De moneren, die nog thans het zoute water bewonen, bestaan alleen

uit eene klont protoplasma. Het zijn de eenvoudigste wezens, die wij

kennen. Het leven is begonnen in eenen tijd, toen de aardbol geheel

omringd was door het lauwe water van den oorspronkelijken oceaan. De

eerste levende wezens, die zeer waarschijnlijk overeenkwamen met de

tegenwoordige moneren, waren bewoners der zee. Daaruit zijn de land-

en waterplanten voortgekomen, de wezens, die thans alleen slechts

kunnen leven in het zoetwater van meren, rivieren en stroomen, en de

geheele planten- en dierenwereld, die thans het vaste land versiert en

leven schenkt. Nog thans bestaan alle wezens voornamelijk uit _water_.

De studie der natuur geeft dus een antwoord op de zooeven gestelde

vraag. Wij weten, dat de eerste organismen gevormd zijn in het

lauwe water der oorspronkelijke zee en slechts geleiachtige,

vormlooze lichamen geweest zijn zonder structuur, scheikundige

lichamen, waarin de bijzondere eigenschappen der koolstof, en

vooral de halfvloeibaarheid en de onbegrensde buigzaamheid der

eiwitbestanddeelen, eene splitsing hebben doen ontstaan met de

uitsluitend minerale lichamen en de verschijnselen van het leven

hebben voortgebracht.

Hunne nog weifelende vormen zijn als het ware het beeld der weifelende

schreden van het juist ontstane leven. Bij hen bestaat zelfs de cel

nog niet met hare kern en haar vlies. De protoplasmastof, weifelend

en vormloos, geeft ons nauwelijks een denkbeeld van werkelijke wezens.

Toen men den eersten kabel in den Atlantischen oceaan legde, vond men

vermengd met het grijze slib, op den bodem gelegen, eene vormlooze

geleiachtige massa, die kalklichaampjes bevatte. Die gelei werd in

alcohol bewaard. Huxley herkende daarin het vormlooze protoplasma,

de laagst staande monere, den _Bathybius Haeckelii_.

De merkwaardige onderzoekingen in 1868 en 1869 door Thompson en

Carpenter gedaan op de schepen _Lightning_ en _Porcupine_, die al

de vroeger algemeen aangenomen denkbeelden omverwierpen omtrent de

afwezigheid van het leven in de diepte der zee, deden op eene diepte

van drie- tot vier duizend meters op den bodem der zee dat protoplasma

kennen, dat uit eene groote hoeveelheid geleiachtige, organische stof

bestond, en dat in zóó groote hoeveelheid voorkwam, dat het aan het

slib eene zekere kleverigheid mededeelde. Indien men dit slib met

verdunden wijngeest schudt, zetten zich zeer fijne vlokken af, die

het voorkomen hebben van eene slijmerige eiwitstof. Indien men een

weinig van dat slib in eenen druppel zeewater onder den mikroskoop

brengt, dan ziet men gewoonlijk na eenigen tijd een onregelmatig net

van eiwitachtige stof met scherp begrensde omtrekken, dat zich niet

met het water vermengt; men kan zien, hoe die stof langzamerhand van

gedaante verandert, en hoe de op zich zelf staande korreltjes en de

vreemde lichamen onderling van plaats veranderen. Die stof is dus

in staat zich eenigszins te bewegen, en het is niet twijfelachtig,

of zij vertoont verschijnselen van eenen nog weinig ontwikkelden vorm

van het leven (Fig. 27).

Langen tijd bleef men twijfelen aan de juistheid der hier medegedeelde

resultaten. Daar de scheikundigen hadden aangetoond, dat alcohol,

in zeewater gestort, een slijmerig neerslag gaf, meende men, dat de

zooeven genoemde stof eenzelfde neerslag was. Doch in 1875 werden

dezelfde waarnemingen herhaald door den Duitschen natuuronderzoeker

Bossels bij eene Noordpool-expeditie, op eene diepte van 92 vademen. De

toen gevonden stof was werkelijk protoplasma, waarin toevallig enkele

kalklichaampjes voorkwamen.

