10 000 slachtoffers.
In 1531, vergrooting van de Haarlemmermeer.
In 1717, nieuwe overstrooming, 12 000 slachtoffers, de grond
is tien meters onder de vloedlijn gedaald.
In 1775 overstrooming en tal van rampen, enz.
De kronieken van Nederland bevatten de treurigste verhalen van die
vreeselijke werking der zee op eenen steeds dalenden bodem. In de jaren
1421, 1427 en 1446 werden meer dan tweehonderd dorpen van Friesland
en Zeeland verzwolgen. Langen tijd zag men de spitsen der torens boven
het water uitsteken. Het eiland der Batavieren, reeds tijdens Tacitus
bewoond, ligt thans onder de laagwaterlijn. Bij hevige westerstormen
staan de golven op de Hollandsche kust 5 1/2 meter boven de straten
van Amsterdam.
De Zuiderzee, die eene oppervlakte heeft van 196 670 hectaren en
eene diepte heeft van 1 tot 8 meters, is eerst in de dertiende
eeuw ontstaan. De tijd is waarschijnlijk niet meer ver af, dat
menschenhanden haar zullen droog maken en dienstbaar zullen maken
aan den landbouw, zooals dit ook geschied is met de Haarlemmermeer,
die 21 kilometers lang en 10 kilometers breed was en 724 millioen
cubieke meters water bevatte. Ten tijde van Tacitus was de Zuiderzee
vast land met enkele meren, waarvan het grootste het meer Flevo
was. Toen stroomde de IJsel daar doorheen, en stortte zich deze,
zijnen loop vervolgende, tusschen Vlieland en Terschelling in zee.
Dezelfde verschijnselen als aan de Nederlandsche kusten neemt men
ook waar aan den mond der Gironde. Men behoeft slechts de kaarten
van het jaar 1752 met die van 1842 te vergelijken, om te zien, dat
de zee daar in dien tijd 1200 meters is vooruitgegaan. In 1774 was
de vloedlijn te Soulac 950 meters van de kerk verwijderd, in 1865
nog slechts 560 meters.
De rots van Cordouan maakte eertijds deel uit van het vaste land;
in het jaar 1500 was zij er bij laag water alleen door eene nauwe
en doorwaadbare geul van gescheiden. Thans is zij zeven kilometers
van de kust verwijderd en men kan alleen bij laag water den toren
bereiken. Zelfs kan men wiskundig aantoonen, hoeveel de jaarlijksche
daling bedraagt. Immers door de daling van den bodem heeft men
den vuurtoren moeten verhoogen, opdat het licht over dezelfde
uitgestrektheid zichtbaar zoude zijn als eene eeuw geleden. De daling
bedraagt drie meters in de eeuw. Hier heeft echter ook het inbijten
van het zeewater zich met de daling van den bodem vereenigd.
Het eiland Aix, tegenover Rochefort, is in het jaar 1400 van Rochefort
losgeraakt; thans ligt het er verscheidene kilometers van verwijderd.
Hetzelfde is het geval met Arcachon, en op de kust van Landes
tot aan Spanje. Zeer merkbaar is die vooruitschuiving der zee te
Saint-Jean-de-Luz. De stad strekte zich eertijds noordwaarts uit: een
klooster der Benedictijnen, dat daar vroeger stond, is thans onder
het water bedolven en verwoest, met uitzondering van twee putten,
wier metselwerk weerstand heeft geboden aan het water, en waaruit men
nog zoet water putten kan. Jaarlijks gaat de zee twee meters vooruit.
In de Middellandsche zee, aan het uiteinde der Adriatische zee,
is Venetië een voorbeeld van de langzame daling van den bodem: deze
bedraagt 0,155 meter in de eeuw. Het plaveisel van het Marco-plein,
dat reeds eenmaal is opgehoogd, wordt van tijd tot tijd overstroomd
door het water dat bij springvloed doorsijpelt. Het is dus zeker, dat
de bodem van Nederland, België, Normandië, Bretagne en een gedeelte
van de Fransche kust van den Atlantischen Oceaan daalt. Hoeveel
bedraagt die daling? Sommigen schatten die op 2 meters in de eeuw,
en beweren, dat Normandië en Bretagne in tien eeuwen 20 meters zullen
gedaald zijn, dat alle havens aan het kanaal en aan den Oceaan zullen
verwoest worden, en dat later Parijs eene zeestad zal worden, om nog
later, over een twintigtal eeuwen, onder het water te verdwijnen;
anderen daarentegen zijn van meening, dat dit nog wel zevenmaal langer
zal duren. Het is echter slechts eene vraag van tijd. _Het feit_ op
zichzelf is niet betwistbaar. Over eenige eeuwen zal Parijs zeehaven
geworden zijn, uitsluitend door de krachten der natuur, later zal
diezelfde streek langzaam onder de zee verdwijnen, tenzij ten minste
die daling ophoude en er eene rijzing op volgt, wat mogelijk is,
maar volstrekt niet zeker.
