wordt, voor zoover de bodem der zee betreft, door de koraaleilanden of
atollen geleverd. Die ringvormige eilanden werden door koralen gebouwd,
die alleen op geringe diepte onder den waterspiegel kunnen tieren en
evenmin kunnen leven boven den kam der golven. De hoogte der koralen
staat dus in nauw verband met die van den waterspiegel. Indien een
koraaleiland aan het dalen is, groeien de koralen evenals boomen aan,
zóódanig dat zij steeds gelijk blijven met den waterspiegel. Fig. 120
maakt dit duidelijk. Als het eiland daalt, neemt de diepte van
het water daarboven toe; het is alsof de waterspiegel rees, en het
koraaleiland verkrijgt de hoogten A, B, C. In den Stillen Oceaan en
in de Indische zee vindt men koraaleilanden, die eene hoogte hebben
van meer dan 1000 meters.
Merkwaardige scheppingen! Terwijl de golven met hun wit schuim
de koraalriffen beuken, zijn de atollen van binnen kalm als een
meer. Door het doorschijnende water heen ziet men het prachtig
gekleurde bosch op den bodem van het water bloeien, bij duizenden
en tienduizenden vermenigvuldigen de koraalbloemen hare schitterende
sterren; alles is licht en leven in die nieuwe tuinen der Hesperiden;
zelfs het veelkleurige mos, dat de tusschenruimten vult, bestaat
uit millioenen koraaldiertjes. De kleine bouwlieden leven en werken
zonder ophouden. Al rukt de storm de grootste steenblokken af,
de bevolking herstelt dag en nacht het verlies. Geen monster uit
het dierenrijk, geene inspanning door menschenhanden, kan ooit iets
wrochten, dat wedijveren kan met de onmetelijke eilanden, door de
nietige koraaldiertjes op den bodem der zee opgericht.
Als wij zeiden, hoe de langzaam voortgaande werking van
natuurverschijnselen de verandering van den aardbol verklaren kan, dan
wilden wij daarmede niet beweren, dat alle veranderingen steeds langs
rustigen en langzamen weg hebben plaats gehad. Van tijd tot tijd toch
hebben in de natuur, niet minder dan in de menschheid, omwentelingen
plaats. Overstroomingen, vulkanische uitbarstingen, aardbevingen,
cyclonen, stormen, grondverschuivingen, het kruien van het ijs, ziedaar
een aantal verschijnselen, die zich wel is waar beperken tot bepaalde
streken, maar die toch eenen grooten invloed hebben op de gedaante
der aarde. Steden zijn verwoest door aardbevingen; Herculanum, Stabia
en Pompeji zijn onder de asch van den Vesuvius bedolven; Lissabon is
in 1755 door eene schrikkelijke aardbeving geteisterd; Murcia is in
1879 overstroomd; Ischia is in 1883 door eene aardbeving verwoest
(2443 dooden); de uitbarstingen van den vulkaan Krakatau heeft in
1883 aan 40000 menschen het leven gekost; de aardbevingen van Spanje
(1884) aan 2500 slachtoffers; de aardbeving in Centraal-Azië, in de
vallei van Cashmir aan 2700. De uitbarsting van den vulkaan Krakatau is
waarschijnlijk de grootste geologische omwenteling in de geschiedenis
der menschheid. Die vulkaan, in de Sunda-straat, heeft meer dan 18000
milliard kubieke meters puimsteen en water aan de ingewanden der
aarde ontrukt, waarvan twee derden neergevallen is binnen eenen kring
van 15 kilometers straal, en het overige derde zich tot zulk eene
hoogte in den vorm van waterdamp, fijn stof, enz. verspreid heeft,
dat nog een jaar later het avondrood daarvan het gevolg was. Het
geraas der uitbarsting is tot op ontzettende afstanden gehoord;
de golvingen in de zee hebben zich tot op onze kusten voortgeplant;
de evenwichtstoestand in den dampkring is zóózeer verstoord, dat die
storing zich over den omtrek der aarde in 35 uren heeft voortgeplant,
en zelfs tweemalen den omtrek der aarde heeft doorloopen. De geheele
Sunda-straat is door die uitbarsting gewijzigd en nog thans (1885)
zet zich die wijziging voort door de zeestroomingen.