De moneren zijn niet anders dan protoplasma. Een klonter gelei is

het eenige, wat onze krachtigste mikroskopen ons doen zien; maar die

gelei leeft, men ziet haar ieder oogenblik van vorm veranderen, zich

meester maken van andere infusiediertjes, ze oplossen en ze opnemen in

haar eigen stof. In de omringende vloeistof gelijken zij op die dunne

strepen, die in een glas water ontstaan boven een stukje suiker, dat

oplost. De moneren zijn kleine bolletjes. Moeten zij zich verplaatsen,

dan groeien er stralen aan, die als pooten dienst doen. Men kent

reeds verschillende soorten. Zij hebben, zooals wij zeiden, trilharen,

die als pooten dienst doen, doch kort en onregelmatig zijn, in alle

richtingen uitspringen, zich inkorten en naar binnen treden, als het

wezen ze niet meer noodig heeft. De beweging is als het ware eene soort

van kruipen, hetwelk geschiedt door het uitrekken van een trilhaar,

dat met zijn uiteinde een steunpunt zoekt, zich daarna inkort en zóó

het geheele lichaam medetrekt, dat zich beweegt als een oliedroppel,

dat op een stukje glas voortgeblazen wordt. Als een zonnestraal het

vat treft, dat één dier wezens bevat, dan beweegt het zich steeds

naar het licht toe. De veerkracht van het levende protoplasma,

zijne uitzetting en samentrekking onder den invloed der warmte,

zijn voldoende om rekenschap te geven van de wijze van beweging.

Wij noemen ten slotte onder de moneren het _myxodictyum sociale_

(fig. 28). Daar bestaat het protoplasma uit afzonderlijke wezens,

kleine min of meer bolvormige klonters, die van alle zijden omgeven

zijn van vertakte en straalvormige trilharen en zich door deeling

voortplanten, maar toch in koloniën vereenigd blijven door hunne

vezels.

Dit zijn de oorspronkelijke wezens. Het organische komt uit het

anorganische voort. De levenskracht is uit de physisch-chemische

kracht ontstaan.

De electriciteit is waarschijnlijk niet vreemd geweest aan dien

vooruitgang der stof; in den toestand, door de warmte, de drukking

van het water, en andere factoren voorbereid, heeft zij nog ingewerkt

door aan de moleculen inwendige bewegingen mede te deelen. Nog thans

speelt zij eene belangrijke, nog niet genoeg doorgronde rol in de

hoogere levensverschijnselen.

De bevruchting der planeet is echter geen gewoon scheikundig proces,

evenmin als eene scheikundige verbinding een gewoon mechanisch proces

is, het is iets meer. Het leven is een nieuwe vorm van beweging;

het is eene nieuwe schepping, voortgebracht door de scheikundige

verhoudingen, die het bepaald hebben. Door de voortdurende

veranderingen in samenstelling, door de bewegingen, waarvan het de

zetel is, door zijn vermogen om zich te voeden, zich in afzonderlijke

wezens te verdeelen, en zich voort te planten, onderscheidt zich het

protoplasma van alle scheikundige stoffen en vormt het eene klasse

van lichamen op zich zelf. De afstand tusschen de levende stof en

de scheikundige verbindingen is groot, maar toch weet men thans,

dat het leven met al zijne kenmerken in eene soort stof aanwezig is,

die even eenvoudig van bouw is als de scheikundige verbindingen.

Voor den denker, die de geheimen der natuur tracht te ontwarren, is het

niet vreemder, de koolstofverbindingen het aanzijn te zien schenken aan

geleiachtige lichaampjes, dan de kristallen uit eene zoutoplossing te

zien aangroeien naarmate het water verdampt, of den loodboom te zien

aangroeien, die ontstaat, indien men eene zinkstaaf in eene oplossing

van azijnzuur lood hangt, of den waterdamp heesters te zien teekenen

op de glazen van een bevroren venster, of de sneeuwkristallen te zien

vormen in de lucht, of den zwavel te zien kristalliseeren, of het

bismuth, het goud en het koper. Het verschil tusschen de organische

en de anorganische stoffen bestaat niet in hare samenstelling, want

de levende wezens zijn alle samengesteld uit dezelfde elementen als

de anorganische stoffen; het verschil bestaat alleen in de lenigheid

der weefsels, in haar vermogen, om de omringende middenstof te

kunnen opnemen en van _binnen aan te groeien_, terwijl de kristallen

aangroeien door uitwendige aanzetting, en in haar vermogen, om zich

te verlengen, te verkorten en te bewegen. Het kenmerkend onderscheid

schuilt voornamelijk in het vermogen van voortplanting, maar zooals wij

zeiden, oorspronkelijk openbaarde zich dat vermogen door eenvoudige

verdeeling van het aangegroeide voorwerp. Men kan een organisch

lichaampje, dat zóó weinig ontwikkeld is als een protoplasmakorrel,

noch onder de dieren, noch onder de planten rangschikken, maar toch

verschilt het in wezen van de overige scheikundige voortbrengselen

en is het de kiem van het leven, dat zich later over de oppervlakte

der aarde verspreid heeft.

