Produced by Jeroen Hellingman and the European Online
Distributed Proofreading Team at http://dp.rastko.net/ for
Project Gutenberg.
DE WERELD
VÓÓR DE SCHEPPING VAN DEN MENSCH.
NAAR FLAMMARION
VOOR NEDERLAND BEWERKT
DOOR
DR. B. C. GOUDSMIT.
Leeraar aan de H. B. S. en het Gymnasium te Zutphen.
MET MEER DAN 300 GRAVURES EN GEKLEURDE PLATEN.
ZUTPHEN.--W. J. THIEME & Cie.
snelpersdruk van H. C. A. THIEME, te Nijmegen.
INHOUD.
Inleiding. 1
EERSTE BOEK.
De geboorte der aarde. 22
TWEEDE BOEK.
Het azoïsche tijdperk.
HOOFDSTUK I.
Bloedverwantschap en afstamming. Begin van het leven. De eerste
organismen. 41
HOOFDSTUK II.
Ontwikkeling van het leven. 77
HOOFDSTUK III.
Eerste planten en eerste dieren. 126
DERDE BOEK.
Het primaire tijdperk.
HOOFDSTUK I.
De tijdperken in de schepping. De formaties, hare verdeeling. 171
HOOFDSTUK II.
De veranderingen van den bodem in onzen tijd. 190
HOOFDSTUK III.
De devonische periode. 249
HOOFDSTUK IV.
De steenkoolperiode. 269
HOOFDSTUK V.
De Permische periode. 312
VIERDE BOEK.
Het secundaire tijdperk.
HOOFDSTUK I.
De triasperiode. 327
HOOFDSTUK II.
De Juraperiode. 369
HOOFDSTUK III.
De krijtperiode. 445
VIJFDE BOEK.
Het tertiaire tijdperk.
HOOFDSTUK I.
De Eocene periode. 484
HOOFDSTUK II.
De Miocene periode. 529
HOOFDSTUK III.
De Pliocene periode. 556
ZESDE BOEK.
Het quaternaire tijdperk.
HOOFDSTUK I.
Het vierde tijdperk van het leven op aarde en de eerste dagen van
het tegenwoordige tijdperk. 571
HOOFDSTUK II.
De schepping van den mensch. 599
GEKLEURDE PLATEN.
PLAAT I.
De eerste eeuwen der menschheid. Titelplaat.
PLAAT II.
Een bosch uit de steenkoolperiode. Tegenover. 272
PLAAT III.
Tooneel uit de secundaire periode. Tegenover. 365
PLAAT IV.
Europeesch landschap der tertiaire periode. Tegenover. 489
DE WERELD VÓÓR DE SCHEPPING VAN DEN MENSCH.
INLEIDING.
De eerste dagen der aarde.
Er was een tijd, dat de menschheid nog niet bestond. De aarde bood
toen eenen aanblik aan, die geheel afweek van dien, welken zij thans
aanbiedt. In de plaats van het verstandige, nijvere en werkzame leven,
dat thans op hare oppervlakte heerscht; in de plaats van die bevolkte
steden, dorpen en woningen, van die bebouwde akkers, die wijngaarden
en tuinen, van die wegen, die spoorbanen, schepen, fabrieken en
werkplaatsen; van die paleizen, tempels en monumenten; in de plaats van
die voortdurende werkzaamheid, die tegenwoordig alle natuurkrachten aan
zich dienstbaar maakt, in de diepten der aarde doordringt, de raadselen
des hemels ontsluiert, de wonderen van het heelal bestudeert en de
geheele geschiedenis der schepping in zich schijnt te vereenigen:
bestonden er slechts woeste en ondoordringbare wouden, rivieren,
die in de doodsche stilte stroomden tusschen eenzame oevers, nooit
beklommen bergen, valleien zonder hutten, avonden zonder droomen,
sterrenrijke nachten zonder waarnemers. Er bestond geen wetenschap
en geene letterkunde; geene schoone kunsten en geene nijverheid;
geene politiek en geene geschiedenis; geen taal, geen verstand,
geene gedachte. In dien tijd waren de treur- en kluchtspelen van het
menschelijk leven op aarde onbekend. Genegenheid en haat, liefde en
nijd, deugd en boosheid, zelfopoffering, geestdrift en toewijding,
in één woord alle hartstochten, die het stramien van het weefsel
des menschelijken levens vormen, bestonden nog niet. De bewoners der
aarde bestonden zonder het te weten en arbeidden zonder doel. Hier
was het de logge mastodon, die onder zijne voetstappen de bloemen
vertrad, die reeds te voorschijn gekomen waren, of het ontzaglijke
megatherium, dat met zijnen snuit de wortelen der boomen opdolf,
of de mylodon robustus, die knaagde aan de lage takken der cederen,
of het Dinotherium Giganteum, het grootste van de zoogdieren, die
ooit bestaan hebben, dat zijne lange slagtanden in de diepe wateren
onderdompelde om er de bezonken planten uit te voorschijn te halen;
daar waren het de voorwereldlijke apen, die hunne kromme sprongen
maakten op de heuvelen van het voorwereldlijke Griekenland en hun
geslacht voortplantten op de hoogten van het Parthenon.
In die vervlogen tijden sluimerde Nederland nog in eene onbekende
toekomst. Een oud bosch had zijnen donkeren mantel over Frankrijk,
België en Duitschland uitgestrekt; visschen, die thans niet meer
bestaan, vervolgden elkander in de breede wateren; thans uitgestorven
vogels zongen in de eilanden; voorwereldlijke kruipende dieren bewogen
zich over de rotsen. Andere planten en dieren waren over het aardrijk
verspreid, er heerschte eene andere temperatuur, een ander klimaat,
eene geheel andere wereld.
