lagen op verschillende punten van Europa bloot geraakt en daardoor
het voorwerp geworden van belangrijke onderzoekingen. In Engeland
is de cambrische laag meer dan 6000 Meters dik en de silurische
8000 Meters. In Zweden daarentegen is de silurische laag slechts
600 Meters dik. In Bohemen daarentegen is zij gelegen tusschen
eruptiefgesteenten. Opmerkelijk is het, dat dezelfde levende
wezens, thans versteend, gelijktijdig verschenen zijn in alle
silurische formaties. Dezelfde soorten worden gevonden in Zweden,
Engeland, Boheme, de Vereenigde Staten, de Kaap de Goede Hoop en
in Barrowstraat en Melville-eiland op 76° noorderbreedte; enkele
soorten, zooals graptolithus Murchisonii e.a. komen voor op plaatsen,
die aan verschillende uiteinden van de middellijn der aarde gelegen
zijn. Overal heerschte dezelfde temperatuur.
Zelden zijn de silurische lagen horizontaal. Zij hebben alle rijzingen
en dalingen medegemaakt, die in de aardschors sedert dien tijd hebben
plaats gevonden; men heeft hare fossielen in de Andes in Amerika
gevonden op 5000 Meters hoogte. Gedurende die langdurige azoïsche
periode strekken de zeeën zich bijna over de geheele aarde uit. Bijna
geheel Europa b.v. van Spanje tot aan het Ural-gebergte lag onder
water. Een deel van Bretagne stak boven water uit, zoo ook Auvergne,
de Alpen, de Jura en enkele eilanden in de Pyreneën; maar de plaatsen,
waar Parijs, Rouaan, Havre, Orleans, Bordeaux, Marseille, Nizza,
Turin, Genève, Brussel gelegen zijn, lagen toen nog onder de golven
der silurische zee. Brest, Nantes, Autun waren reeds uit de wateren
te voorschijn getreden. IJsland, gevormd uit eruptiefgesteenten der
azoïsche periode, Lapland, Finland, een deel van Zweden en Noorwegen,
een deel van Schotland en Ierland, van Spanje, Zwitserland, Corsica,
Sardinië, Boheme, Turkije, staken boven de zee uit; maar Londen,
Amsterdam, Parijs, Madrid, Petersburg lagen op den bodem van den
Oceaan, en daarboven bewogen zich in de wateren onze plantaardige en
dierlijke voorouders der silurische periode, die het vruchtbare werk
van het toekomstige leven voorbereidden.
Hoe welsprekend is dit schouwpel voor hem, die het kan bevatten! Op den
eersten oogopslag doet het ons den betrekkelijken ouderdom der bergen
kennen. De Alpen zijn ouder dan de Pyreneën. Toen de Mont-Blanc,
de Sint-Gothard, de Jungfrau reeds hunne kruinen boven de wolken
verhieven, rustten de Pyreneën nog op den bodem van het water; zij
zijn de dochters der secundaire periode en millioenen jaren jonger
dan de Alpen. Toen verhieven zich slechts enkele toppen der Pyreneën
als kleine eilanden, boven de golven; maar het water stroomde vrij
door den archipel, en Spanje was nog evenmin scherp begrensd als
Frankrijk. De Middellandsche zee bestond evenmin als de Caspische,
de Zwarte zee, de Baltische zee of het Kanaal: ééne enkele wereldzee
strekte zich over den aardbol uit. De Alpen waren waarschijnlijk
veel hooger dan nu; zij schijnen ten minste weder gezakt te zijn,
en zelfs verscheidene malen te zijn gestegen en gedaald.
In die zeeën heerschten de phalangieten (bastaardspinnen) en tallooze
trilobieten. Gewapend met zijn drielobbig schild, was dit het eerste
schaaldier, dat zich vrij durfde bewegen, andere plaatsen durfde
opzoeken en nieuwe kusten tot woonplaats durfde te kiezen.
