"Aan al die organismen ligt een gemeenschappelijke oorsprong ten

grondslag, terwijl het verschil in vormen het gevolg is van de

betrekking der organismen tot de buitenwereld. Wij mogen beweren,

dat de volmaaktste vormen der organische natuur, zooals de visschen,

de amphibiën, de vogels, de zoogdieren, en boven allen de mensch,

gevormd zijn naar een oorspronkelijk type, waarvan de schijnbaar

onveranderlijke deelen slechts binnen enge grenzen veranderen,

en dat die vormen zich nog dagelijks ontwikkelen en zich bij hunne

voortplanting wijzigen.

"Indien men de planten en dieren beschouwt, die beneden op de

ladder der organismen geplaatst zijn, dan kan men ze nauwelijks van

elkander onderscheiden; wij mogen dus zeggen, dat de wezens, die

oorspronkelijk zóó nauw aan elkander verwant waren, dat zij niet van

elkander onderscheiden konden worden, langzamerhand planten en dieren

geworden zijn, terwijl zij zich in twee tegengestelde richtingen

volmaakten, de eerste om te eindigen in den onbewegelijken boom,

de tweede in den mensch, die het type is van den hoogsten graad van

bewegelijkheid en vrijheid."

Darwin heeft de leer van de langzame verandering der soorten en hare

afstamming van eenen gemeenschappelijken oorsprong uitgewerkt, en

den naam van _natuurlijke teeltkeus_ gegeven aan de wijze, waarop

de natuur daarbij te werk gaat. In zijn _"Origin of species"_ (de

oorsprong der soorten) heeft hij de algemeene en onwederlegbare wet

van de verwantschap aller wezens samengevat.

De verschillende vormen der wezens zijn het resultaat van uiterst

langzame wijzigingen. Het is in het groot hetzelfde, wat in het

klein geschiedt met het uiterlijk en de gewoonten van de menschen

naar gelang van hunne levenswijze en hunne bijzondere vermogens. Een

denker, een geleerde, een dichter, een kunstenaar, een ambtenaar,

een koopman, een militair, een werkman, een monnik, een losbol,

een speler, een dief, een boosdoener, dragen allen op hun gelaat en

in hunne wijze van zijn, de ondubbelzinnige uitdrukking van hunne

plaats in de maatschappij. Dikwijls vindt men in de maatschappij

wezens, wier hersenen afgestorven schijnen. De denker draagt het

hoofd gewoonlijk iets voorovergebogen, als het ware iets zoekende;

hij wiens hersenkas ledig is, draagt het hoofd rechtop en neemt eene

kunstmatige houding aan, als een pauw. De werkman heeft spieren,

de dichter en de musicus zenuwen, de waarnemer oogen, en op ieders

gelaat spiegelt zich de ziel in hare openbaringen af. Laten die kleine

schakeeringen zich eeuwen lang overerven en ontwikkelen, en gij hebt

een beeld van de verandering der soorten.

Het onderzoek der versteeningen, die de verschillende lagen der

geologische terreinen karakteriseeren, toont aan, dat de bewerktuigde

wezens eenvoudiger van maaksel zijn, naarmate men dieper afdaalt en

men oudere lagen vindt. Wel is waar zijn nog niet alle vormen van

versteeningen gevonden. De opdelvingen uit de aardkorst zijn als het

ware medailles uit verschillende eeuwen; men heeft er enkele gevonden,

maar er ontbreken een groot aantal. Toch zijn zij voldoende, om den

loop der ontwikkeling weder terug te vinden, en iedere nieuwe vinding

vindt hare plaats tusschen de ledige ruimten die nog overgebleven

zijn, en dient tot verbindende schakel tusschen twee soorten, die

te ver van elkander verwijderd schenen. En indien men afdaalt tot de

oorspronkelijke lagen, dan vindt men geene versteeningen van planten

of dieren, die gelijken op thans bestaande soorten, maar wel hoogst

eenvoudige typen, laag staande op de ladder, en die als het ware

slechts verzamelingen van niet georganiseerde cellen voorstellen.

