Men schat de hoogte van den regen, die ieder jaar op de geheele aarde

neervalt, op 1,50 meter. Dit is dus ook juist het bedrag, dat verdampt,

om de wolken te vormen. Indien die waterdamp buiten de aarde kwam,

zou de zee van jaar tot jaar lager worden. Maar het water valt in

den vorm van regen weder in den Oceaan neer, of het wordt door de

rivieren weder naar den Oceaan toegevoerd. Indien het regent, keert

een deel van het neervallende water onmiddellijk weder door verdamping

in den dampkring terug; het overblijvende water dringt in den bodem,

totdat het eene laag ondoordringbare klei vindt. Het glijdt dan over

die laag heen, totdat het eindelijk eene bron vormt, in de nabijheid

van de oppervlakte der aarde. Dit is de oorsprong van alle bronnen,

beken en rivieren. Men vindt bronnen op alle hoogten, van de toppen der

bergen af, tot op den bodem der zee. Die verdamping, die verdichting

tot wolken boven in de lucht, en dat neerslaan als regen, maakt van de

aarde eenen grooten distilleerketel. De zonnewarmte, die noodig is,

om die hoeveelheid water op te heffen tot de gemiddelde hoogte der

wolken, komt overeen met den arbeid, die verricht zoude worden door

1500 _milliard_ paarden, zeven uren per dag werkende!

Daar het zout niet verdampt, is het water der wolken, van den

regen, van de bronnen en de stroomen zoet water, door de zon

gedistilleerd. Het normale water, het zeewater, is zout, daar het

bestaat uit waterstof, zuurstof en chloor-natrium (keukenzout). Een

zeer klein gedeelte van het regenwater keert niet tot de zee terug,

omdat het, in den grond dringende, geene volkomen ondoordringbare laag

vindt. Dat gedeelte dringt dus diep in het inwendige der aarde door,

verzadigt de gesteenten, vormt de minerale wateren, daalt af tot in

de warme lagen, waar het verdampt en uitbarstingen veroorzaakt, maar

in ieder geval niet naar de oppervlakte terugkeert. De zee vermindert

dus van eeuw tot eeuw iets; maar zelfs in drieduizend jaren is die

vermindering nog niet merkbaar [10].

Iedere rivier, hetzij zij haren oorsprong vindt in de gletschers,

zooals de Rijn, de Rhône, de Po, de Garonne, of in de bergstroomen,

zooals de Seine, de Loire enz, volgt eene sterke helling, die haar

in den regentijd eene groote snelheid geeft, zoodat de terreinen,

waardoor zij stroomt, sterk veranderen. Zij graaft valleien, maakt

gesteenten los, rolt steenen voort, verbrijzelt die en sleept ze mede,

zoodat zij eene groote hoeveelheid zand en slijk medevoert. Op het

bovengedeelte van haren loop bijt zij den bodem uit; op het tweede

gedeelte, waar de stroom nog krachtig genoeg is om de stoffen mede

te voeren, maar breeder en regelmatiger, graaft zij hare bedding niet

meer uit, doch vult zij die evenmin weder aan; op het derde gedeelte,

waar zij tot de zeevlakte nadert, wordt de helling flauw en zet zij

de medegevoerde stoffen af, zoodat daar aanslibbing plaats vindt. Zoo

komt de Rhône, die haren oorsprong op 1760 meters hoogte in de Alpen

heeft, in het meer van Genève met eene gemiddelde helling van 7,40

meter per kilometer. Bij haar binnentreden in dat meer zet zij reeds

zóóveel stoffen af, dat het meer van Genève sterk in lengte en diepte

afneemt; dit is reeds van geslacht tot geslacht merkbaar. Van Genève

tot Lyon is de helling slechts 1 meter per kilometer; van Lyon tot

Beaucaire is zij 0,40 meter, en van Beaucaire tot Arles 0,12 meter;

