schijnen ook niets anders dan moneren te zijn. Men heeft gewoonlijk
geen denkbeeld, hoe groot het aantal wezens is, dat overal in de
lucht en in het water krioelt. Gemiddeld bevat een cubieke meter
lucht in eene volkrijke stad van drie- tot vierduizend. Maar
deze zijn eerst van jongeren datum, daar zij als parasieten bij
samenhoopingen van menschen gevonden worden en in volle zee en op de
bergen verdwijnen. Hunne levensvatbaarheid is verbazend, evenals die
van de meeste afgietseldiertjes. Eene enkele bacterie kan in 24 uren
meer dan 15 millioen bacteriën voortbrengen! Sommige afgietseldiertjes
kunnen als het ware niet sterven. Spallanzani heeft door bevochtiging
rotiferen doen herleven, die dertig jaren lang uitgedroogd waren. [3]
De stamboom van het dierenrijk heeft zich evenmin als die van het
plantenrijk, gemakkelijk en spoedig ontwikkeld. Er was eene verbazende
ontwikkeling noodig, eer bepaalde moneren, die hun geheele leven het
omhulsel behielden, dat het protoplasma van enkele hunner tijdelijk
beschermt, in staat geworden waren, om onmiddellijk van het water
en de lucht, die meer of min met minerale stoffen bezwangerd waren,
de grondstoffen voor hunnen bouw te verkrijgen. Van dien dag af is
het plantenrijk op de aarde verschenen langen tijd waren de moneren
de eenige bewoners der aarde, en daaruit zijn langzamerhand naast
elkander te voorschijn getreden de wezens, die later de aarde zouden
bedekken met haar groen kleed of aan de weiden en de bosschen hunne
tallooze bewoners zouden verschaffen.
De planten zijn niet de voorouders der dieren. Het zijn twee
verschillende werelden, die alleen denzelfden oorsprong hebben. Het
zou mogelijk geweest zijn, dat alleen dieren bestonden, hetgeen het
geval zou geweest zijn, als geen der oorspronkelijke organismen zich
aan den bodem had vastgehecht. Ook zou het mogelijk geweest zijn,
dat alleen planten gevormd waren, hetgeen het geval geweest ware,
indien alle oorspronkelijke organismen uit den bodem gevormd waren,
hetzij in de vrije lucht, hetzij in de diepte der wateren. Ook had het
kunnen zijn, dat het dierenrijk evenals het plantenrijk zich geheel
anders had ontwikkeld, dan het geval geweest is; daartoe hadden slechts
de omstandigheden, zooals de elementen, de warmte, de zwaartekracht,
de dichtheid, het licht en andere moeten verschillen van die, waaronder
de organismen thans gevormd zijn. De vormen, waaronder het leven op de
overige werelden optreedt, moeten geheel verschillend zijn van die op
aarde. Hoe moeten wij ons deze echter denken? Zouden wij ons boomen,
vruchten en bloemen kunnen voorstellen, indien er geen plantenwereld
op onze planeet bestond?
Wat ons het meeste treffen moet bij onze studie der eerste bewerktuigde
wezens op aarde, zijn hunne bijzonder kleine afmetingen: de meeste
zijn mikroskopisch klein. De eerste uiting der levenskracht was
hoogst bescheiden, alsof de natuur eerst hare krachten beproeven
wilde, vóórdat zij zich te ver van het onbewerktuigde rijk
verwijderde. Minerva is niet in volle wapenrusting uit het hoofd van
Jupiter te voorschijn getreden. Maar al zijn die wezens klein, zij
zijn ontelbaar in aantal. Enkele terreinen bestaan uitsluitend uit
mikroskopische versteeningen van die oude wezens, waarvan een groot
aantal soorten nog in onzen tijd voorkomen. Ehrenberg heeft in éénen
cubieken centimeter krijt vijfhonderdduizend versteende foraminiferen
gevonden; Max-Schultze schatte het aantal van die skeletten in 30
grammen zand van de haven van Gaeta op 1 1/2 millioen. Zij vormen
dikwijls geheele bergen. Geheele eilanden, zooals Barbados, bestaan
uitsluitend daaruit. Het krijt bestaat uit de overblijfselen van
mikroskopische dieren en planten; geen stamper is fijn genoeg om de
kleine wezens te verbrijzelen. Fig. 40 is een deel van het oppervlak
van een geglaceerd visitekaartje, tweehonderd malen vergroot, zooals
dit door Ehrenberg reeds in 1842 is waargenomen. Foraminiferen,
diatomeën en andere lagere diertjes zijn bij duizenden opgehoopt
in de krijt- en kiezelrijke terreinen; volgens Ehrenberg kan een
cubieke duim 40 millioen diertjes bevatten. Ook hier zijn de moleculen
meetkundig gerangschikt.