Gaan wij nog verder terug in de geschiedenis der aarde, dan komen wij
op een tijdstip, waarop de oppervlakte van Europa nog veel meer afweek
van hare tegenwoordige gedaante, een tijdstip, waarop planten en dieren
zóózeer van de tegenwoordige verschilden, dat misschien de bewoners
van Venus of Mars meer met ons overeenkomen dan deze. Reusachtige
vleugelvingerigen met breede vleugels sprongen door de lucht, en
die vliegende draken, die ontzaglijke vleermuizen, waren toen de
vorsten van den dampkring. De Dimorphodon Macronyx, de Ramphorynchus,
en andere dieren, nog barbaarscher dan hunne namen, zetten zich op de
boomen neder en klommen met handen en voeten tot boven op de rotsen,
wierpen zich in de lucht, terwijl zij hunne vliezige valschermen
openden, en wierpen zich als amphibiën in de wateren. In dien tijd
ook, leverden de reusachtige vischhagedissen, de Ichthyosaurus en
Plesiosaurus slag in de bewogen wateren, de lucht vervullende met
hun woest gebrul, breedkoppige monsters met ontzaglijke kaken, van
tien tot twaalf meters lengte, en somtijds met tweeduizend tanden in
hunnen bek. De Iguanosaurus en de Megalosaurus bewoonden de wouden,
waarin reusachtige boomen, varens en duizenden kegeldragende boomen
hunne pyramidale toppen verhieven. De Iguanodon, een monster, dat op
onzen Kanguro gelijkt, had eene lengte van veertien meters: met de
pooten tegen onze tegenwoordige huizen staande, zou hij tot boven
de bovenste verdieping reiken. Wat verbazende massa's, vergeleken
met die van onzen tijd! Wel overtreffen die fantastische wezens die,
welke de menschelijke verbeelding heeft uitgevonden, zooals de Centaur,
de Chimaera, de Draak, de Griffioen, de Cerberus, de Vampyr: en zij
hebben werkelijk geleefd in de oorspronkelijke wouden; zij hebben de
Alpen en de Pyreneën zien oprijzen uit de zee en zich tot boven de
wolken zien verheffen en daaruit zien nederdalen.
Grootsche landschappen van vervlogen eeuwen! geen menschenblik heeft
u aanschouwd, geen oor heeft uwe harmoniën begrepen, uwe tooverachtige
panorama's hebben geene enkele gedachte opgewekt. Des daags verlichtte
de zon alleen de gevechten en spelen van het dierlijk leven; des
nachts bescheen de maan den slaap der zich onbewuste natuur.
Sedert de geboorte der aarde, sedert het tijdstip, waarop zij,
losgerukt van de zonnenevelvlek, als planeet een zelfstandig
bestaan verkreeg, en zich tot eenen bol verdichtte, afkoelde, vast
en bewoonbaar werd, zijn zóóvele millioenen jaren voorbijgegaan,
dat de geheele geschiedenis der menschheid bij dien ontzaglijken
tijdkring in het niet verzinkt. De vijftien- tot twintigduizend
jaren geschiedenis der menschheid zijn zelfs slechts een klein
gedeelte van de tegenwoordige geologische periode. Indien wij slechts
honderdduizend jaren rekenen (en dit is matig berekend) voor den
duur der tegenwoordige periode, het quaternaire tijdstip genaamd, de
vierde sedert het ontstaan der aarde, dan moet de tertiaire periode
driehonderdduizend jaren geduurd hebben, de secundaire periode
twaalfhonderdduizend en de primaire periode meer dan drie millioen
jaren. Dit is dus te zamen viermillioen zevenhonderdduizend jaren
sedert den oorsprong van betrekkelijk reeds ontwikkelde planten en
dieren. Doch die perioden waren reeds voorafgegaan door eene azoïsche
periode, waarin het ontstaande leven alleen wordt voorgesteld door
lagere soorten van zeewier, schaaldieren, weekdieren, ongewervelde
dieren of koplooze gewervelde dieren, en die azoïsche periode schijnt
53 honderdsten van de dikte der geologische formaties uit te maken,
en dus alleen reeds meer dan vijfmillioen jaren geduurd te hebben!
Die tienmillioen jaren stellen dus den ouderdom van het leven op
aarde voor. Maar de voorbereiding tot die wordingsgeschiedenis heeft
nog heel wat langer geduurd. De periode, vóórdat eenig levend wezen
op onze planeet verscheen, overtreft in duur verreweg de periode,
waarin zich de verschillende soorten hebben opgevolgd. Met zorg en
oordeelkundig gedane proefnemingen hebben het waarschijnlijk gemaakt,
dat onze aarde minstens _driehonderdvijftig millioen_ jaren noodig had,
om van tweeduizend tot tweehonderd graden af te koelen.
Hoe belangrijk is de geschiedenis eener wereld! Hoe loffelijk is de
eerzucht, om ingewijd te worden in de belangrijke geheimen der natuur,
om te willen doordringen tot den raad der oude goden, die het bestuur
van het heelal onder elkander verdeeld hadden. En moet men geen belang
stellen in die schitterende veroveringen der moderne wetenschap, die
de graven der aarde opdelvende, onze verdwenen voorouders heeft weten
te doen herleven? Op de roepstem van het menschelijke genie hebben die
voorwereldlijke monsters gesidderd in hunne donkere graven, en vooral
sedert eene halve eeuw zijn zij één voor één uit hunne graven verrezen,
te voorschijn getreden uit de steengroeven, de mijnen en de tunnels,
om weder het daglicht te aanschouwen. Van alle zijden hebben die oude
lijken, die reeds in den tijd van den zondvloed versteend waren,
en die tot stukken waren verbrijzeld, de kop hier, andere deelen
ginds, het bazuingeschal gehoord van het gericht, het gericht der
wetenschap, en zijn zij uit den doode opgestaan, en hebben zij zich
verbonden als een leger, samengesteld uit vreemde legioenen van alle
landen en alle eeuwen, en trekken zij in gelederen voor ons voorbij,
vreemdsoortig, wonderlijk, links, onhandig, monsterachtig, als kwamen
zij uit eene andere wereld, maar daarbij krachtig, sterk, zelfvoldaan,
alsof zij zich van hunne waarde bewust waren, en ons wilden toeroepen:
"Hier zijn wij, wij, uwe voorouders, wij, die u het aanzijn geschonken
hebben. Ziet ons aan en zoekt in ons den oorsprong van uw bestaan. Uwe
oogen, waarmede gij het oneindig groote peilt en het oneindig
kleine uitmeet, gij vindt ze bij ons in wording en nederig, maar
toch belangrijk, want indien die eerste pogingen bij ons niet gelukt
waren, zoudt gij blind zijn. Ziet naar uwe handen, zoo sierlijk en zoo
knap, en aanschouwt dan onze klauwen, waarvan zij de volmaking zijn;
lacht niet te zeer over onze klauwen, indien gij uwe handen nuttig
en aangenaam vindt. Uw mond, uwe tong, uwe tanden, dat alles is fijn,
sierlijk, lief, maar het zijn onze muilen, onze snuiten, onze bekken,
die uw mond geworden zijn. Uwe harten slaan zacht, geheimzinnig, en die
kloppingen van het menschenhart, die wij niet kennen, verschaffen u,
zooals men zegt, zulke diepe aandoeningen, dat gij somtijds de geheele
wereld zoudt willen geven, om aan de nietigste dier aandoeningen te
kunnen voldoen; welnu, ziet hier, hoe de bloedsomloop begonnen is, ziet
hier het eerste hart, dat geklopt heeft! En in uwe hersens bewondert
gij den zetel der ziel en der gedachte, en zóózeer waardeert gij hunne
onvergelijkelijke gevoeligheid, dat gij nauwelijks hunnen fijnen bouw
durft doorgronden; maar bedenkt, dat uwe hersenen ons ruggemerg is,
het merg onzer wervelen, dat zich ontwikkeld, volmaakt, gezuiverd
heeft, en bedenkt, dat zonder ons de natuurkundige, de geoloog,
de astronoom, de wijsgeer, de dichter niet zouden bestaan. Ja, hier
zijn wij, begroet in ons uwe voorouders!"
