Een begin van een kop en een begin van symmetrie openbaart zich

bij de _wormen_, wier voorouders in het slijk van zeeën en rivieren

woonden. Die weekdieren onderscheiden zich van de vorige door twee

eigenschappen: zij zijn gerekt en zij verplaatsen zich. Beschouwen

wij b.v. den eenvoudigen aardworm. Het feit reeds, dat hij kruipt,

geeft hem meerdere voortreffelijkheid. Hij bestaat uit gelijke

ringen en zijne toename in lengte wordt alleen verkregen door

eene toename in het aantal dier ringen, waarvan elke zoowel kop

als staart kan worden. Maar het feit alleen, dat de voorste ring

tot taak heeft het eerst het voedsel op te nemen, dat den geheelen

worm moet doorloopen, plaatst dien ring in zoodanige omstandigheden,

dat zijn bevattingsvermogen gedurig werkzaam is en zich ontwikkelen

moet. Het is een mond, die zich vooruit beweegt, die eene zekere

verantwoordelijkheid draagt tegenover de geheele kolonie, die altijd

vooraan moet staan in het gelid, om het beste uit den grond te zoeken,

en reeds daardoor veroorzaakt, dat in dat dier eene buikzijde, eene

rugzijde, een voorste gedeelte, een links en een rechts bestaat.

De kop krijgt eene afzonderlijke taak. Hij zal hindernissen

ontmoeten, zal van tijd tot tijd geroepen worden tot den strijd en

somtijds aan groote gevaren zijn blootgesteld. Zijne kracht en zijn

weerstandsvermogen zullen langzamerhand toenemen. Toch is dat orgaan

nog niet van zoo groot gewicht, of het kan, indien het verminkt is,

van zelf weer aangroeien. Indien men van eenen worm den kop afsnijdt,

dan groeit hij weder aan; snijdt men eenen worm in tweeën, dan worden

beide deelen weder aangevuld (ook het achterste deel, dat weder organen

voor den bloedsomloop en hersenen moet verkrijgen). Er bestaan zelfs

ringwormen, die men in zoovele deelen kan snijden als men verkiest,

en waarbij dan ieder deel weer eenen kop en eenen staart zal krijgen

en een dier zal worden, dat volkomen levensvatbaar is.

Sommige ringwormen kunnen eene lengte van 1 1/2 meter tegen eene

dikte van 3 centimeter bereiken, en bestaan uit honderden ringen. Men

vindt in zee dikwijls ringwormen, die zóó lang zijn, dat de staart als

het ware niet meer in betrekking staat tot den kop, zoodat zij zich

kunnen bijten, zonder het zelf te gevoelen. Enkele soorten, zooals de

_Naïdinen_, planten zich door knopvorming voort; veertig tot zestig

ringen groeien na elkander aan, en daarna verdeelt het dier zich van

zelf in twee deelen, terwijl aan het voorste deel van het nieuwe wezen

een kop groeit; maar merkwaardig is het, dat in den herfst die wijze

van voortplanting plaats maakt voor geslachtsvoortplanting. Sommige

_Nereïden_ zijn nog merkwaardiger: zij bestaan uit _twee wezens, met

hunne uiteinden aan elkander gehecht_, het ééne van geslachtsdeelen

voorzien, het andere niet. Hetzelfde is het geval bij de _Syllideën_

(fig. 51). Het is, alsof de natuur niet gemakkelijk eene keuze heeft

kunnen doen tusschen de verschillende wijzen van voortplanting.

Later, bij de insecten, zal de voortplanting alleen geschieden bij het

volmaakte wezen, de kapel uit de pop voortgekomen, terwijl de larven

zich niet kunnen voortplanten. Hier echter planten de larven zich

wel voort. De onderlinge onafhankelijkheid der ringen is somtijds

zóó groot, dat bij eenzelfde dier enkele ringen mannelijk, andere

vrouwelijk, weer andere van geslachtsdeelen voorzien zijn, andere

niet. (Spirorben, Autoliten).