De Seine is te Parijs slechts 26 meters boven den gemiddelden
waterspiegel der zee gelegen. In toekomstige eeuwen zullen het
Pantheon, de sterrenwacht, de Triomfboog, de toekomstige gebouwen
van Montmartre, Père-Lachaise en Mont-Valérien boven de zee
uitsteken als de laatste getuigen van vervlogen eeuwen. Maar het is
hoogstwaarschijnlijk, dat die heerlijke stad niet zoolang leven zal,
en dat zij over vier- vijf- of zesduizend jaren reeds vergeten zal
zijn, als de brandpunten der beschaving zich naar gene zijde van den
Atlantischen Oceaan zullen hebben verplaatst.
Wat Holland, de baai St.-Michel, Venetië, Cordouan en andere betreft,
valt er aan het dalen van den bodem niet te twijfelen. In andere
gevallen komt nog bij die daling de verwering der kusten door de golven
der zee. Somtijds ook, zooals bij Kaap la Hève is de uitbreiding van
de zee alleen het gevolg van het knagen aan de kusten, zonder dat
de bodem gedaald is. Overal waar de rotsen ondermijnd worden door
het water, wordt de kust weggebeten. In Engeland vindt men daarvan
een aantal voorbeelden. Het eiland Sheppey in Kent, verliest meer
dan eene hectare in het jaar, en als dit zoo voortgaat, is de tijd
niet ver meer verwijderd, dat het geheele eiland verdwenen is. Verder
oostwaarts ziet men de kerk van Reculver, die ten tijde van Hendrik
VIII op 1600 meters van de zee verwijderd was. In 1781 was er nog een
aanzienlijke afstand tusschen den muur van het kerkhof en de klip;
in 1804 werd een deel van het kerkhof bedolven; in 1834 vond Lyell
menschenbeenderen en een stuk van eene houten doodkist, die uit de
ingestorte glooiing uitstak, thans blijft de kerk alleen staan door
eenen kunstmatigen dijk van steenen en palen, die haar beschermt
(fig. 110 en 111).
Op de kust van Suffolk is de stad Dunwich, eertijds de belangrijkste
haven van die streek, door het inwerken van het water op de rotsen,
waarop zij gebouwd was, geheel verwoest. De verwoesting begon in de
11de en is in de 18de eeuw voleindigd.
Te Harwich, Folkestone, St. Leonard, Hastings, New-Haven wordt de
kust door de zee afgeknaagd, die op verschillende punten meer dan
honderd meters in de eeuw vooruitgaat. Men houdt met die afneming
der Engelsche kusten op sommige plaatsen zóózeer rekening, dat men
ze bij koopactes schat op 1 meter in het jaar.
Ook in Turkije, b.v. te Gallipoli, knaagt de zee aan de
rotsen. Dikwijls kan de mensch die verwoesting der klippen in bedwang
houden door de golven te beletten, tot den voet der steilte door
te dringen. Niet ver van Dover verheft zich de beroemde klip, die
de Engelschen aan Shakespeare gewijd hebben ter herinnering aan de
schoone beschrijving, door hem daarvan in "King Lear" gegeven. Om
die historische plek, de rotsen en de daarop gebouwde huizen, den
spoortrein, te beschermen, heeft men door mijngangen het geheele
bovenste deel der rots, wier voet verteerd was, laten springen. Door
middel van 9 000 kilogram kruit heeft men één milliard kilogram
verbrijzeld en doen neêrstorten, welke massa eene bank vormt van
zeven tot acht hectaren, die door hare glooiing in de eerste eeuwen
de verwoesting der rots belet, welke reeds gedurende achttien eeuwen
over eene lengte van twee kilometers afgeknaagd was.
