Te betreuren is het, dat dergelijke vraagpunten niet werden gesteld

met het doel om de waarheid te zoeken, maar voornamelijk om de

handigheid der stellers in het debat te doen uitkomen. Elke theorie,

hoe dwaas ook, vond aanhangers, zoodra zij op het groote publiek

indruk kon maken. Zoo verdedigde Mattioli, een uitnemend plantkundige,

de stelling, dat eene vette zelfstandigheid, in gisting gebracht door

de warmte, het aanzijn schonk aan fossiele organische vormen. En toch

hadden hem zijne eigene waarnemingen geleerd, dat poreuze lichamen,

zooals beenderen en schelpen, in steenen konden veranderen, daar zij

doordringbaar waren voor wat hij het _versteenende sap_ noemde. Zoo

beweerde Faloppio, van Padua, dat versteende schelpen door gisting

ontstonden op de plaatsen waar men ze vindt, of dat zij in bepaalde

gevallen hare vormen verkregen hadden door de beroeringen van aardsche

uitwasemingen. Hoewel zelf een verdienstelijk hoogleeraar in de

ontleedkunde, beweerde hij toch, dat sommige slagtanden van olifanten,

in zijnen tijd opgegraven, niets anders waren dan verhardingen der

aarde. Zoo beweerde men zelfs, dat de muntschelpen (nummuliten), in

Egypte gevonden, linzen waren, door de Pharao's opgehoopt tot voedsel

voor de slaven, die gebruikt werden voor den bouw der pyramiden!

Eindelijk echter brak de waarheid door. Een eenvoudig pottenbakker,

Bernard Palissy, neemt de natuur zelf waar en heeft den moed

te Parijs te verkondigen, ten aanhoore van alle doctoren, dat de

fossiele schelpen niets anders waren clan gewone schelpen, eertijds

door de zee neergelegd op de plaatsen, waar zij gevonden werden,

dat dieren, en vooral visschen aan de steenen hunne verschillende

vormen gegeven hadden, en hij tartte de geheele Aristotelische school,

zijne bewijzen te weerleggen. "En al vindt men steenen, met schelpen

gevuld op de toppen der hoogste bergen," zoo sprak hij, "daarom meene

men niet, dat de schelpen gevormd zijn op zoodanige vreemde wijze,

als sommigen meenen. Geen enkele steen kan den vorm van eene schelp

of van een dier aannemen, als niet het dier zelf dien vorm gebouwd

heeft. Vóórdat dus die schelpen versteend waren, leefden de visschen,

die ze gevormd hebben, in het water, en de visschen en het water zijn

gelijktijdig versteend."

Toch bleef men twijfelen. Hoewel reeds Steno in 1669 eene verklaring

gegeven had van de sedimentformaties en de fossielen, twijfelen

Fontenelle, Buffon en anderen nog aan den aard der fossielen,

en hebben zij geen denkbeeld van de wijze van ontstaan der

sedimentformaties. Doch langzamerhand trekt het geheimzinnig waas

weg, dat altijd de fossielen bedekt had. De onderzoekingen van Steno,

Pallas, Saussure, Werner, Deluc, Hutton, Playfair, Smith, Humboldt,

Cuvier, Lyell, Elie de Beaumont en anderen verhieven de leer der

fossielen tot de positieve wetenschap, die een belangrijk onderdeel

der aardkunde uitmaakt. Cuvier was in waarheid de schepper der

_paleontologie_. Na hem durfde niemand meer te twijfelen aan het wezen

der fossielen, en moest iedereen erkennen, dat zij de overblijfselen

waren van dieren en planten, die geleefd hadden in eenen tijd, toen

de mensch nog niet op aarde verschenen was, en die bewaard gebleven

waren in de sedimentformaties, die zich achtereenvolgens hadden

afgezet. Toch had reeds Ovidius geschreven:

Vidi, ego, quod fuerat quondam solidissima tellus

Esse fretum; vidi factas ex æquore terras;

Et procul a pelago conchæ jacuere marinæ

Et vetus inventa est in montibus anchora summis. [7]

Maar de waarheid breekt eerst langzamerhand baan; het oog gewent

eerst geleidelijk aan het licht.