Het was ook het eerste dier, dat oogen had, geschikt om te zien. Vóór
dien tijd werd ieder wezen blind geboren en bleef het blind, alsof de
vormelooze natuur zich schaamde voor hare omgeving. Tot nu toe konden
de dieren alleen licht en duisternis, dag en nacht onderscheiden, zij
konden de plaats, die zij innamen, alleen voelen en niet zien. Doch
nu treedt de trilobiet op; hij heeft een werkelijk gezichtsorgaan,
niet langer in rudimentairen toestand. En wat zag dat eerste oog,
met bulten overdekt? Kleine drijvende weekdieren, nog geen visschen,
of kruipende of gewervelde dieren, maar tallooze plantdieren, koralen,
zeeleliën, zeesterren. Om zijne vijanden te ontkomen, rolde hij zich
tot eenen bal samen en liet hij zich door den Oceaan medevoeren.
Hij zal lang genoeg leven, om eindelijk het bijna volkomen gevormde oog
der koppootige weekdieren te aanschouwen; het geheele gezichtsorgaan
heeft zich ontwikkeld en geleidelijk volmaakt, van de gekleurde
stip der _zoänthariën_ tot aan de groote oogen der _ammonieten_
en _belemnieten_. De levende natuur is niet langer blind.
De trilobiet, de voorvader der schaaldieren, was ook een der eerste
wezens, die van de zich ontwikkelende aarde verdwenen. Zijn schild met
drie lobben heeft hem niet kunnen beschermen tegen den tand des tijds;
hij verkondigt de veranderlijkheid der vormen, die zich evenals de
aarde voortdurend wijzigen; hij verkondigt, hoe niet alleen individuen,
maar ook soorten en geslachten sterven.
Geen schepsel heeft zich nog buiten de lauwe wateren gewaagd; hier
en daar werpen de stormen eene ontwortelde wier, eene tweekleppige
schelp op de kust, doch deze worden weder door de golven medegevoerd
en aan den Oceaan teruggegeven. Geen wezen heeft nog gepoogd op het
vaste land te leven; geen enkele getuige heeft nog het hoofd boven
de zee durven uitsteken en het heelal durven aanschouwen: alleen de
wateren zijn bewoond.
Verheffend denkbeeld! De menschen, die ons zijn voorgegaan, kenden
slechts de bewerktuigde wezens van hunnen tijd, zonder te vermoeden,
dat er ooit andere bestaan hebben. Hun horizon beperkte zich tot de
tegenwoordige natuur. Zij vermoedden niet, dat er eene zichtbare,
versteende eeuwigheid achter hen lag. Of indien zij vermoedden,
dat ooit andere vormen op de aarde bestaan hadden, waren het voor
hen chimaeren, centauren en dergelijke monsters, door de verbeelding
gewrocht. De sterrenkunde deed ons de _ruimte_, de aardkunde, den
_tijd_ kennen.
Doch zie! Daar leeren wij een nieuw heelal kennen. Voor ons opent
zich een onmetelijk verleden, bewoond met schepselen, waarvan wij geen
denkbeeld hadden. De visioenen der dichters en profeten zijn door de
werkelijkheid overtroffen. Zij nemen voor ons een' vorm aan en heeten
pterodactylen (vleugelvingerigen), plesiosauren, dinotheriums enz.
"Welk eenen invloed," zegt Edgard Quinet, "moeten dergelijke
veranderingen in onze beschouwingen, een zoodanige rijkdom, bij
den reeds aanwezigen rijkdom gevoegd, de gift van eene geheel nieuwe
natuur, in den dood bewaard, uitgeoefend hebben op onze voorstellingen
van leven en dood, van het heden en de toekomst, van onze plaats aan
de spits der bewerktuigde schepselen! Indien de kruipende dieren in
het secundaire tijdperk hadden kunnen spreken, dan zouden zij gezegd
hebben: Wij zijn de koningen der schepping. Geen wezen staat boven ons,
niemand dan wij is in staat te kruipen. Tevergeefs tracht een troep
lagere wezens, straaldieren, weekdieren, visschen zich met ons te
meten. Het kruipende dier is het uitverkoren schepsel, de goddelijke
vorm; met hem eindigt de wereld haren vooruitgang en hij is de kroon
der schepping.