De foraminiferen, zoo genoemd omdat hunne schaal van kiezel tallooze
gaatjes bevat; de rhizopoden (wortelpootigen), die stralen, stekels,
haartjes om zich heen hebben, bestaan evenals de moneren alleen
uit protoplasma, en hun skelet bestaat uit kiezel evenals het
bergkristal. De organische draden van deze dieren houden reeds door
hunne aanraking de afgietseldiertjes of de kleine schaaldieren tegen,
die om hen heen drijven; zij grijpen ze vast, omringen ze met hun
slijmerig net, lossen ze op en voeden zich er mede. De foraminiferen
zijn mikroskopische diertjes; de rhizopoden kunnen somtijds de grootte
van eenen speldeknop bereiken. De eerste onttrekken het kiezel aan
het omringende water; de tweede scheiden koolzure kalk af. Beide
leven nog steeds in de diepte der zee. Deze oorspronkelijke wezens
zijn niet uitsluitend uit de anorganische wereld voortgekomen. De
koolzure kalk kristalliseert bij de rhizopoden in meetkundige
vormen, die gewijzigd worden onder den scheikundigen invloed van het
eiwitachtige protoplasma, maar toch in meetkundige vormen, evenals de
sneeuw, het ijs, de kristallen enz. Beide soorten van dieren komen in
tallooze vormen voor. Zij zijn geslachtloos en planten zich, evenals
vele planten, door insnoering voort. Geene enkele der voorwaarden
voor vooruitgang is in haar aanwezig, geen strijd om het bestaan
of wedijver, want zij hebben eeuwen bestaan zonder te veranderen,
en zijn dus niet de stamvaders geworden van eene volmaakter soort.
Die kleine wezens verdienen reeds den naam van dieren. De amoeben,
waarmede wij reeds vroeger kennis gemaakt hebben, die niets anders
zijn dan protoplasma, en die zich eenvoudig voortplanten door eene
verdeeling in twee deelen, verdienden evenmin dien naam, als dien van
planten. Een eerste stap voorwaarts was het, toen het protoplasma
geschikt werd, om een vliezig omhulsel af te scheiden, waarbinnen
het zich in meer of minder deelen verdeelen kon. Is het omhulsel van
eiwitachtigen aard, dan is het wezen, dat dit omhulsel voortbracht,
van dierlijken aard; is het daarentegen celstof, dan nadert het wezen
tot het plantenrijk. De eiwitstoffen zijn meer of min buigzaam,
de celstof is dit niet; hieruit volgt, dat in het eerste geval de
bewegingen van het protoplasma zich naar buiten kunnen openbaren;
in het tweede geval daarentegen niet. Daarom zijn de dieren in staat
zich te bewegen, terwijl het grootste aantal planten haar geheele
leven onbewegelijk zijn.
Vóór dien stap voorwaarts, waren de organismen noch planten, noch
dieren, hoewel zij reeds samengestelder waren dan de moneren en de
amoeben. Er bestaan nog heden talrijke afstammelingen van die wezens,
die een ieder kan bestudeeren. De zweepdragende afgietseldiertjes, zoo
genoemd, omdat zij gewoonlijk eene soort zweep aan hun uiteinde dragen,
behooren tot die tusschenvormen, die _protisten_, die noch plant noch
dier zijn. Zij nemen alle mogelijke vormen aan. Enkele zijn eivormig en
roodachtig, andere zijn bladvormig plat; weer andere zijn uitgerekt in
den vorm van staafjes; nog andere leven in kokers, die in boomvormige
koloniën vertakt zijn. Die organismen zijn dikwijls de oorzaak van
het roodkleuren van den regen of de sneeuw, welk verschijnsel eertijds
door het bijgeloof van het angstige volk aan bloed werd toegeschreven.
