Afrika aan Europa verbonden. De straat van Gibraltar heeft niet altijd
bestaan. Reeds de ouden hadden, met het oog op den symmetrischen vorm
van beide kusten, daarvan een vermoeden: volgens hen had Hercules
den doorgang tusschen den Atlantischen Oceaan en de Middellandsche
zee geopend. Sallustius beschouwt het zelfs als eene ongerijmdheid;
dat men Europa en Afrika verschillende namen heeft gegeven. Evenals
het nauw van Calais, zoo wordt ook de straat van Gibraltar wijder onder
den invloed der verschijnselen in den dampkring, de stormvloeden en de
zeestroomingen. Uit een dierkundig oogpunt kan men het oorspronkelijke
verband tusschen Afrika en Europa hieruit afleiden, dat in het noorden
van Afrika geene enkele soort van levende weekdieren gevonden wordt,
die niet ook in het zuiden van Spanje voorkomt.
De straat van Gibraltar, oudtijds bekend onder den naam van "de Zuilen
van Hercules" om de reusachtige rotsen, die beide kusten begrenzen,
wordt van eeuw tot eeuw wijder en dieper. Plinius, Pomponius Mela,
Avienus spreken van boomrijke eilanden, die haar doorsneden; er zou
zelfs een tempel gestaan hebben ter eere van Hercules. Volgens Plinius
was de kleinste breedte 10 of 11 kilometers, de grootste breedte 14
1/2 kilometer. Thans is de grootste breedte 16 kilometers. De zee
heeft de stad Belo verzwolgen, op 12 kilometers ten oosten van Tarifa,
en in de baai van Gibraltar zelf, een deel der stad Carteya.
Hoeveel landen zijn sedert het optreden der menschheid reeds
verdwenen! Allen, die de oude letteren liefhebben, hebben in Plato de
schoone bladzijden gelezen, gewijd aan de herinnering van Atlantis, dat
geheimzinnige land, dat eertijds bestond tusschen Europa en Amerika,
en waarop een vroeger menschengeslacht geleefd heeft. Zeker is het,
dat in de miocene periode de planten en dieren van Europa en Amerika
dezelfde waren, hoezeer zij ook thans mogen verschillen. Waarschijnlijk
was dus in dien tijd het verdwenen vasteland, dat zijnen naam gegeven
heeft aan den Atlantischen Oceaan, door eilanden aan Europa zoowel
als aan Amerika verbonden. De bewoners der Canarische eilanden zijn
zelfs wel eens beschouwd als de afstammelingen der oudste menschheid,
die Atlantis bewoonde.
Het eiland Madagascar is ongetwijfeld een stuk van een vastland,
onder de golven gedaald. Hoewel niet zoo ver van Afrika verwijderd,
heeft het toch geheel andere plant- en diersoorten; er komen zelfs
slangen en apen voor, die nergens anders op de aarde gevonden
worden. Hetzelfde is met het eiland Ceylon het geval. Het behoorde
ongetwijfeld met Madagascar en de Seychellen tot een oud vastland,
thans in den Indischen Oceaan ondergegaan.
De meeste Antillen schijnen te behooren tot een vastland, dat niet met
Noord Amerika in betrekking stond. Iedereen weet, dat Nieuw-Zeeland
eene geheel op zich zelf staande planten- en dierenwereld bezit. Noch
de levende soorten, noch de fossielen komen overeen met die van
Australië of Zuid-Amerika.
Naar de zoo merkwaardige versteeningen, te Pikermi gevonden:
hipparion's, antilopen, giraffen, mastodonten, rhinocerossen,
dinotheriums, machaerodonten, te oordeelen, is Griekenland het
overblijfsel van een oud vastland, dat uitgestrekte bosschen en
overvloedige weilanden bezat, en dat zich tot Afrika uitstrekte over
de streken, thans aangewezen door de eilanden van den Griekschen
Archipel en de Zee van Kandia.