Kan men reeds van geslacht tot geslacht en zelfs van jaar tot jaar
dat knagen der zee volgen bij klippen op het vasteland gelegen,
des te sterker komt dit uit op eilanden. Enkele sterk glooiende
eilanden, die vroeger eene groote uitgestrektheid hadden, zijn bijna
geheel verdwenen. Zoo kan men in de Noordzee het eiland Helgoland
noemen, dat bestaat uit bonte zandsteen, en dat over zijnen geheelen
omtrek omgeven is door eene rotssteilte van 60 meters hoogte. In
de elfde eeuw strekte het zich uit over eene oppervlakte van 900
vierkante kilometers, was het zeer vruchtbaar, en rijk aan graan,
vee en pluimgedierte. Thans is er nog slechts eene bank over van 2
kilometers lengte en 600 meters breedte, en vindt men er onvruchtbare
weilanden en enkele aardappelvelden. Zoo zouden wij nog een groot
aantal voorbeelden kunnen noemen.
Indien eenerzijds de zee aan het vasteland knaagt, kunnen wij
anderzijds voorbeelden genoeg vinden, hoe het vasteland aanwint
ten koste van de zee. Wij hebben reeds gesproken over de monden der
rivieren en zullen thans enkele voorbeelden geven van de rijzing van
den bodem.
In Bretagne vormden het vlek Batz tusschen de Loire en de Vilaine, le
Croisic en Pouliguen, eertijds een eiland. Langzamerhand is de ruimte
tusschen het eiland en het vasteland in eene moeras veranderd. Strabo
verhaalt, dat dit eiland bewoond werd door Samnitische priesteressen,
die daar eenen wreeden en onzinnigen godsdienst uitoefenden. De
zoutmoerassen zijn door de zee verlaten.
Te Carnac wijkt de zee terug, te Hennebont eveneens; te Brouage,
niet ver van Rochefort, is de zee teruggeweken en heeft zij plaats
gemaakt voor zoutpoelen. De vrachtdieren worden thans vastgemaakt aan
dezelfde ringen, waaraan tijdens het beleg van La Rochelle (1627)
de schepen van Richelieu bevestigd werden. Het stadje Brouage,
dat thans om zijne ongezonde ligging verlaten is, krijgt in zijne
grachten alleen bij springvloed water.
In Rochefort zijn de scheepshellingen, die ten tijde van Lodewijk XIV
vervaardigd zijn, thans 1,25 meter te hoog; in de zoutpoelen daar ter
plaatse bemerkt men, dat van jaar tot jaar de bodem rijst, en moet
men, om het water te doen binnenstroomen, dat het zout moet leveren,
meer en meer tot de kust naderen, en de oude verdampingsbekkens laten
liggen, die nu eene breede strook vormen achter de thans in gebruik
zijnde bekkens.
Ten zuiden van den mond der Loire vindt men het eiland Noirmontiers,
eertijds een op zich zelf staand eiland, thans bij eb aan het land
verbonden. De gemeente Bourgneuf heeft in honderd jaren 500 hectaren
aangewonnen. De baai van Aiguillon schijnt het overblijfsel te zijn
van de oude golf van Poitou, die zich tot Niort, Luçon en Courçon
uitstrekte; aanslibbingen en misschien ook eene rijzing van de kust
hebben in betrekkelijk korten tijd eene landaanwinst van 500 000
hectaren geleverd: men berekent, dat de zee jaarlijks dertig hectaren
afstaat; blijft dit zoo voortduren, dan is van de geheele golf van
Poitou over honderd jaren niets meer over.
Op de kust der Vendée, bij Aiguillon, bezaten de monniken van
Saint-Michel-en-l'Herm een onmetelijk terrein met visscherijen en
paardenstoeterijen, die honderdduizenden guldens jaarlijks opbrachten;
daar zij wenschten de landaanwinningen voor zich te behouden en
vreesden, dat de koning hun die vermeerdering zoude betwisten, luidden
hunne eigendomstitels: _in het westen tot aan Amerika_. Men ziet,
dat zij de noodige voorzorgsmaatregelen genomen hadden. Hendrik IV
durfde des avonds bij stormweder niet over te steken naar het eiland
Noirmoutiers, hoewel die overtocht thans bij elk mogelijk weder op
paarden of ezels geschiedt.
Bij al die oorzaken van verandering der kusten moeten wij nog de
zandduinen voegen, door den zeewind voortgestuwd. Op de kust van de
Landes in Gascogne brengt de zee jaarlijks 6 millioen cubieke meters
zand aan! Dat zand, door den wind voortgedreven, vormt heuvels,
somtijds bergen. Er zijn er van 80 tot 90 meters hoogte. In Afrika,
op de lage zandoevers, waar de Oceaan aan de Sahara grenst, bereiken
de duinen van kaap Bojador en kaap Verde dikwijls eene hoogte van
120 tot 180 meters. Men heeft van eeuw tot eeuw dorpen zien bedelven
onder het fijne stof. In Gascogne zijn de dorpen Lislan en Lélos
geheel verdwenen. Het dorpje Mimizan is nog bijtijds gered door
palen en beplantingen. Sommige duinen verplaatsen zich 20 tot 25
meters jaarlijks. De mensch houdt ze thans tegen door beplantingen,
die den wind geen vat geven.