Naar aanleiding van dit overzicht is het niet van belang ontbloot,

op te merken, hoe groote geesten eenen eigenaardigen luister geven aan

ieder onderwerp, door hen behandeld. Somtijds wel breiden zij hunnen

horizon zóózeer uit, dat zij het doel nooit bereiken, maar op hunnen

weg vinden zij eenen zóó ruimen oogst, dat die oogst, oorspronkelijk

bijzaak, zóó belangrijk is, dat deze hoofdzaak wordt. Zoo werd aan

Leibnitz in 1680 door hertog Ernst August van Brunswijk opgedragen,

de geschiedenis van het huis van Hannover en het hertogdom Brunswijk te

schrijven, en hij wilde die geschiedenis beginnen met die van den bodem

zelf; zoo kwam hij tot dien van den geheelen aardbodem. Aldus ontstond

zijn geschrift over de vormingen en omwentelingen van den aardbodem,

als inleiding tot de geschiedenis van Hannover.... en kwam hij zelfs

niet tot aan den zondvloed. Toch is dit boekje onvergelijkelijk

belangrijker dan de geschiedenis eener dynastie van hertogen, of

keizers, en zoo was Leibnitz zijnen tijd twee eeuwen vooruit. Doch

keeren wij tot ons onderwerp terug.

De oudste sedimentformaties zijn die, welke op de oorspronkelijke

gesteenten rusten. Zij zijn de bezinkingen in de azoïsche periode en

kunnen in drie lagen verdeeld worden. Zij hebben haren oorspronkelijken

horizontalen vorm niet behouden, maar zijn door verschillende oorzaken

telkens veel vervormd geworden. De doorsnede van den aardbol in

figuur 60 is dan ook meer theoretisch, dan dat zij in werkelijkheid

zoo bestaat.

De diepste formatie heet _de Laurentische_. Zij is haren naam

verschuldigd aan de opgravingen oan de Sint-Laurensrivier in Canada;

de tweede formatie, _de Cambrische_, heet naar Wales (Cambria)

in Engeland, waar die lagen bijzonder bestudeerd zijn; de derde,

_de Silurische_, heet naar de Celtische volksstam de Siluriërs, die

in Shropshire woonden tijdens den inval der Romeinen in Engeland,

waar die sedimentformaties zeer verspreid zijn.

De betrekkelijke dikte dier drie lagen kan een denkbeeld geven van

de verhouding van den duur der perioden, waarin zij gevormd zijn. De

Laurentische formatie is negen kilometers dik, de Cambrische zes

kilometers, de Silurische acht kilometers, te zamen dus 23 kilometers,

geheel gevormd door de bezinking in de zee. Alle nieuwere formaties,

op de andere gelegen, en behoorende tot de volgende perioden, de

primaire, secundaire, tertiaire en quaternaire periode, zijn slechts

20 kilometers dik. Hieruit volgt reeds, dat de azoïsche periode langer

geduurd heeft dan de vier nieuwere perioden te zamen.