van Arles tot aan zee is er slechts eene helling van 1 meter op de

50 kilometers; de rivier heeft daar op sommige plaatsen eene breedte

van verscheidene kilometers, hare snelheid, die te Genève en zelfs

te Lyon nog zoo groot was, is bijna nul en al het zand spreidt zich

daar uit over eene groote uitgestrektheid, die door de golven en de

zeestroomingen voortdurend gewijzigd wordt. Dit is de wijze, waarop

iedere rivier de gedaante der planeet wijzigt. Enkele rivieren, zooals

de Seine, de Gironde, de Theems, de Hudson, houden eene voldoende

snelheid en worden door de zeestroomingen voldoende uitgeschuurd,

om hare monding vrij te houden, en daardoor de vestiging van groote

havenplaatsen, zooals Havre, Bordeaux, London, New-York, mogelijk te

maken; andere, zooals de Rhône, de Po, de Nijl, de Donau, voeren haar

zand zóó langzaam weg, dat langzamerhand de bodem verhoogd wordt en

de doortocht voor schepen onmogelijk wordt.

De geheele golf van Lyon, van de Pyreneën tot Marseille, levert

bewijzen op van de veranderingen, die aan de monding eener

rivier plaats vinden. Voor tweeduizend jaren, vóór de Romeinsche

overheersching en gedurende dien tijd, had men eene rij van

bloeiende steden langs die golf: Illiberris, Ruscino, Narbonne,

Agde, Aigues-Mortes, St. Gilles, Heraclea, Rhodanusia. Vier van die

bloeiende steden zijn geheel verdwenen, en slechts puinhoopen zijn er

van overgebleven. De overige zijn dood, en haar tegenwoordige toestand

is slechts de schaduw van hare vroegere grootheid. Eertijds waren de

mondingen diep en bevaarbaar, en langs de kusten waren lagunen, evenals

die van Venetië, voor de scheepvaart geopend. Maar de bedding der

rivier rijst langzaam en de steden, eertijds door hare stroomen gevoed,

en als het ware uit de lagunen geboren, zijn thans met die lagunen

gestorven. De bosschen zijn onverstandig door den mensch geveld. De

lagunen zijn in poelen, de poelen in koortsverwekkende moerassen

veranderd. Reeds eeuwen lang tracht men de grootste oppervlakte dier

moerassen droog te maken, maar de grond is nog steeds niet vast genoeg

voor den plantengroei.

Men begrijpt, dat de rivieren aan hare monding de neiging hebben,

aan het vaste land uitbreiding te geven ten koste van de zee, en

om de stoffen af te zetten, die aan de bergen ontrukt zijn door

de bergstroomen en die tot poeder verbrijzeld zijn. Dit is reeds

voldoende, om den vorm der landen langzamerhand te wijzigen. De

monding van de Po geeft hiervan een merkwaardig voorbeeld. Fig. 102

doet ons reeds bij den eersten oogopslag zien, hoe de Adriatische

zee is afgenomen door de aanslibbing van de Po. De stad Adria was

ten tijde der Etrusken, voor drieduizend jaren, aan den oever der zee

gelegen. Zij is thans 26 kilometers van het meest nabijzijnde gedeelte

der zee verwijderd; de Adige en de verschillende zeearmen van de Po,

drijven den oever der zee langzaam terug; de hoofdmonding van de Po is

thans 35 kilometers van den meridiaan over Adria verwijderd. De winst

van het land op de zee bedraagt jaarlijks _zeventig meters_. Jaarlijks

worden door de rivier 42 760 000 cubieke meters slib aangebracht,

of 1,36 cub. meter in de secunde. De Donau voert jaarlijks slechts

35 500 000 cubieke meters slib aan.

De dijken werden reeds in de XIIIde eeuw aangelegd; daardoor is

het land beveiligd tegen de jaarlijksche overstroomingen, maar de

bedding der rivier rijst, zoodat de oppervlakte van het water van de

Po iets hooger is dan de bodem der omliggende streken; bij de hooge

waterstanden van 1870 en 1872 stond het van twee tot vier meters boven

den straatweg. Als een dijkbreuk plaats heeft na den regentijd, dan

veroorzaken de overstroomingen overal verwoesting en dood. Als de

dijken niet verwoest worden, worden de bewoonde streken eilanden:

uit onze kaart ziet men, dat Ravenna voor drieduizend jaren eene

zeehaven was; dit was zelfs nog het geval ten tijde van Augustus,

die de haven uitbreidde; thans ligt de stad op 7 kilometers van de zee.

