dit met de lagere dieren het geval was; de weefsels echter herstellen
zich weer vanzelf, wonden heelen, het vleesch sluit zich weder;
door aanhechting van andere weefsels heeft men enkele deelen van
organen weder kunnen herstellen, en bekend is het, hoe de transfusie
van bloed reeds in vele gevallen het leven gered heeft. Naarmate
de centralisatie duidelijker uitkomt, worden een aantal bewegingen
onwillekeurig verricht. Het hart klopt, de longen ademen, de maag
verteert het voedsel, zonder dat de wil zich openbaart. Langzamerhand
heeft de gedachte zich tot de hersenen beperkt, langzamerhand verkrijgt
het individu het bewustzijn zijner persoonlijkheid.
Die persoonlijkheid, dat bewustzijn is reeds begonnen op de
laagste trappen van het dierenrijk [5]. De weekdieren, de visschen,
de kruipende dieren, zij allen weten, dat zij bestaan, zij allen
verdedigen hun leven en brengen de geheele wereld in verband met hunne
persoonlijkheid. Zij beginnen reeds te denken. De gedachte ontwikkelt
zich met het zelfbewustzijn. Niemand trekt tegenwoordig het verstand
der dieren meer in twijfel. De waarneming der gewoonten, de ontleding
der willekeurige handelingen en van de gevoelsuitingen der apen, der
honden, mieren, katten, olifanten, bijen enz. toonen onwederlegbaar
aan, dat naast en boven het erfelijk instinkt de ziel der dieren
begaafd is met al de eigenschappen, waarop zich de menschelijke ziel
verhoovaardigt, hoewel dan ook gewoonlijk in mindere mate. Wij zeggen
_gewoonlijk_, omdat het niet zelden voorkomt, zelfs bij beschaafde
volken, dat de ouders door hunne daden toonen, dat hunne liefde en
offervaardigheid voor hunne kinderen verre beneden die der katten,
leeuwen en tijgers staat. Niet zelden ontmoeten wij menschen, minder
verstandig dan mieren, minder goedaardig dan honden, minder slim
dan apen.
De Bosjesmannen, Hottentotten en Papoea's staan op eenen zóó lagen
trap van ontwikkeling, dat men zoude meenen, dat zij in het geheel
niet denken. Een groot aantal van die stammen hebben geen woord
voor het begrip _dier_, _plant_, _geluid_, _kleur_, terwijl zij wel
uitdrukkingen hebben, om ieder dier, iedere plant, iederen toon,
iedere kleur te onderscheiden. Zij missen volkomen het vermogen om
te abstraheeren. Zij kunnen tot vijf tellen; verder dan vijf hebben
zij geene voorstelling meer van een getal. Andere wilde volken kunnen
tot tien tellen, of tot twintig: sommige dieren hebben het wel verder
gebracht. Men vindt in Zuid-Azië en Oost-Afrika stammen, die evenals
de apen slechts tijdelijke vereenigingen vormen, zonder dat zij nog
een begrip hebben van familieleven of huwelijk, de grondslagen der
menschelijke beschaving. De halfaapachtige negers, die in de hoogere
Nijlstreken leven, zijn volgens de berichten van vele zendelingen niet
vatbaar voor eenig begrip; niet alleen dat zij niet kunnen nadenken,
zij hebben zelfs geen begrip van dankbaarheid en staan dus in dat
opzicht beneden de honden. Men behoeft slechts de verhalen na te lezen
van reizigers, die deze primitieve volksstammen hebben gadegeslagen,
om een oordeel te kunnen vellen over den lagen trap van hunne zedelijke
en verstandelijke ontwikkeling.
Indien wij de zielkundige processen bestudeeren, door de dieren in
toepassing gebracht bij het openbaren van hunnen wil en hun gevoel,
dan zien wij, dat zij evenals wij langs inductieven en deductieven
weg besluiten trekken. Het is slechts een verschil in hoeveelheid,
niet in aard. Ook het kind gaat slechts uiterst langzaam vooruit in het
overwegen, en zijne eerste redeneeringen berusten eveneens slechts op
vergelijking. Een kind van een jaar is uit dat oogpunt beschouwd nog
een klein dier; zijne verstandelijke vermogens zijn nog in kiem en
zullen zich eerst trapsgewijze ontwikkelen. In het eerst zal het als
een jonge aap alles willen nabootsen, en dit is de eerste stap tot
vooruitgang. Daarna eerst begint het te oordeelen over oorzaken en
gevolgen, en gewoonlijk zal dat oordeel zeer juist zijn. Eerst later
wordt het door onze valsche maatschappelijke opvoeding met dwalingen
en vooroordeelen omgeven en daardoor verhinderd, op den weg van den
vooruitgang voort te schrijden.
