De eerste vaste lagen, die in de poolstreken ontstonden, konden

reeds eenigen tijd duren. Maar die, welke in de andere streken der

aarde gevormd werden, en vooral die in de tropen en aan den evenaar,

werden langen tijd door de getijden opgeheven en verbroken. Zij

vormden slakken, op de vuurzee drijvende, die beurtelings afnamen,

smolten en weder gevormd werden. Toch werd de oppervlakte tot op eene

bepaalde diepte brijachtig; zij was niet meer vloeibaar als water,

maar kreeg eene zekere vastheid, zooals pek of zooals het ijzer, dat

uit den oven komt. Na verloop van eeuwen namen die drijvende slakken

in aantal toe, groeiden zij aan elkander, namen zij in uitgebreidheid

toe en werd de eerste vaste _bodem_ gevormd.

Doch niet voor langen tijd. Nauwelijks gevormd, werd de bodem weder

verbroken en gescheurd door de dampen en gassen, die zich in den

inwendigen oven ontwikkelden, terwijl de getijden den bodem onder de

oppervlakte in golvende beweging brachten. Hoe zoude die eerste korst

weerstand hebben kunnen bieden aan de golven van die vuurzee? Wie

kan zich eene voorstelling maken van de vreeselijke verwoestingen,

overstroomingen en beroeringen in die eerste tijden? In den vurigen

hellegloed bestreden elkander reusachtige titanen, tot waanzin gedreven

door den gloeienden dampkring.

De vloeibare stroomen, die zich eenen uitweg baanden door de eerste

breuken in de oorspronkelijke korst en daarbuiten vast werden, waren

stroomen van graniet. Zoo ontstonden de eerste bergen.

Toen de afkoeling zóóver gevorderd was, dat water in vloeibaren

toestand kon bestaan, begonnen de dampen te verdichten en vielen de

eerste waterdruppels neder. Maar bij die temperatuur (welke door de

grootere dampkringsdrukking 100° overtrof) verdampte de nauwelijks

neergevallen regen weder. Er was toen eene langdurige periode van regen

van kokend water. De verdamping bracht het water weder in dampvormigen

toestand in de hoogere lagen van den dampkring, waar de temperatuur

veel lager was door uitstraling in de ijskoude ruimte, en daar werd

het weder tot wolken verdicht, om weder als regen neder te vallen

en alzoo dien eeuwigdurenden kringloop voort te zetten. Die strijd

van water en vuur duurde eeuwen en eeuwen te midden van electrische

ontladingen, stormen, donder en bliksem. Daardoor werd ook de afkoeling

verhaast. Zóó brak de dag aan, waarop eene waterlaag van verscheidene

kilometers dikte zich over de geheele aardoppervlakte uitstrekte,

nadat het grootste gedeelte der dampen verdicht was.

De eerste vaste aardkorst, die den bodem der eerste wereldzee vormde,

en die door hare opheffingen het aanzijn schonk aan de eerste eilanden

en de eerste bergen, bestond uit graniet. Dit gesteente heeft zijnen

naam ontleend aan zijne korrelige structuur (van het Italiaansche

_grano_, korrel). Het bestaat uit veldspaat, kwarts en glimmer. Het

water, zoowel koud als warm, en het koolzuur der lucht, ontleden

gemakkelijk het veldspaat, dat uit een kiezelzuur zout bestaat, waarin

aluminium, kalium en natrium voorkomen. Die kiezelzure zouten verweren

gemakkelijk onder den scheikundigen en mechanischen invloed van het

in beweging zijnde water, en zoo werd de bodem der zee bedekt met zand

en klei, dat zich in oorspronkelijk horizontale lagen uitstrekte. Het

graniet en het gneiss, de oorspronkelijke gesteenten, werden dus op

deze wijze voor het eerst gewijzigd.