Zoo zouden die versteende wezens, de apen, de halfapen, de
buideldieren, de vogels, de kruipende dieren, de slangen, de amphibiën,
de visschen, de weekdieren spreken, en terecht, want de mensch is de
hoogste tak van den stamboom der natuur, zijne wortels zijn vastgehecht
aan den gemeenschappelijken bodem, en de boom, welke die schoone vrucht
draagt, is gevormd uit al die soorten, die in schijn zoo verschillend
zijn, maar in werkelijkheid zoo nauw verwant.--Zij zijn uit den doode
opgestaan, en de beoefenaar der natuur rangschikt ze.
En welk denkend en belangstellend wezen, welke denker, ja zelfs welk
eenvoudig lezer van mengelwerk en romans, zou niet boven onvruchtbare
lectuur het groote boek der natuur verkiezen, dat voor een ieder
geopend is, en dat door zijne openbaringen zoo belangrijk, door zijne
verrassingen zoo boeiend en zoo verheven is boven alle verdichtselen
en sproken? Wie zou niet willen ingewijd worden in het groote geheim
van den oorsprong van den mensch, van de geboorte der aarde en de wieg
van het heelal? Is er één onderwerp, dat ons meer van nabij raakt,
en onze belangstelling meer kan opwekken?
De geschiedenis der aarde bestudeeren, beteekent eveneens het heelal
en den mensch bestudeeren, want de aarde is eene ster in het heelal,
en de mensch is het voortbrengsel van aardsche krachten. Hij is niet
de vrucht van een wonder, hij is het kind der natuur.
De dieren zijn niet plotseling op de roepstem van den Schepper geheel
gevormd en volwassen voortgekomen en paarsgewijze, van den olifant
tot de vloo en tot de mikroskopische mikroben; het eerste paard is
niet plotseling van eenen heuvel afgesprongen; de eerste eik is niet
als een honderdjarige geschapen. Neen, de thans bestaande dieren
zijn voorafgegaan door oorspronkelijke, zeer verschillende soorten;
iedereen weet, dat onze aarde zeer oud is, en dat hare geologische
lagen de versteeningen bevatten van vervlogen tijden; iedereen weet,
dat uit een anatomisch oogpunt het lichaam van den mensch hetzelfde
is als dat der zoogdieren; iedereen weet, dat wij nog sporen van
organen bezitten, die ons tot niets dienen, en die de sporen zijn
van die, welke nog bestonden bij onze voorouders; iedereen weet,
dat wij vóór de geboorte, in de eerste maanden na de bevruchting
in den moederschoot; weekdier, visch, kruipend dier, viervoetig
dier geweest zijn, daar de natuur in het klein haren grooten arbeid
der oude tijden samenvat; iedereen weet eindelijk, dat alle levende
soorten aan elkander verbonden zijn als de schakels van eenen zelfden
keten, die onmerkbaar in elkander overgaan; dat het leven op aarde
begonnen is met de eenvoudigste wezens, met planten, die noch bladeren,
noch bloemen, noch vruchten hadden en nauwelijks den naam van planten
konden dragen, met dieren, die noch kop, noch zintuigen, noch spieren,
noch maag, noch bewegingsorganen hadden, en dus nauwelijks tot het
dierenrijk konden gerekend worden, en dat de wezens langzaam, ja zelfs
onmerkbaar, trapsgewijze, in overeenstemming met den toestand van den
dampkring en het water, de temperatuur, de omgeving en de voeding,
meer levend, gevoeliger, karakteristieker, volmaakter geworden zijn,
om eindelijk uit te loopen op die schitterende en welriekende bloemen,
die het sieraad onzer velden zijn, op de vogels, die in de bosschen
zingen ... op den mensch eindelijk, die het hoogst van allen staat
in de rei der levende wezens.
Meen echter niet, dat de mensch, de koning der schepping, zoo
afgescheiden en zoo los is van zijne voorouders, en ook zoo hoog
ontwikkeld als hij wel schijnt. Op de veertienhonderd millioen
menschelijke wezens, die op aarde bestaan, zijn er zoovelen,
die nooit eenig bewijs van verstandelijke ontwikkeling geven, en
dat niet alleen bij de stammen van Centraal-Afrika, de Samojeden
of de bewoners van Vuurland, maar zelfs bij de beschaafde natiën:
menschen, die niet denken, die zich nooit rekenschap gegeven hebben
van hunne bestemming, die hoegenaamd geen belang stellen in hun eigen
levensdoel, in de geschiedenis der menschheid, in die onzer planeet,
die niet weten, waar zij zijn, en er zich ook niet om bekommeren, in
één woord, die geheel als redelooze dieren leven. Zij, die werkelijk
denken en een geestesleven leiden, vormen de minderheid onder de
menschheid. Toch neemt hun aantal van dag tot dag toe en ontwaakt en
ontwikkelt zich het gevoel van belangstelling. De vooruitgang, die
zich langzaam geopenbaard heeft in de volmaking der zintuigen en der
hersenen van het dierenrijk, gaat gestadig voort, en wij zien dien aan
het werk bij onze eigen soort, die eertijds ruw, grof, onbeschaafd,
en thans gevoeliger, fijner en verstandiger is. De mensch verandert,
en waarschijnlijk sneller dan eenige andere soort. Indien iemand over
honderdduizend jaren op aarde kon terugkeeren, zoude hij de menschheid
niet meer herkennen.
Indien wij den toestand van het menschdom vergelijken met dien uit het
steenen tijdperk, dan bespeuren wij reeds eenen merkbaren vooruitgang,
niet alleen moreel, maar ook lichamelijk. Het zijn dezelfde menschen
niet meer. De fijnheid van vernuft en van vormen is toegenomen. De
spieren zijn minder krachtig, de zenuwen zijn meer ontwikkeld. De
moderne man is minder log en ruw; onmerkbaar hebben de hersenen
de overhand verkregen. De moderne vrouw is fijner en heeft meer
kunstgevoel; zij is blanker, haar haar is langer en meer zijdeachtig,
haar blik is helderder en hare hand is kleiner. Somtijds schijnt de
ontwikkeling stil te staan in tijden van omwentelingen en beroeringen,
als de hartstochten ontketend zijn. Doch die stilstand is slechts
schijnbaar. Het geheel wordt medegesleept in het onbewuste zoeken
naar het hoogere, in het streven naar het ideaal. Men zoekt en tast en
streeft, en dat streven voert de menschheid, die nooit bevredigd is,
steeds vooruit naar eenen hoogeren trap van geestesontwikkeling. De
schedel modelleert de hersenen; het lichaam modelleert den geest.