Tot dezelfde klasse van tusschenvormen behoort ook de Magosphaera
planula, in 1869 door Haeckel in de Noordzee ontdekt. Het is een
lichaam bestaande uit 32 pyramiden, met hare toppen onderling
verbonden (fig. 42 nº. 1; nº. 2 is eene doorsnede door het
middelpunt gaande). Met behulp der trilharen zwemt het evenals de
volvox ronddraaiend voort. Op een bepaald oogenblik valt het lichaam
uiteen, de vrijgeworden cellen gaan weg, verschillende grootten
en vormen aannemend (nº. 3, 4 en 5), daarna nemen zij den bolvorm
aan en gelijken zij op kleine eieren (nº. 6). Die eieren behoeven
niet bevrucht te worden. Ieder van deze verdeelt zich weder in 2,
4, 8, 16 en 32 cellen (nº. 7) en brengt weder een wezen voort, dat
overeenkomt met dat, waaruit het is voortgekomen.
Wij zeiden reeds, dat die organismen geen der karakteristieke
kenteekenen van het planten- of dierenrijk bezitten. Tot dezelfde soort
van wezens behooren ook de myxomyceten, die zich des zomers in menigte
ontwikkelen op de eikenkrullen. Het zijn slijmachtige, oranjekleurige
massa's, die verlengsels bezitten evenals de pseudopoden der amoeben,
en die zich kunnen verplaatsen en zich voeden door vreemde stoffen
op te nemen. Het zijn ongetwijfeld de voorouders der paddestoelen,
die reeds tot het plantenrijk behooren.
De Noctiluca miliaris (zeevonk) en het Peridinium, waaraan grootendeels
het phosphoresceeren der zee moet worden toegeschreven, zijn eveneens
tusschenvormen. Allen, die een tijd lang des zomers aan het strand der
zee hebben doorgebracht, kennen dit schoone verschijnsel. Voornamelijk
na warme en na stormachtige dagen treedt het zeer sterk op. Het
zeewater bevat somtijds 25000 van die wezens in 30 cub. centimeters
water. De zee schijnt dan verlicht, alsof eene Najade over de golven
glijdt en het phosphoresceerende licht ontsteekt. Die protist is als
het ware slechts een bolletje doorschijnend gelei.
Indien men het water beweegt, spatten er duizenden vonken uit: als
men de armen dompelt in eenen emmer zeewater, dan ziet men het vuur
langs de huid opkruipen.
Dit zijn de ware zoöphyten, plantdieren, de eerste pogingen der natuur,
om aan het leven vorm te geven.
Verder ontwikkeld dan de vorige organismen zijn de sponsen,
die nog op de grens gelegen zijn van beide rijken; zij zijn aan
den grond bevestigd als planten, maar voeden zich op de wijze der
dieren. De spons is eene verzameling van amoeben en zweepdragende
afgietseldiertjes, die hunne persoonlijkheid verliezen, om op te
gaan in de gemeenschappelijke massa. Deze massa leeft, ondervindt
indrukken, kan zich samentrekken of uitzetten, ontvangt het water,
dat haar voedt, doet het door haar lichaam stroomen en verjaagt het
weer. Het plant zich zelf voort, schenkt het aanzijn aan amoebencellen,
die in het water drijven en zich vasthechten aan oneffenheden van
den bodem, om eene nieuwe spons te vormen. _Er is echter nog geene
geslachtsvoortplanting_, en dus nog geene vaststaande soortkenmerken.
Die kenmerken komen eerst voor den dag bij de _hydra's_. [4] Hier
treedt de persoonlijkheid veel sterker op den voorgrond dan bij de
vorige organismen. De hydra's of zoetwaterpolypen worden in poelen
gevonden. Het voedsel treedt weer uit dezelfde opening, waardoor
het is binnengetreden. Om zich te verplaatsen buigt het dier zijn
lichaam in eenen boog, hecht het den mond vast tegen het voorwerp,
waartegen het steunt, maakt den voet los, trekt dien weer naar den
mond, plaatst den mond weer wat verder en zoo vervolgens. Gewoonlijk
volbrengen zij die bewegingen, om in het licht te komen, hoewel zij
geene oogen bezitten, somtijds ook om hunne prooi te zoeken.
En toch, wat vreemde wezens! Men kan ze in stukken snijden, zonder ze
te dooden; integendeel: uit ééne enkele hydra kan men er twee, drie,
ja zelfs tien maken. Men kan ze ook als een handschoen omkeeren, zonder
dat dit invloed heeft op hare spijsvertering: de buitenoppervlakte
wordt dadelijk maag. Men kan ze aan elkander vastmaken, ze enten als
boomtakken enz.