Indien de zeewind en de landwind gemiddeld met elkander evenwicht
maken, blijven de duinen op hunne plaats; wat zij den éénen dag winnen,
verliezen zij den volgenden dag. Maar indien de zeewind de overhand
heeft, breiden zij zich hoe langer zoo verder uit en vormen zij
wandelende heuvels, die onverbiddelijk in het land binnendringen. Zoo
bedekken de duinen van Santec in de nabijheid van Saint-Pol-de Leon
(Finistère) eene streek, die tot in 1616 bewoond en vruchtbaar
was; men kon nog in het begin dezer eeuw, de klok van den toren en
enkele schoorsteenen boven het zand zien uitsteken. De duinen gingen
jaarlijks 537 meters vooruit! Men heeft dien voortgang tegengehouden
door beplanting.
In ons land heeft men dezelfde verschijnselen waargenomen. Van 1421
tot 1625 is het dorp Petten eenmaal geheel vernield en heeft het
tweemaal zóóveel verloren, dat men de huizen landwaarts heeft moeten
verplaatsen. De Hondsbossche zeedijk was in de zeventiende eeuw nog
door duinen van 350 meters breedte beschermd; sedert dien tijd is dat
duin weggeslagen. Van 1660 tot 1839 is de laagwaterlijn 670 meters
oostwaarts verplaatst.
De voet der duinen is langs de kust van Noord-Holland van 1843 tot 1853
gemiddeld 20 meters geweken. Op sommige plaatsen is door aanstuiving
het weggeslagene weder teruggegeven.
Van Noordwijk-buiten en Katwijk-buiten is herhaaldelijk een deel der
huizen door stormvloeden weggeslagen. Het huis te Britten, waarvan
in 1694 nog de fundamenten gezien zijn, lag een paar duizend meters
van het tegenwoordige strand. De kerk te Scheveningen ligt op 1800
meters van de plaats, waar de vorige gestaan heeft.
Op Voorne en Goeree hebben zich de duinen eveneens oostwaarts
verplaatst, zóó zelfs dat de zee gronden heeft vermeesterd, die
vroeger aan den binnenkant der duinen lagen.
Men ziet, dat een aantal oorzaken inwerken op den vorm der
kusten. Somtijds worden de brokstukken der klippen als keisteenen
en zand langs de kusten medegevoerd door de vloedgolven, en worden
daardoor banken gevormd. Dit is het geval op de kusten van het Kanaal,
aan den mond van de Somme, op de kusten van Vlaanderen, Holland
en het oosten van Engeland. De zeestroomen, de windrichting en de
loop van het zand, dat naar de monden der stroomen gevoerd wordt,
veranderen dus op ingewikkelde wijze de gedaante der kusten.
Doch keeren wij tot de beweging van den bodem terug.
Het duidelijkst blijkt de langzame doch zekere verandering van den
bodem in Zweden en het geheele Scandinavische schiereiland, dat aan
de ééne zijde rijst, terwijl het aan de andere zijde daalt. Reeds
in 1730 had de Zweedsche sterrenkundige Celsius (bekend door den
honderddeeligen thermometer) uit de berichten van boeren en visschers
afgeleid, dat de Bothnische golf van jaar tot jaar in diepte en
uitgestrektheid afneemt; oudere lieden wezen hem verschillende
punten van de kust aan, waar de zee in hunne jeugd nog kwam; de
namen der plaatsen, de binnenwaartsche ligging van vroegere havens,
de overblijfselen van booten, ver van de zee gevonden, de volkszangen,
konden daaromtrent geenen twijfel overlaten. Was het hier de zee, die
gedaald, of de grond, die gerezen was? Toen ten tijde was men algemeen
van gevoelen, dat de bodem onveranderlijk was, en zoowel Celsius als
de andere geleerden van zijnen tijd schreven de verandering toe aan
eene vermindering van het water der Baltische Zee. Het volgende jaar,
in 1731, trok hij met Linnaeus eene merklijn aan den voet van eene rots
op het eiland Loeffgrund, en dertien jaren later was het water 0,18
meter gezakt. Hij werd door de theologen van Stockholm en Upsala, die
beweerden dat de schepping onveranderlijk was, van onrechtzinnigheid
beschuldigd, en zelfs werd het Parlement geroepen, om het vraagstuk
door stemming te beslissen. De vertegenwoordigers van het volk en
den adel hadden zóóveel gezond verstand, dat zij zich onbevoegd
verklaarden; maar de geestelijkheid en de burgerij verklaarden de
nieuwe meening kettersch! De geschiedenis der kerkelijke ijdelheid
zal toch steeds merkwaardig blijven!