Al willen wij niet beweren, dat een ontzettende zondvloed de geheele
aarde zoude hebben veranderd, en al kan men een groot gedeelte
van de verplaatsingen en bezinkingen verklaren door bergstroomen en
aanslibbing, zoo kan men toch de overleveringen over den zondvloed niet
geheel verwerpen. De oude overleveringen stemmen te zeer overeen, dan
dat men kan twijfelen aan eene overstrooming, in vroegeren tijd in de
nabijheid van den berg Ararat, in Armenië plaats gegrepen. Ongetwijfeld
hebben de eerste menschenstammen, die daar begonnen te ontwaken in
den dageraad der beschaving, eene overstrooming beleefd, veroorzaakt
door de Caspische, de Zwarte of de Middellandsche zee, of misschien
door den Euphraat. Zeker is het, dat dergelijke omwentelingen invloed
hebben gehad op den vorm der aarde.
Bij al die veranderingen van den bodem moet nog die van het klimaat
gevoegd worden, die alle vorige in belangrijkheid overtreft door
haren invloed op het planten- en dierenrijk. De zeestroomingen, die
zich wijzigen met de verandering in hoogte der bekkens en oevers,
de doorgraving van landengten, de verbreeding van zeestraten,
de verwoesting van kapen, de rijzing van landen, dat alles wijzigt
reeds het klimaat der verschillende streken. Zonder den Oceaan en den
golfstroom, die met zijn lauw water langs de kusten van Frankrijk,
Engeland, Nederland en Zweden stroomt, zouden onze streken veel kouder
zijn dan thans het geval is, en zouden wij hier het klimaat hebben
van Poltava of de Donkozakken. Zoo ook hangt de hoeveelheid water,
die jaarlijks op ieder land valt, van de verdamping der zee af, van de
windrichting, de gedaante van den bodem; en de invloed, daardoor op
het leven uitgeoefend, hangt af van de geologische samenstelling van
het land. Bovendien verandert langzaam van jaar tot jaar de schuinte
der zonnestralen door de verandering van de helling der ecliptica. Zoo
zouden wij nog kunnen spreken over mogelijke veranderingen in breedte,
of over veranderingen van den waterspiegel.... Maar het voorgaande is
genoeg, om onze lezers te overtuigen van den invloed van het klimaat
op den toestand der aarde.
Zoo hebben wij dan in dit hoofdstuk trachten duidelijk te maken, dat
het werk der schepping--dat is de voortdurende verandering van wezens
en zaken--nog steeds voortduurt; dat zij ons door het tegenwoordige
over het verledene doet oordeelen, dat zij in hetgeen thans geschiedt,
ons de verklaring schenkt van wat heeft plaats gegrepen sedert het
ontstaan der aardsche nevelvlek, sedert de vorming van het protoplasma,
sedert het ontstaan van de eerste plant en het eerste dier, tot aan
den tegenwoordigen toestand der natuur. Ook de toekomst is reeds
als kiem in het heden aanwezig, zooals het heden in kiem voorkwam
in het verledene. Ons doel is bereikt, zoo wij hebben aangetoond,
dat de wereld vóór de schepping van den mensch is gewijzigd door
dezelfde oorzaken, die nog steeds onder onze oogen werken.
Bij de levende wezens is die verandering eene veredeling, eene
opklimming tot meerdere volmaking. De geschiedenis der wereld is de
stamboom van haren vooruitgang.
DERDE HOOFDSTUK
De ontwikkeling van het leven.
De devonische periode.--De geboorte der visschen.
De talrijke bewijsstukken, die wij in het vorige hoofdstuk gegeven
hebben, met het doel om den arbeid der natuur bij de voortdurende
gedaantewisseling der aarde te begrijpen, mogen ons niet uit het
oog doen verliezen, bij welk tijdperk wij geëindigd zijn in onze
beschrijving van de wereld vóór den mensen. Het vorige overzicht
heeft ons in staat gesteld, ons rekenschap te geven van den weg,
door de natuur gevolgd bij de vorming en ontwikkeling der aarde. In
de werkplaats der natuur toegelaten, ingewijd in hare geheimen,
kunnen wij den grootschen eenvoud van haren arbeid op prijs stellen,
en zien wij de langzame opklimming van het planten- en dierenrijk
tot hooger ontwikkelde vormen.
