolstreken gevonden. Tot aan Spitzbergen en zelfs tot op de hoogste

breedte, door menschen bereikt (noordpoolexpeditie in 1878, tot op eene

breedte van 82° 40') heeft men dezelfde kolenkalk gevonden, en tot op

76° breedte dezelfde steenkoollagen als in Frankrijk en de Vereenigde

Staten, in China, Zambeze (Afrika) en Zuid-Amerika. Bovendien bestaat

de geheele flora uit boomen met blijvende bladeren. De stammen van

de fossiele boomen uit dit tijdvak hebben nog niet de concentrische

jaarringen, ieder voorjaar gevormd, waaruit men den ouderdom der

boomen kan leeren kennen. Men kan hieruit met zekerheid afleiden,

_dat er toen nog geene jaargetijden waren_. De zon voegde slechts

weinig warmte toe aan die der aarde, want de temperatuur, waarbij de

boomvarens, de wolfsklauwen, de cycadeën groeien, ligt tusschen 20

en 25 graden, en was niet hooger in Afrika dan in Spitzbergen.

De zon was toen reusachtig groot, maar nog nevelachtig, er straalde

slechts een zwak licht uit. De zon heeft zich eertijds uitgestrekt tot

voorbij Neptunus en is langzamerhand kleiner geworden, zoodat zij thans

slechts eene middellijn heeft van 1380000 kilometers, terwijl die van

de loopbaan van Mercurius 112 millioen, van Venus 208 millioen, van de

aarde 296 millioen kilometers bedraagt. Toen de zon zich nog uitstrekte

tot aan de baan van Venus, was de middellijn der zonneschijf, van

de aarde gezien, 90° groot, of 169 maal zoo groot als thans. Toch

waren de warmte en het licht, dat de aarde toen van de zon verkreeg,

uiterst gering in vergelijking met de warmte, die de aarde zelf bezat.

Toen de zon zich niet verder uitstrekte dan de loopbaan van Mercurius,

was hare schijnbare middellijn, van de aarde gezien, nog 45°. Van

toen af aan begon eerst de helling van de as der aarde invloed uit

te oefenen op de afwisseling der jaargetijden, indien ten minste de

warmte der aarde de warmte, van de zon ontvangen, niet overtrof.

Voor acht of tien millioen jaren, in het midden der primaire periode,

waren de voorwaarden voor de duurzaamheid van het wereldstelsel niet

dezelfde als thans.

De zon was grooter, haar zwaartepunt (en ook dat van het zonnestelsel)

nam eene andere plaats in dan thans, en misschien was ook het

zonnestelsel door zijne beweging in de ruimte onderworpen aan

den invloed van vaste sterren, aan welke het thans niet meer

gehoorzaamt. Het is niet uitgemaakt, dat de helling der ecliptica

dezelfde was als thans, of dat de polen der aarde in al dien tijd

zich niet over de oppervlakte der aarde verplaatst hebben, of dat

de verandering van de excentriciteit der aardbaan de berekende

grenzen niet overschrijdt en dus grooteren invloed uitoefent op de

jaargetijden, dan men gewoonlijk meent. Het is zelfs waarschijnlijk,

dat de aarde in die vervlogen tijden onder geheel andere omstandigheden

bestond dan thans het geval is.

Zoowel de sterrenkunde, als de aardkunde en de paleontologie leeren

ons, dat de jaargetijden eerst zeer laat in de ontwikkelingsperiode

der aarde ontstaan zijn, en dat in vroeger tijd het klimaat aan de

polen hetzelfde was als aan den evenaar, en niet alleen leeren ons

die wetenschappen, dàt dit zoo geweest is, maar ook leeren zij ons,

waarom dit het geval is geweest.

Een zware, zwoele, regenachtige dampkring; eene gelijkmatige, hooge

temperatuur; ontzaglijke getijden; uitbarstingen van het inwendige

vuur; talrijke onweders; ijzingwekkende stormen; ziedaar het beeld

der aarde in dien tijd. De getuigen van dien toestand moeten grove,

sterke wezens geweest zijn, in wier schoot de veredeling van latere

tijden ontworpen zal worden.