Alles verandert met grootere of kleinere snelheid. Wie kent niet bij
name den prachtigen waterval van de Niagara! Deze levert een prachtig
voorbeeld van de langzame uitholling eener diepe vallei in het harde
gesteente. De rivier stroomt over eene hooge bergvlakte, waarin het
bekken van het Eriemeer eene uitholling vormt. Het gedeelte, waar
de rivier uit het meer komt, is meer dan 1600 meters breed en ligt
meer dan 100 meters boven het Ontariomeer, dat 48 kilometers daarvan
verwijderd is. Als de Niagara het Eriemeer verlaat, op de 25 eerste
kilometers van haren loop, wordt zij begrensd door oevers, die bijna
even hoog liggen als het aangrenzend land, ten westen opper-Canada
en ten oosten de staat New-York; de oevers zijn daar nergens meer
dan 9 of 12 meters boven de oppervlakte van het land. De rivier,
op sommige plaatsen 4800 meters breed, en op verschillende plaatsen
doorsneden door lage, en boomrijke eilanden, vormt eenen helderen
en rustigen stroom; het verval bedraagt slechts 4,50 meters op eene
uitgestrektheid van verscheidene kilometers; de rivier gelijkt in dat
gedeelte van haren loop op eenen arm van het Eriemeer. Maar spoedig
verandert zij van karakter, en zoodra zij den waterval nadert, loopt
zij schuimend over eene bedding van steenachtige en oneffen kalksteen,
en doorloopt zij zoo eenen weg van omstreeks 1600 meters, totdat zij
eindelijk, aan den waterval gekomen, vertikaal neervalt van eene hoogte
van 50 meters. Een eiland, aan den rand van den val gelegen, verdeelt
de Niagara in twee watervlakten; de grootste is 530, de kleinste 180
meters breed. Nadat het water zich gestort heeft in een diep bekken,
stroomt het met groote snelheid in een nauw kanaal met groote helling
over eene uitgestrektheid van elf kilometers. Die bergkloof, die
slechts van 200 tot 400 meters breed is, en van 60 tot 90 meters diep,
eindigt plotseling te Queenstown in eene lange rij van rotssteilten
tegenover den oever van het Ontariomeer. Zoodra de Niagara die engte
voorbij is, komt zij in eene vlakte, die zóó weinig hooger ligt dan
het Ontariomeer, dat de elf kilometers, begrepen tusschen Queenstown en
de oevers van dat meer, slechts een verval hebben van 12 centimeters.
Een blik op dien waterval wijst reeds op eene voortdurende verwoesting;
het gedeelte van het bekken, dat in de laatste 150 jaren ontstaan is,
en dat in diepte, breedte en aard overeenkomt met het overige deel
van de engte, die zich beneden uitstrekt over eene lengte van elf
kilometers, doet ons besluiten, dat de geheele bergkloof op dezelfde
wijze gegraven is, door teruggang van den waterval.
In het jaar 1885 heeft Wesson nagegaan, hoeveel de waterval teruggaat,
nadat reeds Bakewell in 1829 en Lyell in 1841 hetzelfde hadden
gedaan. Fig. 114 geeft de merklijnen van dien teruggang aan, volgens
de officieele kaart der Vereenigde Staten van Amerika. Die teruggang
is niet regelmatig; maar van 1842 tot 1883 bedraagt hij 77 meters, of
gemiddeld 1,88 meter 's jaars. Naar dien maatstaf zoude de waterval
eerst voor 6000 jaren begonnen zijn terug te gaan, te beginnen bij
Queenstown. Lyell had over eene kleinere uitgestrektheid voor dien
teruggang 0,30 meters 's jaars gevonden, hetgeen dus op eenen tijd
van 35000 jaren zoude wijzen. Eertijds stroomde de rivier in eene
andere bedding, waarvan men de sporen niet ver van de tegenwoordige
bedding terugvindt.