De invloed der warmte op die eerste lagen is duidelijk zichtbaar. De

zoo afgezette klei kreeg onder den invloed der warmte eene bladerige

structuur, en bestond toen uit gemakkelijk te scheiden horizontale

lagen, evenals de leisteen. Die eerste afzettingen liggen onmiddellijk

boven de terreinen van vulkanischen oorsprong. In die eerste periode

van haar bestaan was onze aarde overal bedekt met eene laag lauw

en modderig water, waarin zich die producten der verwering van

het graniet neerzetten. De eerste opheffingen deden het graniet als

eenzame eilanden boven den waterspiegel uitsteken, terwijl dit graniet

verweerde onder den invloed van regen, wind en onweder.

Die _oorspronkelijke_ bodem, dien men onder alle geologische lagen

vindt, bestaat gewoonlijk uit vier op elkander liggende lagen: geheel

beneden het graniet; daarboven gneiss, dat slechts eene wijziging

van het graniet is, waarin glimmer de overhand heeft; daarna het

micaschiefer; en daarboven eene opeenvolging van lagen. In die lagen

heeft men nooit eenige versteening, of schelp of plant gevonden. Het

leven bestond nog niet op de oppervlakte der aarde.

Door de spleten en de scheuren, die in deze periode gevormd zijn,

hebben zich metalen, onder den invloed der inwendige warmte gesmolten,

in dikkere of dunnere lagen eenen weg gebaand. Men vindt daarin

ijzer, goud, zilver, koper, tin en edelgesteenten, zooals granaat en

robijn. Waarschijnlijk bevinden zich onder het graniet in het inwendige

der aarde onmetelijke hoeveelheden ijzer en zeer dichte metalen.

De onderste lagen, die onmiddellijk op het graniet rusten, zijn

blauw, en die welke zich later op de eerste afzetten, zijn groen

(leisteen). Die lagen hebben zich natuurlijk horizontaal op den bodem

der wateren afgezet. Als men hellende lagen vindt, dan moeten zij òf

door onderaardsche krachten opgeheven zijn, òf wel zij zijn door haar

eigen gewicht neergestort, toen zich door afkoeling en samentrekking

ledige ruimten in het inwendige der aarde gevormd hadden. Zoo dikwijls

men bij het doen boren van eene rij hellende lagen op het graniet

komt, is men even zeker, de oppervlakte van dat laatste gesteente in

dezelfde richting hellend te vinden, als men uit het feit, dat alle

meubels eener kamer hellen, het besluit mag trekken, dat de vloer

in dezelfde richting helt. Ja zelfs, de lagen, die men boven het

graniet van eenen berg vindt, duiden het tijdperk zijner opheffing

aan. Indien men bij voorbeeld alleen blauwe lagen vindt zonder het

groene leisteen, dan is dit een bewijs, dat de opheffing van het

graniet heeft plaats gevonden onmiddellijk na de eerste bezinking

en vóór de tweede. Indien zich leisteenlagen boven de blauwe lagen

bevinden, dan heeft de opheffing later plaats gehad. Het onderzoek der

Alpen en der Pyrenëen bewijst, dat die bergen verscheidene rijzingen

en dalingen hebben ondergaan. Somtijds zijn het niet de vorige lagen,

die met het graniet in aanraking zijn, maar bezinksels van veel latere

dagteekening. Indien een granieteiland zich uit de oorspronkelijke

zee heeft opgeheven vóór de vorming der lagen, waarover wij gesproken

hebben, en het daarna weder gezonken is (die afwisselende bewegingen

zijn in den Griekschen Archipel en in Italië niet zeldzaam), dan is

het granieteiland alleen bedekt met bezinksels van lateren tijd.

Men vindt de blauwe lagen, waarvan wij zooeven spraken, in sommige

gedeelten van Frankrijk (Finistère, Vendée); dit zijn de oudste gronden

van Europa en waarschijnlijk van de geheele aarde. Men vindt ze ook

in Cumberland in Engeland. De groene lei vindt men niet in Bretagne,

maar wel in Wales en in Noord-Amerika. Gneiss en glimmerschiefer

vindt men bij Lyon, Limoges, de Cevennes, Auvergne, Bretagne, de

Vendée. Die terreinen leveren weinig op voor den landbouwer, maar

zijn daarentegen vruchtbaar voor den mijnwerker.