De planten, weinig samengesteld, zonder geur, zonder bloemen,

verkrijgen in dien voedzamen dampkring reusachtige afmetingen. De

zon heeft nog geen glans; de vogels zingen nog niet; eene doodelijke

stilte omringt de aarde; alleen de insecten gonzen en vermenigvuldigen

zich in de schaduw der onmetelijke bosschen, die de planeet voor

het eerst bekleeden met een niet te ontwarren groen tapijt, van

den evenaar tot aan de polen. Niemand kan nog gissen, dat er in de

toekomst ijswoestijnen of eeuwigdurende sneeuw zullen ontstaan, die

op de bergen en aan de poolstreken in de toekomst het leven zullen

tegenhouden. Indien men zich in de verbeelding in die uitgestrekte

eenzaamheid verplaatst, dan wordt men tegenover die eentonigheid van

vormen vreemd gestemd. De geheele afwezigheid van bloemen en hoogere

dieren wierp op de schepping eenen sluier van algemeene droefheid,

geen enkele vogel vervroolijkte de bosschen, waarin ook nog geene

zoogdieren ronddwaalden. De zoele lucht was vervuld met verstikkende

dampen, die uit den grond opstegen, en de stilte der natuur werd

alleen verbroken door het geraas van den regen, en het suizen van

den wind tusschen de boomen.

De Zweedsche natuuronderzoekers Nordenskjöld en Malmgren hebben in

den zomer van 1868 op Beren-Eiland (74° 30' N. B.) in de steenkool

en de gesteenten aan de oppervlakte, achttien soorten van planten

gevonden, waarvan vijftien overeenkomen met die der diepste lagen

der steenkoolformatie. Die flora heeft groote overeenkomst met die

der Vogezen en het Schwartzwald. Overvloedig komen de Lepidodendrons

(schubboomen) voor. In de schaduw dier boomen leefden de varens

met groote bladeren. Ook de flora der Parryeilanden heeft hetzelfde

karakter; men heeft daar talrijke steenkoollagen gevonden, en onder

de planten, die men daarin ontdekt heeft, vindt men er, die ook in

de steenkool van Silezië voorkomen.

De zeedierenwereld in de poolstreken heeft hetzelfde

karakter. Men vindt talrijke weekdieren, uit de zee afkomstig, in de

steenkoolformatie der poolstreken, welke in dezelfde formatie in Europa

gevonden worden, sommige zelfs komen in de tropen voor. Behalve die

weekdieren vindt men in Spitzbergen in de kalksteen ook koraaldieren.

Alles wijst er op, dat toen de warmte, die op de aarde de overhand

had, niet van de zon afkomstig was. De poolstreken hadden eene veel

hoogere temperatuur dan thans; zooals wij zagen, mogen wij uit het

voorkomen derzelfde soorten van 40 tot 76 graden N. B. afleiden, dat

er over de geheele aarde eene groote gelijkmatigheid in temperatuur

bestond. Bovendien wijst het karakter der steenkoolflora op eenen

moerassigen bodem en eenen dampkring, met waterdamp bezwangerd;

tegenwoordig vindt men alleen in de vochtige streken der tropen

plantenvormen, daarmede overeenkomend.

In onzen tijd groeien de varens en de wolfsklauwen meestal onder

de dichte schaduw der bosschen, en hebben zij veel minder dan

de zaadplanten behoefte aan de rechtstreeksche werking van de

zonnestralen. Dit was ook het geval met hunne oorspronkelijke

voorouders, en daar zij de groote meerderheid uitmaken van de planten

der steenkoolformatie, zoo begrijpen wij, dat zij hebben kunnen leven

en bloeien onder eenen steeds bedekten hemel. Hetzelfde is het geval

met de insecten dier periode, want voor het meerendeel zijn het

nachtdieren, zooals de witte mieren en de kakkerlakken.

Ook het feit, dat men in de poolstreken koraaldieren gevonden heeft,

bewijst, dat in die tijden de poolzee eene koralenzee was en dus

nooit kouder kon geweest zijn dan 20°.

Duizenden heldere beken, gevoed door onophoudelijke regens, stroomden

van de naburige hellingen en de hooger gelegen vlakten. Aan de

oevers groeiden de boomvarens, de lepidodendrons, de sigillaria's

telkens in andere verhoudingen. De calamiten steil en recht, de

varens onuitwarbaar dooreengevlochten, zouden de verwondering van

den aanschouwer hebben opgewekt; de bevalligheid der boomvarens

met hare reusachtige bladerenkroon, de regelmatige schoonheid der

lepidodendrons, de lenigheid der asterophylliten, de spelingen

van het licht, dat even doorgelaten wordt door het dichte lommer,

moeten eene verrassende uitwerking gehad hebben. Maar onder al die

steile boomen, volgens bijna wiskundige wetten ingedeeld, was nog

geene enkele bloem zichtbaar. De voortplantingsorganen bestonden

slechts uit de onmisbare gedeelten; van glans ontbloot, waren zij

onder geene bedekking verborgen of waren zij omgeven door onbeduidende

schubben. Eerst later, toen de natuur rijker aan vormen werd, bloosde

zij over hare naaktheid; eerst toen weefde zij zich bruidskleederen;

daartoe heeft zij de bladeren, die bij de voortplantingsorganen lagen,

buigzaam gemaakt en in bloembladeren veranderd, en hunnen vorm en kleur

gewijzigd. En zoo heeft zij de bloem geschapen, zooals de beschaving

de weelde heeft voortgebracht, door haar buiten de grenzen van het

volstrekt noodzakelijke te doen treden.