"Indien de groote zoogdieren van het tertraire tijdperk hunne stem
hadden doen hooren, dan zouden zij gezegd hebben: Het heelal heeft
eenen stap voorwaarts gedaan, wij staan op de hoogste trede der
ontwikkeling. Hoe is het mogelijk, dat de kruipende dieren ooit hebben
kunnen gelooven, dat met hen de wereld voltooid was. Zij zijn in staat
op den buik voor te gaan; maar wij hebben het hoofd opgeheven. Wij zijn
de wettige heerschers, hoe kunnen er nog hooger bewerktuigde wezens
bestaan? Al die overgangsvormen, die zich oefenden tot het leven,
ontwikkelden zich geleidelijk tot onze gedaante. Maar wij hebben het
eindpunt bereikt, zonder vrees, dat ooit eenig ander wezen ons van
onzen troon verjaagt; wij kunnen van eeuw tot eeuw rustig de aarde
afweiden en ons onderling verscheuren.
"Doch zie! Daar begint het quaternaire tijdstip; de mensch verschijnt
en zegt: Tot nu toe heeft iedereen zich vergist, wij alleen niet. De
kruipende dieren geloofden aan de goddelijke heerschappij der
kruipende dieren, de zoogdieren aan die der zoogdieren. Dwaling,
vermetelheid van het lagere volk der schepping. Ik alleen ben de
wettige heerscher. Om voor mij plaats te maken, zijn al die koningen
van éénen dag ter aarde gestort, van de trilobieten en de koninklijke
ammonieten tot de groote gewervelde dieren. Ik alleen ben de heerscher,
in wien het leven zijnen volmaaktsten vorm heeft verkregen; of juister
gezegd, er is geene enkele schakel tusschen de vroegere vormen en
den mijnen. Het heelal is voltooid, de tijden zijn vervuld. In mij
heeft God zich uitgeput, ik ben de laatste zoon van zijnen ouderdom.
"Dat gezichtspunt is dagelijks moeilijker vol te houden; zoo talrijke
organische dynastiën moeten den mensch eindelijk overtuigen, dat
hij zelf eene soort van ééne dag is, en dat het oogenblik komen zal,
waarop ook hij zal worden onttroond.
"Wanneer ik dien langzamen vooruitgang zie, van den trilobiet,
den eersten verbaasden getuige van de wordende wereld tot aan het
menschengeslacht, dan is het mij onmogelijk, te gelooven, dat de
opklimming bij mij eindigt en dat die oneindige arbeid zich niet
verder uitstrekt dan tot den horizon, dien ik overzie. Dan kan ik
mij niet langer tevreden stellen met wat ik ben. Dan verlang ook
ik vleugelen en schep ik mij in mijne verbeelding toekomstige, nu
nog onbekende rijen van vormen en wezens, die mij in kracht en in
licht evenveel zullen overtreffen, als ik uitmunt boven het eerste
wezen, in de oude wereldzee geschapen. Dan kan ik mij dat wonder
van hoogmoed en nederigheid verklaren, mensch genoemd; hoogmoedig
tegenover de vroegere wezens, die langzaam tot hem opklimmen; maar
nederig tegenover de hoogere wezens, waarvan hij de kiem in zich
omdraagt en waarvan hij de hoogere aspiraties in zich voelt. [9]"
Langzaam en regelmatig groeit en ontwikkelt zich de boom des levens. De
ontwikkeling van het plantenrijk loopt evenwijdig met die van het
dierenrijk. De oudste planten zijn de laagste zeeplanten, evenals
de oudste dieren zeedieren waren. Opmerkelijk is het, dat planten-
en dierenrijk ontwikkeld zijn in de volgorde, door de physiologie
aangegeven: dit is een belangrijk en tevens onwederlegbaar feit. Indien
de gesteenten, in de laurentische, cambrische en silurische lagen
bewaard gebleven, ons hoogere planten, boomen, bloemen of vruchten
hadden leeren kennen, aan de onze gelijk, dan had men grond gehad,
de beginselen in dit boek neergelegd te bestrijden. Maar beide
rijken hebben nauwkeurig den weg gevolgd, dien onze lezers bij deze
onderzoekingen hebben leeren kennen. De eenvoudigste planten, de
cryptogamen, zijn de oudste; men vindt deze alleen in de geologische
lagen der azoïsche periode; de meer volkomen planten, de phanerogamen
zijn eerst veel later ten tooneele verschenen. De cryptogamen zijn
in de geschiedenis der planeet evenals in de plantenphysiologie,
de oorsprong en het uitgangspunt van alle planten.