De periode, wier geschiedenis wij in groote trekken geschetst hebben,

strekt zich over _millioenen_ jaren uit. De gedenkboeken der aarde zijn

kostbaar en welsprekend. De scherpzinnige onderzoekingen der geologen

hebben zelfs versteende afdrukken van regendruppels voor den dag

gebracht, zooals fig. 14 aanwijst. Die droppels waren op zand gevallen,

dat tot zandsteen verhard is. Men vindt in Chalindrey (Haute-Marne)

eene steengroeve, waarin men over eene groote oppervlakte de sporen

vindt van eene golvende beweging van het water (fig. 15). Dergelijke

versteeningen zijn bij Boulogne-sur-Mer gevonden.

Gedurende al de eeuwen dier eerste periode zijn wij op eene planeet,

die uit een astronomisch en geologisch oogpunt belangrijk is, maar

op eene planeet zonder leven. Geen dier, geen plant! Slechts eene

woestenij, water of rotsen. Geen mos op die rotsen. Geen weekdier in

die wateren. Is het de aarde wel? Tevergeefs zou men de gedaante, die

haar thans kenmerkt, willen terugvinden. Noch Amerika, noch Europa,

noch Azië, noch Afrika. Alleen de zee, overal de zee met enkele

granieteilanden. Een onmetelijke vloedgolf beweegt zich tweemalen daags

om de aarde. Bijna overal, bijna altijd is de lucht bedekt. De regen

valt, de donder rolt, bliksemschichten doorklieven de wolken, de wind

blaast en de storm beweegt de wateren. Maar de levenselementen zijn

in wording. In de uren van rust zou een helderziend profeet reeds in

de diepte der lauwe wateren enkele sporen van eene vruchtbare gelei

ontdekken, die reeds niet meer geheel levenloos is.

TWEEDE BOEK.

Het azoïsche tijdperk.

EERSTE HOOFDSTUK.

Bloedverwantschap en afstamming. Begin van het leven. De eerste

organismen.

Te midden der oneindige eenzaamheid schijnt de natuur hare krachten

te verzamelen voor de schepping van het leven. Nog is er geen enkel

levend wezen op de oppervlakte der aarde: noch menschen, noch dieren,

noch planten. Overal en altijd water.

In zijnen schoot zal het leven ontkiemen. Onder de wereldzee

zijn de mineralen gestold tot eene dunne laag, die voortdurend

opgeheven wordt en weder nederdaalt onder den invloed der getijden,

eene laag, beweeglijk, veerkrachtig, van verschillende dichtheid,

die reeds gedurig gespleten en weder vast geworden is en de eerste

uitbarstingen van graniet, de eerste eilanden heeft doorgelaten. Die

laag is nog steeds een drijvend vlot op de vloeibare aarde. Maar van

eeuw tot eeuw neemt hare vastheid toe. De afkoeling doet hare dikte

toenemen. De oorspronkelijke eilanden ondergaan nu ook den invloed van

dampkring, wind, regen, afwisseling van dag en nacht, en terwijl zij

langzaam verweren, doen zij op den bodem der zee de eerste bezinksels

ontstaan. De temperatuur is nog zeer hoog. Nog nauwelijks kan men

verschil in temperatuur waarnemen tusschen zomer en winter, dag en

nacht. Langzamerhand echter beginnen de jaargetijden en openbaart zich

het verschil tusschen dag en nacht. De zon is nog steeds omsluierd

door den dampkring, die met dampen, wolken en regen bezwangerd is;

zij zelf is nog niet in die periode gekomen, waarin hare schijf scherp

begrensd is; nog steeds is zij omgeven door eenen neveldampkring, die

een gedeelte harer stralen opslorpt, en daarenboven strekt zij zich

waarschijnlijk uit tot voorbij de baan van Venus, en heeft zij dus

eene tweehonderd maal grootere middellijn dan thans. Maar onmerkbaar

nadert zij van eeuw tot eeuw tot den toestand van lichtende ster, van

brandpunt der planeten, van steun van het wereldstelsel. De dampkring

der aarde wordt zuiverder en in eene nog verwijderde toekomst zal

het hemelsblauw te voorschijn treden.