De kop vormt zich onmerkbaar. Het beginsel der hersenen is gelegen

in den eersten ring bij de ringwormen, in den derden, somtijds in

den vierden, bij de regen wormen; bij de ringwormen ligt de mond

aan den tweeden ring. De trilharen zijn voelhorens, grijporganen,

geworden. De oogen, nog in rudimentairen toestand, komen voor den

dag; het zijn zenuwen, gevoelig voor het licht, die zich beginnen

te ontwikkelen, en dat wel aan de beide uiteinden, aan de uiterste

ringen. De _Nematonereïs contorta_, de _Oria armandi_, de _Fabricia_

hebben gewoonlijk twee oogen op het achtergedeelte; de _Amphicorina_,

de _Myxicola_ hebben er vier, de _Amphiglena mediterranea_ zes of

acht. De lintwormen, parasieten, die zich aan een ander organisme

vasthechten, en die dus hun voedsel nooit behoeven te zoeken, dat

zij van zelf binnen hun bereik hebben, hebben in het geheel geen kop,

maar alleen een soort zuiggat, waaruit het lichaam van het dier zich

ontwikkelt door de vorming van nieuwe ringen. Ook de gehoorwerktuigen

beginnen voor den dag te komen, nu eens op den eersten ring, dan weder

op een volgenden. Doch langzamerhand beginnen zich de verschillende

zintuigen te beperken tot het voorste gedeelte van het lichaam.

Zoo wonen wij van stap tot stap de ontwikkeling en den vooruitgang

van het leven bij, terwijl iedere bijzonderheid van de vorming

van nieuwe organismen zich aan onze blikken vertoont als eene

openbaring van den oorsprong, waaruit alle thans levende schepselen

zijn voortgekomen. Als wij aan de insecten komen, dan zien wij ook

daar denzelfden oorspronkelijken bouw: meer of minder met elkander

verbonden ringen. De duizendpooten hebben gewoonlijk bij hun uittreden

uit het ei slechts negen ringen; de overige ringen groeien na elkander

aan het achterdeel van het lichaam; maar deze insecten treden reeds

meer als afzonderlijke individuen op: wel kunnen de twee helften

eener _Scolopendra_, die dwars doorgesneden is, eenigen tijd blijven

leven en zich bewegen, maar zij eindigen toch met beide te sterven

zonder te zijn aangegroeid. De geslachtsvoortplanting treedt meer op

den voorgrond.

Bij alle insecten bestaat het lichaam uit drie kenmerkende deelen:

kop, borststuk en achterlijf; de kop bestaat uit aan elkander gehechte

ringen, het borststuk uit drie en het achterlijf uit zes tot twaalf

ringen. Bij de spinnen zijn de ringen alleen waar te nemen in de

vrucht. Doch de eenheid van oorsprong der gelede dieren is duidelijk

aan te toonen.

Maar wij moeten niet te snel vooruitgaan, opdat wij met oordeel den

gang van zaken kunnen volgen bij die langzame en grootsche ontwikkeling

van het leven. Even laag op de trap der organische wezens staan de

_Echinodermen_ of stekelhuidigen, crinoïdeën, zeeëgels, holothuriën,

enz. Zij hebben nog beide soorten van voortplanting, dat wil zeggen,

zij hebben eensdeels eieren en anderdeels vermenigvuldigen zij zich

door knopvorming. Visschers, die dikwijls lastig gevallen worden

door zeesterren, snijden ze in stukken, indien zij zich vasthechten

aan hunne netten, doch vergeten, dat zij zoodoende vier of vijf

voor ééne in de plaats krijgen. Zij kunnen zich door middel van

hunne kleine voelhorens langzaam bewegen. De zeesterren en zeeëgels

hebben rudimentaire oogen: het zijn roode vlekken, gelegen aan de

benedenzijde der stralen, vlak onder de uiterste voelhorens. Het

licht wordt sterk daarin gebroken. Zij verdienen nauwelijks den naam

van oogen, maar toch zijn zij het reeds.