Is eene hydra overlangs in twee helften gesneden, dan zal iedere
helft in minder dan vier-en twintig uren zich weer sluiten en zoo eene
nieuwe hydra vormen, in staat eene prooi te grijpen. Indien men haar
overdwars doorsnijdt, dan zal de voorste helft in twee dagen weder
eenen voet verkrijgen, en de achterste helft weer nieuwe armen. Indien
men eene hydra eerst overlangs doorsnijdt, en daarna elk der helften
overdwars, dan heeft men na verloop van acht dagen vier hydra's. Zoo
heeft Trembley uit ééne hydra vijftig nieuwe wezens gevormd.
Men kan ook, zoools wij zooeven opmerkten, dat vreemde dier
omkeeren. Terwijl bij de sponsen, het endoderm (de binnenste cellaag)
zeer veel van het ectoderm (de buitenoppervlakte) verschilt, komen
beide bij de hydra's bijna geheel overeen. Men kan van het ectoderm
naar willekeur endoderm maken en omgekeerd. Daarvoor behoeft men de
polyp slechts om te keeren. Dan moet de vroegere buitenoppervlakte
het voedsel kunnen verteren, en de vroegere binnenoppervlakte het
beschermende en gevoelige deel van het lichaam worden.
Toch heeft dat omkeeren niet de minste schadelijke uitwerking. Eenige
uren lang schijnt het dier minder op zijn gemak en doet het pogingen,
(die dikwijls gelukken), om in zijnen vroegeren toestand terug te
keeren. Maar gelukt dit niet, dan weet het zich in zijnen nieuwen
toestand te schikken, en ziet men het de armen uitstrekken om een
ruim maal te doen en den verloren tijd in te halen. Indien men eene
hydra omkeert en dan door eene andere laat inslikken, dan raken de
beide binnenoppervlakten elkander aan, en zullen deze zich zóódanig
aan elkander vasthechten, dat de twee dieren na verloop van enkele
dagen één wezen vormen! Men ziet, hoe die weefsels zich schikken in
de verandering hunner omgeving, en veranderen. Hunne physiologische
eigenschappen, hunne scheikundige samenstelling worden meer of minder
gewijzigd, en dit is dan ook één der vruchtbaarste bronnen voor de
splitsing van het dierenrijk.
De hydra's planten zich voort door knopvorming; eene kleine hydra
groeit op bet lichaam der eerste en ontwikkelt daar; na eenigen tijd
geraakt zij los en leeft zij afzonderlijk. Somtijds dragen zij tot
vijf jongen op verschillende trappen van ontwikkeling. Er zijn nog
geene geslachten: de jongen groeien naarmate van het voedsel, dat de
polyp heeft opgenomen, en de temperatuur. Maar reeds openbaart zich
de neiging tot geslachtsvoortplanting. In het laatst van den zomer
ziet men dikwijls bij de Cordylophora eene wijze van voortplanting,
die van de vorige verschilt. De jeugdige polypen veranderen, in
stede van zich tot individuen te ontwikkelen, in bolronde zakjes,
waarvan sommige eitjes en andere mannelijke organen bevatten. Dit is
een nieuwe stap der natuur op het gebied der uitingen van het leven.
Die stap tot de vorming der geslachten vormt den overgang tusschen de
polypen en de medusen, die vreemdsoortige schijven gelei, die iedereen
dikwijls aan het strand gezien heeft, of in den vorm van halve bollen
in het water heeft zien drijven. Langen tijd hebben de beoefenaars
der dierkunde gezocht naar de wijze van ontstaan van die wezens;
men had ze zorgvuldig van de polypen onderscheiden, terwijl zij
inderdaad dochters daarvan zijn. Zij ontstaan uit bepaalde polypen,
_Scyphistomen_, langs een rij van vreemdsoortige overgangen, die men
aldus kan samenvatten: de scyphistoma, die zeer veel op de andere
zoetwaterhydra's gelijkt, verandert in eene geheel andere polyp,
_Strobila_ genaamd; deze verandert in eene reeks segmenten, die
men niet beter vergelijken kan dan met eenen stapel borden, die één
voor één losraken en nieuwe medusen worden. Deze worden grooter, haar
scherm neemt toe, krijgt insnijdingen en vangarmen. Volwassen geworden,
verkrijgen zij eieren en mannelijke organen, en die eieren geven weder
het aanzijn aan waterpolypen, waaruit nieuwe medusen ontstaan. Dit zijn
geene gedaanteverwisselingen als bij de insecten (die toen trouwens
nog niet bestonden), het zijn merkwaardige voortbrengselen van
wisselende voortplanting. Wat zijn de oorzaken dier wisselingen? De
hydra's ontstaan uit bevruchte eieren, de medusen uit hydra's zonder
voorafgaande bevruchting, door eenvoudige verdeeling van het lichaam,
door knopvorming en loslating.