De wereld was toen zeer verschillend van wat zij nu is. Geen

menschenoog was nog in staat haar te aanschouwen; geen wezen

kon hare geheimen doorgronden. De eilanden, uit de golven te

voorschijn getreden, waren dor en naakt: geen boom, geen struik,

geen grassprietjes, geen zeemos. Grijze rotsen, uit het water

uitstekende, weerkaatsten het licht, en ontvingen de regenvlagen en de

bliksemschichten, die haar des nachts verlichtten, en die wel troffen,

maar niets konden dooden, terwijl de onmetelijke maan, die nog geene

schijngestalten had, maar haar eigen licht afgaf, op de golven hare

vaalroode stralen verspreidde.

Wat is het leven? Hoe zijn de ontelbare diersoorten en plantensoorten

op de aarde verschenen? Hoe lang bestaan zij reeds? Zijn zij aan

elkander verwant en afgeleid uit enkele oorspronkelijke vormen? Men

meende vroeger, dat de soorten alle van elkander verschilden en

onveranderlijk waren, doch dit is eene dwaling. Niet alleen is _de

soort_ geen hoofdfactor bij de inrichting van het leven op aarde,

maar zelfs kan men zeggen, _dat er geene soorten bestaan_. In de

natuur kent men slechts individuen; deze individuen veranderen naar

gelang van de levensvoorwaarden, waaraan zij onderworpen zijn, en die

veranderingen zetten zich van geslacht tot geslacht voort, en worden

erfelijk. Het dieren- en het plantenrijk hangt met elkander samen

door hunnen gemeenschappelijken oorsprong en vormen ieder ééne enkele

éénheid. Dit is de groote waarheid, reeds voor tweeduizend jaren door

Aristoteles vermoed, en vele eeuwen lang bestreden, totdat Lamarck

haar in het begin onzer eeuw in eenen wetenschappelijken vorm goot,

terwijl zij later door Darwin, Wallace en anderen op vaste grondslagen

gevestigd werd.

Onze verdeeling van het planten- en dierenrijk is noodzakelijk

voor de studie, maar is volkomen kunstmatig en bestaat niet in

de natuur zelf. Zij komt ons slechts daarom onveranderlijk voor,

omdat wij slechts één oogenblik kennen in den onmetelijken duur der

eeuwen. "Indien het menschelijke leven", zoo zeide reeds Lamarck,

"zich slechts ééne secunde uitstrekte, dan zoude ieder individu onzer

soort, de wijzers van een uurwerk beschouwende, deze niet van plaats

zien veranderen. De waarnemingen van dertig geslachten zou nog weinig

leeren omtrent de verplaatsing dier wijzers, want deze is in eene

halve minuut nog niet noemenswaard, en indien oudere waarnemingen ons

leerden, dat die wijzer werkelijk van plaats veranderd is, dan zouden

wij het niet gelooven en aan eene vergissing denken, daar ieder die

wijzers steeds op dezelfde plaats van de wijzerplaat gezien heeft."

Als wij met een oppervlakkig oog de zoo ongelijksoortige levens

beschouwen, die onze planeet bewonen, dan schijnt het alsof zij

elkander en ons volkomen vreemd zijn. Indien wij de voorwereldlijke

dieren beschouwen, die den mensen zijn voorafgegaan en die thans uit

hunne graven verrijzen, schijnen zij ons monsters toe; en toch zijn

zij aan ons verbonden door banden, die in onzen tijd hoe langer zoo

meer aan het licht komen, nu men den invloed weet, door de omgeving

uitgeoefend op den vorm en den bouw der wezens. De invloed van het

water, de lucht, het licht en de warmte op de bewerktuiging der

dieren en planten, is niet te loochenen. Doch indien de omgeving de

ontwikkeling van bepaalde organen bepaalt, die in volume toenemen door

aanhoudend gebruik, en van geslacht tot geslacht steeds volmaakter

worden, niet minder waar is het, dat diezelfde organen in volume

afnemen, wegsterven of geheel verdwijnen, indien door wijziging der

omstandigheden het orgaan niet meer gebruikt wordt.