Voor de natuur bestaat er geene scheikunde of natuurkunde,

of werktuigkunde, of sterrenkunde, of plant- en dierkunde,

evenmin als er zuivere soorten van planten, dieren of delfstoffen

bestaan. Dit zijn verdeelingen, door de menschen uitgedacht om de

studie te vergemakkelijken en de voorwerpen van studie te kunnen

splitsen. Hoewel een groot aantal geleerden zich illusiën scheppen

en hunne eigene vindingen als feiten aannemen, is het wenschelijk,

niet het slachtoffer te worden van eene dwaling, die voor onzen geest

den prachtigen eenvoud der natuur zou verwoesten. Voor haar is het

bewerktuigde wezen, evenals de onbewerktuigde wereld de ontwikkeling

van een zelfde wezen; de geheele wereld wordt door eene onmetelijke

éénheid beheerscht.

Het heelal bestond langen tijd in eenen zuiveren _mechanischen_

toestand, als in werking zijnde nevelvlek, als eene verzameling

van bewegende atomen, als onderworpen aan de algemeene

aantrekkingskracht. De warmte, het licht, de electriciteit, de vorming

der moleculen, hebben het aanzijn geschonken aan den _natuurkundigen_

toestand, tijdens welken de planeet haar karakter als nevelvlek

verloor. De verbindingen, de verwantschap der stoffen hebben den

_scheikundigen_ toestand doen geboren worden; de voorwaarden voor

het leven werden gunstig. Op die drie tijdperken, die uit elkander

voortvloeiden, is de _organische_ toestand gevolgd, die weer het

noodzakelijk gevolg was van het vorige tijdperk.

Van den dag af, waarop de voorwaarden van het leven alle aanwezig

waren, _moest_ zich het protoplasma even zeker vormen als eene

scheikundige verbinding het gevolg is van de voorwaarden, die haar

bepalen. En van den dag af, waarop het leven verschenen is met zijne

karakteristieke eigenschap van eeuwigdurende voortplanting, moest het

zich uitbreiden en vermenigvuldigen over de geheele oppervlakte der

aarde. Evenals het licht, de warmte, de verwantschap, de moleculaire

beweging, zoo ook werkt het leven onophoudelijk voort en wordt het

nooit meer uitgedoofd. Tot aan den laatsten dag van het bestaan der

aarde zal het de natuur bezielen, steeds van vorm veranderen en nooit

vernietigd worden. Welke onweerstaanbare kracht! Zoodra een organisme

tot den volwassen leeftijd gekomen is, dan gevoelt het oogenblikken

van wellust, zonder welken de stroom des levens in zijnen loop zoude

gestuit worden. Het is niet genoeg te _leven_, het leven _moet_

worden voortgeplant.

Van dit tijdstip af is onze planeet van vorm veranderd. Tot nu toe

behoorde zij tot het rijk der delfstoffen, doof, blind, zich zelf niet

bewust; van nu af aan draagt zij het leven, en het eerste flauwe begrip

van persoonlijk bestaan, dat zich bij de vorming der eerste wezens

openbaart, ontwikkelt zich en neemt toe, totdat het eindelijk den trap

bereikt, waarop verstand en zedelijkheidsbegrippen haar beheerschen.

In de zee is het leven begonnen; en daar is het steeds het

vruchtbaarst geweest. De wateren bezitten veel meer bewoners dan het

vasteland. Overal zijn de zeeën bewoond; overal, tot op den bodem van

den afgrond, bewegen zich schepselen, die met elkander in harmonie

zijn; overal vindt de natuuronderzoeker stof tot leering en de wijsgeer

stof tot nadenken. De diepten van den oceaan, zijne bergen en dalen,

zijne valleien en duisternissen, zelfs zijne puinhoopen zijn bezield

en versierd met ontelbare bewerktuigde wezens. Het zijn eenzame of

samenlevende planten, zich tot weiden uitstrekkend of tot onmetelijke

bosschen verbindend. Die planten beschermen en voeden duizenden dieren,

die kruipen, loopen, zwemmen, vliegen, zich bedelven in het zand,

zich aan rotsen vasthechten, in ravijnen wonen, elkander zoeken en

ontvluchten, bestrijden of vervolgen, elkander minnend liefkoozen of

meedoogenloos verscheuren. Onze wouden op het vaste land bevatten lang

niet zooveel dieren als die der zee. De oceaan, waarin de mensch het

leven niet kan behouden, is voor duizenden dieren de bron van leven

en gezondheid.