Niet alle medusen gelijken op elkander. Er zijn een aantal
verschillende vormen, en hoewel alle door hare geboorte aan de
hydra's verwant zijn, ontstaan zij niet op dezelfde wijze. De kleine
klokvormige medusen ontstaan niet als de groote paddestoelvormige
medusen door deeling uit eene strobila; zij groeien als bloemen op
hydra's, die in boomvormige koloniën leven; andere ontstaan in den
vorm van trossen of kraagjes, en raken los en drijven in het water. Zij
gelijken volkomen op zeeplanten, takken, knoppen en vruchten. De medusa
verhoudt zich tot de hydra als de bloem tot den tak; haar scherm is als
het ware eene bloemkroon. Evenals de bloem gevormd is uit gewijzigde
bladeren, die zich straalsgewijze gerangschikt hebben om de as, die
ze draagt, zoo is ook de medusa gevormd uit gewijzigde waterpolypen,
die zich straalsgewijze gerangschikt hebben door verkorting van den
oorspronkelijken afstand. Toch hebben de polypen, in fig. 48 afgebeeld,
geene andere overeenkomst met de planten, dan dat zij aan een vast
punt zijn vastgehecht, op de wijze der koralen.
Die plantdieren, wier vorm en wezen zoozeer verschillen naar gelang
der voeding, der temperatuur en andere omstandigheden, zijn eene
belangrijke les der natuur. De zoetwaterhydra, die gewoonlijk eenzaam
is, sticht koloniën, als men haar plaatst in eene omgeving van eene
hooge temperatuur en rijk aan voedingsstoffen. Is dit niet een krachtig
bewijs voor de veranderlijkheid der soorten? De waterpolypen maken
ons duidelijk, hoe een eenvoudig organisme de meest verschillende
vormen kan aannemen, de ladder der bewerktuiging kan afdalen en
opklimmen; zij doen ons nog heden stap voor stap die wonderlijke
gedaanteverwisseling volgen.
Denzelfden naam van plantdier kan men geven aan de koraalpolypen, die
in de zee gebouwen van schitterende bloemen optrekken en bouwmateriaal
afscheiden, zoodat geheele eilanden uitsluitend daaruit gevormd
zijn. Het zijn meer of minder talrijke koloniën, waarvan ieder inwoner
zijn eigen huis bouwt en bewoont. Die ontelbare koraaltakken waren
langen tijd een raadsel voor de wetenschap, en de schoonheid hunner
kleuren heeft de schoonste beschrijvingen in het leven geroepen. Thans
weet men, dat het polypenkoloniën zijn, wier verscheidenheid in vorm en
wier organische eigenschappen niet minder welsprekend zijn dan die der
vorige wezens. Evenals zij bestaan zij uit eene buis, wier uiteinde
beschouwd kan worden als een mond en waarvan de binnenzijde als de
maag kan worden aangemerkt. Een aantal vangarmen zijn aanwezig; de kop
ontbreekt nog. Gehoor- en gezichtsorganen worden nog gemist. Van de
vijf zintuigen bestaat nog slechts alleen de tastzin; dat van den smaak
begint eerst. Enkele spieren worden gevonden; de zenuwen verkeeren
nog in rudimentairen toestand, en zijn weinig gevoelig. Iedere kleine
polyp leeft afzonderlijk, maar haar leven smelt ineen met het doodsche
bestaan van de kolonie, waarvan zij deel uitmaakt, Evenals bij de
medusen heeft de voortplanting plaats door middel van eieren en kleine
bevruchtende lichamen, hetgeen het begin der geslachtsvoortplanting is,
doch slechts in sluimerenden toestand. Die wezens zijn tweeslachtig,
doch onbewust. Gevoelen zij zelfs iets van het leven? Zeker is het,
dat zij er geheel onverschillig voor schijnen. Somtijds slorpt
de ééne polyp de andere op zonder dat deze den minsten tegenstand
biedt. Somtijds sterft de polyp in hare woning en wordt zij dadelijk
weder vervangen door eene andere, door die woning zelf voortgebracht:
de woning zelf brengt hare eigene bewoners voort.