De verschillende soorten vormen eene aaneengesloten keten. Niet

alleen dat men van de ééne soort naar de andere kan overgaan, zoowel

bij planten als bij dieren, zonder ooit groote sprongen behoeven

te maken, men kan ook aanwijzen, hoe de meest volmaakte soorten

verbonden zijn met de eenvoudigste, evenals men van de uiteinden

der takken van eenen reusachtigen boom afdaalt tot de lagere takken,

waaraan de andere hunnen oorsprong ontleenen. Doch er is meer. Indien

men afdaalt tot de meest eenvoudige dieren en planten, dan ziet

men, dat deze onderling niet zóó ver van elkander liggen als de

hoogere dieren van de hoogere planten verwijderd zijn, en dat zij

daarentegen zóózeer tot elkander naderen, dat men niet meer weet,

of men ze dieren of planten moet noemen. Het zijn tusschenvormen,

die noch tot het dierenrijk noch tot het plantenrijk behooren, maar

zelfs tot de delfstoffen naderen. Wij wijzen slechts op de koralen,

de sponsen, en een groot aantal zoöphyten.

Men ziet dus, hoe alles ons op de eenheid van den geslachtsboom van het

leven wijst, en op de natuurlijke schakels, die zelfs de aardwormen

met den mensch verbinden. De _embryologie_, die ons den mensch leert

kennen, zooals hij zich ontwikkeld heeft uit een ei, in overgangen,

die overeenkomen met de diervormen, waaruit zijne voorouders zijn

voortgekomen; _de vergelijkende ontleedkunde_, die aantoont, dat

zijn geraamte overeenkomt met dat der hoogere gewervelde dieren; _de

physiologie_, die ons in de hersens de gestadige ontwikkeling uit het

ruggemerg doet kennen, en in ieder orgaan de vrucht van de oefening

van steeds aangroeiende vermogens; _de natuurlijke geschiedenis_

in hare volle uitgebreidheid, die ons bij planten en dieren de

verandering der organen doet zien, veroorzaakt door wijziging der

omgeving, der voeding, der ademhaling, van licht, temperatuur enz.;

_de paleontologie_, die ons de versteeningen leert kennen, die zich

van tijdperk tot tijdperk opvolgen, van de eenvoudigste tot de meer

samengestelde, en eenen langzamen en voortdurenden vooruitgang in

de ontwikkeling der soorten aanwijst; _de delfstofkunde_, die ons de

overeenstemming doet zien tusschen de perioden en de soorten, die toen

bestonden: dat alles is voor ons het bewijs van die grootsche eenheid,

die algemeene verbroedering.

De leer van de verandering der soorten niet te willen aannemen, staat

gelijk met de oogen te sluiten voor het licht. Indien gij in onzen tijd

iemand de verwantschap tusschen mensch en aap en de overige diersoorten

hoort belachelijk maken, wees dan overtuigd, dat gij een weetniet voor

u hebt, of iemand, die ter kwader trouw is, of eenen bevooroordeelde,

en neem u de moeite niet, hem te willen overtuigen. Zoodanige personen

zoeken den adel, waar hij niet is, en wel in den achteruitgang van

een min of meer volmaakt oorspronkelijk type, in plaats van dien te

erkennen, te bewonderen en te begroeten in _den Vooruitgang_.

Zoo zijn wij dan genaderd tot eene hoogstbelangrijke vraag. Wij

mogen na al het voorgaande aannemen, dat de geslachtsboomen van

planten en dieren dezelfde wortels hebben; maar gaan wij steeds

verder en verder terug in de afkomst der georganiseerde wezens, dan

komen wij eindelijk tot een tijdstip, waarop het leven moet _begonnen

zijn_. Het leven kon niet bestaan, zelfs niet in kiem, toen de aarde

nog zon was, en licht gaf in de eenzame ruimte. Er konden toen noch

kiemen van planten of van dieren bestaan, noch moleculen organische

stof. Zelfs konden er toen geene scheikundige verbindingen gevormd

worden. Vóórdat onze planeet zon was, was zij in gasvormigen toestand

en maakte zij deel uit van de zonnenevelvlek. Nog verder teruggaande,

komen wij tot een tijdstip, waarop de stof, waaruit de aarde later

zou bestaan, zóózeer verdund was, dat het meest volkomen luchtledig

van onze luchtpompen in vergelijking daarmede als lood zoude zijn. In

die omstandigheden is het onmogelijk, zich kiemen van het leven voor

te stellen, tenzij men aanneme, dat de oorspronkelijke kiemen van het

leven bijzondere, levende atomen zijn. Men neemt in de scheikunde aan,

dat de atomen niet vernietigd kunnen worden. Is dit zoo, dan mag men

evenzeer aannemen, dat zij eeuwig bestaan hebben. Indien de oorsprong

van het leven gelegen is in de eigenschap van het _levende atoom_,

om andere atomen aan te trekken en daaruit organische moleculen te

vormen, dan zou de eerste organische cel gevormd zijn, zoodra de

voorwaarden voor die vorming aanwezig waren.

