_II. Primaire periode._

Periode der Visschen en Varens.

4 Oudste primaire periode of Devonische periode.

5 Middelste primaire periode of Steenkool periode.

6 Jongste primaire periode of Permische periode.

_III. Secundaire periode._

Periode der kruipende dieren en der boomen met overblijvende

bladeren.

7 Oudste secundaire periode of Trias periode.

8 Middelste secundaire periode of Jura periode.

9 Jongste secundaire periode of Krijt periode.

_IV. Tertiaire periode._

Periode der zoogdieren en der boomen met afvallende bladeren.

10 Oudste tertiaire periode of Eoceen periode.

11 Middelste tertiaire periode of Mioceen periode.

12 Jongste tertiaire periode of Plioceen periode.

_V. Quaternaire periode._

Periode der menschen, der gekweekte planten en der huisdieren.

13 Oudste quaternaire periode of IJsperiode.

14 Middelste quaternaire periode of Postglaciaire

periode.

15 Jongste quaternaire periode of Periode der

beschaving.

In dezelfde volgorde komen ook de lagen voor. Ook deze zullen wij

geven, met de oudste beneden, zooals zij ook in de geschiedenis der

natuur op elkander volgen:

Opvolging en chronologische volgorde der verschillende lagen.

Dikte der lagen.

200 m. Quaternair

Oppervlakte.

Bovenste quaternaire formatie.

Middelste quaternaire formatie. (Postglaciair).

Oudste quaternaire formatie. (Glaciair).

1000 m. Tertiair

Bovenste pliocene formatie.

Onderste pliocene formatie.

Bovenste miocene formatie.

Onderste miocene formatie. (Molasse).

Bovenste eocene formatie. (Gips).

Middelste eocene formatie. (Grofkalk).

Onderste eocene formatie. (Zand en klei).

5000 m. Secundair

Bovenste krijtformatie. (Wit krijt).

Middelste krijtformatie. (Groenzand).

Onderste krijtformatie. (Wealdvorming).

Witte Juraformatie. (Lithographische steen)

Bruine Juraformatie. (Portland cement).

Zwarte Juraformatie. (Lias).

Bovenste Triasformatie. (Keuper, mergel).

Middelste Triasformatie. (Schelpkalk).

Onderste Triasformatie. (Bonte zandsteen).

14000 m. Primair

Bovenste Permische formatie. (Zechsteen).

Onderste Permische formatie. (Roode zandsteen).

Bovenste steenkoolformatie. (Zwarte leisteen).

Onderste steenkoolformatie. (Kolenkalk).

Bovenste devonische formatie. (Roode

zandsteen).

Onderste devonische formatie.

23000 m. Azoïsch

Bovenste silurische formatie.

Onderste silurische formatie.

Bovenste cambrische formatie.

Onderste cambrische formatie.

Bovenste laurentische formatie.

Onderste cambrische formatie.

Deze formaties liggen op den oorspronkelijken bodem der aarde, het

graniet, enz., waarin men geen spoor van leven ontdekt heeft. Tusschen

het graniet en de onderste laurentische formaties ligt, zooals wij

zagen: gneiss, micaschiefer en glimmer d.i. waarschijnlijk graniet,

gewijzigd door de drukking, de hitte, het water, de zouten, de

uitbarstingen, verplaatsingen, vermengingen, enz., in één woord door

de omwentelingen in de oorspronkelijke formatie.

Fig. 84 geeft eene schematische voorstelling van die formaties met

hare betrekkelijke dichtheid. Wel zijn, zooals wij zagen, die lagen

in werkelijkheid niet horizontaal of evenwijdig, maar de volgorde is

steeds dezelfde.

Iedereen weet, dat onder den bebouwden grond, waarop de bosschen,

weiden en bouwlanden groeien, steenachtige lagen gelegen zijn van

anderen aard, meer of minder harde steenen, kalksteen, zand, krijt,

klei, enz. De vruchtbare grond is nooit zeer dik; dikwijls bedraagt de

dikte slechts enkele decimeters, en in enkele steenachtige streken

slechts enkele centimeters. De bovenste laag van den bodem is het

product van de thans nog werkzame krachten: hier is het eene humuslaag,

die langzaam de dikte van de vruchtbare laag doet toenemen, daar is het

de menschelijke industrie, die meststoffen aan den grond toevoegt;

nog verder zetten de regens op de lagere streken de vruchtbare

stoffen af, van hoogere streken toegevoerd; elders weder verspreiden

de overstroomde rivieren haar slib over de weilanden; en zoo wordt

steeds de oppervlakte der aarde gewijzigd.