Even zeker als de eerste scheikundige verbindingen ontstaan zijn uit de
samenvoeging der moleculen onderling, en even zeker als de scheikundige
verwantschap afgeleid is uit de verbindingen, en de oorspronkelijke
organismen met hunne levenskracht uit die verwantschap geboren zijn,
even zeker is de menschelijke ziel eene volmaking van die van het dier.
Toch zoude geen enkele onzer lezers voldaan zijn, indien wij dit
hoofdstuk over de ontwikkeling en den vooruitgang van het leven, dat
ons stap voor stap van het protoplasma tot den mensch voerde, hiermede
eindigden. En waarom? omdat ieder onzer gevoelt, dat hij nog iets
anders is dan een dier, evenzeer als het dier geene plantaardige stof,
of de plant iets anders is dan een voorwerp uit het delfstoffenrijk.
Reeds bij het dier, en vooral bij het hoogere dier, is de ziel eene
leidende kracht en niet eene eigenschap. De stof, die het lichaam
vormt, heeft scheikundige en natuurkundige eigenschappen, en die
eigenschappen zijn voortdurend in het organisme werkzaam. Een levend
wezen is evenals alle lichamen onderworpen aan de zwaartekracht,
en de wetten der mechanica zijn evenzeer van toepassing bij de
beweging van de spier, die den arm opheft, als bij de beweging van
het voedsel van den mond naar de maag. Maar die eigenschappen der
stof geven een levend wezen niet zijnen vorm, zijne levenskracht,
zijne persoonlijkheid. Men moet de eigenschappen der stof, zoo
schreef Claude Bernard, niet verwarren met de functies, die verricht
worden. Zoude men het niet ongerijmd vinden, als men hoorde zeggen,
dat de stembanden de eigenschap hebben van te spreken en te zingen,
of het middelrif de eigenschap heeft van te ademen? Zoo is het ook
met de hersencellen: men kan niet zeggen, dat zij de eigenschap hebben
van te gevoelen, te denken of te willen!
Het leven heeft de gedachte voortgebracht. Ook de gedachte bestaat;
het is eene kracht, die zelfbewust is, die gevoelt, wil en handelt. Zij
is geen stof. Het lichaam en de beweging zijn zuiver verschijnselen:
het eerste is het beeld der stof, het tweede het beeld der handeling;
maar beide zijn de gevolgen der _kracht_. Op den bodem van ons
onderzoek is de _kracht_ gelegen. Wij hebben haar zien ontstaan,
nederig, zwak, onbewust in het protoplasma. Wij hebben haar langzaam
zien toenemen, zich bevestigen en heerschen bij de ontwikkeling van
het dierenrijk. Wij zien haar op haar toppunt bij den mensch. De
menschelijke gedachte is het eindresultaat van alle natuurkrachten,
omdat zij die alle in zich heeft opgenomen.
Het wezen der kracht is ons onbekend. Wij houden eenen steen in de
hand: hij valt; waar is de onzichtbare band, die hem naar de aarde
heeft toegetrokken. Onze planeet draait met groote snelheid om de zon:
waar is de slinger, die haar aan het draaien gebracht heeft? Hier is
een regelmatig veelvlak, eene ster van sneeuw, eene ijsbloem, waar is
de hand, die de moleculen in bepaalde vormen rangschikt? Hier zijn twee
zaadkorrels; uit een natuur- en scheikundig oogpunt zijn zij gelijk;
de één zal echter het aanzijn schenken aan een plantje, dat in den
herfst niet meer zal leven, de andere aan eenen reusachtigen boom,
die jaren en eeuwen zal voortbestaan: waarin ligt het verschil der
beide kiemen? in eene onzichtbare kracht, die de ontwikkeling der
plant van hare geboorte tot aan haren dood beheerscht. Het wezen der
dingen is dus niet de stof, maar de kracht.
De wetenschap veroordeelt dus niet ons gevoel, onze hoop,
onze neigingen. Haar doel is integendeel, ze te verklaren en te
rechtvaardigen. De wetenschap is nog zoo jong, en laat dus nog
zoovele raadselen onopgelost. Maar naarmate zij meer vooruitgaat,
zal zij ons meer licht verschaffen. De wetenschap is echter niet de
slavin van eene secte of van een stelsel; zij brengt ons voortdurend
nader tot het ideaal, om ons in de natuur wetten en krachten te doen
bewonderen, waarvan het wezen ons verborgen is en tot het gebied van
het onzichtbare en oneindige behoort.