Maar deze onderstelling is zeer onwaarschijnlijk. Hoogst waarschijnlijk

bestaan er geene _atomen_ waterstof, zuurstof, koolstof, ijzer, maar

alleen _moleculen_ dier lichamen, d.w.z. bepaalde groepeeringen van

oorspronkelijke atomen, die zelf noch waterstof, noch zuurstof, noch

ijzer zijn. De lichamen, in de scheikunde enkelvoudig genoemd, zijn

waarschijnlijk samengesteld uit groepen van grondatomen. Is dit waar,

dan zoude er slechts ééne soort van oorspronkelijke atomen bestaan.

De oorspronkelijke kosmische stof moet bestaan uit gelijkslachtige

atomen. De lichamen, die wij enkelvoudig noemen, moeten bestaan

uit groepen van atomen, uit moleculen, die onderling verschillen

in volume, vorm en gewicht. Eene molecule waterstof weegt 8 maal

minder dan eene molecule zuurstof, 14 maal minder dan stikstof, 100

maal minder dan kwik. Maar dit zijn waarschijnlijk moleculen en geen

atomen, en hun verschil in eigenschappen komt voort uit verschil in

atomistischen bouw. Die moleculen vormen weder deeltjes van lichamen,

die vroeger als enkelvoudig beschouwd werden en waarvan men thans weet,

dat zij samengesteld zijn. Twee volumina waterstof, verbonden met

één volume waterstof, vormen _water_, 21 deelen zuurstof, vermengd

met 79 deelen stikstof, vormen de _lucht_. Alle lichamen, die ons

omgeven, hetzij organisch, hetzij anorganisch, zijn samengesteld, en

bestaan uit moleculen gevormd uit de stoffen, die men in de scheikunde

enkelvoudige stoffen noemt.

Overal en altijd klimt de natuur van het enkelvoudige tot het

samengestelde op. Wij moeten dus bij ons onderzoek naar den oorsprong

der dingen tot den meest eenvoudigen toestand afdalen.

Bij den oorsprong van het zonnestelsel bestond de kosmische stof uit

gelijkslachtige atomen; de tegenwoordige toestand van het heelal is

een gevolg van de latere schikking dier atomen onderling.

Wij nemen verder aan, dat de moleculen der lichamen, die wij thans

nog enkelvoudig noemen, uit atomen bestaan, en dat de verschillen

in de lichamen het gevolg zijn van de rangschikking dier atomen

tot moleculen.

Die rangschikking is niet willekeurig, maar het gevolg van de

natuurkrachten, zooals de aantrekkingskracht der stof (wat die

ook wezen moge), de warmte, het licht, de electriciteit, het

magnetisme en de andere vormen van beweging der atomen. Het is dus

niet te verwonderen, dat dezelfde combinaties van atomen voorkomen

op verschillende wereldstelsels, en dat de spectraalanalyse de

aanwezigheid van ijzer, waterstof, natrium, magnesium, zuurstof

en koolstof, en van andere op aarde voorkomende elementen heeft

aangewezen op de zon, de sterren, de planeten en de kometen. De

wetten der natuur zijn overal dezelfde, al zijn ook de omstandigheden,

waaronder zij optreden, verschillend. Doch diezelfde oorspronkelijke

atomen kunnen zich tot andere soorten van moleculen verbonden hebben,

die op aarde niet bestaan. Zoo wijst ons de spectroskoop in Saturnus,

in Uranus en in enkele nevelvlekken, op lichamen, die op aarde niet

voorkomen. In het zonnespectrum toonen de strepen van het helium aan,

dat er op de zon lichamen zijn, welke niet overeenkomen met die,

welke wij op aarde kennen.

De meetkundige groepeering van atomen heeft het aanzijn geschonken aan

de oorspronkelijke moleculen der organische stoffen, zooals waterstof,

zuurstof, stikstof, koolstof, ijzer, zwavel, phosphorus, arsenicum,

zilver, goud, lood, zink, enz.

De vereeniging der moleculen, waartoe in de eerste plaats de koolstof,

het water en de lucht behooren, heeft de eerste organische stof

gevormd. De _kracht_, die oorspronkelijk in de beweging der elementaire

atomen zuiver mechanisch is, wordt verwantschap, physisch-chemische

kracht in de verbinding der moleculen, levenskracht in den bouw der

planten- en dierenorganismen, en later denkkracht bij de dieren en

menschen. Er bestaat ongetwijfeld slechts ééne kracht, zooals er

slechts ééne soort van atomen bestaat. Maar die kracht openbaart zich

op verschillende wijzen, en die verschillende uitingen kunnen van de

ééne in de andere overgaan, zonder dat het arbeidsvermogen der stof

vernietigd wordt.