De oefening der ledematen ontwikkelt juist die, welke het meest
gebruikt worden, terwijl die, welke weinig geoefend worden,
verminderen, om eindelijk weg te sterven. Men kan daarom over de
zeden van eene bepaalde periode oordeelen uit den lichaamsbouw
der individuen. Hoewel men ook in onzen tijd nog dikwijls ziet,
dat macht boven recht gaat, toch is men thans overtuigd, dat dit
een valsch beginsel is. De dag zal aanbreken, waarop de mensch zich
er over schamen zal, dat er nog oorlogen gevoerd worden, en waarop
hij zich het oorlogsbudget, dien mantel van dwaasheid en laagheid,
van de schouders zal werpen.
Neen, hij, die over honderdduizend jaren op aarde zou terugkeeren, zou
het menschdom niet meer herkennen. Geen onzer talen zal meer gesproken
worden. Geene onzer natiën zal meer bestaan. Eene schitterende
beschaving zal Centraal-Afrika verlicht hebben. De dampkring zal
doorploegd zijn met luchtschepen. Nieuwe natuurkrachten zullen
bedwongen zijn ... en misschien zal de een of andere photophonische
telegraaf ons doen spreken met de bewoners der naburige planeten.
De aarde verandert onophoudelijk. Hier knaagt de zee aan de sterke
kusten en dringt zij tot in het binnenland door; ginds daarentegen
dragen de zeeën zand aan, vormen zij delta's en baaien; regen en wind
doen de bergen afdalen naar de stroomen en den Oceaan; onderaardsche
krachten heffen andere bergen op; vulkanen verwoesten en bouwen op;
zeestroomingen en stroomingen in den dampkring wijzigen het klimaat;
de jaargetijden veranderen periodiek; de planten wijzigen haren
vorm, niet alleen door kweeking, maar ook door verandering der
omstandigheden; steden ontstaan, komen tot bloei en sterven; alles
beweegt zich met duizelingwekkende vaart voorwaarts; in de natuur is
nooit rust, steeds een harmonische, eeuwigdurende arbeid; de aarde
moge onbewegelijk schijnen: zij voert ons in de ruimte voort met eene
snelheid van 106000 kilometers in het uur; de sterren schijnen ons toe
vast te zijn: ieder van deze vliegt vooruit met eene duizelingwekkende
snelheid; de stroom aan onze voeten moge kalm schijnen als een spiegel:
hij stroomt steeds voort en voert onophoudelijk het regenwater in den
Oceaan, dat steeds neervalt uit de wolken, welke zich steeds vormen
uit de dampen van den Oceaan, die zich altijd verheffen; het gras,
waarop wij gezeten zijn, schijnt slechts een levenloos tapijt te
zijn: het groeit en neemt toe, en dag en nacht, zonder een oogenblik
van verpoozing bestrijden elkander of verbinden zich; de moleculen
waterstof, zuurstof en koolzuur in voortdurende werkzaamheid; en wij
zelf, die droomende dat groote schouwspel der natuur aanschouwen, wij
wanen ons in rust en verbeelden ons, dat de natuur in ons gedurende
onzen slaap eveneens slaapt, doch dit is eene dwaling: ons hart klopt,
en zendt bij iederen slag het bloed door onze slagaderen; onze longen
werken, en hernieuwen onophoudelijk onze levenskracht, de moleculen,
waaruit ieder deel van ons lichaam is samengesteld, legeren zich naast
elkander, vereenigen zich, verjagen elkander, treden onophoudelijk in
elkanders plaats, en, indien wij onder den mikroskoop de weefsels onzer
organen, onzer spieren, onzer zenuwen, van ons bloed, ons ruggemerg
konden bestudeeren, en voornamelijk de gisting in onze hersens, dan
zouden wij eene voortdurende inwendige werking bijwonen, die ieder
deel van ons lichaam dag en nacht doet trillen, van het oogenblik af,
dat wij verwekt zijn, tot onzen laatsten ademtocht--en nog daarna;
immers na onzen dood keert ons lichaam weder molecule voor molecule in
den kringloop der natuur terug, om deel uit te maken van de planten,
de dieren en de menschen, die na ons komen: niets gaat verloren of
wordt nieuw geschapen, wij bestaan uit het stof onzer voorouders,
onze kleinkinderen zullen uit ons stof samengesteld worden.
Alles verandert en neemt eene andere gedaante aan. Men wane niet, dat
tegenwoordig de schepping tot rust is gekomen. De natuur is eeuwig
en oneindig en steeds in wording. Nog thans ontbranden werelden in
wording aan den hemel en worden andere uitgedoofd. Zwervende kometen,
zich van stelsel tot stelsel bewegend, zaaien op haren weg de vallende
sterren, de asch van verwoeste werelden, en de koolstof, de kiem
van de toekomstige organismen. Iedere planeet heeft hare jeugd,
haren rijpen leeftijd, haren ouderdom, haren doodstrijd. De dag zal
komen, waarop de reiziger te vergeefs zal zoeken naar de plaats,
waar Amsterdam, Londen, Parijs, Rome, New-York gedurende zoovele
eeuwen geschitterd hebben als de hoofdplaatsen van bloeiende natiën,
evenals de oudheidkenner thans de plaats zoekt, waar Ninive, Babylon,
Tyrus, Sidon en Memphis schitterden te midden der werkzaamheid en
der weelde. Zoo zal ook de dag aanbreken, waarop de menschheid na het
zenith harer ontwikkeling bereikt te hebben, zal uitdooven tegelijk met
de laatste levenselementen der planeet, en den doodslaap zal intreden
op eene voortaan verlaten en woeste aarde, waarop de vogel niet meer
zal zingen, de bloem niet meer zal bloeien, het water niet meer zal
stroomen, de wind niet meer zal waaien, waarop de witte lijkwade van
sneeuw en ijs zich zal uitstrekken van de polen tot den evenaar. En
zóó zal ook de zon zelf worden uitgedoofd te midden van haar stelsel.
De wet van den _Vooruitgang_ beheerscht alles. Hoewel wij er ons geen
rekenschap van geven, toch gaan wij met snelheid vooruit, en wij
hebben geen reden, ontevreden te zijn over den afgelegden weg. Wat
is twee, drie eeuwen in vergelijking met den tijd van het bestaan
van het menschdom. En in dien tijd is toch de vrijheid van geweten
voor goed voor den vooruitgang veroverd.