Deze veranderingen gaan ongemerkt voorbij voor den mensch, waarnemer
van éénen dag, omdat ons leven te kort is en onze tijd in beslag
wordt genomen door andere, minder belangrijke onderwerpen.
Wij zagen zooeven, dat alle bergen langzaam verweren onder den invloed
van den dampkring. Dit blijkt duidelijk, zoodra wij oude historische
herinneringen raadplegen. Zoo vraagt hij, die voor het eerst Rome, "de
stad der zeven heuvelen" bezoekt, waar de zeven heuvelen zijn. Zij zijn
gedaald, hunne overblijfselen hebben de valleien, die er tusschen lagen
(vooral het Forum) gevuld, en het zijn thans slechts nietige hoogten.
In praehistorische tijden was de Seine eene veel breedere rivier dan
thans. Te Parijs was zij verscheidene kilometers breed en 37 meters
hooger dan thans.
Voortdurende verandering! Hier graaft het water den bodem uit, daar
verhoogt het den bodem weder, door het slib af te zetten, dat bij
groote overstroomingen is aangevoerd, of door eene bedding te vormen
uit de bouwstoffen, door den regen aan de bergen ontnomen.
In de schoone golf van Napels, op dien tooverachtigen oever, waar
de geschiedkundige herinneringen, zich parend aan de schoonheden
der natuur, ons zooveel te denken geven, vindt men te midden der
puinhoopen van Pozzuoli den ouden tempel van Jupiter Serapis, een
merkwaardig getuigenis van de veranderlijkheid van den bodem. Die
tempel, omstreeks 105 vóór Christus gebouwd, aan de kust der zee,
maar ver boven den waterspiegel, en door Septimius Severus met
kostbaar marmer versierd tusschen de jaren 194 en 211 na Christus,
later weder door Severus Alexander tusschen 222 en 235 verfraaid,
werd door Alarik in 410 en door Genserik in 445 verwoest. De bodem,
waarop die tempel gebouwd is, is onder den waterspiegel gedaald. De
drie prachtige marmeren zuilen, die er nog van over zijn, elk bestaande
uit één enkel blok van 12,5 meter hoogte, zijn zóóver gedaald, dat zij
nog slechts 6,30 meter hoog zijn. Deze daling heeft plaats gehad in
de middeleeuwen en is geëindigd in de XVde eeuw; het bovengedeelte
van de ondergedompelde zuilen is over eene hoogte van 2,70 meter
door steenetende weekdieren, die toen evenals thans in zee leefden,
aangetast, zoodat zij bezaaid zijn met kleine gaten, waarin men nog
thans hunne schelpen vindt. Die gaatjes zijn zóó diep, dat zij wijzen
op een langdurig verblijf van die diertjes in de zuilen, want naarmate
de dieren ouder en grooter worden, vergrooten zij hunne woning. Het
ondergedeelte der zuilen is niet aangetast, omdat dit in den bodem
der zee was ingedrongen, en tot eene hoogte van 3,60 meters bedekt
was met modder en vulkanische slakken.
Op het einde der 15de eeuw begon diezelfde bodem weder langzaam
te rijzen. In eene oorkonde van October 1503 staat geschreven, dat
Ferdinand en Isabella aan de hoogeschool te Pozzuoli een gedeelte
afstaan van de streek, waar de zee van terugwijkt; na dien tijd
kan men in de oorkonden die langzame rijzing volgen. In 1749 was de
tempel geheel uit het water te voorschijn getreden, en het omringende
land drooggeworden. In 1807 zag de bouwkundige, die belast was met
de herstelling der puinhoopen, nooit water op de straat, behalve
wanneer de zuidewind hevig waaide. Maar de grond begon toch weer
te dalen. Van 1822 tot 1838 bedroeg die daling 25 millimeters in
de vier jaren, zoodat men in 1838 dagelijks visch ving op plaatsen,
waar in 1807 bij stil weder nooit een druppel water stond. In 1857
en 1858 vond Lyell, dat er 0,60 meter water op de straat stond. Nog
steeds daalt de bodem. Die merkwaardige schommelingen in den bodem,
door den tempel van Serapis zoo duidelijk voor den dag komend, zijn
in die geheele streek zichtbaar. Zoo zijn te Pozzuoli zelf de tempel
van Neptunus en die der Nymfen onder water; hetzelfde is met twee
Romeinsche wegen het geval; langs de kust vindt men overal schelpen,
en aan de andere zijde van Napels, te Sorrente, heeft men op eene
zekere diepte onder zee stukken van Romeinsche gebouwen gevonden. Op
het eiland Capri (het beroemde Capua der ouden) is één der paleizen
van Tiberius door het water bedekt.