Uit de waarnemingen van den tijd, dien regen en wind noodig hebben

om de boven het water uitstekende deelen der aarde te verweren, van

den tijd, waarin de stroomen en rivieren de ontlede stoffen naar

zee voeren, en waarin de in het water zwevende stoffen bezinken,

kan men zich bij benadering een denkbeeld vormen van den duur dier

praehistorische tijden. Ons leven is zóó kort, de geschiedenis der

volken gaat zóó snel voort, dat wij steeds de neiging hebben, de werken

der natuur terug te brengen tot de schaal van onzen mikrokosmos,

en daar ééne eeuw ons zeer lang toeschijnt, meenen wij ook, dat dit

werkelijk ook voor de natuur eene lange periode is. Maar de studie

van het heelal en zijne bewegingen en vervormingen leert ons, dat in

de geschiedenis van het heelal de eeuwen minder zijn dan secunden

in ons leven. Toch nemen wij als grondslag voor onze redeneering

eene nauwe doch voor ons te bevatten grens aan. Onze historische

herinnering is zóó kort, dat indien wij voor het quaternaire tijdperk,

het tijdperk, waarin de mensch leefde, honderdduizend jaren nemen, wij

vreezen te overdrijven, en toch is het zeker, dat dit cijfer beneden de

werkelijkheid is. De menschheid heeft reeds onmetelijke tijden bestaan,

vóórdat de geschiedenis begon, vóórdat zij kon spreken en schrijven,

vóórdat zij zich vereenigde tot volken. Doch nemen wij als grondslag

voor de tegenwoordige periode sedert den oorsprong der menschheid

honderdduizend jaren aan. In dat geval heeft de tertiaire periode

460 000 jaren, de secundaire 2 300 000 jaren, de primaire periode 6

420 000 jaren, de azoïsche periode 10 720 000 jaren geduurd, zooals

blijkt uit de volgende tabel:

Verhouding van de dichtheid der lagen en minimumduur der perioden:

Dikte. Verhouding. Duur.

(100 000

jaren voor de

quaternaire

periode

gerekend).

Azoïsche periode. 23 000 Meters 53,6 10 720 000 jaren.

Primaire periode. 14 000 Meters 32,1 6 420 000 jaren.

Secundaire periode. 5 000 Meters 11,5 2 300 000 jaren.

Tertiaire periode. 1 000 Meters 2,3 460 000 jaren.

Quaternaire periode. 200 Meters 0,5 102 000 jaren.

43 200 Meters 100 20 002 000 jaren. [8]

Wij hebben als grondslag voor deze getallen de gegevens van Haeckel

omtrent de dikte der formaties genomen. De cijfers, door verschillende

geologen gegeven, wijken in enkele opzichten af, maar het eindresultaat

blijft ongeveer hetzelfde.

Laat ons thans de azoïsche periode wat nader beschouwen en de sporen

van planten en dieren onderzoeken, die men daarin aantreft.

De azoïsche periode wordt in de aardkunde vertegenwoordigd door drie

formaties, die in de volgorde harer vorming op elkander liggen en de

volgende betrekkelijke dikte hebben:

Formaties. Dikte.

Azoïsche periode laurentisch 9 000 Meters,

cambrisch 6 000 Meters,

silurisch 8 000 Meters.

In de laurentische formatie heeft men tot nu toe niets met

volkomen zekerheid gevonden. Verscheidene geologen, vooral Dawson en

Carpenter, meenden, dat die lagen in Canada bestonden uit organische

overblijfselen; men heeft aan die gesteenten den naam gegeven van

_Eozoön Canadense_ (organisme van den dageraad). Men meent diezelfde

organismen ook gevonden te hebben in Ierland, Zweden, Boheme en

Beieren. Hoewel nu het bestaan van die organismen niet volkomen zeker

is, zoo staat het toch vast, dat de eerste organismen in die periode

gevormd zijn. Wij mogen dus aannemen, dat wij op den drempel staan

van het gebouw des levens.

Daar de geologische onderzoekingen zich nog nauwelijks uitstrekken

over het duizendste deel van de oppervlakte der aarde, zoo is het

niet vreemd, dat men zoo weinig fossielen gevonden heeft, behoorende

tot de eerste tijden van het leven op aarde; daarenboven zijn die

oorspronkelijke formaties zóózeer verhit en zóózeer gewijzigd door

de inwendige warmte der aarde, dat de groote meerderheid van de

overblijfselen van levende wezens onder die omstandigheden verwoest

zijn. Toch behoeft men niet te wanhopen, dat er meer bewijsstukken

voor den dag zullen komen, naarmate de geologen hun onderzoek verder

zullen uitstrekken, en dat zij met zekerheid zullen aantoonen, dat

het leven begonnen is in de Laurentische periode.