Reeds de ouden zeiden, dat de aarde de dochter is van den Oceaan, en
terecht. Wij zagen in de lauwe wateren der azoïsche periode het leven
te voorschijn treden, in den vorm van eenvoudige organismen, klonters
gelei, protisten, afgietseldiertjes, diatomeeën, wieren, bilobieten,
chondriten, mosdieren, plantdieren, poliepen, stekelhuidigen,
armpootigen, trilobieten, enz. De eerste eilanden kwamen uit de zee
naar boven, en de weekdieren en zeeplanten begonnen zich te wagen
op de eerste oevers, nog laag en vochtig, en trachtten zich in te
passen in die gewijzigde levensvoorwaarden. In de vochtige lucht,
onder eenen zwaren en lauwen dampkring, verkrijgen de varens hunnen
rijken bladerendos, en reeds ziet men op den vasten grond ringwormen,
schaaldieren en spinachtige dieren, krabben en schorpioenen.
Maar in al die millioenen jaren der laurentische, cambrische en
silurische periode bestond er op de aarde geen enkel hooger bewerktuigd
wezen. Het plantenrijk was alleen vertegenwoordigd door sporeplanten,
het dierenrijk door ongewervelde dieren. Onder al die planten geene
enkele bloem, geene enkele vrucht, geen enkele werkelijke boom;
geene roos, geene korenbloem, geene klaproos of winde; geen wilg,
geen eik, geen berk of populier; niets van datgene, wat thans de
schoonheid onzer landschappen uitmaakt. Niets dan mos, soms zeer
hoog, maar veeleer geel dan groen. En onder de dieren geen enkele
van die, welke thans de belangrijkste bevolking der aarde uitmaken,
geen viervoetig dier, geen vogel, geen kruipend dier, zelfs geen visch.
Vreemde wereld, die reeds alles, wat thans bestaat, in kiem
bevat! Reeds is het de Aarde en dus met andere eigenschappen bedeeld
dan de maan, Venus, Jupiter of Saturnus. De weg harer ontwikkeling
is gebaand.
Tot nu toe was de natuur doode stof. Bij de trilobieten begon zij
het eerst te zien: met deze opende zich het oog voor het licht, en
van stap tot stap ontwikkelde het zich om te worden het oog van den
arend, den hond, den leeuw, die aanschouwt, het oog van den man, die
denkt of de blik van de vrouw, die bemint. Tot nu toe waren ook alle
levende wezens doof; de gehoorzenuw vormt zich, trilt voor het eerst,
geeft langzamerhand het aanzijn aan het oor; het strottenhoofd en de
tong zijn ontwikkeld genoeg, zoodat tonen kunnen worden voortgebracht,
die eerst nog onduidelijk, langzamerhand meer gearticuleerd worden;
het zal gesis worden bij de slang, gebrul bij de verscheurende dieren,
gezang bij den nachtegaal, en de spraak bij den mensch, de spraak
die door haren rijkdom en hare bekoring de menschheid op den weg der
verstandsontwikkeling geleid heeft, de geschreven taal heeft geschapen,
de geschiedenis heeft gesticht, dat heerlijke erfgoed van vervlogen
eeuwen, en het menschelijke ras het karakter van zijnen adel en
zijne grootheid heeft geschonken. Het oog en het oor, zien, hooren,
en spreken! Schitterende vooruitgang bij den tijd, toen de natuur,
niettegenstaande de optrekkende duisternis en het geluid van wind
en golven, zoovele eeuwen blind en doof is gebleven! Dankbaarheid
bezielt den natuuronderzoeker en den denker jegens de eerste oogen,
thans versteend, die hier op aarde geopend zijn, jegens de eerste
wezens, die gesidderd hebben bij het geluid van storm en donder, en
getracht hebben te schreeuwen; want aan hen hebben wij onze heerlijke
zintuigen te danken.
De _devonische_ periode, de dochter en erfgename der silurische
periode, wijst op eenen verbazenden vooruitgang in de organische
wereld: de eerste gewervelde dieren verschijnen in het water, evenals
hunne ongewervelde voorgangers: het zijn _visschen_.
De visschen zijn de laagst ontwikkelde gewervelde dieren, en hunne
verschijning aan den ingang der devonische periode pleit voor de leer
van de geleidelijke ontwikkeling der levende wezens.