De zeesterren zijn oorspronkelijk polypen, met den kop vastgehecht

aan het midden van de ster. De arm eener ster, losgemaakt van de

middenschijf, groeit weder tot een geheel lichaam aan. De vijf armen

(bij sommige soorten zelfs meer) groeien eveneens weder aan. Iedere

arm leeft en kan op zijne beurt het leven schenken aan een' knop,

die weder middenschijf wordt en zich zoo tot eene zeester vormt. Er

is nog geen kop en evenmin zijn er ademhalingswerktuigen.

De weekdieren in engeren zin, de _Cephalopoden_, koppootigen, die

op hun' kop loopen, de _Gasteropoden_, buikpootigen, die op den

buik voortgaan, schelpslakken en andere, de _Acephalen_, koploozen,

oesters, mossels enz. schijnen af te stammen van de ringwormen. Volgens

Perrier toch bewegen zich al die weekdieren op een aanhangsel van

hunnen kop en zouden de armen van de cephalopoden, de afgeplatte voet

der gasteropoden en de tongvormige voet der acephalen aanhangsels

zijn van het weekdier; hunne vormen zouden alleen de vrucht zijn

van de omgeving, waarin zij moesten leven. De weekdieren en de

cephalobranchiaten (kopkieuwigen) zouden beide afstammelingen zijn

van wezens, die in kokers wonen, en die in geene betrekking tot de

buitenwereld staan dan door de openingen in die kokers en voornamelijk

door de voorste opening. De koploozen zouden ontaarde buikpootigen

zijn, bij wie de kop geatrophieerd is, toen hij geene taak meer

te verrichten had. De brachiopoden (armpootigen), die evenals de

koploozen, in eene tweekleppige schelp zijn opgesloten, maar van de

eerste uit een anatomisch oogpunt zeer verschillen, zouden van de

ringwormen langs eenen anderen tak afstammen, en het dichtst bij den

gemeenschappelijken oorsprong gebleven zijn.

Bij de weekdieren is het zenuw- en spierstelsel nog slecht

ontwikkeld. Het zenuwstelsel bestaat uit knoopen en strengen, en deze

centrale deelen zijn onder het darmkanaal gelegen. Ééne der bijzondere

eigenschappen van het bekleedsel der weekdieren is, dat het vaste

stoffen afscheidt, die de zoo verschillende schelpen vormen, en die

voor hen steunsels vormen, onafhankelijk van het spierstelsel. De

zintuigen beginnen zich sterk te ontwikkelen. De tastzin is reeds ver

gevorderd. De reuk onderscheidt zich langzamerhand van den smaak. Het

gehoor heeft tot zintuig blaasjes, waarin reeds gehoorsteentjes

gevonden worden. Het oog bezit een netvlies, eene kristallens,

een regenboogvlies, eenen oogrok en glasachtig vocht. Het gedeelte

van het lichaam, waarop de oogen gevonden worden, is gewoonlijk de

aanhechtingsplaats der voelhorens; dikwijls zijn zij aan de uiteinden

gelegen. Zij hebben alle een hart of een orgaan voor den bloedsomloop,

dat de plaats daarvan inneemt. Zij zijn van geslachtsorganen voorzien

en planten zich door eieren voort, maar de geslachten zijn niet altijd

gescheiden in twee individuen: bij de koppootigen zijn de geslachten

gescheiden, de buikpootigen zijn bijna alle tweeslachtig. De slakken

zijn tweeslachtig, dat wil zeggen: ieder individu bezit beide organen,

maar de innige vereeniging van twee wezens is voor de voortplanting

noodig, daar ieder tegelijkertijd als mannetje en wijfje optreedt.