Het is niet overbodig, hierbij op te merken, dat de eerste geleiachtige

organismen nog niet genoeg vastheid bezaten, om te versteenen; hunne

omzetting en bewaring zouden ten minste moeten plaats gegrepen hebben

onder zeer moeilijk te verwezenlijken omstandigheden, zoodat het

niet vreemd is, dat de bewijsstukken voor het bestaan van organische

lichamen zeldzamer worden, naarmate de lagen ouder zijn.

Die laurentische laag vertegenwoordigt eene langdurige periode van

bezinking op den bodem der wateren; zij is immers negen kilometers

dik. De laagste schatting geeft voor die periode eenen duur van

verscheidene _millioenen_ jaren. Die rekening kan niet volkomen

nauwkeurig zijn, daar die bezinking sneller of langzamer plaats vindt

naar gelang van den afstand tot de kusten, van de diepte van het water

en van de rijzingen en de dalingen van den bodem. In de aardkunde is

men lang niet op zulk een bekend terrein als in de sterrenkunde.

De eerste _zekere_ sporen van organische wezens zijn in de cambrische

lagen gevonden, hoofdzakelijk in Engeland en Zweden. Het zijn

afdruksels van zeer laag staande zeeplanten en zeedieren, wieren,

ringwormen, weekdieren, sponsen, polypen, zeeëgels. Bij het aanschouwen

van die eerste afdruksels aarzelt men te beslissen, of het wieren of

buizen van ringwormen zijn, ja zelfs of het misschien strepen zijn

van zuiver levenlooze voorwerpen, door de golven voortbewogen langs

den slibbigen bodem. Alles schijnt geheimzinnig, en toch gevoelt

men, dat men die niet te ontcijferen teekens niet aan het toeval kan

toeschrijven, en dat men daar de sporen van de eerste planten en de

eerste dieren vóór zich heeft.

De raadselachtige wezens der oude zeeën, de _bilobieten_,

de _gyrolithen_, de _vexilleën_, die men versteend in de oudste

formaties, voornamelijk in de silurische vindt, en waarin enkele

geologen en natuurkundigen slechts versteende sporen zien van

voetstappen van dieren, zijn naar de uitstekende onderzoekingen

van den markies de Saporta werkelijke organismen, die wel zeer laag

staan, doch het karakter vertoonen van planten en de voorouders zijn

der wieren. Men mag aannemen, dat die eerste zeeplanten, hetzij plat

liggende, hetzij schuin geplaatst tegen den bodem der zee, op het slijk

elkander kruisende hoopen vormden, als het ware om elkander kruipende

koloniën. Evenals men het meest vaatcryptogamen vindt onder de eerste

planten op aarde; evenals men de kraakbeenige visschen ziet optreden

vóór de andere; evenals men kan nagaan, dat de kruipende dieren de

overige gewervelde dieren, door longen ademend, zijn voorafgegaan,

en de buideldieren de overige levend barende gewervelde dieren, zoo

moeten op den bodem der oude zeeën de ééncellige wieren als oudste

plantenvormen zijn voorgekomen.

De wieren worden reeds spoedig zóó talrijk, dat men somtijds de

azoïsche periode het wierentijdperk noemt. Zijn het planten? Zij zijn

nog weinig ontwikkeld. Enkele draden gaan uit van een centraal punt

(fig. 68). Zoodra verscheidene van die planten zich vereenigen,

vormt zich eene soort van weefsel, eene soort van kleverig slijk,

dat half-doorschijnend is en onder den mikroskoop gezien zich verdeelt

in eene menigte voor het bloote oog onzichtbare draden. Het zeegras,

dat de zee nog thans in groote hoeveelheid bevat, is veel steviger. Nog

altijd zijn het aaneengestrengelde, wortellooze cellen, maar die door

hare opeenhooping in zee een zóó dicht weefsel vormen, dat een schip

somtijds moeite heeft er door heen te komen.