Aan den oorsprong van alle planten ontmoeten wij het vormelooze
protoplasma, dat echter reeds de kenmerken van het leven bezit. Het
is dezelfde stof, waaruit ook de eerste dieren bestaan, en in
de meest volmaakte plant vindt men nog de herinnering aan dien
toestand terug. Binnen de plantencellen trekt het protoplasma zich
samen en ademt het, zooals de dierlijke stof. De vleeschetende
planten herinneren ons aan dien toestand, evenzeer als het
kruidje-roer-mij-niet, dat den invloed van verdoovende middelen
ondervindt. De eerste planten, de ééncellige wieren, de paddestoelen,
de korstmossen, zijn slechts opeenhoopingen van protoplasmacellen.
Terecht heeft men aan de azoïsche periode den naam van de periode der
wieren gegeven, want spoedig hebben zij zich in de oorspronkelijke
zeeën verspreid, en het zijn ook de eerste planten, die zich aan de
kusten een weinig gewijzigd hebben, om zonder veel water te kunnen
leven of zelfs in vochtige lucht. Die wieren, welke op den bodem van
het water gebleven zijn, onder ongewijzigde omstandigheden, behoefden
zich niet te vervormen, en zooals zij dan ook voor millioenen jaren
bestonden, zoo vinden wij ze nog heden terug. Die eerste planten
(_protophyten_) vertoonen echter op het einde der silurische periode
eene groote verscheidenheid van vormen en afmetingen. Bij de vroeger
genoemde soorten kan men nog voegen de _crossochorda_, in de lagere
silurische lagen van Schotland en Bagnols (département de l'Orne)
gevonden, die uit niets anders bestaat dan uit dooreengestrengelde
buizen; de _arthrophycus_, op alle diepten der silurische formatie,
de _eophyton_ en vooral de belangrijke groep der _Chondriten_, die
beginnende in de silurische periode, in het midden der tertiaire
periode verdwenen zijn. De hoogere wieren, fucoïdeën, florideën
enz. zijn eerst veel later verschenen. Wij zullen thans niet verder
in bijzonderheden afdalen. Ons doel was alleen aan te toonen, dat het
planten- en dierenrijk begonnen is met de laagste zeeorganismen. De
planten in de lucht zijn ontstaan uit de waterplanten. Verschillende
wiersoorten hebben het water verlaten om bezit te nemen van den grond,
die boven het water uitstak; eerst hebben zij zich gelegerd op vochtige
en dikwijls overstroomde plaatsen, doch later hebben zij zich stap
voor stap verspreid met die wijzigingen, die de levensvoorwaarden
medebrachten. Onder den invloed van de nieuwe omgeving gaven de
celweefsels, die oorspronkelijk gelijkslachtig waren, het aanzijn aan
nieuwe bedekkingen. Bij gewijzigde voeding werden ook de planten voor
dat doel gewijzigd. Zoo ontstonden eensdeels de blad- en levermossen,
anderdeels de varens, de paardestaarten en andere. De eerste planten
waren sporeplanten (cryptogamen); de phanerogamen (zaadplanten)
stammen daarvan af.