Onder deze laag vindt men de delfstoffen in de volgorde, waarin zij

gevormd zijn. Daarin vindt men bijna overal afwisselend zandsteen, kalk

en klei. Van den bebouwden grond af tot op de grootste diepten bestaat

de aarde hoofdzakelijk uit kiezel, koolzure kalk en aluminium. Het

kiezel heeft de kwarts, de bloksteen en de keisteen, het zand der

oevers en duinen voortgebracht; het aluminium, de klei en de mergel;

de koolzure kalk, de kalksteen, de steenen uit onze steengroeven, het

krijt, het marmer en het zandsteen. Dan komen de metalen, gewoonlijk

in aderen.

Die lagen zijn uiterst langzaam gevormd. Hetgeen in stilstaand water of

aan de oevers der zee gedurende eene geheele eeuw bezinkt, vormt eene

bijna onmerkbare laag. De op elkander gelegen lagen hebben zich als

slib op den bodem der zee afgezet. Dat slib is langzamerhand versteend;

na een groot aantal rijzingen en dalingen hebben die rotsen zich tot

bergen verheven. Alle bergen, met uitzondering van die van graniet

en gneiss, bestaan uit rotsen, die zich oorspronkelijk op den bodem

der zee gevormd hebben.

Nog thans worden er evenals vroeger stoffen afgezet op den bodem van

het water. De werking van de zuurstof der lucht op de hardste rotsen,

de warmte, die den grond uitdroogt en doet barsten, de afwisseling

van warmte en koude, de wind, de bliksem, de regen, overstroomingen,

dat alles ontleedt de rotsen, en verandert de gesteenten in zand. Noch

het graniet, noch het ijzer, noch de hardste metalen kunnen daaraan

weerstand bieden. Alleen reeds de werking van den regen en van

het koolzuurhoudende water is verbazend groot. Steenen- en marmeren

beelden, eerst eenige eeuwen geleden vervaardigd, zijn daardoor reeds

nu bijna onkenbaar geworden. Kerken van graniet verweren aan de zijde,

die aan wind en regen is blootgesteld. De steengroeven, waaruit de

steenen van de kerk te Limoges afkomstig zijn, zijn over eene dikte

van 1,60 meters verweerd. Al dat stof, al dat zand wordt door den

regen naar zee medegevoerd, waar het zich afzet, vermengd met de

plantaardige en dierlijke overblijfselen, die het medevoert. Geheel

andere bezinkingen hebben thans in den Oceaan plaats; de peilingen bij

het leggen van den transatlantischen kabel hebben doen zien, dat eene

witte modder, bestaande uit organische lichamen, overeenkomende met

die, welke het krijt vormen, en die men op verschillende diepten in

bijna geheel Europa vindt, thans bezinkt over eene uitgestrektheid,

die veel grooter is dan geheel Europa.

Hoewel de betrekkelijke dikte der verschillende lagen ons _bij

benadering_ den betrekkelijken duur der verschillende tijdperken

doet kennen, zoo mag men toch niet besluiten, dat eene laag van

honderd meters overeenkomt met eene duizendmaal langere periode dan

eene laag van één decimeter, daar de voorwaarden voor de vorming der

verschillende lagen niet dezelfde zijn.

Met alleen dat een verbazende tijd noodig geweest is voor de vorming

der bezinksels en voor hunne versteening tot harde rotsen, maar het

is ook zeker, dat voor de opheffingen van bergen, zooals de Alpen,

Pyreneën, Andes en Cordillera's, die van vier- tot achtduizend meters

boven de oppervlakte der zee uitsteken, onmetelijke tijdstippen

noodig waren. Behalve bij vulcanische werkingen en door plaatselijke

oorzaken, moeten die rijzingen en dalingen uiterst langzaam hebben

plaats gegrepen. Hoe groot de onregelmatigheden van de aardoppervlakte

ons ook toeschijnen, met betrekking tot de grootte der aarde zijn

zij hoogst onbeduidend.