De plantkundigen hadden reeds vóór de zoölogen het groote gewicht

dier rudimentaire organen begrepen. Reeds de Candolle wijdde in zijne

_elementaire theorie der plantkunde_ een afzonderlijk hoofdstuk aan de

mislukking der organen. De dorens der boomen en heesters zijn mislukte

takken. Onder den invloed van eenen slechten bodem, van droogte of

van de nabijheid van eenen overvloed van andere planten, blijven zij

kort, hard en puntig. Breng den doornachtigen pruimeboom eener haag

naar eenen tuin over, bemest hem en kweek hem, en gij zult zien, dat

de dorens langer worden en den vorm van gebladerde takjes aannemen,

terwijl er geene nieuwe dorens meer ontstaan.

Elke jonge tak eener sering eindigt in drie knopjes; maar steeds

ontwikkelen zich de twee zijdelingsche knoppen, terwijl de middelste,

die tusschen de beide andere ingesloten is, niet aangroeit, zoodat

de tak zich slechts in twee, niet in drie takken verdeelt.

Bij de dieren komen de redenen van wegsterving veel duidelijker aan het

licht dan bij de planten, daar is het eenvoudig het gebrek aan oefening

van een orgaan, het gevolg van gewijzigde levensomstandigheden van

het dier. Niets is uit dit oogpunt leerzamer dan de invloed van het

licht op het gezichtsorgaan. Een dier, dat steeds in de duisternis

verkeert, beweegt zich niet langer met behulp van zijne oogen,

maar op het gevoel; de oogen nemen dan in grootte af, gaan dieper in

de kassen liggen, worden door de huid bedekt en eindigen met weg te

sterven en te verdwijnen. Dit is erfelijk van de ouders op hun kroost,

en men ziet diersoorten die van oogen voorzien zijn zoolang zij in

het licht leven, blind worden, als zij later in de duisternis komen.

Wat wij van het oog gezegd hebben, geldt van alle organen, wat ook

de aard hunner verrichtingen wezen moge, zij worden door oefening

ontwikkeld, en gebrek aan oefening doet ze wegsterven, terwijl die

wijzigingen erfelijk zijn. Wij gebruiken gewoonlijk den linkerarm veel

minder dan den rechterarm; daardoor is de laatste dan ook zwaarder en

zijne beenderen, spieren, aderen en zenuwen zijn dan ook krachtiger

dan die van den linkerarm; die verschillen bestaan reeds bij den

jonggeborene. Bij de struisvogels, dieren die te zwaar zijn, om

zich in de lucht te verheffen, zijn de pooten krachtiger en langer,

de vleugels daarentegen korter geworden; deze laatste doen alleen

dienst als zeilen, als de vogel in de richting van den wind loopt. Bij

den casuaris zijn de vleugels teruggebracht tot een onnut deel, dat

onder de veeren verborgen ligt, omdat het dier niet langer vliegt,

maar loopt.

Zoo heeft men bij watervogels, zooals de vetganzen, gezien, dat

de vleugels in vinnen veranderd zijn, en omgekeerd bij de vliegende

visschen, dat de borstvinnen zóó wijd zijn, dat de dieren zich eenigen

tijd in de lucht in evenwicht kunnen houden. Daarentegen ziet men bij

de alen en de lampreien, wier langwerpig lichaam zich gemakkelijk

in het water beweegt, dat de borst- en buikvinnen verdwijnen, daar

de staartvinnen voor het zwemmen volkomen voldoende zijn. Bij vele

insecten bestaan de vleugels alleen bij het mannetje, terwijl zij

bij het wijfje onvolkomen of mislukt zijn.