Op de grens der gewervelde en ongewervelde dieren ontmoet men den

_Amphyoxus_, lancetvischje, "den eerwaardigen amphyoxus", zooals

Haeckel hem begroet, die nog meer van de visschen verschilt, dan de

visschen van den mensen. Het is een gewerveld dier zonder kop. De

amphyoxus leeft op de zandige oevers der zee, gedeeltelijk in het zand

begraven, men vindt hem aan de Noordzee, aan de kusten van Engeland,

die der Middellandsche zee, in Brazilië, Peru, Borneo, China, bijna

overal. Het geraamte bestaat uit eene kraakbeenige ruggestreng;

een cilindervormige buis vormt de as van het lichaam, daarin ligt

het centrale zenuwstelsel. Een kleine vlek aan het uiteinde van de

ruggestreng is het begin van een oog, ook het reukorgaan komt in

primitieven toestand voor, het gehoor bestaat nog niet; hersens zijn

nog niet te ontdekken. De anatomische eigenschappen wijzen er op,

dat hij de _waarschijnlijke stamvader is van de gewervelde dieren_, de

laatste afstammeling van het oude ras der koplooze gewervelde dieren,

de verbindingsschakel tusschen de gewervelde en de ongewervelde

dieren. Onmiddellijk achter dezen stamvader kunnen de _Cyclostomen_

(rondbekken) gerangschikt worden, waartoe de prik of lamprei

behoort. Hun lichaam is wormvormig, zonder ledematen; hun bek bevat

geene tanden, hunne huid is naakt en zonder schubben. Zij missen een

beenig skelet, maar hebben reeds een begin van kieuwen en van hersenen.

Naarmate wij in ons onderzoek vooruitgaan, zullen wij het leven meer

beperkt zien tot bepaalde organen, en de bestanddeelen, waaruit de

dieren bestaan, hunne oorspronkelijke eigenschappen zien verliezen,

om zich over te geven aan de leiding van het met hersenen voorziene

wezen. De gewervelde dieren, zooals de zoogdieren, vogels, kruipende

dieren, visschen, bestaan in hoofdzaak uit een gebouw van wervels,

dat het ruggemerg beschermt, en eindigt in eenen schedel, die zelf

uit gewijzigde wervels bestaat, en de hersenen bevat, die niets anders

zijn dan de oorsprong van het ruggemerg. Geboren uit de ongewervelde

dieren, en ongetwijfeld voortgekomen uit de laagste dezer dieren,

de ringwormen, wier anatomische bouw de meeste overeenkomst heeft

met de lagere gewervelde dieren, vertoonen zij zich aan ons als de

meest volmaakte ontwikkeling van het leven op onze planeet. Het is

hieruit, dat men zich niet alleen den vorm der wezens kan verklaren,

maar ook de schikking van ieder orgaan in het lichaam. Het hoofd,

de zoo fijne organen van het gezicht en het gehoor, het hart, de

longen, de nieren hebben zich langzaam gevormd. De vorm van ieder

wezen, zoowel in- als uitwendig, is de vrucht van zijne levenswijze

en die zijner voorouders. Wij zagen, dat gedurende eene reeks van

eeuwen de organismen zich hebben voortgeplant door knopvorming en

verdeeling. Daarna hebben wij bij wezens, die zich nog steeds op

die wijze voortplantten, organen zien ontstaan, die het aanzijn

schonken aan kleine eieren of aan klieren. Van toen af begon de

geslachtsvoortplanting, bij dezelfde wezens met de vorige wijze van

voortplanting afwisselende, en die optrad bij dieren, die beide

geslachtsorganen bezaten en tweeslachtig waren. Daarna treedt de

voortplanting op door de verbinding van twee verschillende wezens,

die, om het voortbestaan der soort te verzekeren, tot elkander

moeten naderen en zich tijdelijk tot één lichaam moeten vereenigen,

en juist door deze wijze van voortplanting splitsen zich de wezens

tot verschillende soorten. De ligging der voortplantingsorganen

in de nabijheid van de organen, die dienen tot de afscheiding van

stoffen, die geen nut meer hebben voor het organisme, is niet zeer

gelukkig, zij is het gevolg van den bouw der aardwormen, bij welke de

oorspronkelijke organen voor de voortplanting verbonden zijn met de

organen tot afscheiding. Bij de ringwormen vinden de eitjes, die zich

in alle kanalen van het lichaam vormen, in die afscheidingskanalen

eenen doorgang naar buiten. De langzame volmaking van het dierenrijk

heeft dien oorsprong nog niet uitgewischt.