Wij herhalen hier nog eens met nadruk, dat al die sedimentformaties

gevormd zijn ten koste der oorspronkelijke aardschors: zij zijn de

vrucht van langzame verwering. Indien zij 43000 meters dik zijn, van de

laurentische periode tot op onzen tijd, dan zijn dit 43000 meters stap

voor stap ontnomen aan de oppervlakte der boven het water uitstekende

rotsen. De aardschors, ten koste waarvan alle sedimentformaties zijn

gevormd, was dus reeds zeer dik gedurende dien langen geologischen

tijd. Sedert de azoïsche periode is trouwens de vaste aardschors van

twee zijden aangegroeid: beneden, door het langzaam vast worden ten

gevolge der afkoeling; van boven, door het afzetten der stoffen in de

bekkens der zee; die tweede toename in dikte moet echter meer beschouwd

worden als eene gelijkmaking dan als eene werkelijke aangroeiing, daar

zij plaats heeft ten koste der bergen en van alles, wat blootgesteld

is aan atmosferische invloeden.

De hier geteekende doorsnede (fig. 86) geeft ons een denkbeeld van het

ontstaan dier formaties. In een meer of minder diep bekken, hetzij zee

of meer, heeft zich het puin van de boven water uitstekende rotsen,

dat daaraan ontnomen is door de genoemde atmosferische invloeden,

geleidelijk neergezet. De samenstelling, de dichtheid en de dikte

van die laag hangen af van den aard der gesteenten, waaruit, en van

de omstandigheden, waaronder zij ontstaan is.

Oorspronkelijk waren die lagen horizontaal of flauw hellend. Maar

wij zagen reeds vroeger, dat de aarde oorspronkelijk vloeibaar

was, en hare afkoeling begonnen is aan de oppervlakte, daar de

omgeving eene temperatuur had van 270° onder nul. Het eerste vlies,

de eerste granietlaag, is ontstaan door het op elkander stapelen

en het vasthechten van drijvende stukken hard geworden graniet,

en langen tijd bleef dat vlies uiterst dun. Eeuwen lang kon het dus

gehoor geven aan de lichtste slingeringen van den vloeibaren bol en

onderging het den invloed van getijden, schommelingen, rijzingen en

dalingen. Toen het vlies echter dikker en steviger werd, kon het niet

meer zoo gemakkelijk golven, maar kon het evenmin weerstand bieden aan

de inwendige schokken, veroorzaakt door scheikundige werkingen, door

veranderingen in het evenwicht, die het gevolg waren der verdichting,

door het opgesloten zijn van eenen vuurbol in eene schaal van klei,

water en lucht. Opheffingen, gering in betrekking tot de grootte

der geheele aarde, veranderden langzamerhand de oppervlakte. De oude

vulcanische rotsen, nog week of zelfs vloeibaar, hieven de vaste korst

op, die daarop drukte, en baanden zich eenen uitweg door spleten,

die dikwijls verscheidene kilometers breed zijn (fig. 87). Zoo zijn

de Alpen, de Pyreneën, de Vogezen en andere bergen ontstaan.

Hieruit volgt, dat sedert het begin van het leven, de geheele

aardoppervlakte alle mogelijke veranderingen heeft ondergaan. Er is

geene enkele plek op aarde, die niet gedurende den loop der tijden

verscheidene vervormingen heeft ondergaan. Alle deelen der aarde

zijn eens of meer met water bedekt geweest. De meeste deelen zijn

beurtelings gerezen, gedaald en weder gerezen. Men vindt hier en

daar alle soorten van formaties bloot liggen, zoowel primaire als

secundaire, tertiaire en quaternaire. De steengroeven doen ons de

ligging der verschillende formaties zien (fig. 88).

Niet alle plaatsen der aardoppervlakte zijn even sterk gewijzigd. Als

regel kan men stellen, dat de berglanden gevormd zijn door opheffingen

der oorspronkelijke gesteenten; dat de heuvelachtige terreinen als

het ware de schoormuren zijn van de berglanden, en gevormd zijn door

opheffing der secundaire formaties, welke steunen tegen de primaire

formaties, die aan de eruptiefgesteenten grenzen, terwijl de vlakten

gelegen zijn op de tertiaire formaties, die verder van de plaats van

opheffing verwijderd zijn (fig. 90).