Hunne hersenen zijn klein en weinig ontwikkeld; hun wervelkolom is
nog rudimentair, hun zenuwstelsel weinig gevormd; de helft hunner
macht zetelt in hunnen bek; de kop is tamelijk ontwikkeld, de reuk
is zeer gevoelig, het oog ziet goed, het oor begint, verscheidene
visschen kunnen zelfs fijne geluiden onderscheiden; de stem echter
ontbreekt: de natuur is niet langer doof, doch nog steeds stom en alle
levende wezens zijn stilzwijgend. De geslachten zijn gescheiden, maar
bij die koudbloedige dieren brengt die scheiding nog niet de zoete
wet der aanraking mede. Die aantrekkingskracht is weggelegd voor de
kinderen der toekomst; de zoete liefdelust kennen zij niet. Onbekend
met de wellust, is ook kinder- of ouderliefde hun vreemd. Welk een
afstand tusschen visch en vogel! Hoeveel treden moet de natuur nog
stijgen! Iedere visch staat op zich zelf. Eten en gegeten worden:
ziedaar zijne bestemming. Het wijfje strooit duizenden eieren,
waarvan het grootste gedeelte voor den arbeid des levens verloren
gaat; zij laat ze los als een overtollige last en bekommert zich niet
om de toekomst; zij worden haar even vreemd, als waren zij uit den
hemel gevallen. Te eeniger tijd zwemt het mannetje over die eieren
heen en laat hij een bevruchtend vocht daarop vallen; hij kent ze
evenmin, het zijn niet zijne kinderen, maar die der natuur. Treurige
liefde! treurig leven!
En toch! hoever zijn de visschen niet vooruit bij de weekdieren,
die met moeite voortkropen over den bodem van het water! Hoe vrij
bewegen zij zich! Gelukkig, zegt het spreekwoord, als een visch in
het water! Dat geluk bestaat in het gevoel van vrijheid.
De eerste visschen hadden echter niet den fraaien vorm, die ons
thans zoo bekoort. Ook zij zijn veel vooruitgegaan. De oudste
versteende visschen, in de devonische formatie [13] gevonden, zijn van
beenschilden voorzien, en heeten _glansschubbigen_ (ganoïdeën); hun
beenderstelsel was onvolkomen en hun lichaam was door groote platen
en beenige schubben beveiligd, die eene schitterende kleurenpracht
vertoonden. Zijn het wel visschen, of zijn het niet familieleden van
de schaaldieren? Langen tijd is over die vraag getwist, totdat in het
jaar 1863 gebleken is, dat zij schubben bezitten. Het is trouwens
niet te verwonderen, dat uitstekende natuuronderzoekers die laag
ontwikkelde visschen tot de ongewervelde dieren brachten. Immers
gewervelde dieren moeten wervels bezitten, en de eerste fossiele
visschen vertoonen evenmin sporen van wervels als de amphyoxus uit
onze zeeën. Bij de gewervelde dieren zijn de ledematen door beenderen
aan de wervelkolom verbonden; de eerste fossiele visschen vertoonen
geen spoor van dergelijke beenderen of een inwendig been; zij hebben
alleen één of meer platen, die een schild vormen.
Zoo bevestigt zich ook hier weder de leer der langzame ontwikkeling
der wezens. Wij zagen vroeger, dat de amphyoxus, koploos gewerveld
dier, den overgang vormt van de ongewervelden tot de gewervelden: de
paleontologie is weer in volmaakte overeenstemming met de physiologie:
de visschen, de oorspronkelijke glansschubbigen, behooren tot het
type van den amphyoxus. Fig. 123-124 stellen twee visschen voor
uit die periode; zij verschillen zóózeer van alle tegenwoordige
soorten, dat het moeilijk te beslissen valt, of zij behooren tot de
beenige of kraakbeenige visschen. Zij missen wervels en inwendige
beenderen. Tevergeefs zoude men in hunnen kop de inrichting der
tegenwoordige visschen zoeken: men ziet een schild, waarin men
onmogelijk de verdeelingen van de beenderen van den schedel kan
terugvinden; zij gelijken in hunnen vorm op trilobieten. Zoo heeft de
trilobiet, de koning der zeeën uit de azoïsche periode, tot opvolger
eenen op hem gelijkenden visch, die met hem de heerschappij over de
primaire wateren deelt.
De pterichthys (fig. 124) heeft eene wervelkolom, die echter niet
verhard is; de buitenste helft van het lichaam is ingesloten in een
schild, en de pooten schijnen meer gevormd om te springen dan om te
zwemmen; de achterste helft draagt schubben en vinnen. Het is alsof het
vreemde dier uit twee deelen bestond, een voorste gedeelte, waardoor
het tot de ongewervelden zou behooren, en een achterste gedeelte,
waardoor het gewerveld is.