Dezelfde verschijnselen neemt men waar, als men de monding van den

Tiber beschouwt te Ostia bij Rome. _Ostia_ beteekent monding. Die haven

is aan de monding van den Tiber gesticht door Ancus Marcius. Thans

bevinden zich de puinhoopen van het oude Ostia op 4000 meters van

de monding. De vloot van Scipio Africanus vertrok uit die haven

naar Spanje. De bevolking, die vroeger uit 80000 inwoners bestond,

is thans tot 50 gedaald, en die 50 verlaten de plaats nog des zomers

om de malaria. Het tegenwoordige dorp is in 830 door Gregorius IV

gesticht. In 1596 werd aan den oever der zee de toren San Michele

gebouwd; deze is thans 700 meters van de zee gelegen. Reeds ten tijde

der Romeinsche keizers moest men de haven en het kanaal van Fiumicino

graven, om de verzande monding der rivier te vervangen. Sedert 1662

bedraagt de vooruitschuiving van de delta van den Tiber gemiddeld 3,90

meters 's jaars. Fig. 103 geeft ons rekenschap van de verplaatsing

der kust.

Reeds de ouden kenden die veranderingen, waarvan de aanslibbing van

den Nijl in Egypte een zoo merkwaardig voorbeeld oplevert. Reeds

voor 2400 jaren schreef Herodotus, dat de Egyptische priesters hun

land beschouwden als een geschenk van den Nijl. Volgens hem zoude

de delta eerst van jeugdige dagteekening zijn. Homerus spreekt van

Thebe, als ware dit de eenige stad in Egypte, en maakt volstrekt

geene melding van Memphis. Eertijds waren de takken van de rivier,

die zich bij Canope en Pelusium in zee werpen, de voornaamste, en de

kust strekte zich bijna in eene rechte lijn tusschen die beide plaatsen

uit, zooals uit de kaarten van Ptolemaeus blijkt. Thans zijn Canope en

Pelusium nog slechts puinhoopen, en zijn de hoofdmondingen der rivier

tot elkander genaderd, zoodat zij sedert tweeduizend jaren haar water

afvoeren in de richting van Rosette en Damiette, steden die nog geen

duizend jaren geleden aan den oever der zee gesticht zijn en thans

reeds acht kilometers daarvan verwijderd zijn. De Nijl zelf heeft

aan de delta haren vorm gegeven; de oppervlakte van de delta bedraagt

thans 22276 vierkante kilometers. Men heeft berekend, dat indien al

het slib door de monden van den Nijl aangebracht, regelmatig over de

kust verspreid werd, deze jaarlijks vier meters zoude vooruitgaan;

maar die vooruitgang is zeer onregelmatig en de rivier geeft bijna

al haar slib af aan de velden, die aan de oevers liggen, waardoor de

grond opgehoogd wordt; ook de landbouwers wijzigen merkbaar den arbeid

der natuur door stoompompen en andere werktuigkundige toepassingen

[11]. In fig. 104 is op de kaart van de monden van den Nijl de oude

kustlijn geteekend, zooals Ptolemaeus, die als Egyptenaar het terrein

kende, die beschrijft.

De Mississipi en de Ganges zijn nog merkwaardiger. De eerste heeft zijn

slib tot op 40 kilometers in zee gevoerd; de Ganges en de Brahmapoutra

storten in de baai van Bengalen jaarlijks 1 milliard 132 millioen

cubieke meters slib!