Het scheikundig onderzoek der plantaardige en dierlijke weefsels

bewijst, dat zij uit anorganische moleculen bestaan. Alle levende

wezens bestaan uit anorganische moleculen, waaronder de waterstof,

de zuurstof, de koolstof en de stikstof de overhand hebben.

Indien men nu die weefsels nauwkeuriger onderzoekt, dan blijkt het,

dat zij bestaan uit aan elkander verbonden slijmige bolletjes. Deze

eiwitachtige bolletjes, cellen genaamd, zijn mikroskopische eitjes,

waarin men alles onderscheiden kan, wat ieder ei kenmerkt: een

omhulsel, eene vloeistof en eene kern. _Dit is het materiaal_, waaruit

alle levende wezens zijn opgebouwd, zoowel planten als dieren. Allen

(de mensch evenzeer) ontstaan nog thans uit een mikroskopisch eitje,

eene cel.

Wij worden er dus van zelf toe gebracht, aan te nemen, dat het leven

op aarde begonnen is uit elementaire cellen. Maar hoe en waaruit zijn

die cellen gevormd?

Deze vraag is van zóóveel belang, dat zij steeds allen heeft

beziggehouden, die belangstellen in de kennis der waarheid. Men

heeft de oplossing dikwijls zeer ver gezocht. Zoo heeft Sir William

Thomson de onderstelling geuit, dat de eerste kiemen van het leven

op onze planeet konden gebracht zijn door de vallende sterren en de

meteoren. De stelling is zeer oorspronkelijk doch niet waarschijnlijk,

hoewel het niet onmogelijk is, dat een stuk van eene doode planeet

uit den hemel valt en ons eene nog niet onvruchtbaar geworden kiem

brengt. Maar de voorwaarden van bewoonbaarheid der verschillende

werelden verschillen onderling zoozeer, dat zelfs indien zoo iets

plaats vond, het nog niet gezegd is, dat de plek in zee of op het

vaste land, waar een zoodanige steen zou neerkomen, daarom geschikt zou

zijn, om de bovenaardsche kiem te doen ontkiemen. Doch eene zoodanige

onderstelling verplaatst bovendien slechts de moeilijkheid. Immers

indien het leven zijnen oorsprong had op eene andere wereld, dan zou

nog altijd de vraag overblijven, hoe dat leven op die andere wereld

ontstaan is, en zóó zoude men eindeloos voort kunnen gaan.

Doch komen wij op de vraag zelf terug; om haar op te lossen hebben wij

de volgende gegevens: ten eerste het onderzoek der versteeningen, tot

de oudste lagen behoorende; dan den stamboom der plant- en diersoorten,

en bovendien het onderzoek van den tegenwoordigen bouw der bewerktuigde

wezens en van de stoffen, waaruit zij gevormd zijn.

Één der merkwaardigste resultaten der moderne wetenschap is, zooals

wij zooeven opmerkten, dat er geene afzonderlijke organische stof

bestaat, omdat planten en dieren uit bekende anorganische elementen

zijn samengesteld, waarvan de belangrijkste zijn: koolstof, waterstof,

zuurstof, stikstof, kalk, kiezel, phosphorus, zwavel. Alle levende

wezens, van den mensch tot de meest eenvoudige plant, bestaan uit

anorganische bouwstoffen. Wat hen van de delfstoffen onderscheidt,

is niet de samenstelling, de stof, maar de wijze van rangschikking,

die er noch vaste, noch vloeistoffen, noch gassen van maakt, zooals

bij de anorganische lichamen, maar half vaste, half vloeibare stoffen;

die bijzondere toestand is voornamelijk toe te schrijven aan het water,

dat in groote hoeveelheid in alle bewerktuigde lichamen aanwezig is, en

dat door zijne verbinding met de hoofdelementen der stof de voornaamste

rol speelt in de verklaring der verschijnselen van het leven.

Dit is een zeer belangrijk feit voor de oplossing van het groote

vraagstuk. Een tweede, niet minder belangrijk feit is, dat die wezens

zich voortplanten. Maar men moet dit vermogen kunnen verklaren,

en zich niet door den schijn laten verblinden.