Alsof de natuur langzamerhand hare krachten beproefde bij de
ontwikkeling van het leven, staan naast de vorige wezens, doch iets
hooger in ontwikkeling, de _tunicata_ (manteldieren, huidzakdieren),
wier omhulsel evenals bij de planten uit cellulose bestaat, wier
spijsverteringskanaal _twee openingen_ heeft, ééne voor het intreden
van het voedingswater, de andere voor het uitstroomen, en die behalve
de spijsverterings- en voortplantingsorganen een begin van een
hart en van bloedsomloop bezitten. Die kleine weekdieren zijn als
het ware niets anders dan levende zakken, maar hun leven is reeds
iets ontwikkelder dan dat der vorige. Het vreemdste is, dat in dit
beginsel van een hart, zonder kleppen, zonder hartkamers, het bloed nog
geene bepaalde richting volgt: het hart slaat een tijdlang in de ééne
richting, staat stil, slaat dan in tegengestelde richting, zoodat de
bloedvaten, die in het eerste geval de rol van slagaderen vervulden,
in het tweede geval als aderen dienst doen. Het dier ademt en zijne
ademhalingswerktuigen (kieuwen) zijn gevormd ten koste van het voorste
gedeelte van de spijsverteringsorganen. Het schijnt, dat deze van alle
ongewervelde dieren het dichtst aan de gewervelde dieren grenzen, en
hunne stamvaders zijn. Nog altijd zijn het de trilharen, die het water,
dat de voedingsstoffen bevat, naar den mond voeren. Hunne gedaante
en afmetingen bieden de grootste verscheidenheid aan. Verschillende
soorten zijn mikroskopisch; enkele scheiden kleine schelpen af;
andere, zooals de _Pyrosoma_ (vuurlichaam), zijn phosphoresceerend,
en verspreiden zelfs, indien zij hunne volle levenskracht hebben,
een helder, rood licht; sommige zijn geheel vrij en brengen hun
leven zwemmende door; andere hechten zich aan de rotsen vast op het
oeverzand: het zijn de _Ascidiën_, die in grooten getale op onze
kusten voorkomen en somtijds de grootte van kippeneieren bereiken;
zij hechten zich onder de steenen vast als stukken gelei, en indien
men den steen omkeert, werpen zij water om zich heen.
Bij die wezens is de voortplanting even onregelmatig, en als het
ware nog even weifelend als de bloedsomloop. Zij zijn tweeslachtig,
geven het aanzijn aan eieren, die zij bevruchten, en uit het ei komt
niet de zoon, maar de kleinzoon voort van het dier, dat het heeft
voortgebracht, daar de zoon in het ei alleen ontstaat om zich daarin
voort te planten en dadelijk te sterven! Het ei brengt een wezen
voort, dat nooit het daglicht zal zien, het omhulsel van dat ei is
tegelijkertijd de wieg en het graf van een wezen, dat zich daarbinnen
voortplant als ongeboren vrucht, en waarvan de overblijfselen tot
voedsel dienen voor het nieuwe geslacht, dat het eenige is dat
bestemd is, naar buiten te treden. Dit merkwaardige en vreemde feit
is van groot gewicht voor de ontwikkelingsleer. Het toont ons aan,
dat die wezens behooren tot die periode in de geschiedenis der natuur,
waarin de levenskracht na duizenden pogingen en aarzelingen de grens
had overschreden, die de weekdieren onderscheidt van de dieren,
door een geraamte gesteund, de ongewervelde van de gewervelde dieren.
Reeds heeft de natuur eenen langen weg doorloopen in de ontwikkeling
der bewerktuigde wezens. Toch hebben wij tot nu toe nog slechts
vormelooze wezens beschouwd, die leven in de diepten der zee. Sommige
zijn kleine geleiachtige bolletjes, die door middel van hunne
trilharen, die hun voor alles dienen, voortzwemmen; andere zijn
tot koloniën verbonden en vormen als het ware levende boomen. Wel
hebben zij een spijsverteringsorgaan, voortplantingsorganen en
organen voor den bloedsomloop, zenuwen en spieren, maar geen spoor
van symmetrie. Overbodig is het, hierbij te voegen, dat zij nog geen
hoofd hebben. Tot nu toe zijn al die wezens _blind_, _doof_ en _stom_.