Wij zouden nog veel meer voorbeelden kunnen noemen. Wij hebben echter

alleen de meest sprekende typen gekozen. Het is natuurlijk, dat die

landaanwinning alleen plaats heeft, als er geene andere factoren in

het spel zijn; een aantal monden vertoonen juist een tegenovergesteld

verschijnsel door den vorm der rotsen, door de zeestroomingen of

de dalingen van den bodem; het resultaat is echter steeds _langzame

vervorming_. Slechts weinige plekken zijn in het geheel niet veranderd,

zelfs van de historische tijden gerekend.

Door dien arbeid van het water worden de bergen lager en de bodem

der zee hooger. De Rijn voert in zijn water 6/1000 deelen slib

mede, de Garonne 10/1000, de Indus van 2/1000 tot 5/1000. Het is

natuurlijk, dat dit maxima zijn, die alleen bereikt worden bij

sterken was. Er zijn dagen, waarop de Donau 1250000 cubieke meters

slib naar zee voert. Elisée Réclus berekent, dat alle stroomen te

zamen jaarlijks 10 _cubieke kilometers_ slib in zee storten. Indien

dit zich regelmatig verspreidde over den bodem der zee, dan zoude

dat bezinksel in 341 jaren 1 centimeter dik zijn, en dus in 34

millioen jaren 1 kilometer. Al het water der rivieren en stroomen

vormt slechts een klein deel van het water der oceanen. Nemen wij

aan, dat de gemiddelde diepte der oceanen vijf kilometers bedraagt,

dan zoude de hoeveelheid water, die in zee stroomt, eerst in 5 1/2

millioen jaren gelijk zijn aan al het water, dat de zee bevat.

Onverbiddelijk moet de gedaante der aarde veranderen. Indien geen

enkele oorzaak rijzingen of dalingen van den bodem teweegbracht,

dan zoude alleen door de werking van het water de aarde eindelijk

volkomen glad worden, en bedekt met eene laag water van eenige

honderden meters diepte. Maar ook de oppervlakte van den bodem wordt

gewijzigd. Toch is van eeuw tot eeuw de invloed der aanslibbing

alleen duidelijk merkbaar. Zoo zal mettertijd de Middellandsche zee

eene aaneenschakeling van meren worden, en nog later een reusachtige

stroom. De zee van Azof verandert langzamerhand door de nadering

der oevers in eene rivier. De golf van Venetië zal mettertijd niets

anders zijn dan het verlengde van de vallei van de Po, en de twee

groote bekkens der Middellandsche zee, gescheiden door de onderzeesche

zandbank, die Sicilië met Afrika verbindt, zullen twee meren vormen,

die al nauwer en nauwer zullen worden en den grootsten stroom der

wereld zullen voeden. Dan zullen de Dnieper, de Donau en de Po slechts

bijrivieren van dien stroom zijn; misschien zelfs dat de Nijl, die

thans reeds zoo weinig beteekent aan zijne monding, al zijn water

door verdamping zal verliezen, vóórdat hij den breeden stroom bereikt.

Een dergelijke toestand is werkelijk reeds op Mars aanwezig, welke

planeet, ouder dan de aarde, geene wereldzee meer bevat, maar alleen

binnenzeeën, stroomen en kanalen.

Niet alleen, dat het water langzamerhand de gedaante der aarde wijzigt,

het speelt tevens eene belangrijke rol in de geologische samenstelling

der verschillende deelen en in het bewaren van de overblijfselen van

levende wezens.