De eerste op het land groeiende planten komen evenals de eerste in
de lucht ademende dieren eerst voor op het einde van het silurische
tijdperk. In het leisteen van Angers heeft men eenen schoonen afdruk
van eene varen gevonden. Men vindt ook in de silurische lagen van
Cincinnati wolfsklauwen en sigillaria's. Dit zijn de oudste planten,
buiten het water levende en dagteekenend uit de silurische periode. De
reeds zoo ingewikkelde bouw der plant bij haar eerste verschijnen
op de oppervlakte van den bodem, doet ons vermoeden, dat er eene
ons onbekende periode moet geweest zijn, waarin op het vasteland
eenvoudiger planten bestaan hebben dan varens. Toen de regens als het
ware voortdurend op de aarde nedervielen en het water der zee door
zijne hooge temperatuur steeds verdampte, moesten planten van zeer
lage ontwikkeling den grond bedekken. Die planten leefden ongetwijfeld
op de wijze der wieren, die als het ware gedompeld blijven in een
onafgebroken bad. Eerst na eene reeks van eeuwen kunnen zij de vormen
verkregen hebben, door de oudste afdruksels geopenbaard. In den tijd
waarin zich de lei-, de kwarts- en de kalkrotsen der laurentische,
cambrische en silurische periode vormden, is de lucht gezuiverd,
vielen de regens in plaats van voortdurend, met tusschenpoozen, en
vormde de dampkring, nevelachtig en warm blijvend, eene tweede zee,
over den Oceaan hangend. Toen verkreeg de plantengroei op aarde nieuwe
vormen en organen, passend voor de gewijzigde omstandigheden. Voor
het eerst verkregen de planten bladeren, schoten zij wortels uit,
en kregen de weefsels verschillenden bouw en verwierven zij grootere
schoonheid en symmetrie.
Het water is eene middelstof, uiterst geschikt voor de meeste lagere
organismen. Geheele afdeelingen van planten en dieren, zooals wieren,
plantdieren, de meeste weekdieren en alle visschen leven in het water,
dat zij niet straffeloos kunnen verlaten. Niet alleen dient het
water tot voertuig voor de gassen, door die schepselen ingeademd,
maar het doordringt ze ook; het waterdragend deel der weekdieren
bevat een geheel stelsel van openingen en kanalen. Dit is zelfs één
der duidelijkste karaktertrekken, waaruit hunne betrekkelijk lage
ontwikkeling blijkt. Zoowel de wieren als de weeke dieren drogen uit,
zoodra zij uit het water komen en verliezen dan door verdamping
het vocht, dat voor het behoud van hun leven noodig is. Een zeer
vochtige dampkring echter kan de rol van eene vloeibare middenstof
vervullen. Zoo kunnen blad- en korstmossen, al zijn het landplanten,
alleen onder den invloed van water groeien. Zoolang de lucht droog
blijft, schijnt het leven uitgedoofd, totdat de vochtigheid het leven
weder opwekt.
De vochtige lucht is dan ook de weg geweest, waarlangs het leven zijne
voortbrengselen van het water naar de oppervlakte der aarde heeft
overgebracht. De varens, de oudste der bekende landplanten, tieren
het weligst in vochtige lucht. Het door longen ademende weekdier, bij
hetwelk de kieuwen vervangen zijn door luchtzakken, en dat buiten het
water ademt, is eerst na tal van voorzorgen er toe kunnen komen, om op
het land voort te kruipen. Het zou zich, met eene bloote en weeke huid,
niet over den grond kunnen voortbewegen, zonder het slijm te verliezen,
dat uit zijn lichaam druipt en zijnen gang vergemakkelijkt. Het bewoont
daarom donkere en vochtige plaatsen, die het alleen des nachts of op
regendagen verlaat, terwijl voor diegenen welke eene schelp bezitten,
het gevaar om zich aan de lucht bloot te stellen, zóó groot is, dat zij
zich hermetisch insluiten, òf door het afscheiden van een slijmerig
vocht, òf door van een deksel gebruik te maken. Teruggetrokken in
eene nauwe, doch zekere schuilplaats, blijven weekdieren somtijds
maanden lang slapend, totdat zij door de vochtigheid ontwaken; men
heeft zelfs somtijds dieren uit eene schelpenverzameling na jaren
uit hunne rust zien ontwaken onder den invloed van een bad.