Men mag met Babbage en Lyell aannemen, dat de warmte op de ééne of
andere wijze de oorzaak is van de verschijnselen, die de verandering
in de hoogte van den tempel bepalen. De warme bron van dien tempel, de
onmiddellijke nabijheid van den Solfatare en de Monte-Nuova, de warme
bronnen van Nero, op de tegenover gelegen kust van de golf van Baja,
de kokende bronnen, de oude vulkanen van Ischia en de Vesuvius, ziedaar
een aantal omstandigheden, die dit vermoeden wettigen. Vergelijkt men
toch de dagteekening der voornaamste schommelingen met de geschiedenis
dezer landstreek, dan is een zeker verband niet te miskennen tusschen
iedere rijzing en eene plaatselijke ontwikkeling van vulkanische
warmte, terwijl iedere periode van daling samenvalt met eenen toestand
van rust in den onderaardschen vuurhaard. Zóó lag bij voorbeeld,
vóór onze jaartelling, toen de talrijke vulkanen van Ischia hunne
uitbarstingen deden gevoelen, en de Phlegreïsche velden bekend waren
wegens hun vulkanisch karakter, de bodem, waarop de tempel van Serapis
rust, hoog boven het water. Toen werd de Vesuvius als een uitgedoofde
krater beschouwd; maar toen in de eerste eeuw na Christus die vulkaan
weder tot uitbarsting kwam, kon men geene enkele uitbarsting meer
op het eiland Ischia of in de golf van Baja aanwijzen. Toen was de
tempel aan het dalen. In de vijf eeuwen, die de groote uitbarsting
van den Vesuvius van 1631 voorafgingen, was de vulkaan zeer rustig,
maar toen had men uitbarstingen te Solfatare in 1198, te Ischia in
1302, terwijl de Monte-Nuovo in 1538 ontstond. In die periode rees
de bodem van den tempel weder. Eindelijk begon de Vesuvius weer te
werken, zooals nog steeds het geval is, en na dien tijd daalt de
bodem van den tempel weer.
Deze verschijnselen komen overeen met de onderstelling, dat zoodra er
zich bij toeneming der inwendige warmte lava vormt, zonder dat deze
eenen gemakkelijken uitweg vindt, de omringende bodem rijst; terwijl
diezelfde bodem daalt, zoodra de rotsen, daaronder gelegen, afkoelen en
zich samentrekken, en de lava langzaam vast wordt en in volume afneemt.