Doch de uitspraak der Zweedsche theologen belette de aarde niet te
veranderen. Sedert Celsius en Linnaeus heeft men de waarnemingen
voortgezet, en heeft men duidelijk aangetoond, dat werkelijk de
bodem van Zweden merkbaar in het noorden rijst en in het zuiden
daalt. De scheidingslijn loopt van de Zweedsche kust naar die van
Sleeswijk-Holstein, tot voorbij Bornholm en Laaland. Volgens de
laatste opmetingen (1884) is de noordelijke kust in 153 jaren 2,10
meters gestegen. Daarentegen daalt het zuidelijk uiteinde van het
Scandinavisch schiereiland en ook Jutland langzaam. Oude bosschen aan
de kust der zee zijn verzwolgen en dalen nog steeds. Enkele straten
van Trelleborg, Istad, Malmö staan thans onder water: de laatste stad
is sedert 1731 1,55 meters gedaald.
Tot op 27 meters hoogte vindt men zeeschelpen, die overeenkomen met
die, welke thans in die zeeën gevonden worden.
Toen men de kanalen groef, die bij Stockholm het Mölarmeer met de
zee verbinden, kwamen oude begraven schepen te voorschijn. Toen men
eenen heuvel afgroef, vond men eene houten woning, op 15 meters diepte
onder het zand, de klei en de grint bedolven.
Ook in Devonshire en in Cornwall (Engeland) vond men onder de zee
begraven bosschen; bij laag water vindt men een aantal zwart geworden
stompen van boomen, en pootaarde, waarin hazelnoten, takken, bladeren
en beenderen gevonden worden. Die stompen staan alle vertikaal:
de daling moet dus langzaam en zonder schokken hebben plaats gehad.
Van Kessing tot Cromer (Norfolk) is een bosch van 64 kilometers
lengte zichtbaar bij laag water; dat bosch bestaat uit boomstammen,
die nog met de wortels aan den grond bevestigd zijn; er zijn er onder,
die van 60 tot 90 centimeters middellijn hebben, en de kleibedding,
waarin zij gevonden worden, bevat eene groote hoeveelheid plantaardige
stoffen. Zij komen te voorschijn, zoo dikwijls de golven bij laag
water het zand en de keisteenen hebben weggeruimd, die ze bedekken.
Ook te Plumstead, te Dagenham, en andere gedeelten van de Theems,
tusschen Woolwich en Erith, kan men bij laag water de overblijfselen
vinden van een bosch, waarover tegenwoordig de Theems stroomt; men
heeft daar onder 6 tot 8 voet aangeslibden grond, eenen bodem gevonden,
bestaande uit takken, bladeren, en sporen van boomen en beenderen van
dieren uit het tegenwoordig tijdperk. Die daling is van jongen datum,
evenals alle vorige. De stad Londen is op een oud bosch gebouwd, dat
eertijds bewoond werd door dierenrassen, waarvan men de overblijfselen
heeft weergevonden.
Die dalingen en rijzingen hebben niet alleen in het tegenwoordige
tijdperk plaats gehad; ook eertijds deed zich ditzelfde verschijnsel
voor, en daaruit kan de verscheidenheid in de hoogte van de aardschors
verklaard worden.
Groenland, thans overdekt met ijs en bezaaid met puinhoopen, was,
zooals de naam aanduidt; eertijds een vruchtbaar land. Na de reizen,
in 983 en 986 door Erik den Roode gedaan, werd het land langs de
kusten gekoloniseerd. Thans bedekt het ijs meer dan de helft van
de twee milliard vierkante kilometers zijner oppervlakte. Het is
na de ijsperiode gerezen, en die rijzing heeft banken van schelpen,
overeenkomende met die, welke thans in de naburige zee gevonden worden,
tot 50 meters opgevoerd. De expeditie van 1879 tot 1883 op last van
de Deensche regeering ondernomen, heeft eene ruïne gevonden uit de
middeleeuwen, op eene klip gelegen, die zóózeer gedaald is, dat de
zee den voet aanraakt. De westelijke kust daalt langzaam maar zeker.