In de Gangesdelta en die van de Brahmapoutra, eene uitgestrektheid

van 166400 vierkante kilometers, waarover de twee stroomen hun

slib afzetten ter dikte van 60 tot 70 centimeters in de eeuw,

vindt men verschillende soorten van krokodillen. Die dieren komen

in grooten getale in het brakke water voor over de geheele lijn der

zandbanken, waar de delta het snelst aangroeit. Men vindt ze bij

honderden bij elkander in de kreken, of zich koesterend in de zon

op de ondiepten. Zij vallen menschen en vee aan, werpen zich op de

onvoorzichtigen, die in de rivier baden en op de huisdieren of wilde

dieren, die daar komen drinken. Dikwijls kan men daar een drijvend lijk

zien, dat door eenen krokodil met zulk eene drift wordt aangegrepen,

dat het dier, om zijne prooi beter te kunnen vasthouden, half boven

water uitsteekt. De gewoonten en de verspreiding dier dieren stellen

hen bloot, om in de horizontale lagen van het fijne slib bedolven te

worden, dat jaarlijks in de Golf van Bengalen over honderden vierkante

kilometers wordt afgezet. De bewoners van het land, die verdronken

zijn in die stroomen, worden de prooi van die gulzige dieren, en

ook de overblijfselen der dieren zelf worden in de nieuwe formaties

begraven. Daarbij komt, dat jaarlijks zoovele lijken van arme Hindoe's

in den Ganges geworpen worden, dat men steeds in het vloeibare slib

eenige beenderen of eenige overblijfselen van hun geraamte vindt.

Die bezinkingen worden gesteenten, en de beenderen, die zij bevatten,

versteenen evenzoo. De aard, de dichtheid, de dikte, de kleur, de

hardheid der lagen hangen af van den aard der voortgestuwde stoffen

en de snelheid van het water. De rangschikking in de bezinkselen

hangt het meest af van de snelheid van het stroomende water; indien

dit toch eene bepaalde snelheid heeft, kan het alleen deeltjes van

bepaalde grootte en bepaald gewicht medevoeren. Hieruit volgt, dat

naarmate de kracht van den stroom toeneemt of afneemt, de afgezette

stoffen reeds gerangschikt zijn naar hare grootte, haren vorm en haar

soortelijk gewicht. Verschillende omstandigheden wijzigen den aard

der afgezette stoffen. Zoo wordt den éénen tijd van het jaar hout

medegevoerd, den anderen tijd slijk. Bereikt de stroom zijne grootste

snelheid dan kan hij keisteenan verspreiden over eene oppervlakte,

waar bij laag water alleen een fijn bezinksel wordt afgezet.

Maar wij mogen ons niet te ver laten medevoeren door die

bijzonderheden, daar het schade zoude doen aan ons overzicht van de

verschillende oorzaken, die den bodem hebben gewijzigd. Wij komen

thans tot eene andere oorzaak van wijziging, niet minder belangrijk

dan de vorige, de rijzingen en dalingen van den bodem. Nemen wij

bijvoorbeeld de bekende baai van Mont-Saint-Michel op de grenzen van

Bretagne en Normandië. Ten tijde van de Romeinsche verovering en in

de eerste eeuwen na Christus strekte zich een onmetelijk woud over

die streken uit: het was het bosch van Scissey, waarin verschillende

kloosters gesticht werden. Mont-Saint-Michel, toen Mont-Tombe genoemd,

lag op 20 kilometers van de zee in het midden van het bosch. Thans

ligt het in het midden van eene naakte kust, die tweemalen daags bij

vloed bedolven wordt onder de golven der zee, die tot aan de dijken

voortgaat, tot op twee kilometers daarvan af en over eene breedte

van 30 kilometers. In die geheele streek vindt men aan weerszijden

van het strand, dat door den vloed bedekt wordt, reeds op geringe

diepte alle soorten van boomstammen.

Een handschrift uit de 9de of 10de eeuw verhaalt, dat Mont-Saint-Michel

reeds lang het bosch verloren heeft, waarmede het omringd was,

dat God die streek veranderd heeft om den dienst van den heiligen

aartsengel voor te bereiden, en dat de zee alles heeft weggevaagd,

om den pelgrims, die van alle zijden komen toestroomen, eenen goeden

weg te verschaffen. De eerste abdij, aan den dienst van den heiligen

Michaël gewijd, was in 709 gesticht, en reeds toen stroomde de zee

om den berg; de oude kronieken der abdij leggen immers den aartsengel

de woorden _in pelago_ (in de zee) in den mond.

In 1822, na eenen storm, die het strand had omgewoeld, vond men op tien

voet onder het zand eenen straatweg, met platte steenen geplaveid,

de sporen dragende van eenen ouden Romeinschen weg, die door den

moerassigen bodem van het oude bosch gelegd was.