Ja, de wereld beweegt zich voortdurend naar een hooger ideaal; de
zeden verliezen hare ruwheid, de geest wordt verlicht, de menschheid
gaat in haar geheel en in hare onderdeelen vooruit.
De geschiedenis der aarde levert de schoonste en welsprekendste
getuigenis voor de wet van den vooruitgang. Zij is als het ware de
vooruitgang zelf, belichaamd in het leven, van het erts af tot den
mensch toe. Onze planeet is begonnen als eene vormelooze nevelvlek,
die zich langzamerhand tot eenen bol verdicht heeft. Die gasvormige
nevelvlek, veel ijler dan de lucht die wij inademen, was gevormd uit
een gas, veel lichter dan waterstof. De wederzijdsche aantrekking
van alle moleculen naar het middelpunt, de verdichting, die daarvan
het gevolg was, de wrijving en de omzetting van die beweging naar
het middelpunt in warmte; de eerste scheikundige verbindingen, die
ontstonden uit die warmteontwikkeling, de invloed der electriciteit,
de veelzijdige werking der natuurkrachten, die als het ware uit
elkander voortvloeiden, vormden de eerste elementen, waterstof,
zuurstof, koolstof, stikstof, natrium, ijzer, calcium, silicium,
aluminium, magnesium en de verschillende overige mineralen, die alle
in bepaalde meetkundige vormen gegoten schijnen, alsof zij veelvouden
zijn van de oorspronkelijke grondstof, die het eerst tot waterstof
verdicht schijnt te zijn.
Diezelfde stoffen, die onze oorspronkelijke planeet uitmaakten, toen
zij als nevelachtige ster schitterde; die zuurstof, die waterstof,
dat natrium, toen in gloeiing verkeerend, zooals die stoffen nu nog
gloeien in de zon, hebben zich op geheel andere wijze verbonden, nadat
de aarde als ster is uitgedoofd. Het vuur is water geworden. Uit een
natuurkundig oogpunt zijn vuur en water uitersten, uit een scheikundig
oogpunt zijn zij dezelfde. De oceaan, die nog thans zijne golven doet
rollen rondom de aarde, bestaat uit waterstof, zuurstof en natrium.
Een waarnemer, buiten de aarde geplaatst, zoude onze aarde eerst
hebben kunnen zien schijnen als eene bleeke nevelvlek, daarop zien
schitteren als eene zon, dan eene roode, daarna eene donkere en
eindelijk eene veranderlijke ster zien worden met telkens anderen
glans, om ten slotte haar licht en hare warmte te verliezen en in
eenen dergelijken toestand te komen, als waarin wij thans Jupiter zien.
Reeds toen wentelde de aarde om eene as en om de zon. Toen de
oorspronkelijke temperatuur was afgenomen, toen de dampen in de
atmosfeer zich verdichtten en de oorspronkelijke zee zich over de
geheele aarde uitstrekte, vormden zich te midden der vulkanische
schokken der nog jonge aarde, onder bliksemschichten en donderslagen,
in het lauwe en vruchtbare water, de eerste planten en dieren uit
koolstofverbindingen, half vast, half vloeibaar, slijmig, kneedbaar,
bewegelijk en veranderlijk. Die eerste wezens zijn niets anders dan
cellen of groepen van cellen, wier, zeegras, ringwormen, geleiachtige
lichamen, weekdieren: het zijn nog evenzeer mineralen als planten
en dieren, het zijn plantdieren, koralen, sponzen, sterkoralen,
schaaldieren. De eerste dieren zijn niets anders dan planten zonder
wortels. Door de langzame verbetering der levensvoorwaarden op de
planeet, door de trapsgewijze ontwikkeling van enkele organen in
wording, verbetert, verrijkt en volmaakt zich het leven. Gedurende
het azoïsche tijdvak ziet men slechts ongewervelde dieren, drijvende
in de nog lauwe wateren der oorspronkelijke zeeën. Op het einde
dier periode, gedurende het silurische tijdvak, ziet men de eerste
visschen verschijnen, maar dan nog slechts de kraakbeenachtige;
de andere visschen komen eerst veel later. Gedurende de primaire
periode ontstaan de grove amphibiën, de logge kruipende dieren,
de langzame schaaldieren. Eilanden heffen zich uit de wateren op en
worden met een schitterend plantenkleed bedekt. Maar het dierenrijk
is nog uiterst arm. Gedurende millioenen jaren zijn alle bewoners
der aarde doofstom geweest; de eerste op aarde verschenen dieren,
zij, die thans beneden op de rei staan, missen stemorganen; de
stem ontstaat eerst in het midden der secundaire periode, en het
oor ontstaat nog veel later. Ook zijn gedurende millioenen jaren
planten en dieren geslachtloos geweest. Doch trapsgewijze gaat het
leven vooruit. Spoedig splitst zich het dierenrijk in afzonderlijke
en talrijke soorten. De kruipende dieren ontwikkelen zich; de vleugel
voert den vogel hemelwaarts; de eerste zoogdieren, de buideldieren,
bewonen de wouden. Gedurende de tertiaire periode scheiden de
slangen zich af van de kruipende dieren en verliezen zij hare pooten
(waarvan de oorspronkelijke aanhechtingen nog thans merkbaar zijn);
de _archeopteryx_, half kruipend dier, half vogel, verdwijnt, de
voorouders der apen ontwikkelen zich op het vaste land, tegelijk met
de krachtige diersoorten. Maar de mensch bestaat nog niet. Deze komt
eindelijk te voorschijn, wat zijn' bouw betreft, gelijkende op het
dier, maar hooger staande op den trap van den vooruitgang en bestemd
om de wereld te beheerschen door de grootte van zijnen geest.
De verschillende geologische lagen der aarde, die wij in onzen tijd
kunnen omslaan als de bladen van een boek, toonen ons duidelijk de
opvolging der begraven versteende soorten. Die soorten zijn elkander
opgevolgd, terwijl zij zich stap voor stap ontwikkelden als de
takken van eenzelfden boom. Zij zijn uit dezelfde bron voortgekomen
en behooren tot eene zelfde orde van zaken.
Maar laat ons niet vooruitloopen op de tooneelen, die zich voor onze
oogen zullen ontrollen. Nu wij eenen voorloopigen blik geslagen hebben
in die grootsche vraagstukken, moeten wij dadelijk in het hart der
vraag binnendringen. In _de Wonderen des Hemels_ [1] hebben wij over
het ontstaan der werelden in het algemeen gehandeld, terwijl wij daar,
zoowel als in het _Rijk der Sterren_ [2] over de verschillende typen
van werelden uitvoerig gesproken hebben. Wij achten het dus overbodig,
hierop terug te komen. Wij zullen dan ook dadelijk ons onderzoek
aanvangen met de beschouwing der aarde, van het oogenblik af, dat
zij hare moeder, de zonnenevelvlek had verlaten.