Men vindt ook in de devonische formaties eene meer ontwikkelde
vischsoort, den _coccosteus_. Het achterste gedeelte van het lichaam
was bloot; het voorste deel met een stevig schild bedekt. Gaudry
meent, dat die visch het achterste deel van het lichaam, dat geene
verdedigingsmiddelen bezat, in den modder verborg, en wijst op den nog
thans bestaanden Pimelodus gulio, eene Indische visch, wier lichaam
naakt is en wier kop eenen harden helm draagt; die visch begraaft
zich in den modder, wacht totdat een visch over hem heen gaat, en
doodt hem dan door eenen stevigen stoot met zijnen helm. Onder de
merkwaardigste visschen van die periode behoort ook de Holoptychus
Andersonii (fig. 127).
Belangrijk is het, de verandering van den staart der visschen te
vergelijken met die van de wervelkolom. In het eerste type (A) is de
staart enkelvoudig en neemt de wervelkolom geleidelijk af; in het
tweede type (B) is de wervelkolom omgebogen en vergroot, en is de
staart eveneens onregelmatig; in het derde type (C) is de wervelkolom
in twee takken gesplitst; daaraan hebben de tegenwoordige visschen
hunne vlugheid te danken. Hoewel sommige soorten van het eerste type in
stand gebleven zijn tot op onzen tijd (zooals de alen), zoo heerschten
zij toch oppermachtig in de primaire periode; het tweede type heerschte
in de tweede periode; het derde type kenmerkt de latere tijdperken.
In het begin van dit werk vestigden wij er de aandacht op, dat de
embryologie (de leer der ongeboren vrucht) ons de verwantschap der
wezens bewijst, door ons de gelijkenis van de menschelijke vrucht
met die der overige levende wezens voor oogen te stellen. De jonge
Agassiz heeft aangetoond: _dat de visschen van de ongeboren vrucht
tot den volwassen toestand dezelfde overgangsvormen doorloopen,
die zij doorloopen hebben van de primaire tijden tot op onzen tijd_.
De devonische periode kenmerkt zich dus door eenen beslissenden
stap in de ontwikkeling, door het optreden der eerste gewervelden,
de visschen. In de vorige hoofdstukken hebben wij de ongewervelden,
plantdieren, poliepen, stekelhuidigen, armpootigen, weekdieren,
schaaldieren enz. zien optreden. Van nu af aan worden de wateren
ook bevolkt door de visschen, trapsgewijze voortgekomen uit de
wormen. Weldra zullen wij getuige zijn van verdere ontwikkeling. De
visschen zullen het aanzijn schenken aan de tweeslachtige dieren,
deze aan de kruipende dieren, de laatste aan de vogels, en dat alles
langzaam en geleidelijk.
Tegelijkertijd, dat de eerste visschen zich in de zee ontwikkelen,
heerschen de schaaldieren en vooral de trilobieten nog, zooals zij
dit reeds eeuwen lang in de silurische periode deden. Maar toch
gevoelen zij reeds, dat zij hunne plaats moeten afstaan aan hunne
opvolgers. Noemen wij den _phacops latifrons_, die ons doet denken
aan de calymene (blz. 154). Behalve de vroeger genoemde trilobieten
vindt men in de devonische formatie den stylonurus (puntstaart),
de slimonia (naar den Schotschen geoloog Slimon), den xiphosurus
(degenstaart), de hemiaspis limuloïdes (fig. 130). Enkele van die
schaaldieren en gelede dieren bereikten verbazende afmetingen; in de
devonische terreinen van Schotland heeft men eene soort pterigotus
gevonden, die 1,80 meter lang is en dus de grootste kreeften van
onzen tijd overtreft. Opmerkelijk is het, hoe de kopaanhangsels
(fig. 131), _ma._, _1 m_, _2 m_, _mp_ de rol van pooten vervullen,
terwijl het getande grondvlak dier pooten de rol van kaken vervult!
Behalve de oorspronkelijke visschen en de groote hoeveelheid
schaaldieren waren de zeeën bevolkt met veel meer koppootige weekdieren
dan thans. Bij de typen uit de silurische periode (blz. 155) moeten
nog gevoegd worden de spiriferen, haplocrinen en calceolae, die aan
die periode bepaald eigen zijn. Wij noemen ook nog de vinpootigen,
de nautiliden en de nog zeer verspreide zeeleliën.
De dierenwereld uit het devonische tijdperk is dus slechts het vervolg
van die uit het silurische tijdperk, maar met eene duidelijke neiging
tot volmaking. Sommige soorten gaan uit het ééne naar het andere
tijdperk over; een groot aantal silurische soorten worden in het
devonische tijdperk door nieuwe vormen vertegenwoordigd; verscheidene
sterven uit, en die, welke optreden, zijn veel ingewikkelder van bouw.