Op groote diepten is de temperatuur van het water op alle breedten

ongeveer dezelfde (0°) van den aequator tot aan de polen. De meeste

beroeringen harer oppervlakte dringen niet dieper door dan 25 meters,

waarvan het gevolg is, dat de planten en dieren, door meer of minder

diep af te dalen, steeds eene omgeving kunnen vinden, die hun past.

De monsters, die men in de zee vindt, de walvisch, de potvisch,

de dolfijn, de haai, maken niet het belangrijkste deel uit van de

bevolking der zee. De oceaan is bevolkt met ontelbare, oneindig kleine

wezens, mikroskopische afgietseldiertjes, zóó klein, dat een droppel

vloeistof er millioenen bevat. Alle wateren zijn er vol van, zoowel het

rivier- als het zeewater, bij hooge en bij lage temperatuur. De groote

stroomen voeren steeds oneindige hoeveelheden naar zee. Alleen reeds

de Ganges voert in een jaar tijds eene hoeveelheid naar zee, die zes-

tot achtmaal grooter is, dan de massa der hoogste pyramide van Egypte.

In de nabijheid der polen, waar groote organismen niet zouden

kunnen bestaan, vindt men nog duizenden infusiediertjes. Zelfs in

de overblijfselen van het gesmolten ijs, dat op 70° breedte drijft,

heeft men meer dan vijftig verschillende soorten gevonden.

Op plaatsen der zee, dieper gelegen dan de hoogte der hoogste bergen

bedraagt, leven in iedere waterlaag ontelbare scharen van bijna

onzichtbare bewoners.

Daar is de bakermat van het leven, en daar zijn de eerste levende

wezens geweest. De oceaan is hun wieg geweest, en de geleiachtige

stof, waaruit de afgietseldiertjes bestaan, is de vruchtbare stof

geweest, waaruit zich het levend organisme heeft ontwikkeld. Nog

thans zijn de infusiediertjes de talrijkste dieren der natuur, en

die wier levenskracht het grootst is. Letten wij b.v. op de amoeben

(fig. 31). Stelt u voor een droppel, half-vaste, half-doorschijnende,

half-geleiachtige, gelijkslachtige stof, tot willekeurige beweging

in staat. Zij beweegt zich in verschillende richtingen, zet zich uit

of krimp weer in, en neemt de meest onregelmatige, meest onverwachte

gedaanten aan. Als men het diertje plaatst op het voorwerpglaasje van

eenen mikroskoop, glijdt het voort als een oliedroppel en verandert

het telkens van gedaante. Als een ware Proteus is het nu eens rond,

dan weer langwerpig, of gesterd, of gelobd.

Al die infusiediertjes zijn van trilharen voorzien, die hun voor alles

dienen, zoowel voor de beweging, als voor de voeding en de ademhaling.

Deze wezens hebben als het ware het leven in ieder hunner deelen. Men

kan somtijds een zoodanig diertje zich zien oplossen in deelen, die

voortzwemmen als ware er niets geschied. Nadert men het water, waarin

zij zwemmen, met een' penneveer in ammoniak gedompeld, dan staat

het diertje stil, maar blijft het de trilharen bewegen. Plotseling

ontstaat er eene insnijding op een punt van den omtrek; deze wordt

langzamerhand grooter, totdat het geheele dier als het ware opgelost

is. Voegt men hier eenen droppel zuiver water bij, dan houdt de

ontleding plotseling op, en wat er van het dier nog over is, begint

zich weer te bewegen en te zwemmen, als ware er niets geschied.

Er zijn van die organismen, die na gedurende jaren op eenen zolder

vergeten en verdroogd te zijn, na bevochtiging weder herleven.