Uit al deze feiten blijkt, waarom de zoöloog, zoo hij zich nauwkeurig

wil uitdrukken, altijd zegt: _de vogels vliegen, omdat zij vleugels

hebben_, en niet: _de vogels hebben vleugels om te vliegen_. De eerste

uitdrukking drukt een eenvoudig, duidelijk en onwederlegbaar feit uit;

de tweede uitdrukking daarentegen onderstelt eene voorbeschikking van

een bepaald dier tot eene bepaalde levenswijze. De levensomstandigheden

bepalen de ontwikkeling of het wegsterven der organen; zij zijn

werkzaam of buiten werking naar gelang van de omstandigheden en

levensvoorwaarden van het dier. Eene algemeene wet van vooruitgang,

ontwikkeling, volmaking, opklimming, van verandering der levenlooze

stof in levende en denkende organismen, is gegrift in het karakter der

geheele natuur; aan die wet zijn de wezens onderworpen, hun bestaan

brengt reeds hunne wijziging en ontwikkeling mede.

Doch zetten wij ons onderzoek voort. Bij de kruipende dieren verdwijnen

de pooten. De krokodillen en de hagedissen hebben er vier; bij enkele

zijn deze zeer kort, andere hebben alleen vóór- of achterpooten,

bij nog andere vindt men alleen sporen van achterste ledematen. Bij

enkele slangen vindt men sporen van bekkenbeenderen, wat aan het

begin van den staart door de aanwezigheid van een paar hoornachtige

punten merkbaar is. Lamarck verklaart het verdwijnen der ledematen

uit de gewoonte van het kruipen, die reeds bij de hagedissen bestaat,

hij merkt op, dat een lichaam, zóó uitgerekt als dat van eene slang

niet voldoend ondersteund zoude zijn door vier pooten, welk aantal

bij geen der gewervelde dieren overtroffen wordt. Eene slang kruipt

door middel van hare ribben voort. De bovenmatige verlenging van

het lichaam heeft de vermindering van één der longen te voorschijn

geroepen, terwijl de andere zich tot in den buik voortzet. Zelfs

bij de zoogdieren zijn mislukte en onnutte organen niet zeldzaam;

zóó hebben de meeste zoogdieren de drie typen van tanden, namelijk

snijtanden, hoektanden en kiezen. Reeds vroeger had men opgemerkt,

dat bij de walvisch, waar de tanden vervangen zijn door baleinen,

de sporen der mislukte tanden bij de ongeboren vrucht aanwezig zijn;

evenzoo bij de vogels. De herkauwende dieren hebben in de plaats van

de bovenste snijtanden eenen eeltvormigen ring, maar in de ongeboren

vrucht komen de sporen dier tanden voor. De zeekoeien hebben in het

geheel geen snijtanden; daar zij zich alleen met zeeplanten voedden,

gebruikten zij ze niet, en daardoor zijn deze langzamerhand verdwenen.

De mislukte organen, die de _mensch_ bezit, en waarvan hij dagelijks

het nuttelooze kan inzien, werden eertijds beschouwd als een bewijs

voor de eenheid van het scheppingsplan. Evenals, zoo meende men, een

bouwmeester op symmetrie gesteld, valsche ramen aanbrengt, of op de

zijvleugels van een gebouw het gronddenkbeeld van den hoofdgevel doet

uitkomen, zoo ontsluiert ons de Schepper in die organen het plan,

dat hij met de schepping heeft gevolgd. De aanwezigheid echter van

die sporen van organen bij den mensch, voor wien zij geheel nutteloos

zijn, bewijst alleen, dat zijn bouw nauw verbonden is met dien van het

dierenrijk, waarvan hij het volmaaktste uitvloeisel is. Aan de zijden

van den hals hebben wij eene niet volkomen ontwikkelde huidspier;