Men gelooft gewoonlijk, dat alle levende wezens, menschen, dieren,

planten, tegenwoordig geboren worden uit eenen vader en eene moeder,

en men ziet daarin een onoverkomelijk bezwaar tegen de vorming van het

eerste levende wezen. Dit is eene dwaling. Alleen de hoogere wezens

planten zich langs sexueelen weg voort. De lagere wezens planten

zich door deeling voort. Nemen wij b. v. de moneren, de zoöphyten,

de amoeben, de polypen en andere. Wat zien wij bij een groot aantal

van deze? Eenvoudig dit: het lichaam verdeelt zich in twee gelijke

helften, zoodra het door groei een zeker volume gekregen heeft;

daarna groeit ieder der twee helften aan en wordt weder een volledig

wezen. Dezelfde wijze van voortplanting ontmoet men bij sommige

gelede dieren. Dit is dan ook de gewone toedracht bij de cel, het

grondlichaam der bewerktuigde wezens. Oorspronkelijk waren er noch

delfstoffen, noch dieren, maar alleen cellen, of misschien nog minder,

de moneren van Haeckel.

De moneren zijn de eenvoudigste lichamen, die tot nu toe zijn

waargenomen. Zij zijn in 1864 in de Middellandsche zee ontdekt,

in de prachtige baai van Villafranca bij Nizza, en wel door Haeckel,

hoogleeraar in de dierkunde aan de hoogeschool te Jena; het zijn kleine

slijmachtige bolletjes, met het bloote oog onzichtbaar of zeer klein,

(zelden grooter dan 1 millimeter in middellijn). Zij bestaan uit

eene eiwitachtige koolstofverbinding en zijn aan elkander verbonden

als de moleculen van een blad, men vindt ze in den vorm van kleine

geleiachtige lichamen op de rotsen en in de zee. Het is een wezen

zonder organen, kop, leden, maag, hart, zenuwstelsel of spieren. Het

is stof zonder bouw, gelijkslachtig en eenvoudig, zoowel plant als

dier. Het heeft eene ongeloofelijke levensvatbaarheid, en men heeft

het gevonden tot op 8000 Meters onder de oppervlakte der zee. Het is

bolvormig en bewegelijk. Als het zich gaat bewegen, vormen zich op de

oppervlakte vingervormige uitsteeksels, die het in staat stellen zich

te verplaatsen. Het voedt zich zonder mond, zonder darmkanaal door

endosmose, evenals de planten; het voedsel, dat moet worden opgenomen,

dringt dus door aanraking binnen in het lichaam. Het plant zich voort,

door verdeeling in twee deelen, die zich door insnoering vormen,

zooals men kan waarnemen door het beschouwen der vorige figuur.

Deze wijze van voortplanting is niets anders dan een overmaat van

groei van het organisme, dat zijne normale grootte overtreft. De

voortplanting door deeling is eigenlijk de meest verspreide wijze

van voortplanting; op deze wijze toch planten zich de cellen voort,

uit wier opeenhooping de meeste organismen, en ook het menschelijke

lichaam gevormd is. Beschouwen wij bijvoorbeeld een eitje van een

zoogdier. Het is niets dan eene enkele cel. De buitenste omtrek is

een vlies, dat de geleiachtige massa omgeeft, waarin men eene kleine

kern of een kiemblaasje opmerkt.

In het eerste tijdperk der vorming van het levende wezen verdeelt zich

dat kiemblaasje in twee kernen en volgt de celstof, de dooier van

het ei, de beweging (fig. 25, A). Zoo verdeelen de twee cellen zich

weder in vier (B), deze in acht (C), in zestien enz., en eindelijk

komt daaruit voort een bolvormige hoop, op eene framboos gelijkend

(D). Zoo begint nog thans ieder levend wezen, ook de mensch.

Deze zelfde wijze van voortplanting kan ook bij eene groote menigte

afgietseldiertjes worden waargenomen, zooals fig. 26 aantoont. In

den tijd van eenige dagen ziet men in een glas zeewater millioenen

wezens ontstaan, langs dezen eenvoudigen weg voortgebracht.

In nauw verband met de voortplanting door verdeeling staat de

voortplanting door knopvorming, die zeer verspreid is in het

plantenrijk en in enkele lagere klassen van het dierenrijk, zooals

bij wormen, polypen en andere. Maar terwijl in het eerste geval

de twee wezens, ontstaan uit de splitsing der oorspronkelijke cel,

aan elkander gelijk zijn, is bij de voortplanting door knopvorming

het tweede wezen een product van het eerste; het is kleiner, en moet

eerst nog groeien, vóórdat het aan het eerste gelijk wordt.