Terwijl echter de planten en dieren, vroeger in het water levend,
begonnen zijn voor het land geschikt te worden door het water te
zoeken in den bodem en de lucht, duurde het nog langen tijd, en
moest de natuur meer ingewikkelde plannen scheppen, eer zij voor goed
voor het land geschikt waren. Bij de werveldieren moesten daartoe de
organen voor het ademen door longen gevormd worden, bij de planten
een aantal organen, die bij de lagere planten òf niet bestaan, òf
niet ontwikkeld zijn, zooals de wortels, die dienen, om de sappen op
te zuigen en de bladeren, die dienen voor de ademhaling.
Tot voor eenige jaren twijfelde men nog aan het bestaan van dieren,
die in de lucht ademen, uit het silurische tijdvak. In 1884 werd echter
in de bovenste silurische lagen van Gothland (Zweden) een versteende
schorpioen gevonden. Opmerkelijk is het, dat tegelijkertijd de ware
aard van eenen anderen schorpioen ontdekt werd, in 1883 in de bovenste
silurische lagen van Schotland gevonden. Deze beide exemplaren van
dieren, die thans alleen leven in de warme landen, zijn gevonden op
de hooge breedte van Schotland en Zweden, een bewijs te meer, dat er
toen nog geene klimaten bestonden.
Zoo vertoont zich dan het ééncellige wezen aan den drempel der geheele
schepping; naarmate de eeuwen bij tienduizenden voorbijgaan, verdeelen
zich de wezens in soorten, die zich weder splitsen en vertakken; al
meer en meer wijken zij van elkander af; hunne levensverrichtingen
worden met hunne organen ingewikkelder; hunne vermogens beperken zich
tot bepaalde deelen; hunne instincten komen voor den dag; het laatst
treedt het verstand op. En zóó nadert het indrukwekkende drama zijne
ontknooping, waarbij de mensen optreedt, de kroon der schepping,
volkomen bewust van de hem toebedeelde rol.
DERDE BOEK.
Het primaire tijdperk.
EERSTE HOOFDSTUK.
De tijdperken in de schepping. De formaties. Hare verdeeling.
In een Arabisch handschrift uit de 13de eeuw legt de schrijver een
denkbeeldig persoon de volgende aardige legende in den mond:
Toen ik mij eens in eene oude en bevolkte stad bevond, vroeg ik éénen
der inwoners, hoe lang geleden die stad gesticht was. Hij antwoordde:
wij weten niet, sedert wanneer deze groote stad bestaat, en onze
voorouders wisten het evenmin.
Vijf eeuwen later kwam ik weer op dezelfde plaats en kon ik geen
spoor der stad meer ontdekken. Ik vroeg eenen boer, die op de plaats
waar de stad gestaan had, aan het maaien was, hoe lang geleden de
stad verwoest was. Dit is, antwoordde hij, eene vreemde vraag. Deze
plek is nooit iets anders geweest, dan zij nu is.--Maar stond er
dan oudtijds niet eene prachtige stad?--Nooit, was zijn antwoord,
voor zooverre wij er tenminste over kunnen oordeelen, en onze vaderen
hebben ons nooit over het bestaan dier stad gesproken.
Weer vijfhonderd jaren later vond ik op dezelfde plek de zee. Aan
de kust stond een troep visschers, die ik vroeg, sedert hoelang het
land overstroomd was. Hoe kunt gij ons dat vragen, zeiden zij. Die
plek was altijd, wat zij nog thans is.