De Monte-Nuovo, die merkwaardige berg, wiens hoogte 132 meters en
wiens omtrek aan den voet 2400 meters bedraagt, en die in ééne
nacht ontstond op de plek van het oude Lucrinische meer, is uit
een geologisch oogpunt zeer belangrijk. Gedurende 492 jaren was
de Vesuvius betrekkelijk rustig geweest (terwijl de Etna juist
bijzonder krachtig werkzaam was) en nog bijna honderd jaren daarna
had er geene uitbarsting plaats. Den 29sten September 1538, rees,
na twee dagen van aanhoudende aardbevingen, de kust zóóveel, dat
de zee over eenen weg van tweehonderd schreden terugging. In den
namiddag zag men op de plaats, waar thans de Monte-Nuovo staat, den
grond eerst vier meters inzakken en daarna rijzen; na eenige uren
opende zich de grond en spuwde hij vuur, asch en steenen uit. Des
avonds braakte de grond, evenals een vulkaan, met gevaarlijk geraas,
groote steenblokken uit. De geheele streek werd bedekt onder eenen
regen van puimsteen en asch. Twee ooggetuigen, die elkander niet
kenden, en wier handschriften eerst veel later zijn teruggevonden,
deelen mede, dat de nieuwe vulkaan tot op 2400 meters aardmassa's en
steenen opwierp zoo groot als ossen. Den volgenden morgen zag men,
dat een hooge berg uit den grond was opgerezen. De uitbarsting duurde
onafgebroken twee dagen en twee nachten voort; toen men na afloop der
uitbarsting den nieuwen berg besteeg, zag men op den top eenen krater
van 400 meters omtrek; de steenen, die daarin neergevallen waren,
geleken op blazen, die uit kokend water losraken. Den vierden dag
begon de uitbarsting weer, en den zevenden dag was zij zóó hevig,
dat verscheidene personen, die op den berg waren, door de steenen
gedood werden of door den rook verstikten. Merkwaardig is het,
dat de krater inwendig tot aan den voet van den berg doorloopt:
het benedenvlak, op 126 meters van den top, ligt slechts op 5,70
meters van de oppervlakte der zee verwijderd. Het is een krater,
die overeenkomt met die op de maan.
Die geheele streek is van vulkanischen aard. Daar was, zooals men weet,
volgens Virgilius de onderwereld gelegen (Phlegreïsche velden). Men
vindt daar het meer van Averno, de Solfatare, de Sibyllijnsche grot,
enz. Ook vindt men daar de beroemde Hondsgrot, waarin een hond verstikt
wordt door het onzichtbare koolzuur, dat tot op één voet van den
bodem stijgt, terwijl de mensen gewone dampkringslucht ademt. Daar
vindt men ook de zweetbaden van Nero, een gang in den berg, waarvan
de temperatuur 55° bedraagt: een jongen gaat naakt met eenen leegen
emmer en rauwe eieren in de gaanderij en komt na drie minuten terug,
met den emmer vol warm water, de eieren gekookt, en het lichaam zoo
rood als een kreeft. Ook de Solfatare is zóó hol, dat de grond tot
op eenen grooten afstand beeft, als men er met den voet op trapt.
Ten slotte wijzen wij nog op de verwoestingen, door de vulkanen en
de aardbevingen aangericht; in het jaar 79, toen Pompeji, Herculanum
en Stabia verwoest werden, en op de verwoesting van Ischia (1883).
Bij al deze oorzaken van verwoesting moeten wij nog de stormen
voegen. Onophoudelijk werken zij mede tot de vernieling der
kusten. Duidelijk komt dit uit aan de kusten van den Atlantischen
Oceaan. Bij donkeren hemel en hevigen wind, ziet men het heir
der schuimende golven uit de zee opkomen en de rotsen beuken. Zij
storten vooruit, botsen tegen elkander, werpen zich met blinde woede
op de klippen. Alles wat van de klip kan losgemaakt worden, wordt
weggespoeld, vermorzeld en medegesleurd, en een naakt geraamte met
fantastische vormen blijft over. De rotsen zelf worden tot keisteenen
vermalen, als zij het water niet doorlaten. De brokstukken zelf worden
door de golven gebruikt als geschut tegen de muren. Als de golven
onmiddellijk tegen den voet der rotssteilte kunnen aanstroomen,
dan rammeien zij die rotsen, zooals eertijds de stormrammen de
oude vestingmuren rammeiden, en brengen zij den berg zelf aan het
wankelen. De kracht der golven bij eenen storm is verbazend. Door de
klippen en hindernissen geprikkeld, stijgen zij dikwijls tot 20, 50 of
100 meters tegen de rotsen op als schuimend stof, dat in de lucht weer
neervalt. Men heeft dikwijls drukkingen waargenomen van 35000 kilogram
op éénen vierkanten meter. Ontzaglijke steenblokken, als beschutting
tegen de dijken geplaatst, die duizenden kilogrammen wegen, worden
voortgerold en zelfs weggeslingerd ten speelbal van den woedenden
storm; te Cherbourg is het zwaarste vestinggeschut verplaatst. Tot op
1500 meters afstand kan men met gevoelige werktuigen het beven van
den grond aantoonen. Een ieder kent het spreekwoord: _Gutta cavat
lapidem, non vi, sed saepe cadendo_, de waterdruppel holt den steen
uit, niet met geweld, maar door dikwijls te vallen. Het regenwater
verandert den bodem, graaft afgronden, veroorzaakt ophoopingen van
grond en aardschuivingen, en dat alles door zijne weekmakende en
oplossende werking.