Al die kleine wezens kunnen tot de oudste der planeet gerekend

worden. Op alle breedten en op iedere diepte vindt men in onmetelijke

banken versteende foraminiferen. De steengroeven van Gentilly bevatten

er wel 20 milliard op eenen cubieken meter! Indien wij een huis

voorbijgaan, dat afgebroken, of een gebouw, dat opgetrokken wordt,

dan ademen wij in de stofwolk, die ons tegemoet waait, duizenden van

die diertjes in. Die oneindig kleine wezens hebben eilanden en bergen

gebouwd, en eene meer belangrijke rol gespeeld bij de vorming der aarde

dan de grootste en schijnbaar belangrijkste dieren. Die kleine wezens

zullen ons in het volgende hoofdstuk onderrichten over de geschiedenis

van het leven op onze planeet; thans was het ons slechts te doen,

den oorsprong van het leven vast te stellen.

Geven wij dus in korte trekken het vorige weer: _Wij kennen thans

den oorsprong van het leven op aarde; wij weten, dat alle levende

wezens, en ook de mensch, met elkander verwant zijn en aan dien

oorsprong hun bestaan ontleenen; wij weten ook, dat die oorsprong eene

nederige organische stof is, het gevolg van de physisch-chemische

omstandigheden, die haar het aanzijn geschonken hebben; wij weten

ten slotte, dat de wet van den vooruitgang de geheele schepping

beheerscht._

TWEEDE HOOFDSTUK

Ontwikkeling van het leven.

Ten gevolge van den reusachtigen arbeid der laatste tijden zijn

wij door verbinding en vergelijking van al de wetenschappelijke

veroveringen, die elkander aanvullen, zóóver gekomen, dat wij eenen tip

van den sluier kunnen opheffen, die het geheim verborg, dat zoovele

eeuwen bedolven was onder de menigte schijnbaar ondoordringbare

raadselen der natuur; wij hebben een blik geslagen in de vorming

der eerste organische stoffen, die weder uit de verbinding van

vroegere stoffen zijn afgeleid, welke zelf weer ontstaan waren uit

de verschillende groepeeringen der moleculen; wij hebben in gedachte

de trapsgewijze gedaanteverwisseling der aardnevelvlek gevolgd,

van den gasvormigen, als het ware onweegbaren toestand af tot aan

den bouw van de moleculen der als enkelvoudig beschouwde lichamen,

en tot aan de verschillende verbindingen, de omzettingen van kracht

en stof, de bakermat van het leven en de eerste bewerktuigde wezens,

planten en dieren.

Die oorspronkelijke organische stof blijft na hare vorming niet

onvruchtbaar. Gehoorzamende aan de wet van den vooruitgang, ondergaat

zij zelf vervormingen, die de trapsgewijze ontwikkeling van het leven,

de verscheidenheid in organismen, de volmaking der wezens ten gevolge

heeft. Mogen al sommige geleerden beweerd hebben, dat de hoeveelheid

leven op aarde standvastig is, dit is eene dwaling. Bij den oorsprong

van het leven was er niet de minste verscheidenheid en geen verschil

in soorten. Het aantal soorten is van eeuw tot eeuw toegenomen door

splitsing in de vorming der bewerktuigde wezens, en ook het aantal

levende wezens is van geslacht tot geslacht toegenomen. Sedert de

eerste vorming van het protoplasma is de hoeveelheid leven, het aantal

en de verscheidenheid der levende wezens, steeds toegenomen.

Van den dag af, waarop zich de eerste hoeveelheid protoplasma

gevormd heeft, heeft het leven iets aan de aarde toegevoegd,

iets onweegbaars, maar toch eenen nieuwen vorm van werkzaamheid,

iets wat de planeet voorheen niet bezat: het leven, het gevoel, en

later de gedachte. De volmaking van het leven heeft voortdurend iets

aan de natuur toegevoegd. De invloed van het licht en de vorming

van de gezichtszenuw; de invloed van het geluid en de vorming van

de gehoorzenuw; de langzame ontwikkeling der vijf zintuigen, de

vorming en de ontwikkeling van het zenuwstelsel, het ontstaan der

eerste indrukken, het zelfbewustzijn, eerst nog duister en onbepaald,

langzamerhand beter ontwikkeld, de gedachte, het geheugen, ziedaar

langzame veroveringen der levende wezens. Niets hiervan bestond op

onze planeet vóór het ontstaan van het leven. Het is dus inderdaad de

geschiedenis eener doorloopende schepping, welke wij hier beschrijven.