Zóó was het begin van het leven. De _lagere organismen_, zoowel

planten als dieren, _zijn geslachtloos_. Gedurende millioenen jaren

plantten zij zich voort door deeling, door knopvorming en vervolgens

door kiemen. Het bestaan van geslachten en de scheiding in twee

verschillende wezens is eerst van veel latere dagteekening. De

tweeslachtigheid bestond lang vóór de scheiding der geslachten; zij

bestaat nog bij de meeste planten en enkele lagere dieren (de slak, de

pier en verscheidene andere wormen). Daarentegen bestaat de scheiding

der geslachten bij de hoogere planten, de mimoseën, de orchideën,

de wilgen, de peppels, de kastanjes en andere. De voortplanting

zonder geslacht grenst trouwens aan de geslachtsvoortplanting, en

de tweede komt uit de eerste voort, langs den weg der afwisselende

voortplanting. De parthenogenesis bestaat bij een groot aantal volkomen

insecten (iedereen kent de bladluizen). Zoo brengen bij de bijen,

de eieren der koningin mannelijke wezens voort, als zij niet bevrucht

zijn, en vrouwelijke zoo dit wel het geval is geweest.

Hieruit volgt, dat de oude bedenking, gegrond op het denkbeeld,

dat alle levende wezens voortkomen uit voortbrengende ouders, geene

wetenschappelijke waarde heeft, omdat gedurende eene lange rij van

eeuwen de oorspronkelijke bewoners der aarde zonder ouders geboren

zijn. De moeilijkheid, om de vorming van organische cellen aan te

nemen, is niet meer zóó groot, als toen men de wereld in eenen te

nauwen kring insloot. Die vorming schijnt nauwelijks ingewikkelder,

dan die der mineralen, die in prachtige, meetkunstige vormen

kristalliseeren, of die der scheikundige voortbrengselen, die onder

bepaalde voorwaarden van verzadiging en temperatuur, het aanzijn geven

aan die prachtige rangschikking van moleculen, waarvan de mikroskoop

ons de schoonheid en harmonie heeft leeren kennen.

De moneren van Haeckel zijn de eenvoudigste organismen, die men ooit

heeft waargenomen. Men kan hier nog aan toevoegen de mikroskopische

wezens, die men eerst als schimmel heeft beschouwd, doch welke langs

scheikundigen weg de opgeloste suiker omzetten, om de azijnmoer te

vormen, in één woord: om de organische stoffen te doen gisten. Die

organische korrelingen dragen den naam van _micrococcus_. Zij zijn niet

grooter dan duizendsten van millimeters. De aard van die organismen

staat nog niet volkomen vast, maar hetzij zij het onvernietigbare

leven in zich dragen, zooals door sommigen beweerd wordt, hetzij zij

alleen dienen voor den bouw der wezens, zij moesten hier, al is het

slechts oppervlakkig, aangestipt worden.

Maar moneren, cellen, micrococci, zij alle zijn uit iets

gevormd. Dat iets bezit eene zekere werkzaamheid, dat de delfstoffen

missen. Welnu! dat is de eerste levende stof, en de eenvoudigste:

zij draagt den naam van _protoplasma_, de physiologen toonen aan,

dat dit aan alle weefsels, hetzij dierlijke hetzij plantaardige ten

grondslag ligt.

Het protoplasma is eene stof, die behoort tot de groep der

eiwitverbindingen, dat wil zeggen, het is samengesteld uit koolstof,

waterstof, stikstof en zuurstof. Daarbij komen nog dikwijls in

veranderlijke hoeveelheid zwavel, ijzer en phosphorus. Dat protoplasma

_leeft_, wordt geboren, groeit aan, plant zich voort, sterft, is

gevoelig, beweegt zich en reageert tegen prikkels. De stof dient,

terwijl zij zich op verschillende wijzen wijzigt, tot opbouwing

der weefsels en der organen van alle levende wezens. Als de levende

wezens sterven, dan ontleedt het protoplasma, en keert het terug tot

de anorganische wereld, waaraan het ontleend was.

De gevoeligheid is het uitgangspunt van het leven geweest. Planten,

zoowel als dieren, zijn gevoelig; het protoplasma is gevoelig, en

dit is juist het groote verschil tusschen die stof en de anorganische

stoffen, die het meest er op gelijken.

De Wereld vóór de schepping van den mensch · 第 3 / 40 段