Niet ver van Groenland vindt men op de oude zeekaarten op 57°
N.B. en 30° W.L. "het verdronken Bussland", waarvan men thans geen
spoor meer terugvindt. Daar staat thans 748 vademen water boven
eenen onderzeeschen berg, waaromheen aan weerszijden de diepte 1200
vademen bedraagt. Toch wezen nog in 1777 de zeekaarten daar eene klip
aan. Nog verder teruggaande in de geschiedenis vindt men in 1380 het
verhaal van twee Venetiaansche edelen, Nicola en Antonio Zeni, die,
door eenen storm overvallen, zijn opgenomen door eene Christelijke
bevolking, die een groot eiland bewoonde, waarop _honderd steden en
honderd dorpen_ gevonden werden. Was dat eiland Bussland of een deel
van Groenland? De geschiedenis zwijgt er over. Waarschijnlijk is daar
een verdronken eiland.
Wij mogen na het voorgaande als zeker aannemen, dat de westkust van
Groenland, het zuidelijk uiteinde van Zweden, Pruisen, Hannover,
Holland, België, Vlaanderen, Picardië, Normandië, een groot deel
van Bretagne, (de Vendée, Poitou, Saintonge schijnen te rijzen), de
Landes en Gascogne tot aan Spanje, de kust der Adriatische zee, de
Nijldelta en de streek van het Suezkanaal, de monden van den Indus en
de Gangesdelta, dalen. De oostkust van Noord-Amerika tusschen Florida
en New-Foundland, en Brazilië van den mond der Amazonenrivier tot
aan de Pornahyba, de Amazonenvallei, die over 500 kilometers door
den Oceaan bedekt is en de Andes, waarop Quito gebouwd is, schijnen
langzaam te dalen. Daarentegen rijzen Spitsbergen, de Oostkust van
Siberië, Noorwegen en de Scandinavische Alpen, Schotland, Sardinië,
Tunis, de beide oevers der Roode zee en Turkestan.
Oudtijds was Engeland met Frankrijk verbonden. Aan weerszijden van
het kanaal is de geologische gesteldheid van den bodem dezelfde;
men vindt er dezelfde formaties, en de in Frankrijk waargenomen
rijzingen zetten zich in Engeland, aan de overzijde van het kanaal,
voort. Engeland heeft geene enkele plant, geen enkel dier, dat niet
van het vasteland afkomstig is. Bij het nauw van Calais heeft de
vereeniging van de wateren van den Atlantischen Oceaan met die der
Noordzee plaats gehad: de afstand van de Engelsche en Fransche kust
is daar nog thans slechts 22 kilometers en de grootste diepte is daar
57 meters. Wanneer is het nauw van Calais ontstaan? Dit is moeilijk
uit te maken; zeker is het, dat het in het tegenwoordig tijdperk, en
misschien wel na het optreden van den mensch moet geschied zijn. Een
sterke stormvloed kan voldoende geweest zijn, om den doorgang te
openen. Het nauw van Calais wordt steeds dieper. Eene eerste kaart
van den bodem van het kanaal van het jaar 1737 geeft 29 vademen voor
de grootste diepte tusschen Dover en Calais; zij wijst bovendien eene
bank aan over de geheele breedte van het nauw, waarboven slechts 19
vademen water stond. In 1737 was dus de grootste diepte 47 meters. De
kaart, in 1876 vervaardigd, naar aanleiding van het plan van den
onderzeeschen tunnel tusschen Frankrijk en Engeland, geeft voor dat
maximum 57 meters. Het kanaal zou dus in 139 jaren 10 meters dieper
geworden zijn. Wel kunnen wij op de peilingen van de vorige eeuw niet
volkomen vertrouwen, maar aan de daling van den bodem valt toch niet
te twijfelen. Tusschen Folkstone en kaap Gris-Nez vindt men banken,
die slechts vijf of zes meters onder water liggen. De landengte van
Dover-Calais is dus nog zichtbaar.
Het nauw van Calais wordt niet alleen dieper, het wordt ook breeder. De
rotssteilte van kaap Gris-Nez, het uiteinde van Frankrijk, dat het
dichtst bij Engeland gelegen is, wijkt jaarlijks 25 centimeters
terug. Ditzelfde is bij Dover het geval.
Ook Ierland is in de tegenwoordige geologische periode van Engeland
gescheiden.