Ook de vlakke terreinen leveren eene groote verscheidenheid

op. Dikwijls hebben aanslibbingen, ontstaande door overstroomingen

eener naburige rivier, die vlakten met eene sliblaag bedekt, die even

glad is als de waterspiegel. Dikwijls daarentegen heeft eene rivier,

die de vroeger vlakke streek doorstroomt, met hare bijstroomen den

grond doorwoeld, en vooral na regentijden en stortvloeden de vlakte

vervormd, valleien gegraven en zoo het geheele terrein gewijzigd. Maar

de lagen, die den ondergrond van die valleien uitmaken, en die welke

de heuvels vormen, die ontstaan zijn door de uitgraving der omliggende

terreinen, zijn horizontaal en regelmatig op elkander gerangschikt

gebleven. Zoo rust de vlakte, waarop Parijs gebouwd is, op tertiaire

formaties, bestaande uit horizontale lagen, en diezelfde lagen zetten

zich voort in de heuvels. De groote overstroomingen der Seine in

praehistorische tijden hebben het terrein, waarop thans de stad rust,

uitgebaggerd en zoo van den Mont-Valérien en den Montmartre op zich

zelf staande heuvels gemaakt. Toen men in 1833 de Artesische put van

Grenelle wilde boren, die in 1842 voltooid was, stelde men zich ten

doel, door de verschillende formaties heen het water te bereiken,

dat uit Bourgogne en de bergvlakte van Langres afkomstig was, welke

streken, zooals fig. 91 aanwijst, tot de Juraformatie behooren. Men

moest dus de verschillende formaties doorboren, die in den vorm van

eene waschkom onder Parijs doorloopen, en verder weer stijgen. Op eene

diepte van 547 meters was men tot die formatie doorgedrongen. Had men

nog verder doorgeboord, dan zoude men door de Jura- en triasformatie

gekomen zijn in de primaire, formaties en eindelijk de lagen der

azoïsche periode bereikt hebben, die rusten op eenen ondergrond van

gneiss, micaschiefer en graniet.

Zooals men ziet, is Parijs in eene soort kom gebouwd, op eene bedding,

gevormd door de tertiaire lagen, zooals deze zich door de golvingen

der secundaire lagen hebben moeten vervormen. De bovenste laag

van de secundaire formatie, de krijtlaag, komt b. v. oostwaarts te

Troyes bloot. De Juralaag heeft o. a. de heuvelen van Bourgogne en

de bergvlakte van Langres gevormd. Fig. 91 maakt duidelijk, hoe het

water der artesische put gevoed wordt door het water, dat stroomt door

het secundaire zand, dat de Juraformatie van Langres tot Parijs bedekt.

De geschiedenis der menschheid hangt ten nauwste samen met den aard

der formaties, waarop de mensch leeft. Niet alleen dat de oeconomische

waarde der terreinen, uit het oogpunt van voeding, van de planten, die

er groeien, de dieren, die er leven, de bouwmaterialen, en alles wat op

de levensvoorwaarden van de bewoners betrekking heeft, eenen grooten

invloed op het karakter der menschen en op de lotgevallen van het

land heeft uitgeoefend, maar men kan bijna de geheele geschiedenis van

een volk uit den bodem leeren kennen. Meermalen is de vraag gesteld,

waarom Parijs de hoofdstad van Frankrijk is geworden. Parijs ligt

niet in het midden van het land: Bourges voldoet veel meer aan die

voorwaarde. Zij is evenmin de oudste stad: Marseille en Lyon waren

bloeiende steden in het Romeinsche tijdvak, toen Lutetia (Parijs) nog

slechts een visschersdorp was, en toch zijn Marseille en Lyon slechts

de voorloopige standplaatsen der beschaving geweest. De politieke

rol van Parijs moet noch aan het toeval, noch aan den menschelijken

wil worden toegeschreven, maar aan de geologische ligging. Ile de

France is eene oase, omgeven door streken, minder bevoorrecht uit het

oogpunt van den loop der stroomen en den plantengroei, en alsof de

natuur alle mogelijke voorzorgsmaatregelen wilde nemen, heeft zij daar

uitstekende bouwmaterialen bijgevoegd. Zoo hangt alles in de natuur

samen, oorzaken en gevolgen staan met elkander in nauw verband, en de

mensch met al zijne overtreffelijke gaven en zijne vrijheidsliefde,

is slechts de slaaf van het land, dat hem heeft voortgebracht.

Zoo zijn de verschillende formaties onder den invloed van atmosferische

invloeden ontstaan, zoo droeg iedere laag hare eigen planten en

dieren, met hare eigen fossielen. De dikte van iedere laag hangt af

van de voorwaarden, waaronder zij ontstaan is, hier zijn zij rijk

en dik, daar arm en dun, elders ontbreken zij door opheffingen en

verschuivingen geheel en al, maar wij zagen in het vorige hoofdstuk,

dat toch de som van alle lagen 43000 meters bedraagt, gerekend van

de oppervlakte tot aan den granietbodem.