Die eerste planten zijn bijzonder eenvoudig. Het zijn als het ware

niets anders dan platte buizen, zonder bladeren, zonder bloemen en

zonder vruchten. Zij leefden en ontwikkelden zich in het lauwe water

der oorspronkelijke zeeën. Er was nog geen vast land; nauwelijks

begonnen enkele eilanden te voorschijn te treden uit de wateren. Er

waren toen noch seizoenen, noch klimaten, daar de aardschors nog

warmer was dan de temperatuur, die zij van de zon kon verkrijgen; de

levensvoorwaarden waren aan de pool dezelfde als aan den evenaar. Zelfs

gaven de getijden, die het sterkst waren in de richting van zon en

maan, aan de streken, die wij thans de tropen noemen, eene beweging,

die naar de polen afnam. De poolstreken waren dus uit dat oogpunt meer

bevoorrecht dan de keerkringen, te meer waar diezelfde aantrekking van

zon en maan, die met meer kracht werkte op de vloeibare kern aan den

evenaar dan aan de poolstreken, de aardschors aan den evenaar minder

vastheid gaf. De eerste levende organismen moeten zich dus gevormd

hebben in de rustige poolstreken, die toen door eene reusachtige zon

verlicht werden. Het is zelfs hoogst waarschijnlijk, dat de zon zich

gedurende de laurentische periode, waarin het leven zijne intrede

op aarde gedaan heeft, nog niet ver binnen de loopbaan van Venus

verdicht had. Het is te verwachten, dat men de _eerste_ organismen,

hetzij planten, hetzij dieren, nog niet gevonden heeft, en dat men

die vinden zal in de nog niet onderzochte laurentische lagen.

De eerste dieren zijn eveneens zeedieren. Men heeft in de

cambrische gesteenten ringwormen gevonden, die evenzeer gelijken op

voortbrengselen van het plantenrijk als van het dierenrijk: het zijn

niets anders dan gelede buizen, die in het water drijven. Ook vindt

men in grooten getale _graptolithen_, eenvoudige polypen, bestaande

uit getande en samengerolde buizen, _monograpten_, _rastriten_,

_phyllograpten_. Het zijn eenvoudige protozoën, verzamelingen van

aan elkander vastgehechte vakken. Zij zijn het begin der polypen,

en men verbaast er zich over, dat het leven zoo vreemdsoortige vormen

heeft kunnen aannemen. Dezelfde lagen bevatten ook kleine schelpen,

waaraan men den naam van _lingulae_ gegeven heeft (de eerste armpootige

weekdieren) en mosdieren, opgesloten in cellen.

Reeds hebben de cambrische lagen een vijftigtal soorten van planten en

dieren opgeleverd, waaronder in de eerste plaats voorkomen ééncellige

wieren, ringwormen, armpootigen, sponsen en polypen. In de silurische

lagen vormen de graptolithen en trilobieten de meerderheid.

Eene menigte nieuwe wezens treedt immers op en verspreidt zich wijd en

zijd: het zijn schaaldieren, bekend onder den naam van _trilobieten_,

en die reeds sedert langen tijd zijn uitgestorven: zij zijn verdwenen

in de steenkoolperiode, millioenen jaren geleden. De trilobieten

kwamen in menigte voor in de oorspronkelijke zeeën, en men vindt ze

gemakkelijk, indien men er eenige uren naar zoekt op klippen of in

bergtunnels in de terreinen, die ze bevatten. Zij zijn zeer verspreid

in Maine-et-Loire, en in de silurische lagen van de mijngroeven van

Trélazé bij Angers.