De voortplanting door eieren heeft voortgeduurd tot den dag, waarop

levende jongen werden voortgebracht. Ieder levend wezen kwam van toen

af voort uit een bevrucht ei, en heeft eenen vader en eene moeder. Deze

behoeven elkander echter daarom niet te kennen. De visschen leggen

hare eieren in het water; op den eenen of anderen tijd worden

die eieren bevrucht, zonder dat de visch, die zich daartoe leent,

ooit de moeder dier eieren gekend heeft. Hierop maken de roggen en

andere eene uitzondering; deze liggen tusschen de levend barenden

en de eieren leggende dieren in, daar het ei uitgebroed wordt in

den moederschoot. In andere gevallen, zooals bij de kikvorschen, de

watersalamanders en andere dieren, naderen de ouders tot elkander

zonder elkander aan te raken, en toch worden de eieren bevrucht

vóórdat zij gelegd zijn, of op het oogenblik van het leggen. De

innige vereeniging van twee wezens, het huwelijk, hetzij tijdelijk,

hetzij duurzaam, is de vrucht van den vooruitgang. Die teedere band,

reeds opmerkelijk bij een groot aantal vogels, is begonnen bij de

eierleggende dieren, waaronder men een groot aantal viervoetige dieren

vindt. De schildpadden, de krokodillen, de kikvorschen, de slangen,

de vogels leggen eieren. Men kan de ontwikkeling der voortplanting

door eieren volgen van de laagste insecten tot aan de zoogdieren. Deze

brengen wel levende jongen voort, maar iedereen weet, dat ook daar in

den moederschoot ieder levend wezen als ei begonnen is. Het baren van

levende jongen is de tot volkomenheid gebrachte voortplanting door

eieren; de eerste wijze van voortplanting is zelfs nog weifelend bij

de eerste zoogdieren, de buideldieren, die hare jongen dragen in eenen

uitwendigen zak, en vooral bij de vogelbekdieren (_ornithorhynchus

paradoxus_). Van welk oogpunt wij dus ook de zaak beschouwen, wij

zien in het leven op aarde steeds de ontwikkeling uit éénen zelfden

stamboom.

De eierleggende viervoetige dieren vormen den overgang tusschen

de voortplanting door eieren en door het baren van levende jongen;

men weet zelfs nu nog niet, of de ornithorhynchus altijd eieren legt

of somtijds ook levende jongen voortbrengt. De buideldieren, zooals

de kangoeroe's en andere, schijnen met de vogelbekdieren de oudste

zoogdieren der wereld te zijn.

Die wezens, die in de ontwikkeling van het leven zijn blijven

stilstaan, brengen jongen voort, die zich eerst ontwikkelen na hunne

geboorte. De moeder grijpt met de lippen hare jongen, die op zich

zelf nog niet levensvatbaar zijn, en legt ze in den zak, dien zij vóór

haren buik draagt. Daar hechten zij zich vast, ieder aan eenen tepel,

en blijven daaraan vast, totdat hunne ledematen en organen voldoende

ontwikkeld zijn. Die buidelzak is als het ware eene tweede baarmoeder,

waarin de ontwikkeling der vrucht ten einde gebracht wordt. Indien

de jongen alleen kunnen loopen, vergeten zij toch dat nest niet en

vluchten zij daarin bij het eerste alarm; zij brengen daarin een groot

gedeelte van hunne kindsheid door. Men ziet, hoe wij geleidelijk de

ontwikkeling van alle organen bijwonen. Men kan stap voor stap de

vorming van den boezem volgen, te beginnen met de vogelbekdieren tot

aan de schitterende Venus van Milo; de volmaking van den kop, van den

eenvoudigen worm tot dien van Apollo of Antinoüs, en zoo verder van

het geheele lichaam en van ieder orgaan, hand, oog, oor enz. Stap voor

stap begint elk orgaan, ontwikkelt het zich en wordt het volmaakter.