EERSTE BOEK.
De geboorte der Aarde.
De zonnenevelvlek verspreidde aan den donkeren oneindigen hemel
een flauw licht, en terwijl zij zich gestadig naar haar middelpunt
verdichtte, gaf de aardsche nevelvlek, uit haar voortgekomen, een
even flauw licht, terwijl zij in den tijd van een jaar om de zon
heenwentelde. Onze planeet was toen geheel gasvormig, zij had toen
nog geene vaste kern of geene vloeistoflaag; zij bestond toen als
het ware alleen uit eenen dampkring, die veel lichter was dan de
lucht, die wij inademen. Hare oorspronkelijke temperatuur was even
hoog als die van den zonnegordel, waaruit zij was voortgekomen. Die
temperatuur nam nog toe door hare eigen verdichting. Gehoor gevend
aan de wetten der zwaartekracht, verdichtten de moleculen zich nog
sterker naar het middelpunt toe. Hare bolvormige gedaante werd hoe
langer hoe duidelijker zichtbaar. Eindelijk werd de nevelvlek zon en
verspreidde zij een schitterend licht.
De mechanische warmteleer leert ons, dat alleen de verdichting onzer
nevelvlek tot bol eene verwarming moet hebben veroorzaakt van 8988
graden (Celsius). In dien tijd schitterde dus de aarde in de ruimte
als eene zon, door eenen flauwen nevel omgeven. Een waarnemer, toen in
het heelal geplaatst, zou eene dubbelster gezien hebben, bestaande uit
twee sterren van verschillende grootte; de grootste was onze eigen zon,
de kleinste was onze aarde. Ongetwijfeld was dit stelsel veelvoudig,
daar verscheidene andere planeten tegelijkertijd met de aarde zonnen
waren. Doch waarschijnlijk waren Mercurius en Venus nog nevelvlekken,
toen de aarde reeds tot zon verdicht was, zoodat tusschen de aarde
en de zon geene andere ster meer gezien werd.
Eeuwen lang schitterde de aarde als eene glinsterende zon, als
het brandpunt van krachtige scheikundige werkingen, en gaf zij het
aanzijn aan vlekken en reusachtige uitbarstingen, overeenkomende met
die, welke wij thans op de oppervlakte der zon waarnemen. Naar alle
waarschijnlijkheid was zij toen niet zoo groot als thans de zon is;
doch zeker was zij veel grooter dan nu, en strekte zij zich uit
tot voorbij de loopbaan der maan; zij was toen niet alleen geheel
gasvormig, doch ook uiterst ijl. Maar de ruimte, waarin zich de
werelden bewegen, is koud en donker. Hare normale temperatuur ligt
op 273° onder nul. Die temperatuur is zóó laag, dat de luchtsteenen
die temperatuur inwendig behouden, niettegenstaande zij aan hunne
oppervlakte sterk verhit worden bij hunne snelle beweging door onzen
dampkring; indien men ze na hunnen val opneemt, brandt men zich de
vingers, indien men ze aanraakt, maar als men ze doorslaat, zijn zij
van binnen zóó koud, dat men zich daaraan nog heviger brandt dan aan
de buitenzijde. (Dit is onder anderen opgemerkt bij den meteoor van
Dhurmsalla, den 14den Juli 1860).
Bij die koude straalde de aarde hare warmte langzamerhand geheel uit;
noch de voortgaande verdichting, noch de scheikundige verbindingen,
noch de val van kosmische stof, die op haar neerkwam van de
zonnenevelvlek en van de verschillende deelen der ruimte, waren
voldoende om te herstellen, wat zij door die uitstraling verloor. De
aarde werd van gasvormig vloeibaar, wel nog gloeiend, maar nog steeds
minder lichtgevend. In stede van wit en schitterend werd zij eerst
goudgeel, daarna oranjekleurig, rossig en donkerrood. Een dikke,
zware, in beroering zijnde dampkring omgaf haar. Eindelijk doofde
zij uit. Als zon had zij uitgediend, maar om zich te koesteren aan
den morgenstond van het leven.
In deze periode ontstond de maan, dochter der aardsche nevelvlek,
evenals de aarde was voortgekomen uit den moederschoot der zon. De
maan behoort bij de aarde, zooals de aarde bij de zon behoort. Zij
draait om ons heen in 27 1/3 dag, zooals wij om de zon draaien in 365
1/4 dag; als een trouwe wachter vergezelt zij ons op onze reis om de
zon; zij wentelt om ons heen in dezelfde richting als waarin wij ons
bewegen, d.i. van het westen naar het oosten en bijna in het vlak der
aardbaan (de helling bedraagt 5°); hare geboorteakte draagt zij bij
hare beweging met zich, en haar aardsche oorsprong treedt in al hare
karaktertrekken voor den dag; zij is tachtigmaal lichter en vijftigmaal
kleiner dan de aarde, zoodat hare dichtheid 6/10 van die der aarde is.
Zij heeft zich van de zonnenevelvlek losgemaakt op een tijdstip,
waarop de beweging der aarde om hare as veel sneller was dan thans
het geval is; de maan toch is zóó dicht bij ons, en hare aantrekking
is zóó aanzienlijk, dat zij aanzienlijke vloeden teweegbrengt; deze
vloeden werkten de beweging der aarde om hare as tegen, zooals zij
dit thans nog doen, maar toen in veel sterkere mate.
Nauwkeurige berekeningen, door den zoon van den grooten Darwin gedaan,
schijnen tot de gevolgtrekking te leiden, dat de maan ongeveer vijftig
millioen jaren geleden van de aarde is losgerukt, in eenen tijd,
waarin de aarde zich in drie uren om eene as bewoog. Reeds vóór de
geboorte van de maan ondervond de aarde vloeden, die het gevolg waren
van de aantrekking der zon en die onze aardnevelvlek deden zwellen in
het vlak van den equator. Bovendien veroorzaakte de snelle beweging
onzer planeet om eene as in het vlak van den evenaar eene krachtige
middelpuntvliedende kracht, zoodat de minste kracht voldoende was, om
een betrekkelijk groot gedeelte van de nevelvlek los te rukken. Die
kracht ging uit van de zon. Een krachtige vloed, zijnen invloed
voegende bij de middelpuntvliedende kracht, heeft een gedeelte van
de aarde vrijgemaakt van de aantrekking; de aarde heeft haren bolvorm
hernomen en de losgerukte massa heeft zich verzameld tot ééne massa,
die op hare beurt weder aantrekking uitoefende op hare samenstellende
deelen, terwijl de losgerukte gordel zijne oorspronkelijke beweging
behield en om de aarde bleef wentelen.