Te Lons-le-Saulnier hebben aanhoudend, o.a. in 1703, 1712, 1738,
1792, 1814, 1836 en 1848 aardstortingen plaats gehad. Het schijnt,
dat eene soort van onderaardsche rivier onder de stad doorloopt en
langzamerhand de mergel ondermijnt. In 1792 verdween plotseling een
molen, huizen daalden in eenen afgrond neer en werden met 15 meters
water bedekt. Toen men den afgrond wilde vullen, teneinde de naburige
straten te beveiligen, wierp men er 15711 karrevrachten puin in,
zonder hem te kunnen vullen.
Een ander merkwaardig voorbeeld van de werking van het water is
opgemerkt in Georgia bij Milledgevile. Toen Lyell in 1846 die streek
bezocht, merkte hij op, dat het water in 20 jaren eene bergkloof had
gegraven van 16 meters diepte tegen 54 meters breedte en 300 meters
lengte, en dat wel in een terrein, dat eertijds boomrijk, nooit eenige
merkbare verandering had ondergaan. Toen de boomen geveld waren,
ontstonden er spleten van negen centimeters in de klei, tengevolge
van de zomerwarmte; in den regentijd begon het water de spleet te
verwijden. Zóó werd langzamerhand die breede bergkloof gevormd. Een
nauwkeurig onderzoek, in het jaar 1885 in de Vereenigde Staten gedaan,
heeft aangetoond, dat het regenwater jaarlijks 385 kilogram per hectare
aan de berghellingen ontneemt, om het weg te voeren in de valleien,
rivieren en in de zee.
En wat te zeggen van de bergstortingen, door het water
veroorzaakt? Steile en vooroverhangende rotsen, die boven de velden
hingen, raken plotseling los en glijden langs de hellingen af;
neerstortend doen zij stofwolken opstijgen, die gelijken op de asch,
door vulkanen uitgeworpen; de geheele vallei is in duisternis gehuld,
de grond dreunt onder het botsen en stooten der rotsblokken. Als de
duisternis is opgetrokken, dan ziet men puinhoopen en rotsblokken,
dáár waar eertijds groene weiden en vruchtbare akkers gelegen waren;
de bergstroom is in eenen modderpoel veranderd, en de muur van rotsen
heeft zijnen ouden vorm verloren.