De levenskracht, eerst in het geheele organisme verspreid, beperkt

zich langzamerhand in enkele organen. Wij zagen reeds, dat men

eenen ringworm in zooveel deelen kan snijden als men wil, zonder

dat het dier zijn leven verliest. Men kan toch het dier beschouwen

als eene verzameling van kleine deelen, die ieder hunne eigene

levensvatbaarheid bezitten: de rugstukken eener naïdine vormen

eenvoudig dertig dieren; elk deel verkrijgt eenen kop, eenen staart

en nieuwe ringen. Zoo ook zagen wij, dat enkele lange ringwormen zich

in hunnen eigen staart bijten zonder dat zij het zelf bemerken; dat

men eene hydra in stukken kan snijden, kan omkeeren, twee hydra's op

elkander kan enten, enz. De aardworm heeft niet meer die verbazende

levensvatbaarheid in ieder zijner deelen; toch groeit de kop weer

aan, als deze afgesneden is. Charles Bonnet verhaalt, hoe hij van

eenen zelfden worm twaalf malen den kop heeft afgesneden, en hoe deze

twaalf malen weder aangroeide. Iedere straal van eene zeester vormt

weder eene nieuwe zeester. Naarmate wij verder komen in ons onderzoek

naar de ontwikkeling der wezens, beperkt zich de levenskracht meer

en meer. Bij de salamanders groeien zoowel de pooten als de staart

weer aan en zelfs ook de oogen en een deel van den kop.

Onder de insecten bezitten de sprinkhanen eene verbazende

levensvatbaarheid. Van 31 onthoofde sprinkhanen leefden alle nog

na twee dagen en waren zij nog even vlug als vóór de operatie,

29 leefden drie dagen, 23 vier dagen, 10 vijf dagen, 4 zes

dagen, 2 zeven dagen. De laatste leefde nog vijftien dagen na

de onthoofding. Die zelfde dieren kunnen in het leven blijven,

als alle organen er uit genomen zijn, (en zelfs ook als zij daarna

opgevuld worden): leeggemaakt vijf dagen, leeggemaakt en onthoofd

vier dagen. De enkele kop leeft nog vier en twintig uren. De kop met

den eersten ring kan 30 uren leven. De kop met de twee eerste ringen

drie dagen. De eerste ring, van den kop en het lichaam gescheiden,

leeft nog verscheidene uren. De derde ring met het achterdeel van

het lichaam sterft dadelijk. Het blijkt dus, dat de levenscentra in

den kop en de twee eerste ringen gelegen zijn. Opmerkelijk is het,

dat die dieren niet de minste stuiptrekkende beweging openbaren als

men ze den kop afsnijdt, of de ingewanden uitneemt. Een sprinkhaan,

wien de kop is afgesneden, merkt daar waarschijnlijk niets van.

Zoo ziet men ook, dat de twee helften van eenen doorgesneden kikvorsch

niet dadelijk sterven: de voorste helft, de kop en de twee voorpooten,

loopt weg, terwijl de achterste helft hare gevoeligheid behoudt;

niet zelden kan men in een laboratorium eenen onthoofden kikvorsch

met den poot de tang zien wegduwen, die hem doet lijden. Ook ziet men

dikwijls een onthoofd hoen wegvliegen, een spoor van bloed op zijnen

weg achterlatend. Een gevilde en in stukken gesneden paling beweegt

zich nog langen tijd. Het hart van eene schildpad, uit het lichaam

verwijderd, blijft nog eenige uren kloppen. Vroeger hebben wij reeds

gezien, dat men bij de lagere dieren de hersenen kan wegnemen, en dat

deze weder aangroeien; diezelfde proef kan ook bij duiven genomen

worden. Indien men bij eene duif de hersenen wegneemt, verliest

het dier onmiddellijk het gebruik zijner zintuigen en het vermogen,

om zijn voedsel te zoeken. Doch indien men het dier voedsel ingiet,

kan het blijven leven, omdat de voedingsfuncties ongestoord blijven,

als men de daarmede samenhangende zenuwcentra niet geschonden

heeft. Langzamerhand groeien de hersenen weder aan, en naarmate

die aangroeiing voortgaat, ziet men het gebruik der zintuigen, het

bewustzijn en het instinct van het dier weder terugkeeren.