Wij mogen aannemen, dat in het jaar 709 de hoogste vloed 12 meters

boven de hoogte bij laagwater was. Thans bedraagt deze 15,50 meter. De

zee heeft dus in hoogte 3,50 meters gewonnen, dat wil zeggen, de

bodem is 3,50 meters gedaald, of 33 centimeters in de eeuw.

Volgens een verhaal uit de zesde eeuw kwamen in de baai op denzelfden

dag (15 April 565) de twee bisschoppen, Sint-Patern en Sint-Scubilio,

om. Den dag vóór hunnen dood gingen zij elkander te gemoet. Het was

de dag vóór nieuwe maan en de vloed kwam te zes uren op. Zij waren

door den vloed van elkander gescheiden door eene watervlakte van vier

kilometers. Thans heeft de zeearm eene breedte van twaalf kilometers.

Zoo kan men een aantal voorbeelden geven van daling van den bodem. In

de nabijheid van het vorige bosch was een ander bosch, waarin Dol

gelegen is. Thans strekt zich om Dol eene groote vlakte uit, die

langzamerhand daalt en alleen door dijken tegen de zee beveiligd kan

worden. In die moeras vindt men alle sporen der bedolven bosschen:

eiken, kastanjes, populieren enz.

In de twaalfde eeuw was de rivier de Rance, die van Dinan naar St. Malo

stroomt, 70 meters breed (bij laag water). Thans is de breedte

(eveneens bij laag water) 1100 meters. Die geheele vallei is onder

de golven neergedaald.

Bij overlevering weet men, dat het eiland Jersey in de historische

tijden met het vaste land verbonden was, en dat ten tijde der eerste

bisschoppen (in het jaar 400) de bewoners van het eiland verplicht

waren, den bisschop eene plank te brengen, om bij laag water eene

rivier over te steken. Het onderzoek der zeekaarten bevestigt

die overlevering. Men kan in de zee eene landengte terugvinden,

waardoor Jersey een tijd lang hare laatste verbinding met het vaste

land gehouden heeft. In die richting kan men over eene lengte van

32 kilometers eene onafgebroken reeks van onderzeesche steenachtige

hoogten vinden, die ons die verbinding ten duidelijkste aanwijzen. Op

Jersey en Guernsey bedekt thans eene watermassa van 15 meters den

bodem, waarop nog in 1340 bosschen en weilanden waren.

De zee bijt ook de klippen weg langs de kust van Calvados. Bij Caen

heeft men op zes meters onder laag water overblijfselen van bootjes

uit de XVde eeuw gevonden. Bij Cherbourg vindt men op den bodem der

zee overblijfselen van een uitgestrekt bosch, bestaande uit thans

nog bestaande boomsoorten. Enkele boomstompen staan zelfs nog overeind.

In de baai van Douarnenez (Finistère) bestond eertijds eene beroemde

stad, Is. Die stad was nog bloeiend in de eerste eeuwen onzer

jaartelling, hoewel zij toen reeds door de zee bedreigd werd en door

dijken werd beschermd. Hare verwoesting door de zee dagteekent, volgens

de overlevering, van het jaar 444. Men ziet thans nog bij laag water

oude muren, die den naam dragen van "Mogher Greghi", muren der Grieken.