DERDE HOOFDSTUK.
Eerste planten en eerste dieren.
De oudste versteeningen. Laurentische, Cambrische en
Silurische tijdperken.
Wij moeten, nadat wij in groote trekken de ontwikkeling van het
leven op aarde besproken hebben, thans hare geologische geschiedenis
bestudeeren. Wij hebben den oorsprong, de langzame ontwikkeling
en de schitterende vorderingen van het leven bijgewoond, van het
nederige protoplasma tot aan de menschelijke ziel. Wij zullen in de
versteeningen, die bij iedere laag behooren, de onwraakbare getuigenis
vinden van den vooruitgang van het leven, van de oudste tijden af
tot op onzen tijd.
Reeds zagen wij, dat de aardbol, die zich uit de zonnevlek verdicht
heeft, eeuwen lang in gloeienden toestand geweest is, langzaam is
afgekoeld en aan de oppervlakte hard is geworden; in dien tijd
was er geen leven op de aarde mogelijk. Doch toen de dampkring,
die de aarde omringde, zich verdicht had, toen de afgekoelde dampen
vloeibaar geworden waren, en de zoo ontstane wateren de zeeën gevormd
hadden, toen de temperatuur van het water tot 60° was afgekoeld,
toen gaven de koolstofverbindingen en de stoffen die in dat water
dreven, het aanzijn aan de eerste organismen. Die eiwitrijke,
geleiachtige organismen konden niet versteenen en dus niet bewaard
blijven tot leering voor toekomstige eeuwen. De eerste fossielen
zijn die van wezens, die op den bodem der zee onttrokken waren aan
den vernielenden invloed van de destijds levende dieren, het water
en de lucht, en die zich in eenen zoodanigen grond bevinden, dat
zij daarin konden versteenen. In eenen doordringbaren grond, zooals
van zand of zandsteen, heeft de versteening, die hand aan hand gaat
met de verharding van den grond, niet op dezelfde wijze plaats als
in ondoordringbare lagen, zooals klei. Somtijds ontstaat er alleen
een getrouwe afdruk van het dier; in andere gevallen maakt ieder der
moleculen plaats voor eene delfstofmolecule, door de laag geleverd,
die op het lijk, het geraamte, de schelp drukt. Somtijds ook worden de
schelpen tegelijkertijd omgeven en doordrongen met kalk; ook geschiedt
het wel, dat er als het ware eene aantrekking van zwavelijzer rondom
of in de versteening plaats grijpt. Steeds dus ondergaan de lichamen
meer of minder belangrijke wijzigingen. Indien het beschermende
afzetsel volkomen ondoordringbaar ware, dan zouden zij eeuwen en
eeuwen ongeschonden bewaard kunnen blijven. Dit is het geval met het
steeds bevroren slijk van Siberië, waar geheele lijken van mammouths
geheel onveranderd zijn teruggevonden, zonder dat het vleesch of de
haren iets van hunne frischheid verloren hadden; ook ziet men dit
bij de insecten, die in de hars en het barnsteen zijn opgesloten.
Hoe hebben zich de lagen gevormd?
De oorspronkelijke aardbol bestaat ongetwijfeld voornamelijk uit
ijzer. De dichtheid der planeet (5,5 maal zoo groot als water) bewijst,
dat zij bestaat uit elementen, die zwaarder zijn, dan die welke in
de korst voorkomen. Het graniet weegt tusschen 2,6 en 2,7; zoo ook
gneiss, kwarts en schiefer. De dichtheid van lei is van 2,6 tot 2,9,
van bazalt van 2,8 tot 3,1, van zandsteen 2,2, van marmer 2,6 tot
2,8, van gips 2,2. Deze getallen zijn veel kleiner dan de gemiddelde
dichtheid der aarde, en indien onze planeet hoofdzakelijk bestond
uit graniet, zou zij nauwelijks driemaal zooveel wegen als een even
groote bol water, terwijl zij thans 5,5 maal zooveel weegt. Dit zoude
eene reeks van merkwaardige gevolgen hebben. Wij zelf zouden minder
wegen; met dezelfde spierkracht zouden wij lichter zijn, de maan zoude
langzamer om ons heen draaien, de maanden zouden dus langer zijn enz.