Indien de lezer ons wel heeft willen volgen in ons onderzoek over

_de ontwikkeling en den vooruitgang van het leven_, dan zal hij

doordrongen zijn van het denkbeeld, dat er een nauw verband bestaat

tusschen de verschillende onderdeelen der natuur, van de gesteenten

tot aan den mensch; wij herhalen het, van de gesteenten af. Zoo

zal een stuk gebroken kristal weer evenzeer aangroeien, alsof het

een plantaardig of dierlijk weefsel ware. Pasteur heeft aangetoond,

dat indien men een gebroken kristal in de vloeistof plaatst, waaruit

het gekristalliseerd is, men het kristal in alle richtingen ziet

aangroeien door een afzetsel van kristallijne deeltjes, maar dat men

tevens eene sterke werking waarneemt aan het gebroken gedeelte, zoodat

het verminkte deel na verloop van enkele uren weer zijne regelmatige

gedaante heeft herwonnen.

In die onafgebroken reeks openbaringen der scheppende natuur,

heeft er van de mechanische, physische en chemische periode vóór het

leven, tot aan onzen tijd, zoo rijk aan de vruchten van verstand en

gedachte, geene verbreking plaats gehad in den samenhang, geene enkele

gaping, geene verandering van plan, geen onoverkomelijke afgrond,

geene spontane schepping. De geheele natuur op aarde is naar een

zelfde plan gebouwd en vertoont overal de uitdrukking van eenzelfde

gronddenkbeeld. Komt men eindelijk tot den mensen, dan staat men

niet meer tegenover eenen onoverkomelijken afgrond. De mensen is

het kind der natuur, evenals alle voorgaande voortbrengselen. Hij

is door onverbreekbare banden verbonden aan de wezens, die hem

zijn voorgegaan, aan de gesteenten, de planten en de dieren. Later

zullen wij onderzoeken, wie zijn onmiddellijke stamvader geweest

is. Maar terwijl wij dit onderzoek sluiten, moeten wij duidelijk die

verwantschap van den mensch met de geheele natuur der aarde verstaan.

De geest zoowel als het lichaam zijn de producten van de levenskracht,

zooals zij langzamerhand ontwikkeld is. Wel beperkt zich het leven meer

en meer in het hart en in de hersenen, wel beperkt zich het bewustzijn

meer en meer in de hersenen, maar daarom is dit nog geene nieuwe

wereld, het is slechts de voortzetting en ontwikkeling van oude vormen.

Wij merkten zooeven op, dat het hart van eene schildpad nog blijft

kloppen, nadat het uit het lichaam van het dier verwijderd is;

hezelfde is met het hart van den mensch het geval. Indien men het hart

van eenen ter dood gebrachte enkele minuten na de terechtstelling

uitneemt, kan men de kloppingen, ten getale van 40 tot 45 in de

minuut, nog wel een uur lang waarnemen, zelfs indien de lever, de

maag, de ingewanden verwijderd zijn. Eenige jaren geleden zag een

betrouwbaar en bekwaam ooggetuige bij eene terechtstelling in Japan,

hoe de oogen van het hoofd van den onthoofde, nadat het op het zand

gevallen was, hem strak aanstaarden, en hem 15 tot 20 seconden lang

bij zijne bewegingen volgden. Men houde in het oog, dat het hoofd met

de scheidingsvlakte dadelijk op het zand was neergekomen, zoodat er

bijna geen bloedverlies had plaats gegrepen.

De Wereld vóór de schepping van den mensch · 第 6 / 40 段