De menschheid woont dus op een kerkhof van 40 kilometers dikte; wij

loopen over de graven van ontelbare wezens, die gedurende millioenen

en millioenen jaren daar begraven zijn, op de schepselen, die van de

grijze oudheid af daar langzaam zijn opgehoopt, van den oorsprong van

het leven tot op onzen tijd; het stof van verloopen eeuwen vertreden

wij met de voeten.

De geschiedenis der natuur wordt nog steeds voortgezet. Nog

thans beweegt zich onze planeet in de ruimte voort, zooals in de

voorhistorische tijden; nog steeds wordt in iedere secunde een mensch

geboren; de geslachten volgen elkander op, de dooden keeren tot

de aarde weder, en dienen weder tot de vorming van nieuwe wezens,

zoowel menschen als planten en dieren; wie weet, of één onzer

niet eene molecule bevat, die vroeger behoord heeft aan Caesar of

Napoleon; de wilg aan den oever der beek ademt de zuurstof uit, die

door het kind, dat te midden der bloemen speelt, wordt ingeademd;

de koolzuurmolecule, door den stervenden grijsaard uitgeademd,

kan de schoone roos tot voedsel dienen; van het leven tot den dood,

van den dood tot het leven, wordt alles gewijzigd en vervormd.

De wereld, door onze voorouders uit de vorige tijdperken betreden,

was dezelfde als de tegenwoordige. Geene wonderen zijn noodig om de

vorming der geologische lagen te verklaren. Het eerste dunne vlies om

den gloeienden, vloeibaren bol heeft alle golvingen en trillingen van

dien bol moeten volgen. Doch ook die eerste plooien zijn gewijzigd. De

aarde koelt af en trekt samen. De korst moet zich dus weder op eene

andere wijze plooien, om op de kern te kunnen blijven rusten; aan de

ééne zijde daalt zij, aan de andere zijde gaat zij omhoog; zij scheurt,

de eruptiefgesteenten zoeken eenen uitweg door de scheuren en komen

bloot. De wateren verzamelen zich op de diepste plaatsen. Bergen,

vastland, zeebekkens, dalingen, rijzingen, vulcanische uitbarstingen,

adervormingen (fig. 92-97), het is alles een geopend boek voor hem,

die het wil lezen.

Nog steeds herhalen zich die verschijnselen; nog steeds verandert

de gedaante der aarde; het ééne deel rijst, een ander deel daalt,

hier knaagt de zee aan de kusten, daar trekt zij zich terug, hier

wordt eene vallei gevuld, daar glijdt een heuvel af met al wat hij

bevat. Dit onderwerp, van het hoogste wetenschappelijk en philosophisch

belang, zal in ons volgende hoofdstuk nader behandeld worden; het is

de grondslag der geologie.

TWEEDE HOOFDSTUK.

De vervormingen van den bodem in onzen tijd.

Verandering der kusten.--Mondingen en delta's.--Werking van

het stroomende water.--Langzame schommelingen.--Rijzingen.--

Dalingen.--Het land en de zee.--De natuur zet haren arbeid

voort.

Langzamerhand verandert alles om ons heen. De grond zelf, dien wij

gewoon zijn te beschouwen als het type van wat _onveranderlijk_

is, verandert onophoudelijk. Het is daarom verkeerd, te zeggen,

dat er bepaalde geologische perioden zijn, die de schepping der

wereld voorstellen, en dat die schepping thans voleindigd is. Ook

onze periode is "geologisch", en zelfs niet minder dan de voorafgaande.

De oppervlakte der aarde, in haar geheel beschouwd, verandert. Regen,

vorst, warmte, wind, onweer, beken, bergstroomen, verweren de

toppen der bergen, waarvan de bouwstoffen afgerukt, medegesleept,

verbrijzeld, tot zand vermorzeld en door de mondingen der rivieren

naar zee gevoerd worden. Ook knaagt de zee voortdurend aan de oevers;

daardoor worden de kusten steiler en wordt de bodem verhoogd door de

losgelaten bouwstoffen. Bovendien eindelijk werken nog voortdurend de

inwendige krachten der aarde: enkele streken rijzen, terwijl andere

dalen. Laat ons zoo kort mogelijk de bewijzen voor die veranderingen

nagaan, en die zooveel mogelijk op het terrein zelf bestudeeren.