De groote hoeveelheden ongemengd ijzer, somtijds (zooals in
Siberië) uit de diepten der aarde naar de oppervlakte gebracht,
de verschijnselen van het aardmagnetisme, de samenstelling der
meteoorsteenen, zijn even zoovele getuigenissen, die gevoegd bij
het feit, dat de dichtheid der aarde zoo aanzienlijk is, ons er toe
leiden aan te nemen, dat het ijzer één der hoofdbestanddeelen onzer
aarde is. Zijne dichtheid (7,2) is juist zoo groot, dat wij voor het
soortelijk gewicht der geheele aarde 5,5 vinden.
Laten wij nog even terugkeeren tot den tijd, toen de aarde, na haar
licht en hare warmte verloren te hebben, hare eigenschappen als zon
verloren had, en in den toestand van planeet overging, nog steeds
vloeibaar, maar afkoelende.
De lichtste gedeelten der gesmolten massa, die door hun gering
soortelijk gewicht tot de oppervlakte moesten naderen, waren tevens
samengesteld uit de moeilijkst smeltbare stoffen, en indien enkele
lichte metalen daarmede vermengd waren, dan waren het metalen,
die gemakkelijk zuurstof opnamen en zich ook gemakkelijk met kiezel
en aluminium konden verbinden. Naarmate dus het warmteverlies door
uitstraling toenam, begon die soort _kiezelschuim_ gedeeltelijk vast
te worden. Daar de gesteenten bij het vast worden in het algemeen
een grooter soortelijk gewicht verkrijgen, begonnen de eerste vaste
stukken eerst te zinken, maar niet zeer diep; daar immers de stoffen in
gesmolten toestand op elkander lagen in de volgorde harer dichtheid,
vond ieder stuk spoedig eene gesmolten laag om zich heen van dezelfde
dichtheid. De stukken begonnen toen geheel of gedeeltelijk weder
opnieuw te smelten, maar ten koste van de warmte der omringende
stoffen. Dit verschijnsel, zich tegelijkertijd op de geheele
aardoppervlakte herhalend, had ten gevolge, dat er eene bolvormige
korst ontstond, bestaande uit een mengsel van de lichtste stoffen
en andere, die behoorden tot iets zwaardere lagen. Het gesmolten
graniet werd vast, toen de temperatuur der aardoppervlakte tot 1500°
gedaald was.
Vóórdat die korst vast geworden was, was al het water onzer zeeën
in dampvormigen toestand in den oorspronkelijken dampkring,
wiens drukking 250 tot 300 maal grooter was dan thans, zoodat
ook deze eenen grooten invloed uitoefende op de wijze van vast
worden van de kiezelmassa. Met den waterdamp vermengd vond men
verschillende vluchtige zelfstandigheden, die thans in den oceaan
of in de aardschors gebonden zijn, voornamelijk alcalische chloor-
en fluorium-verbindingen.
Nauwelijks was de korst gevormd, of de vluchtige stoffen, van nu af aan
afgesloten van de warmtebron, die ze in gasvormigen toestand hield,
begonnen te verdichten. Men kan zich gemakkelijk voorstellen, hoe
verbazend de kracht was, waarmede in dien eersten oceaan, die bijna de
temperatuur van het kookpunt had, de stoffen kristalliseerden. Vandaar
dus eene zoowel scheikundige als mechanische vervorming der stoffen,
waaruit de nauwelijks vast geworden aardschors bestond. Bovendien
konden de mineralen der schors, die eene soort van kleverig deeg
vormden, zich niet onttrekken aan de verschijnselen van moleculaire
samentrekking, die steeds optreden in alle ongelijkslachtige stoffen,
die niet volkomen onbewegelijk zijn. Het is dus mogelijk, dat er
op die wijze eene meer of minder volkomen scheiding heeft plaats
gevonden van de verschillende elementen, en dat wel bij voorkeur in
den vorm van lensvormige in horizontalen zin gerekte strooken. Daar
eindelijk die eerste korst in het begin weinig weerstand kon bieden
aan uitwendige krachten, zoo moesten de stoffen, die daaronder in
vloeibaren of weeken toestand gelegen waren, zich als aderen of als
massieve stukken daar door heen verspreiden en zoo door hare aanraking
de omringende deelen wijzigen.