Uit dezen tijd dagteekent ook de koraalpolyp, die zulk eene belangrijke

rol gespeeld heeft bij de vorming der aarde, en wier eeuwenoude

koloniën groote eilanden hebben gevormd. Onder de plantdieren vindt

men de peervormige hemicosmiten, stekelhuidigen, zeekomkommers

(holothuriën). Nauwelijks verdienen die wezens den naam van

dieren. Verscheidene hebben nog geen kop en kunnen zich niet bewegen,

evenals de oesters, wier voorvaderen men daaronder vindt; andere

hebben eene soort van kop en een begin van een spijsverteringskanaal;

maar het voedsel wordt door dezelfde opening ingebracht en verwijderd,

evenals bij de stekelhuidigen; nog andere, zooals de wormen, hebben

een begin van bewerktuiging, hoewel de meeste zintuigen nog afwezig

zijn en zij zich alleen kruipend kunnen voortbewegen, door hunne

ringen beurtelings in te trekken en uit te rekken.

Deze azoïsche periode heeft, zooals wij zagen, millioenen jaren

geduurd. Gedurende dien langen tijd vertoonden de eerste diersoorten,

hoe laag zij ook stonden, reeds sporen van vooruitgang. Wel is er nog

geen enkel gewerveld dier en bestonden er zelfs nog geene insecten,

visschen, kruipende dieren, vogels of zoogdieren. Maar onder de

ongewervelde dieren is er vooruitgang. Wij hebben niet meer alleen

het oorspronkelijke protoplasma en de platen gelei, die in het water

drijven, en de eenvoudige cellengroepen, de wieren en de ringwormen. De

trilobieten hebben reeds eenen kop, eenen staart en waarschijnlijk

pooten, de laatste echter tenger en dun, want zij zijn niet versteend;

op den kop vindt men de sporen van oogen. Het zijn de eerste oogen, die

op onze aarde bestaan hebben, nog niet ontwikkeld en nauwelijks waard

dien naam te dragen, maar reeds vinden wij oogzenuw en netvlies. Die

oorspronkelijke _arthropoden_, (gelede dieren) veel lager staande

dan onze krabben en kreeften, nemen de voornaamste plaats in onder

de zeedieren der silurische periode; het aantal soorten en families

neemt eerst verbazend toe, doch plotseling verdwijnen zij tijdens de

steenkoolperiode, en thans worden zij nauwelijks vertegenwoordigd

door den limulus. Men heeft nog twee andere schaaldieren gevonden,

die betrekkelijk even hoog staan op den trap der ontwikkeling, den

pterygotus bilobus, en den eurypterus remipes; ook deze hadden eenen

kop, waarin oogen aanwezig waren, en misschien waren zij de eerste

zoetwaterdieren. Het zoetwater, uit den regen ontstaan, ontstond

tegelijk met de bergen, de bronnen en de eerste rivieren.

In de silurische periode werden de schaaldieren nog door andere

soorten vertegenwoordigd. Behalve alle soorten van trilobieten vond

men de _dalmaniten_, den _trinucleus_ enz.; behalve den _pterygotus_

en den _eurypterus_, zou men nog den peltocaris, den ceratiocaris,

de aristozoë, de beyrichia e.a. kunnen noemen. Maar wij schrijven

geen leerboek over paleontologie en mogen dus de hoofdtrekken van de

geschiedenis der aarde niet vergeten, door in de bijzonderheden te

verdwalen. Toch moeten wij nog opmerken, dat in het tweede gedeelte

dezer periode de koppootigen eene verbazende uitbreiding verkrijgen:

men vindt meer dan 1600 soorten dier dieren, waaronder de Nautiliden

belangrijk zijn. Enkele dezer (o.a. orthoceras) zijn tot twee

meters lang. De vinpootigen, (pteropoda) buikpootigen en armpootigen

zijn zeer talrijk, wij geven in nevensgaande teekening enkele typen

(fig. 78). Ook vindt men polypen, sponsen en medusen. De stekelhuidigen

worden vertegenwoordigd door de crinoïden, (zeeleliën) merkwaardige

wezens, waarvan de meeste door eenen buigzamen, rechten steel aan

den grond verbonden zijn. Die steel bestaat uit een groot aantal op

elkander gestapelde schijven en hoewel oorspronkelijk kort, heeft hij

tijdens de juraperiode eene groote ontwikkeling verkregen. Fig. 79

geeft twee merkwaardige typen, den ichthyocrinus uit de silurische

periode en den apiocrinus uit de juraperiode.