Wij kunnen uitgaan van twee algemeene grondbeginselen: 1º. Overal,

waar de kust steil is, wint de zee; 2º. aan de mondingen der rivieren

wijkt de zee terug. In het eerste geval knaagt zij aan de klippen,

die tot strandkeien verbrijzeld worden; in het tweede geval draagt de

zee zand aan, dat den bodem der zee verheft en haar doet wijken. Er

zijn wel is waar uitzonderingen op die regels, onder andere kunnen de

zeestroomingen en de golven het water een eind binnenwaarts voeren of

de keisteenen gebruiken om nieuwe kustgrenzen te vormen, maar in het

algemeen zijn die twee oorzaken voldoende, om de geheele gesteldheid

onzer planeet te veranderen, onafhankelijk van de rijzingen en dalingen

van den bodem.

Iedereen b.v. kent Havre. Men weet, dat die stad nog geen vier eeuwen

oud is en in 1516 door Frans I is gesticht. De geheele vlakte, waarop

die belangrijke stad zoo snel is opgekomen, is gevormd door aanslibbing

van de Seine en bezinking van het zand, dat bij springvloed door de

zee is uitgeworpen; de geheele plek was tot aan deze eeuw moeras. De

Seine sleept het zand mede, dat zij langzaam neerlegt aan hare monding,

en tot zelfs een eind ver in zee. Maar bij springtij en storm drijft

de zee dat bezinksel terug en wijzigt zij daardoor onophoudelijk den

ondergrond. Het gevolg hiervan is, dat het gebied der zee gedurig

afneemt. De rechteroever der Seine wordt voorbij Havre al langer en

langer, de linkeroever verandert eveneens, zoodat het zeestrand bij

Trouville al breeder en breeder wordt. Zoo ziet men, hoe alles om

ons heen verandert door nog steeds werkende oorzaken, en dat daartoe

volstrekt geene groote omwentelingen in de natuur noodig zijn. Fig. 99

toont ons aan, hoe de zee langzamerhand den voet der rotssteilten

bij Kaap la Hève ondermijnt, en wel vooral bij storm en springtij,

en hoe daardoor die banken van krijt, mergel en klei verteerd worden;

het gevolg hiervan is, dat vertikale muren van honderd meters hoog

overhellen, en dat door het voortdurend invreten in den voet der rots

de eeuwenoude steenlagen worden uitgegraven. Daardoor levert die kust

eenen schilderachtigen aanblik op.

Sedert het begin der elfde eeuw zijn reeds 1400 meters door de werking

der zee ingevreten.

Oorspronkelijk hadden de kusten van alle zeeën eene geringe helling:

de vertikale muren en de rotssteilten zijn het gevolg van het

invreten der zee; dat voortdurend wegbijten geeft het aanzijn

aan de keisteenen, die men op het strand vindt. Men kan zelfs een

karakteristiek verschil waarnemen tusschen het profiel van klippen,

die langzamerhand weggebeten worden door eene zee met standvastigen

waterspiegel, zooals de Middellandsche zee, waar bijna geene getijden

zijn, en de klippen van den Atlantischen Oceaan. In het eerste geval

vertoonen de klippen, waartegen de golven aanklotsen, een enkel profiel

(fig. 100), in het tweede geval is het profiel dubbel: het ééne is

geteekend door den vloed, het andere door de ebbe (fig. 101).

Behoudens de kleine verschillen, veroorzaakt door de aantrekking

van het vaste land, door de veranderingen in luchtdruk, door den

invloed der getijden, mag men den waterspiegel der zee als bijna

standvastig beschouwen; die waterspiegel is dan ook het beste

merkteeken ter vergelijking. Indien men van eeuw tot eeuw aan eene

kust eene verandering van de waterhoogte waarneemt, dan is men zeker,

dat niet de zee in hoogte veranderd is, maar de grond. De zee houdt

steeds dezelfde gemiddelde hoogte, omdat de hoeveelheid water, die

in den vorm van regen of sneeuw neervalt, gelijk is aan die welke

door verdamping der zee opstijgt; dit kan trouwens niet anders,

daar de wolken gevormd worden door verdamping van het water der zee

en der rivieren.

De Wereld vóór de schepping van den mensch · 第 10 / 40 段