De dampkring was in de steenkoolperiode rijk aan koolzuur; die groote

hoeveelheid koolzuur werd op het eerste voor goed uit de zee verrezene

vaste land aan die rijke plantenwereld afgestaan onder begunstiging

van eene tropische temperatuur en een overvloedig, hoewel verspreid

licht. In gewone omstandigheden, zouden die planten bij hare ontleding

aan den dampkring het koolzuur teruggegeven hebben, dat zij daaraan

ontnomen hadden. Maar de plantenoverblijfselen werden naar gelang van

hunnen val onder het water en de modder bedolven, en hunne langzame

verandering, afgesloten van de lucht, liet in de koolaarde de koolstof

bijna geheel bestaan. Tegelijkertijd zetten zich ontzettende massa's

kalksteen af, die eveneens eene groote hoeveelheid koolzuur bonden. Zoo

werd in die periode langzamerhand de dampkring gezuiverd.

Al zijn de natuurkundige voorwaarden der steenkoolperiode over de

geheele aarde dezelfde geweest, daaruit volgt nog niet, dat men op

alle breedten steenkolen verwachten kan. Op die plaatsen toch, waar

toen de zee stroomde, konden alleen kalksteenen, zooals koolzure kalk

en andere gevormd worden. Hieruit volgt, dat in de steenkoolperiode

boven 76° N. B. zich eene onmetelijke zee uitstrekte. Eerst ten zuiden

dier parallel, op de eilanden Melville, Bathurst en Patrick vindt

men steenkoolformaties. Zoo ook ontbreken zij in de tropen van het

noordelijk halfrond, die toen onder water lagen. Op het noordelijk

halfrond vindt men dus de steenkoolformatie overal tusschen 40°

en 76°. Op het zuidelijk halfrond vindt men haar alleen op 16°

breedte (Zambeze) en in Australië, tusschen 25° en 35°. Het is dus

waarschijnlijk, dat toen, evenals thans, de zuidelijke landen zich

minder ver uitstrekten en dichter bij den evenaar gelegen waren dan

de noordelijke.

De steenkoolformatie is in sommige streken twaalfduizend meters dik;

daarin overheerschen met de steenkool, zandsteen en zwarte leisteen,

waarin als afdruksels de overblijfselen der plantenwereld voorkomen;

in de kolenkalk vindt men alleen zeedieren.

Men vindt dikwijls een honderdtal lagen steenkool regelmatig op

elkander gestapeld; de steenkoolformatie vertegenwoordigt dus een

langdurig tijdperk, waarin de plantenwereld aanzienlijke veranderingen

heeft ondergaan. Wij moeten ons dus tot de planten dier formatie

wenden, om onderverdeelingen in die periode te kunnen vaststellen. De

Europeesche kolenbeddingen leeren ons, dat de steenkoolperiode in

drie deelen kan verdeeld worden, ieder met hare eigenaardige flora:

I. In de eerste periode hebben de wolfsklauwen (lepidodendrons)

en de varens met gevinde bladeren de overhand.

II. In de tweede periode de sigillaria's en de calamiten te zamen

met de groote boomvarens.

III. In de derde periode vindt men voor het grootste gedeelte varens,

cordaïten en ringvormige moerasplanten (Annularia). In die laatste

periode komt de Walchia te voorschijn, die in de bosschen der Permische

periode de overhand heeft.

Doch laat ons thans meer nauwkeurig de steenkolenmijnen onderzoeken. De

steenkolen zijn het product van eene opeenhooping van ontlede

plantaardige stoffen. Men vindt daarin de overblijfselen,

de takken, de bladeren, de indrukken van de boomen dier oude

bosschen. Scheikundig ontleed, blijken zij te bestaan uit koolstof,

waterstof en zuurstof, d. i. uit de samenstellende bestanddeelen der

plantenweefsels. Gemiddeld bevatten de steenkolen 83% koolstof, 6%

waterstof, 5 1/2% zuurstof en sporen van stikstof en zwavel. Sommige

stukken anthraciet bevatten 95% koolstof.

Men kan letterlijk zeggen, dat de warmte, die de locomotieven verhit en

die afkomstig is van de koolstof, in de bosschen der primaire periode

vastgelegd, niets anders is dan de oorspronkelijke warmte der aarde

en de zonnewarmte. Die oude warmte was opgehoopt in de steenkolen,

wij maken die thans weer vrij, terwijl wij haar arbeidsvermogen in

eenen anderen vorm gebruiken, en wij geven aan de natuur de reserve

terug, die zij had achtergehouden.