De geschiedenis van de verwoesting dier stad verdient een

oogenblik onze aandacht. De overlevering verhaalt, dat de

stad Is tegen den Oceaan verdedigd werd door stevige dijken,

waarvan de sluizen éénmaal in iedere maand onder toezicht

van den koning geopend werden, om het overtollige water af te

voeren. De stad was prachtig, het paleis weelderig ingericht,

en het hof zedeloos. De dochter des konings, prinses Dahut,

was schoon, doch zeer behaagziek en onzedelijk, zoodat zij

zich, niettegenstaande haar vader een ernstig vorst was,

aan de grootste bandeloosheid overgaf. Koning Gradlon,

haar vader, had beloofd, een einde te zullen maken aan de

losbandige handelingen zijner dochter, maar hij liet zich

steeds door zijne goedhartigheid medesleepen. De jeugdige

prinses smeedde een komplot, om het koninklijke gezag te

vermeesteren en de oude koning werd in zijn eigen paleis

gevangen gehouden. De prinses hield nu het toezicht over het

openen der sluizen, en vatte het dwaze plan op om ze bij

springtij zelf te openen!... Het was avond; de koning zag

St.-Guenolëus, den apostel van Bretagne komen, die hem de

onvoorzichtigheid zijner dochter mededeelde: de zee drong

in de stad door, de storm stuwde het water voort, en daar

de geheele stad op het punt was te verdwijnen, bleef hem

niets over dan de vlucht. Toch wilde de koning zijne dochter

nog redden: hij liet haar halen, plaatste haar vóór zich op

zijn paard en begaf zich, gevolgd door eenige hovelingen,

naar de poorten der stad. Toen hij die poorten bereikt had,

hoorde hij een akelig gebulder; omziende, zag hij, dat waar

vroeger de stad Is gestaan had, zich eene onmetelijke baai

uitstrekte, waarin de sterren haar licht weerkaatsten. En

al meer en meer naderden hem de golven. Reeds wilden zij hem

bereiken en omverwerpen, daar hoorde hij eene stem: "Gradlon,

indien gij niet wilt omkomen, laat dan den demon los, dien

gij met u voert." Verschrikt voelde Dahut, hoe hare krachten

haar verlieten, een sluier bedekte hare oogen, hare handen,

die stuipachtig de borst haars vaders omklemden, verstijfden

en vielen langs haar neer: zij stortte in de golven. En zie,

nauwelijks hadden de golven haar verzwolgen, of het water

bleef stil staan. De koning kwam behouden te Quimper en

vestigde daar zijne residentie.

Zeker is dit verhaal eene legende, maar toch bevat het eenen grond

van waarheid: de overstrooming eener groote stad in de Vde eeuw

onzer jaartelling.

Behalve Is zijn ook door de zee verzwolgen: de stad Herbadilla (bij

Nantes), in 580,--Tolente, bij Brest;--Nazado, bij Erquy;--Gardoine,

in de vlakte van Dol, ten tijde van Karel den Groote. Van den mond

der Loire tot Finistère vindt men geen enkel gedeelte, waar niet

overstroomde steden gevonden worden, en geen strand, waar men niet

sporen vindt, waaruit blijkt, dat die plaatsen vroeger bewoond waren.

Op de kust bij Duinkerken, daar waar thans het strand door de zee

bedekt wordt, waren eertijds bosschen. Het strand te Etaples (bij

Montreuil) bevatte een zoo groot aantal in het zand bedolven boomen,

dat de staat het recht verpachtte, om ze uit te graven.

België en Nederland dalen langzaam; de grond der steden, in de

nabijheid der kust gebouwd, is beneden de oppervlakte der zee, zelfs

bij de laagste getijden; op verscheidene plaatsen komt de zee bij hoog

water boven de daken der huizen. Indien die streken toch bewoond zijn

en tot het oude land behooren, dan hebben zij dat te danken, niet aan

de natuur, maar aan de door de menschen vervaardigde dijken, en dat

wel sedert de oudste tijden van de geschiedenis van Nederland. Nog

steeds worden die streken met bewonderenswaardige volharding tegen

de zee beveiligd.

Wij behoeven slechts eenige feiten mede te deelen, om een denkbeeld

te verkrijgen van den strijd, dien de inwoners van Nederland tegen

het water hebben te leveren.

In de 12de en 13de eeuw verwoesting der kust: 140 000

slachtoffers.

In 1282, vorming der Zuiderzee, door instrooming van het

water in het meer Flevo.

In 1321, 100 000 slachtoffers.

In 1421, 72 dorpen verzwolgen aan den mond van de Maas.

In 1427, 55 dorpen verwoest.

De Wereld vóór de schepping van den mensch · 第 11 / 40 段