bij de paarden doet die spier de huid trillen, wanneer zij de vliegen

willen verjagen; bij ons maken de kleederen, bij de wilden de huiden,

of het vet, waarmede zij zich besmeren, die spier overbodig; zij is

dan ook zóó dun geworden, dat zij aan de huid niet de minste beweging

geven kan. Hetzelfde is het geval met de spieren, die de ooren van

het paard, den hond en andere dieren bewegen; ook wij bezitten ze,

maar zij dienen ons tot niets. Zoo merkt men aan den binnenhoek van

ons oog eene kleine plooi op; deze is het overblijfsel van het derde

ooglid der roofvogels, waardoor zij, zonder hunne oogen te sluiten,

in de richting der zon kunnen zien.

Het is zelfs mogelijk, dat rudimentaire organen niet alleen

nutteloos, maar zelfs schadelijk zijn. De kuit wordt gevormd door

krachtige spieren, die door de Achillespees aan den hiel verbonden

zijn; daarnaast bevindt zich eene lange, dunne spier, ongeschikt

tot eenigen krachtigen arbeid, de voetzoolspier. Die spier gelijkt

op eenen dunnen katoendraad vastgehecht aan een dik kabeltouw;

als zij scheurt, hetgeen geschieden kan bij het springen of iets

dergelijks, is eene langdurige rust voor de genezing noodig. Bij de

kat, den tijger, den panter, den luipaard en verwante geslachten, is

die spier even sterk als de beide overige, en stelt zij die dieren

in staat, hunne verbazende sprongen te volvoeren. Zoo bezitten de

plantenetende dieren, het paard, de koe en enkele knaagdieren een

toevoegsel bij den grooten darm, dat den naam draagt van _coecum_:

blinde darm; dit toevoegsel hangt samen met de plantaardige voeding

dier dieren; bij den mensch, wiens voeding niet zuiver plantaardig is,

bestaat die blinde darm alleen uit een klein cilindervormig lichaam,

waarvan de opening zeer nauw is. Hij is voor de spijsvertering van

geene waarde, daar het voedsel er niet in binnen kan dringen; hij

kan zelfs gevaarlijk worden, indien een hard lichaam, zooals eene

pit of eene vischgraat er bij ongeluk in geraakt; daardoor wordt

ontsteking veroorzaakt, en somtijds doorboring van het darmkanaal,

waarvan dikwijls buikvliesontsteking het gevolg is.

Deze voorbeelden zijn voldoende, om de beteekenis van afgestorven

organen aan te toonen. Bij den mensch en de hoogere zoogdieren zijn

die rudimentaire organen herinneringen aan dieren, lager op de ladder

geplaatst; maar bij de lagere gewervelde dieren zijn zij somtijds

eene aanwijzing voor toekomstige volmaking.

In één woord, het geheele dierenrijk, zoowel het levende als het

fossiele, doet ons dezelfde verschijnselen zien, als de ontwikkeling

der vrucht, die, beginnende uit de cel, zich trapsgewijze verheft

tot aan de sport, waarop de beide wezens staan, die haar het aanzijn

geschonken hebben. Diezelfde ontwikkeling openbaart zich in de rij

der dieren, waarvan de geologische lagen ons de overblijfselen

bewaard hebben. De onderste lagen bevatten slechts ongewervelde

dieren en visschen; daarop volgen de kruipende dieren, de vogels

en de zoogdieren, terwijl de mensch die opklimmende reeks sluit. De

fabelleer van alle tijden en van alle natiën heeft de voortzetting

der reeks voorzien, door engelen te scheppen, wezens volmaakter dan

de mensch, staande tusschen dezen en zijnen Schepper.

In meesterlijke bewoordingen heeft reeds Goethe hetzelfde betoogd.

Hij zegt ongeveer het volgende: "De dieren zijn gevormd naar eeuwige

wetten, en iedere vorm verbergt het oorspronkelijke type in zich. De

bouw van het dier bepaalt zijne gewoonten, en de levenswijze werkt

weer terug op de vormen.

De Wereld vóór de schepping van den mensch · 第 2 / 40 段