Zóó ontstond de maan. In de eerste tijden nadat zij gevormd was,
was zij in de onmiddellijke nabijheid der aarde en wentelde zij
om haar heen in eene periode van drie uren. Onze vloedgolven zijn
slechts een flauw overblijfsel van wat zij in den eersten tijd na
de vorming der maan waren. In de eerste plaats was de wachter veel
dichter bij de planeet, en men weet, dat de aantrekking toeneemt in
de reden van het vierkant van den afstand, zoodat op den dubbelen
afstand de aantrekking viermaal zwakker, op den drievoudigen afstand
negenmaal zwakker wordt. In de tweede plaats was de aarde niet zooals
thans verdeeld in land en zee, maar was zij geheel vloeibaar; de vloed
werkte dus op de geheele massa en deed eenen kring van water om haar
heen draaien. Thans, nu onze onbeduidende vloedgolven in tegengestelde
richting loopen van de omwentelingsrichting der aarde en alzoo die
beweging tegenhouden, verlengt zij den dag met 22 secunden in eene
eeuw. In dien tijd daarentegen werkten de reusachtige vloeden, die
de geheele aarde tweemaal daags doorliepen, de beweging der aarde
veel krachtiger tegen, zoodat de tijd harer omwenteling van drie tot
vier, vijf, twaalf en eindelijk tot vier en twintig uren toenam. De
vertraging in de beweging der aarde gaat gepaard met die der maan,
en daardoor ook met eene langzame verwijdering van onzen wachter.
De vloed, door de aarde op de maan uitgeoefend, was heel wat heviger,
dan die door de maan op de aarde uitgeoefend; de planeet immers is 80
maal zwaarder dan de wachter. Hij heeft zóó lang gewerkt, totdat hij
de maan om hare as deed wentelen in denzelfden tijd, waarin zij zich
om de aarde beweegt, zoodat zij thans steeds dezelfde helft naar ons
toekeert. Bovendien is zij niet volkomen bolvormig, maar een weinig
gerekt in de richting der aarde. Er zijn thans geen getijden meer
op de maan; zelfs indien de maan nog met water bedekt was, zou dit
toch niet het geval zijn, nu de maan steeds hare zelfde zijde naar
de aarde toekeert.
Sedert hare geboorte heeft zich dus de maan langzaam van de aarde
verwijderd, al langzamer en langzamer rondwentelend; evenzoo is
ook wederkeerig de omwentelingssnelheid der aarde afgenomen. Nog
steeds doen de getijden hunne remmende werking op de aarde
gevoelen. Waarschijnlijk zal eens de dag aanbreken, waarop ook de
maan de beweging der aarde om hare as zóózeer zal vertraagd hebben,
dat deze even lang zal duren als de beweging der maan om de aarde,
zoodat dan ook de aarde steeds hare zelfde zijde naar de maan zal
keeren. Indien de zeeën op aarde zóó lang zullen blijven bestaan,
dat de getijden een zoodanig gevolg zullen hebben, zal de maan in
58 dagen om ons heen wentelen, en zouden wij slechts 6 dagen in het
jaar hebben, ieder van 1400 uren. Welken invloed zou dit niet moeten
uitoefenen op onze zeden en gewoonten!
Er zijn in het zonnestelsel twee planeten, die ons een beeld kunnen
geven van die lang vervlogen tijden; hoewel zij immers lang vóór
de aarde geboren zijn en dus veel ouder zijn dan zij, hebben zij
zich veel langzamer verdicht, en zijn zij dus betrekkelijk jonger
dan thans onze aarde is. Wij bedoelen de grootste lichamen van het
zonnestelsel, Jupiter en Saturnus. De manen van Saturnus zijn nog in
de onmiddellijke nabijheid van de planeet gelegen, waaruit zij zijn
voortgekomen; zij zijn dan ook betrekkelijk nog eerst kort geleden
ontstaan. Bovendien bestaan de ringen, die om Saturnus heenwentelen,
uit kleine lichamen, tot een kring verbonden, terwijl de deeltjes,
waaruit die ringen bestaan, en die met groote snelheid om de planeet
heenwentelen, in bepaalde richtingen opgehoopt zijn tot dichte banden,
en in andere richtingen verspreid en verdund zijn. Men vindt zelfs eene
volkomen ledige strook, die de ringen in twee afzonderlijke deelen
scheidt. Men mag aannemen, dat die vreemdsoortige ringen de kiemen
zijn van twee toekomstige wachters, waardoor het aantal gezellen van
Saturnus tot tien zou stijgen. Waarschijnlijk is het, dat de maan,
evenals de wachters der overige planeten, gevormd is uit eenen gordel,
die van de planeet is losgeraakt, en die door de aantrekking harer
samenstellende deelen langzamerhand in eenen bol is overgegaan.
De duur van de periode, waarin zich eene planeet heeft gevormd,
hangt af van de hoeveelheid stof, waaruit zij bestaat, terwijl
de tijd, waarin zij is afgekoeld, afhangt van de temperatuur van
den oorspronkelijken bol, van zijn volume en zijne oppervlakte;
hierbij moet nog gevoegd worden de aard van de stoffen, waaruit de
planeet bestaat, en de aard van den dampkring; de laatste toch zal,
naarmate hij de warmtestralen meer of minder tegenhoudt, in meerdere
of mindere mate de planeet tegen afkoeling beschermen. Eene planeet
koelt natuurlijk aan de buitenoppervlakte af, en daar het volume der
aarde 49 maal grooter is dan dat der maan, maar hare oppervlakte
slechts dertienmaal grooter is, zoo is het afkoelend vermogen der
maan bijna viermaal grooter dan dat der aarde, en inderdaad is zij
ook sneller dan de aarde verkoeld.
Onze planeet moet, zooals uit de wijze van haar ontstaan volgt,
eene temperatuur gehad hebben, overeenkomende met die der zon;
langzamerhand moet zij begonnen zijn af te koelen, terwijl zij zich
nog steeds verdichtte; daarop is zij van gasvormig vloeibaar geworden,
en moet het tijdstip zijn aangebroken, waarop hare oppervlakte begon
vast te worden. De aarde koelde dus van eeuw tot eeuw af van de
buitenzijde naar binnen.
Is die afkoeling thans geëindigd, of is er nog inwendige warmte
verborgen in den schoot der aarde? Is zij niet van binnen ijskoud
geworden, nu zij zich eeuwen lang heeft voortbewogen in eene ruimte
van 273° onder het nulpunt? Wat is thans de inwendige temperatuur
der aarde? Deze vraag is van het hoogste gewicht, en daarom zullen
wij deze in bijzonderheden bestudeeren en daaraan een afzonderlijk
hoofdstuk wijden, waarin wij alle gegevens zullen mededeelen, die door
de wetenschap zijn verzameld omtrent den inwendigen toestand der aarde,
omtrent de temperaturen in mijnen, tunnels, warme bronnen, vulkanen,
enz. enz. waargenomen. Maar de geschiedenis der aarde houdt ons thans
bezig, en wij zijn thans genaderd tot één der beslissende overgangen
in haar bestaan.