De versteende zeeleliën alleen vormen somtijds reeds uitgebreide

steenlagen; in de oorspronkelijke zeeën waren zij buitengewoon

talrijk en bekleedden zij den bodem der zee met prachtige levende

weilanden. Bijna alle zeeleliën uit dien tijd waren aan den bodem

vastgehecht: een lange, buigzame, gelede steel droeg eenen bundel

eveneens gelede aanhangsels, die dikwijls nog tot in het oneindige

vertakt waren en die zich boven den steel uitspreidden als de bladeren

van enkele palmen, of die tegen elkander sloten en ineengerold waren

als de bloembladeren van eene slapende bloem. Enkele zeeleliën waren

meer dan een meter lang; de steel van sommige Pentacrinen was meer

dan vijftig voet lang.

De geschiedenis der zeeleliën begint tegelijk met de geschiedenis der

aarde. De eerste rudimentaire vormen zijn verwant met die, waaruit

de holothuriën, de encriniden en de zeesterren ontstaan zijn.

Nadat zij gedurende de secundaire periode een tijdperk van

buitengewonen bloei gehad hadden, zijn de zeeleliën in de volgende

perioden langzaam achteruitgegaan; toch vindt men thans nog enkele

soorten, zooals de comatuliden, de pentacriniden, de bathycriniden e.a.

De zeeleliën leven op groote diepten: de Pentacrinus Caput Medusae op

400 tot 500 Meters onder den waterspiegel, de Rhyzocrinus Lafotensis

op 160 tot 1500 Meters, de Bathycrinus gracilis op 4000 Meters. Op

die diepten, waar de storm niet meer woedt, waar de veranderingen in

temperatuur niet meer gevoeld worden, waar de zon nauwelijks hare

stralen werpen kan, waar alleen phosphoresceerende wezens eenen

flauwen lichtschijn verspreiden, is het leven niet meer onderworpen

aan de zoo veranderlijke omstandigheden, die daarop aan de oppervlakte

van invloed zijn. Het is dan ook in de diepte der wateren, dat de

wezens zijn blijven voortleven onder die omstandigheden, waaronder

zij oorspronkelijk optraden. De moeilijkheid om de bewoners dier

donkere afgronden te bereiken heeft ze langen tijd aan onze nasporing

onttrokken, doch thans weet men, dank zij vooral de onderzoekingen

van Agassiz en zijne leerlingen, dat zij zeer talrijk zijn, en dat

de pentacriniden den bodem der zee bedekken met eene nieuwe soort

van leven. Zij zijn in de millioenen jaren van hun bestaan weinig

veranderd, omdat de voorwaarden van het leven op die diepte weinig

gewijzigd zijn. Alleen die wezens, die in de nabijheid der kusten of de

oppervlakte langzamerhand zijn gaan leven in eene andere middenstof, en

van waterdieren landdieren geworden zijn, kunnen zich wijzigen. Konden

zij zich niet in de gewijzigde levensvoorwaarden schikken, dan zijn

zij verdwenen.

Gelijktijdig met de stekelhuidigen komen in de silurische periode de

weekdieren en de schaaldieren in grooten getale voor. De trilobieten

en de nautiliden met eenen reeds gevormden en tamelijk volkomen kop

hebben de overhand. De vooruitgang neemt steeds toe. De eerste visschen

verschijnen in het water op het einde dier periode, bij den overgang

tot de devonische periode, en op de uit de zee verrezen eilanden,

die reeds met planten, voornamelijk met wolfsklauwen bedekt zijn,

zullen gelijktijdig de eerste dieren, in de lucht ademend, verschijnen,

in de gedaante van schorpioenen.

De Wereld vóór de schepping van den mensch · 第 8 / 40 段