Zoo kunnen wij ons de omstandigheden denken, waaronder zich die
schors moet gevormd hebben, die als voetstuk moest dienen voor de
sedimentlagen. [6]
Die aardkorst, die oorspronkelijke formatie, bestaat, zooals wij
reeds vroeger zagen, uit graniet, gneiss, micaschiefer en gesteenten,
waarin kwarts, veldspaat en mica de hoofdrol vervullen (Plutonische
formatie). Men vindt die oorspronkelijke formatie overal, op alle
breedten terug, als grondslag voor de sedimentlagen, die zich later
in het water hebben gevormd en op die oorspronkelijke formatie hebben
afgezet. Terwijl die sedimentlagen zeer verschillend zijn en niet
overal gevonden worden, bestaat de oorspronkelijke formatie overal
in de diepten van den bodem. Die formatie is dus zonder twijfel
de oppervlakte onzer planeet, op het tijdstip toen de wateren zich
verdichtten.
Op die oorspronkelijke gesteenten, wier oppervlakte zeer gewijzigd
is door uitwendige verschijnselen, zooals de drukking van het water,
de zuurstof der lucht en andere, op dat voetstuk, dat reeds bestond
vóórdat er nog leven op aarde was, hebben zich de formaties afgezet,
die gelijktijdig bestonden met het leven.
De oorsprong van die sedimentlagen verschilt ten eenenmale van
dien der vorige. Het zijn bezinksels en stoffen, die van andere
plaatsen zijn aangebracht en die onafhankelijk zijn van de inwendige
samenstelling der planeet. Regen, wind, zonnestralen, koude, ontleden
langzamerhand alles wat daaraan is blootgesteld. Nauwelijks waren
de eerste rotsachtige eilanden, die nog elken plantengroei misten,
uit de wereldzee opgestegen, nauwelijks waren de eerste graniet- of
gneissrotsen uit het water te voorschijn getreden, nauwelijks verhieven
zich de eerste bergen in de lucht, of die verwering nam een aanvang. De
regen gaf het aanzijn aan bronnen, de bronnen aan beken, de beken aan
stroomen, en later aan de groote rivieren. De wateren verbrijzelden
de steenen, en veranderden ze in keien en in zand. De zee, die aan
de kusten knaagde, de vloed en de eb, veranderden tweemalen daags
de grenzen en de vormen der kusten. Daardoor hebben de elementen der
aardoppervlakte, meer of minder verdeeld, zich neergezet op den bodem
van den oceaan, van de stroomen en de meren, alle overblijfselen met
zich mede voerende, waarmede zij vermengd waren.
Wij zeiden reeds, dat de verschillende sedimentformaties onderling
zeer verschillen. Enkele zijn gevormd uit zeer fijn zand, dat
zweefde in de kalme wateren, en dat zich zeer langzaam neerzette op
eenen horizontalen bodem. Andere, als het zandsteen, zijn de vrucht
van het samenkleven van zand met de ééne of andere bindende stof:
men onderscheidt kwartszandsteen, ijzerzandsteen, leemzandsteen,
kalkzandsteen enz. Nog andere, en deze worden bijna overal
gevonden, zijn bezonken opeenhoopingen van keisteenen, kiezel,
ijzeroxyde enz. door het water medegevoerd. Weer andere zijn
kleiachtige afzetsels, of kalkformaties, bestaande uit koolzure
kalk, en die zeer dikwijls uitsluitend ontstaan uit opeengehoopte
schelpen. Daartoe behoort het krijt, een broos gesteente, dat
bestaat uit eene verzameling van protozoën: men vindt daarin stukken
van foraminiferen, met overblijfselen van polypen, stekelhuidigen,
weekdieren, verbonden met kiezelrijke overblijfselen van straaldieren,
sponsen en diatomeën. Sommige kalkformaties bestaan geheel en al uit
eene opeenhooping van kleine schilden van zoetwaterschaaldieren. De
kristallisatie der kalksteenen brengt het _marmer_ voort. Tripelaarde
bestaat geheel uit diatomeën, mikroskopisch kleine kiezelrijke wieren,
bacillen enz. De steenkool is eene sedimentformatie, bestaande uit
overblijfselen van dicht opeengehoopte planten, onder eene verbazende
drukking begraven.
Die lagen hebben zich in volgorde op elkander gerangschikt. De
overblijfselen van dieren en planten, die men er ontmoet, behoorden
tot wezens, die leefden op de tijdstippen, waarop die lagen gevormd
zijn, en die behoudens enkele uitzonderingen niet ver van de plaatsen
leefden, waar men ze vindt; want groote verplaatsingen kunnen zij niet
zonder nadeel weerstaan. Meesttijds is het lichaam bewaard gebleven
door in de plaatstreding van andere moleculen, zoodat het geheel
versteend is, en van de stof zelf niets is overgebleven, maar de vorm,
zoowel in- als uitwendig, geheel is behouden gebleven. De bezinking
groeit van boven aan, zoodat zij ouder is, naarmate zij dieper ligt.