De geleerden, die op het voorbeeld van Haeckel meenen, dat het

leven slechts eene mechanische functie is, een bepaalde vorm van

beweging, behoorende tot het gebied der natuur- en scheikunde,

tasten mis. De ontwikkeling van het ei, dat een zoogdier, een'

vogel of een' visch zal voortbrengen, behoort niet uitsluitend tot

het gebied dier wetenschappen. De werkzaamheid van plant of dier,

dat in zich de luchtmoleculen opneemt, of water, koolstof en andere

stoffen aan de omgeving onttrekken, waardoor het organisme in zijne

kracht en schoonheid onderhouden wordt, behoort niet uitsluitend tot

het gebied der natuur- en scheikunde, hoewel de levensverschijnselen

er door beheerscht worden. Er is nog iets meer.

De kracht, die de plant, het dier, den mensch doet leven, is eene

omzetting der natuurkrachten, die in de anorganische wereld werkzaam

zijn. Sedert Lavoisier is de oude vergelijking van het leven met eene

brandende vlam werkelijkheid geworden. Dezelfde scheikundige processen,

die het vuur in de onbewerktuigde natuur onderhouden, onderhouden

het leven in de organische natuur; de zuurstof oefent daarbij hare

werking uit. Maar evenmin als het zuur in het galvanisch element, of

het zink en het koper, het electrisch uurwerk de uren doet aanwijzen,

evenmin brengt de stof de verschijnselen voort, die zich in het leven

openbaren, de stof is slechts de draagster van het leven.

De scheikundige verbindingen en de verwantschap der moleculen zijn

ontstaan na de zuiver mechanische periode van de geboorte der aarde,

en zijn het gevolg van den toestand, waarin kracht en stof toen

verkeerden. Ook zij hadden reeds iets nieuws toegevoegd aan den

chaos der azoïsche periode. De eerste vorming van het protoplasma,

ontstaan uit de vroegere scheikundige verbindingen, was tevens het

begin van het leven. Er was toen noch ziel, noch gedachte. De gedachte

is bij de lagere dieren, de insecten, en de eerste gewervelde dieren:

visschen en kruipende dieren, ongetwijfeld het uitvloeisel geweest

van de ontwikkeling der zintuigen. Het leven is begonnen met eene

eenvoudig samengestelde stof, die nauwelijks de eigenschappen bezat,

die wij thans als uitingen van het leven kennen, en de kiem, de

voortbrengster dier oorspronkelijke organismen, is niets anders

geweest, dan eene gelukkige vereeniging van elementen, waardoor

die nieuwe vorm van werkzaamheid in het werk der schepping bepaald

is. Evenals de electriciteit te voorschijn treedt uit eene daartoe

geschikt gemaakte batterij, zoo is ook de levenskracht voortgekomen

uit de groote werkplaats der natuur. Het protoplasma ondervindt op

zijne beurt den invloed, waardoor het zich langzamerhand boven zijnen

nederigen oorsprong verheft. Door zijn vermogen, om zich te voeden,

ontwikkelt het zich en verdeelt het zich: dit is de eerste wijze van

voortplanting geweest. Wel is het nog geene plant, maar het leeft,

hernieuwt zijn weefsel en plant zich voort.

Die eiwitstof, die geleiachtige verbinding van koolstof, stikstof en

zuurstof, zal weldra andere stoffen, zooals zwavel, phosphorus, ijzer,

zouten, in zich opnemen, en van vorm en eigenschappen veranderen. Zoo

zal het protoplasma, na zich verdeeld te hebben in verschillende

lichamen, die in eigenschappen verschillen, het aanzijn schenken aan

de moneren, de foraminiferen, de eerste cryptogamen, de myxomyceten,

de sponsen, het wier, enz.

Wij hebben reeds kennis gemaakt met de verschillende moneren en

gezien, dat er een aantal verschillende soorten bestaan, die zich

bijna alle voortplanten door verdeeling van hun lichaam in twee gelijke

deelen. Er zijn er echter enkele, zooals de protomonas, de vampyrilla

en de protomyxa, die zich op eene andere wijze voortplanten. Op een

bepaald tijdstip van hun leven trekken zij hunne kleine trilharen in,

die hun voor de beweging en als grijporganen dienen, en veranderen

zij in bolletjes. De buitenste laag dier bolletjes wordt taaier dan

die van het protoplasma en vormt eene soort van omhulsel, waarbinnen

het protoplasma zich verdeelt in een groot aantal kleine bolvormige

massa's. Daarna breekt het omhulsel en komen de nieuw gevormde lichamen

naar buiten. Zoo vormen zich de zoösporen.

De Wereld vóór de schepping van den mensch · 第 4 / 40 段