Fig. 137 geeft een overzicht van den tijd, waarop ieder der genoemde
diersoorten voor het eerst voorkwam en het tijdperk, waarop zij
verdwenen. Wij zien, dat de graptolithen in het cambrische tijdperk
ontstonden en na het silurische weder uitgestorven waren, en dat de
trilobieten de permische periode niet hebben overleefd.
De insecten zijn in dienzelfden tijd verschenen, maar zij hebben,
zooals men licht begrijpt, geene versteeningen achtergelaten. Men
heeft vleugels van netvleugeligen (haften) in de devonische formatie
van Canada gevonden. Één dier voorouders, _platephemera_ genaamd,
was met uitgestrekte vleugels meer dan 20 centimeter lang, een
andere scheen tusschen de haften en waterjuffers in te liggen, en
zoo vindt men nog enkele soorten meer. Merkwaardig is het, dat het
tegelijkertijd water- en luchtinsecten zijn. Uit het feit dat in de
devonische periode netvleugelige insecten voorkomen, volgt reeds,
dat zij minder volmaakte voorgangers moeten gehad hebben. [14]
De sierlijke waternymf is niet uit eene zonnestraal geboren; zij
heeft grovere voorouders gehad. Men kan er niet aan twijfelen,
of de verschillende soorten van insecten hebben zich uit elkander
ontwikkeld. Niet alleen hunne overeenstemming, maar ook het aantal
reeds bekende soorten duidt dit aan. 376000 verschillende soorten
zouden anders paarsgewijze moeten geschapen zijn.
Zoo zijn dan de insecten verschenen, waarschijnlijk afstammende
van de ringwormen uit de azoïsche periode. Zij nemen eene snelle
vlucht en zullen zich in de volgende periode krachtig ontwikkelen,
tegelijk met de plantenwereld. Reeds beginnen de planten zich buiten
het water te gewennen in moerassen en op lage eilanden. Het vasteland
neemt trouwens langzaam toe door langzame rijzing uit het water,
en wordt met planten bedekt. Het zijn nu niet alleen meer wieren
of laag ontwikkelde planten, maar reeds verschijnen de varens, de
wolfsklauwen, de sigillaria's, de paardestaarten. Nog altijd echter
beperkt zich de plantenwereld tot de sporeplanten: dezen zijn de
alleenheerscheressen in de wateren en op de eilanden, en geen profeet
zoude nog kunnen voorspellen, welke rijkdommen voor de toekomstige
plantenwereld zijn weggelegd.
In de lagere devonische formatie, boven de silurische formatie,
waarin wij de wieren, bilobieten enz. gevonden hebben, vindt men
den psylophiton, in Canada gevonden (fig. 139). Het is eene soort
van wolfsklauw. Al die oude planten zijn, evenals de eerste dieren,
in noordelijke streken gevonden: Canada, Scandinavië, Rusland,
Engeland. Wij zullen weldra zien, dat er toen nog geene jaargetijden of
klimaten waren, en de temperatuur dezelfde was over de geheele aarde;
waarschijnlijk is dan ook in de kalme poolstreken het leven begonnen.
Iedereen kent het schaafstroo, eene plant in den vorm van harde,
bladerlooze biezen, die men aan de oevers van eenzame beken vindt. Die
plant is het type der _paardestaarten_, zoo genoemd om den vorm der
takken, die op paardehaar gelijken. De plant, die thans slechts enkele
decimeters hoog is, was in de devonische periode zeven of acht meters
hoog. Hoewel nog eene laag ontwikkelde sporeplant, nog weinig van
de oorspronkelijke wieren verwijderd (doch reeds eene landplant)
nauwelijks samengestelder dan de korstmossen, de bladmossen en
levermossen, begint toch met de paardestaart de ontwikkeling van
het plantenrijk. Het tijdperk der sporeplanten opent de rij, om
later gevolgd te worden door de zaadplanten. Onder de devonische
fossielen heeft men overblijfselen gevonden, die behoord hebben tot
paardestaarten van eene hoogte van 10 meters. Die eerste bosschen
bevatten behalve de calamiten, eene soort van reusachtig riet van
meer dan eenen millimeter middellijn cordaïten, bornia's, antholithen,
wolfsklauwen, waaronder de lepidodendrons, die in de volgende perioden
25 tot 30 meters hoogte zullen bereiken. Thans zijn de wolfsklauwen
planten met neerliggende, kruipende stengels!