Terecht noemt men de oorspronkelijke gesteenten, graniet, gneiss,
micaschiefer, die de kristallijnen stoffen voorstellen van de kern
der aarde, toen deze nog gloeiend was en het leven ontbrak, _azoïsch_
(zonder leven), en de eerste sedimentformaties, die ontstaan zijn na
de verdichting van het water, _paleozoïsch_ (oudste leven).
De wetenschap der fossielen is nog jong. Eeuwen lang heeft men
gestreden tegen de meening, als zouden die overblijfselen van dieren
en planten werkelijk aan levende wezens behoord hebben. Men zeide,
dat het spelingen der natuur waren, ontstaan onder den invloed der
sterrenbeelden, de zon, maan en planeten, door eene geheimzinnige
kracht, aan de aarde eigen. Eerst in de eerste helft der zestiende eeuw
begonnen de geologische verschijnselen de aandacht te trekken. Toen
ontbrandde een hevige strijd in Italië over den waren aard en den
oorsprong der zeeschelpen en andere bewerktuigde versteeningen, die men
in menigte in de formaties van dat land vindt. De beroemde schilder
Leonardo de Vinci, die in zijne jeugd de plannen had gemaakt voor
verscheidene bevaarbare kanalen in het noorden van Italië, die door
hem werden uitgevoerd, was één der eersten, die op gezonde en logische
wijze over dit onderwerp oordeelde. "Het slijk der rivieren," zoo sprak
hij, "heeft de fossiele schelpen bedekt en is daar in binnengedrongen,
toen zij nabij de kusten op den bodem der zee lagen. Men beweert,
dat die schelpen gevormd zijn op de heuvels, onder den invloed der
sterren, maar dan vraag ik, of men thans nog de sterren op de heuvels
schelpen ziet vormen van verschillende tijden en soorten. Hoe zouden
daarenboven de sterren den oorsprong van het grint kunnen verklaren,
dat men op verschillende hoogten vindt, en dat bestaat uit keisteenen,
die door de beweging van het stroomende water afgerond schijnen? Hoe
eindelijk is op deze wijze op die heuvels de versteening te verklaren
van de bladeren, de planten en de zeekrabben?" De opgravingen, in 1517
gedaan ten behoeve van de herstellingswerken van Verona, brachten
een aantal merkwaardige versteeningen aan het licht en leverden aan
verschillende schrijvers stof op voor bespiegelingen. Zoo zeide
o.a. Frascatoro, dat de fossiele schelpen alle aan wezens hadden
behoord, die moesten geleefd hebben op de plaatsen, waar men hunne
overblijfselen gevonden had. Hij toonde aan, hoe dwaas het was,
zijne toevlucht te nemen tot de "plastische kracht" der natuur,
die het vermogen zoude gehad hebben, om organische vormen aan de
steenen te geven, en bewees met tal van on wederlegbare bewijzen,
dat het bespottelijk was, om de ligging der schelpen toe te schrijven
aan den zondvloed, zooals sommigen volhielden.
Doch deze verstandige denkbeelden werden niet begrepen, en drie eeuwen
lang duurde de strijd voort, of de fossiele overblijfselen eertijds
hadden toebehoord aan levende wezens, en of, als dit eenmaal vaststond,
alle verschijnselen niet konden verklaard worden uit den zondvloed. Tot
dien tijd toch meende men algemeen, dat sedert de schepping de
zondvloed de eenige oorzaak was, dat eene belangrijke verandering op
de oppervlakte der aarde had plaats gegrepen. Men vindt dan ook in de
bespiegelingen der oude geologen overal toespelingen op den invloed
van den zondvloed en op de spoedige nadering van den ondergang der
wereld, die eerst reeds tegen het jaar 1000 voorspeld was. Wat den
ouderdom der aarde betrof, bleef de meening der geleerden eeuwen
lang ongewijzigd. De eerste poging, om door middel van natuurkundige
bewijzen een zoo algemeen verspreid geloofsartikel af te breken,
verwekte eene verbazende opschudding; maar door de verdraagzaamheid
der Italiaansche geestelijkheid was het veroorloofd dat onderwerp
volkomen vrij te bespreken. Zelfs de priesters namen deel aan het
twistgeding en namen daarbij zelfs niet allen hetzelfde standpunt in.