Nog eens vijfhonderd jaren later was bij mijne terugkomst de zee
verdwenen; ik vroeg iemand, dien ik alleen op die plek vond, sedert
wanneer de verandering had plaats gegrepen, en hij gaf mij hetzelfde
antwoord als te voren.
Eindelijk, na eene even groote tijdsruimte, kwam ik er voor het
laatst, en ik vond er eene bloeiende stad, meer bevolkt en rijker in
monumenten, dan de eerste, en toen ik naar haren oorsprong vroeg,
antwoordden mij de inwoners: de tijd harer stichting verliest zich
in de grijze oudheid; wij weten niet, hoelang zij bestaat, en onze
vaderen wisten er evenmin iets van af.
Ziedaar inderdaad het beeld van den korten duur van 's menschen
herinnering, en van de beperktheid van onzen gezichtskring in tijd en
in ruimte. Wij zijn geneigd te gelooven, dat de aarde altijd geweest
is wat zij nu is; slechts met moeite kunnen wij ons de veranderingen
voorstellen, die zij in de millioenen en millioenen jaren, die het
optreden van den mensch zijn voorafgegaan, heeft ondergaan; de lange
duur van dien tijd verplettert ons, zooals de uitgestrektheid der
ruimte ons in de sterrenkunde verplettert.
In het tijdperk, waartoe wij thans genaderd zijn in onze geschiedenis
der aarde, was het leven reeds zeer verspreid in de wateren, die
nog bijna de geheele aarde bedekten. Zij bestaat hoofdzakelijk uit
laag ontwikkelde planten, uit weekdieren en schaaldieren. Doch zij
ontwikkelt zich. De soorten, die in dezelfde levensomstandigheden
blijven, zooals op den bodem der zee, blijven onveranderd voortbestaan,
een groot aantal leeft nog in onzen tijd. De soorten, die zich aan de
kusten of op het vasteland bevonden, ondergaan wijzigingen in voeding,
temperatuur, licht, ademhaling enz., zij zullen zich schikken naar die
gewijzigde omstandigheden door te veranderen, of zullen bezwijken, als
de verandering te groot of te plotseling plaats heeft. Enkele geologen
noemen het tijdperk, dat wij thans gaan bespreken, _overgangstijdperk_;
doch ten onrechte: iedere periode is eene overgangsperiode. Wij zullen
dus de geologische benaming behouden, die men er aan gegeven heeft,
en zullen dus de periode, die begint onmiddellijk na de silurische
periode, het primaire of _devonische_ tijdperk noemen, omdat men voor
het eerst die terreinen nauwkeurig bestudeerd heeft in Devonshire
(1837). De formatie zelf wordt ook wel bonte zandsteenformatie genoemd.
Maar het is van belang, dat wij ons uit een geologisch standpunt
rekenschap geven van die opvolging in geologische formaties. Tot nu toe
hebben wij voornamelijk de geboorte en de ontwikkeling van het leven
bestudeerd en hebben wij de wezens zien ontstaan, die de eerste trede
vormden, welke leidde tot het toppunt der schepping, den mensch. Het
is thans van belang na te gaan, hoe de lagen zich op elkander hebben
gerangschikt, en den gang te volgen der natuur bij het afzetten van
al die lagen, waarin men de sporen van verdwenen wezens heeft gevonden.
Laten wij dus eerst eene tabel samenstellen van de opvolging dier
formaties en tijdperken, te beginnen met de oudste, dat zijn die,
welke wij reeds in het vorige hoofdstuk besproken hebben.
Tabel der groote perioden van de organische geschiedenis der Aarde.
_I. Azoïsche periode._
Periode der koplooze dieren en der wieren.
1 Oudste azoïsche periode of Laurentische periode.
2 Middelste azoïsche periode of Cambrische periode.
3 Jongste azoïsche periode of Silurische periode.