Zijn die bosschen der steenkoolperiode begraven op de plaats, waar

zij oorspronkelijk aanwezig waren? Zou de steenkool oorspronkelijk

turf geweest zijn, die gedrukt onder later ontstane bezinksels,

versteend is? of bestaat de steenkool uit plantaardige overblijfselen,

door het water medegesleept en op den bodem der bekkens afgezet? De

tweede theorie is het eerst door de geologen verkondigd, zij is daarna

door de eerste verdrongen, toen men bijna versteende, rechtopstaande

boomen ontdekt had, doch in de laatste jaren weder in eere hersteld,

omdat zij het geheel der waargenomen feiten beter verklaart. Stroomen

beladen met grint, modder en plantaardige overblijfselen monden uit

in het diepe en stille water van een meer, waar de stoffen naar hare

dichtheid gescheiden worden: de keisteenen en het grint vallen in zeer

schuine lagen bij de monding, terwijl de modder verder doorstroomt,

zich onder eene veel kleinere helling laagsgewijze afzet en de

plantenstoffen bijna horizontaal aan het uiteinde bezinken. Zoo wordt

voortdurend het plantenslib onder nieuwe sedimentlagen bedolven,

en indien de toevoer van plantenoverblijfselen voortgaat, zal de

steenkoollaag zich meer of minder regelmatig op den bodem verlengen,

hoewel de verschillende deelen niet gelijktijdig ontstaan zijn. Zoo

kan men in de steenkoollaag alle overgangen vinden van de ruwere

steenkool (d. i. de plantenstof zonder minerale bijmengselen) tot

aan eene modderlaag, vermengd met enkele overblijfselen van planten.

Hoevele jaren en eeuwen vertegenwoordigen die bezinkingen? Het is

moeilijk te ramen. Volgens de berekeningen van Elie de Beaumont zoude

al de steenkool, die door onze tegenwoordige bosschen kan geleverd

worden, over de uitgestrektheid der thans ontgonnen mijnen slechts

eene laag vormen van 16 centimeters in 100 jaren. Wij hebben hier dus

te doen met de vrucht van honderdduizenden jaren, die millioenen jaren

achter ons liggen. Men denkt hier onwillekeurig aan de voorstelling

der Buddhisten. Om een denkbeeld te geven van den ouderdom der aarde

en van haren duur, vergelijken zij onze planeet met eenen diamantberg,

die iedere eeuw eens met een katoenen lapje wordt afgestoft. Wanneer

zal die berg versleten zijn?

De spoorwegen hebben in de laatste vijftig jaren een ongekend licht

laten vallen op de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde, door de

tunnels, die door de verschillende lagen van de oppervlakte der aarde

geboord zijn. Maar van alle formaties is toch de steenkoolformatie

het ijverigst bestudeerd, om hare groote innerlijke waarde en hare

beteekenis voor de industrie. (Wij behoeven hier niet te spreken van

de diamant- en metaalmijnen, omdat zij tot de vulcanische formaties

behooren, tot eenen tijd, die aan het leven is voorafgegaan). Men

kent niet alleen de steenkoolmijnen, die de oppervlakte van den bodem

aanraken, maar met de grootst mogelijke inspanning heeft men ook die

lagen onderzocht, die iets dieper liggen, maar toch nog de ontginning

waard zijn. Die ontginning heeft immers hare grenzen: indien de

diepte der steenkolenlaag zoó groot is, dat de exploitatiekosten

den verkoopsprijs overtreffen, dan houdt de ontginning op. Zóó

b.v. blijkt reeds uit de figuren op blz. 179 en 184, dat men, zoo men

doorgraaft tot aan de primaire formatie, die onder Parijs gelegen is,

wel steenkool kan vinden, maar dat de exploitatiekosten eene ontginning

onmogelijk maken.

De groote waarde van de steenkool, die kostbaarder is, naarmate zij

minder onuitputtelijk is (de vraag wordt thans ernstig behandeld,

voor hoevele eeuwen er nog steenkool beschikbaar is), heeft er

toe geleid, om ook de steenkoollagen te leeren kennen, die niet

tot de oppervlakte der aarde naderen, en door formaties van later

dagteekening bedekt zijn. Zeer rijk aan steenkolenmijnen zijn

België, Engeland, Westphalen, de Vereenigde Staten, Rusland en China

[16]. Het steenkolengebied strekt zich uit over meer dan een derde

deel van Europeesch Rusland. De geologische samenstelling (kolenkalk)

toont aan, dat op het einde der steenkoolperiode zich eene zee over

Rusland uitstrekte toen westelijk Europa, reeds voor het grootste

gedeelte boven water, met meren en zoetwatermoerassen bedekt was,

die den voet der reuzenplanten besproeiden.

De Wereld vóór de schepping van den mensch · 第 15 / 40 段