Een ieder weet, dat de drie toestanden, waarin de stof kan voorkomen,
de vaste, vloeibare en gasvormige toestand, alleen het gevolg zijn van
temperatuursverschillen. Indien b.v. een blok ijs gebracht wordt tot
de temperatuur van het smeltpunt (0° Celsius), houdt het op vast te
zijn en gaat het in den vloeibaren toestand over; de moleculen zullen
zich op andere wijze schikken en zich rangschikken, zooals dit onder
den invloed der zwaartekracht noodzakelijk is. Wordt dit water verhit
tot het kookpunt (100° Celsius) dan gaat het in damp over. In alle
drie toestanden is het water scheikundig niet veranderd; het is nog
steeds water; maar het natuurkundig voorkomen is geheel gewijzigd;
in het eerste geval is het eene vaste stof, in het tweede geval eene
vloeistof, in het derde geval een gas, dat snel onzichtbaar wordt. Zoo
zal een stuk ijzer bij 1500° smelten, een stuk zink bij 470°, terwijl
het bij 1300° gasvormig wordt.
De verschillende stoffen, waaruit de aarde bestaat, zijn eerst
vloeibaar en vast geworden, toen zij voldoende waren afgekoeld. De
scheikundige verbindingen, waaruit de samengestelde lichamen gevormd
zijn, konden eerst ontstaan nadat de oorspronkelijke temperatuur
aanmerkelijk was afgekoeld. De dampen in den dampkring begonnen als
regens neer te vallen. Bij 350° begon de kwikregen, de waterregen was
eerst mogelijk bij 100°. Wanneer vielen de overige stoffen neder,
zoowel de enkelvoudige als de samengestelde? Welke waren te midden
van die ongelijksoortige bestanddeelen de scheikundige werkingen
in dat uitgestrekte laboratorium, aan den evenaar, de polen en de
tusschenliggende plaatsen? Langzamerhand werd de oppervlakte van de
aarde door afkoeling vast en dik genoeg, om tot bekken te dienen voor
de wateren en vloeistoffen, die voor goed den dampkring verlieten,
om de zeeën te vormen. Deze vloeibare neerslag werkte evenals
de dampkring zelf op de brandbare of zoutvormende stoffen van het
vaste gedeelte. Door voortgezette afkoeling van de kern en door hare
inkrimping, brak de omringende korst, die om eene te nauwe kern sloot,
op verschillende tijdstippen door, welke doorbraken zeldzamer werden,
nadat de korst dikker en steviger werd.
Niet alle gasvormige bestanddeelen onzer planeet gingen gedurende
die langzame afkoeling in vloeistoffen of vaste stoffen over. Om
den bol bleef een uitgestrekt gasvormig omhulsel over, bestaande
uit een mengsel van zuurstof en stikstof. Dit is de lucht, die wij
inademen. De dampkring, die zich eertijds tot aan de maan uitstrekte
(die toen trouwens niet zoo ver als thans van ons verwijderd was),
en die bezwangerd was met verbazende hoeveelheden waterdamp,
die zich later tot oceanen en zeeën verdichtten, en bovendien met
dampen en gassen van toekomstige mineralen, is van eeuw tot eeuw
veranderd en gezuiverd, en zóó hebben wij thans het voorrecht, die
doorschijnende lucht te kunnen inademen, die ons het prachtige blauw
des hemels verschaft, ons de schoonheden van het luchtperspectief
doet bewonderen, het daglicht tempert, de planten en dieren voedt,
en wier sluier, dicht genoeg om de volkomen afkoeling in den nacht en
den winter te beletten, ijl genoeg is om ons de sterren te doen zien
en het heelal te doen bestudeeren. Wij geven er ons niet voldoende
rekenschap van, dat indien de dampkring slechts weinig anders ware,
wij door eenen eeuwigdurenden nevel zouden omgeven zijn, en dat zulk
een ondoorschijnend omhulsel van enkele kilometers voldoende zoude
zijn, om ons van het overige deel van het heelal af te zonderen.
De oppervlakte der aarde moet toen vuurrood geweest zijn. De atmosfeer
van dampen, die op haar drukte, was de zetel van uitwasemingen, van
opstijgende stroomen, van diluviaansche regens en nieuwe verdampingen,
die eeuwen lang van onze aarde eene reusachtige scheikundige werkplaats
maakten, waar alle elementen oorspronkelijk door elkander gemengd
waren. De ontzaglijke electrische ontladingen, die het gevolg waren
van die omzettingen van warmte en beweging, vervulden den dampkring
met hare bliksemschichten en donderslagen. Misschien was in dien
tijd de maan bewoond, misschien zijn hare bewoners zelfs getuigen
geweest van die titanische worsteling der elementen, die met elkander
wedijverden om de heerschappij over eene nieuwe wereld te veroveren.
Maar de maan, dichter bij de aarde gelegen dan thans, veroorzaakte
door hare machtige aantrekking verbazende getijden, die hooger waren,
naarmate, bij afwezigheid van vast land, de vloeibare of weeke
bodem geheel gehoorzaamde aan den gezamenlijken invloed van zon en
maan. De ontzaglijke vloedgolf liep van het westen naar het oosten
om de geheele aarde, terwijl de zware dampkring zelf nog geweldiger
getijden ondervond. Het was nog geen wereld, maar een oceaan van vuur,
vlammen, rook, dampen, stormen en onweders.
Doch door zich voort te bewegen in de ijskoude ruimte, koelde de
planeet zelf langzamerhand af. De dag brak aan, waarop de oppervlakte
van dien vloeibaren en nog brandenden bol begon vast te worden; dit
geschiedde het eerst aan de polen, waar de getijden het minst heftig
waren en het spoedigst ophielden, waar de dagelijksche beweging en
de middelpuntvliedende kracht, die daarvan het uitvloeisel is, het
zwakst zijn, waar dus eene betrekkelijke kalmte de natuur in staat
stelde, te herademen. De polen hadden toen dezelfde temperatuur als de
evenaar. De warmte der aarde overtrof verre die, welke zij van de zon
verkreeg; zij bedroeg eenige honderden graden, en was voor alle deelen
der aarde dezelfde. Er waren toen noch klimaten, noch jaargetijden,
hoewel de stand der aarde met betrekking tot de zon en hare helling
niet veel verschilden met die van onze dagen. Maar de oven kookte in
zijne eigen warmte.