Bekend is de bergstorting, waarbij de oude Romeinsche stad Velleja
in de 6de eeuw verzwolgen werd; het groot aantal beenderen, munten
en kostbaarheden, die men in de puinhoopen gevonden heeft, bewijzen,
dat de bevolking geenen tijd gehad heeft, te vluchten. Zoo werd ook het
kasteel Tauretunum en het naburige dorp, aan den zuidelijken oever van
het meer van Genève in 563 door eene neerstorting van rotsen verwoest;
de golven, die ontstonden door het neerstorten der steenen in het meer,
verwoestten zelfs aan den anderen oever alle woningen; alle steden
der kust werden verwoest en eerst eene halve eeuw later opgebouwd:
zelfs Genève werd gedeeltelijk door het water bedekt. [12]
Vreeselijk waren de gevolgen van het neerstorten van een deel van
den Rossberg, den 2den September 1806. Die berg, ten noorden van
de Rigi gelegen, in het midden van het schiereiland, begrensd door
de meren van Zug, Egeri en Lowerz, bestaat uit lagen van stevig
samengepakte stoffen, op eene kleibedding rustend, die door het water
ondermijnd wordt. Reeds op een onbekend tijdstip was het dorp Rotten
door de instorting van eenen bergwand verwoest; maar in 1806 was de
vernieling nog veel ontzettender. Het had langen tijd geregend, en de
kleilagen waren langzamerhand in eene modderachtige massa veranderd;
eindelijk begonnen de bovenste rotsen, nu zij haren steun misten,
langs de helling af te glijden. Plotseling stortte de geheele massa,
met hare bosschen, weiden, hutten en bewoners in de vlakte neer;
de tegen elkander botsende rotsen sloegen vlammen uit; het water
der diepe lagen, plotseling in damp veranderd, spoot uit den grond,
en ontzettende massa's steen en modder werden als uit den mond van
eenen vulkaan uitgeworpen. De prachtige buitenplaatsen van Goldau en
vier dorpen, door omstreeks duizend menschen bewoond, verdwenen onder
de puinhoopen, en de woedende golf, door het storten van het puin in
het meer van Lowerz tot eene hoogte van twintig meters opgeheven,
vaagde alle woningen weg. Het gedeelte van den berg, dat ingestort
was, was vier kilometers lang, 320 meters breed en 32 meters hoog,
d. i. 40 millioen cubieke meters.
Minder hevig was de bergstorting, die in het jaar 1881 de helft van
het dorpje Elm in Zwitserland vernielde. Deze ramp was het gevolg
van onvoorzichtigheid. Gedurende eeuwen waren leigroeven gegraven,
in eene vooruitstekende rots, zonder dat men zich de moeite gaf de
rots te schoren. Reeds vóór de instorting verwachtte men het onheil:
er had zich in den grond boven de groeve eene spleet gevormd, die
jaarlijks breeder en dieper werd. Eindelijk brak de grond door:
tien millioen cubieke meters steen stortten zich uit over het dorp
Unterthal en stootten tegen eenen daar tegenover gelegen berg aan,
die de ontzettende massa steenen weer in de vlakte terugkaatste.
Zoo zien wij, hoe de verschijnselen in den dampkring, het ijs en
de bergstroomen de onvermoeibare werklieden zijn, die een geheel
net van gangen, engten, valleien in de bergen gevormd hebben. Die
werklieden verlagen nog steeds de hooge toppen der bergen en voeren
de bouwstoffen, aan de hellingen ontnomen, naar de vlakten en naar zee.
Ook de temperatuur werkt op den bodem; over dag zetten de stoffen uit
onder den invloed der zonnewarmte, des nachts krimpen zij in door
de uitstraling, zoodat de geheele massa rijst en daalt; het bedrag
dier verandering is dikwijls meetbaar. De sterrenwachten te Armagh,
in Ierland, te Grenève, te Neuchatel staan, blijkens de waarnemingen,
daar gedaan, niet volkomen stil, maar schommelen naar gelang van
het jaargetijde; die te Neuchatel helt bovendien langzamerhand
naar het westen over door eene verschuiving van den grond. Indien
men bij sterrenwachten zoodanige schommelingen waarneemt, dan is
dit niet het gevolg van mindere stevigheid van den grond, waarop
die gebouwen geplaatst zijn, maar eenvoudig van de nauwkeurigheid
der waarnemingen, die op zoodanige inrichtingen worden volbracht,
en die den sterrenkundige in staat stellen, de geringste afwijkingen
aan te toonen.