werd in 1744 en op nieuw in 1748 opgemaakt. De opgave van 1744 was
135,133 personen, verdeeld in 36,947 huisgezinnen, onder welke men 4,600
insolvente en 3,535 gealimenteerde telde. Latere zekere opgaven tot 1795
gaan niet boven de 140,000 zielen.--In 1779 was het getal der
aangegevene koeijen 73,589, der rieren 23,519 en der paarden 23,359. De
uitvoer daarvan bestond in 1778 in: 7,732 koeijen, 245 ossen, 29 bullen,
1048 kalvers, 2001 paarden, 205 enters (eenjarigen) en 400 veulens,
namelijk, voor zoover daarvan passagiegeld was betaald. De waarde van
elke verkochte koe stelde _Ypey_ in gewone tijden op [f]40--, een
vierendeel boter op [f]16--, een schippond kaas op [f]6--, eene
leverweide hooi op [f]12--, een pondemate nieuw gras op [f]4--, de mest
van eene koe in 't jaar op [f]3.50. In de voorspoedige jaren van 1765
tot 1779 klom de prijs der boter tot [f]21--, der kaas tot [f]12--, van
eene koe tot [f]60--. Bovendien noemt hij de verzending van Tonnevleesch
naar buiten aanzienlijk. In 1762 werden er op de Lands Wagen aangegeven
83,200 vierdevaten boter. Hij begroot daarentegen de som, welke aan
schattingen en renten, voor kleeding, levensmiddelen, dranken en
allerlei soort van waren ~uit~ _Friesland_ naar buiten ging, op
[f]3,800,000, buiten het bedrag van het hout, uit de Oostzee en elders
aangevoerd.--Belangrijk zijn mede zijne berigten over de toenmalige
Vrachtvaart, waarover wij ook op bl. 337 bijzonderheden hebben
medegedeeld, en waarbij wij nu nog wenschen te voegen, dat in de
merkwaardige Propositie van Prins _Willem IV_, tot verbetering van den
Koophandel der republiek, van 1751, dit opmerkelijk gezegde voorkomt,
dat toen reeds "geene Provincie van ons land meer reederijen had van
Smakken, Koffen en Galjoots, en waar meer dergelijke vaartuigen te huis
behoorden dan in _Friesland_, zonder nog eenige handel van belang te
hebben."
_Aant. 23_, op _bladz. 257_.
_De Friesche Zeehelden_,
welke, sedert den eersten Engelschen oorlog, bij _Brandt_, _Aitzema_,
Holl. Mercurius en _de Jonge_ in het bijzonder vermeld worden, zijn, in
vergelijking van vele Hollandsche en Zeeuwsche zeelieden, door hunne
tijdgenooten zoo weinig opgemerkt, dat er van niemand hunner volkomene
levensberigten tot ons zijn gekomen. Van weinigen weten wij iets meer
dan hun naam en een of ander kloek bedrijf, zonder van hunne geboorte-
of woonplaats en verder lot kennis te dragen; terwijl de onzekerheid
vergroot wordt, doordien verscheidene dezer zeelieden den zelfden
geslachtsnaam en een anderen voornaam dragen.
Van _Tjerk Hiddes de Vries_ weten wij wel het meest, doch zijn genoemde
levensbeschrijver was nog onbekend met vele bijzonderheden, door den
Heer _de Jonge_ omtrent hem en zijn geslacht, waaruit vijf zeelieden
naam hebben gemaakt, medegedeeld (Zeewezen, II _b_ 216, IV _a_ 458, _b_
581). Reeds in 1658 voerde hij het bevel over eene der gewapende fluiten
of transportschepen, welke de vloot van _Wassenaer_ naar de Sont
vergezelden, en onderscheidde hij zich toen door het nemen van drie
Zweedsche vaartuigen. In _Schotanus_, Beschrijv. v. Friesl. 261 komt hij
voor onder de Vroedschappen van _Harlingen_ in 1664, met bijvoeging van
Groot-Schipper, zoodat hij toen welligt niet meer in 's lands dienst
was, welke hij in 't volgende jaar, bij 't uitbreken van den tweeden
Eng. oorlog, weder zocht. Ik heb meerdere bijzonderheden omtrent hem
verzameld, welke ik gaarne wil mededeelen aan iemand, die het leven van
dezen voortreffelijken Admiraal op nieuw en naauwgezet wil nasporen en
beschrijven. Hier wil ik nog enkel vermelden, dat zijn broeder _Barent_
of _Beern Hiddes de Vries_ met en onder hem bestendig als Kapitein heeft
gediend; dat zijns broeders zoon, _Hidde de Vries_, opklom tot Schout
bij nacht en zich in 1694 het bevel zag toevertrouwd over een eskader
van 14 schepen, toen hij in een hevig gevecht met Jan Bart doodelijk
gewond werd. De vijfde zeeman uit dit geslacht was _Tjerk Hiddes de
Vries_, in 1708 Luitenant bij de Admiraliteit van _Amsterdam_. Of ook
_Ysbrant de Vries_, in 1658 Kapitein op de vloot, tot deze familie
behoorde, is onbekend. _Brandt_, 142, 144, 223.
Doch, hoe weinig er bekend is van _Auke Stellingwerf_, dien, verheven
tot Luitenant-Admiraal, hooggestemde lofverzen van de Hollandsche
dichters _Jeremias de Decker_ en _Heiman Dullaert_ ten deel vielen, dit
heeft mijn vriend de Heer Mr. _J. H. Beucker Andreæ_ ondervonden bij
zijne vergeefsche poging, om een levensberigt van dezen zeeheld zamen
te stellen. Er komen verscheidene personen van dien geslachtsnaam voor.
Het Register op de Staats-resol. 767 vermeldt in 1649 een _Andries
Stellingwerf_, door de Admiraliteit aangesteld tot Equipagemeester der
kustschepen. In het zelfde jaar 1653, dat wij in de Holl. Mercurius, 80,
een Kapitein _Frederik Stellingwerff_ op het schip Zevenwouden
(gezonken) vinden, werd die _Andries Pieters Stellingwerff_ door
Gedeputeerde Staten weder der Admiraliteit tot eenig emplooi
gerecommandeerd; en werkelijk vinden wij dezen in 1656 bij _Brandt_,
100, reeds als Kapitein van 't Prinsen wapen. In 1659 schreven
Gedeputeerde Staten aan de Gecommitteerden ter Generaliteit, dat het
schip van den Kapitein ... _Stellingwerf_, ter repartitie van de
Harlinger Admiraliteit staande, onder de ontbodene schepen mogt worden
begrepen. En in dat zelfde jaar zien wij bij _Brandt_, 186, 204,
Kapitein _Auke Stellingwerff_ vermeld, op den togt tegen _Zweden_ onder
_Verburg_, die hem naar den hoek van Schagen zond, om eene
koopvaardijvloot te verwachten, welke hij den 3 Maart 1660 naar het
vaderland geleidde. Na zijn sneuvelen werd zijn schip, de Zevenwouden,
door de Engelschen genomen, doch in het volgende jaar hernomen.
_Brandt_, Leven van de Ruiter, 382, 480. In 1676 was een _Jacob
Stellingwerf_ 1e Luit. op het schip Oostergoo.
Behalve de genoemde _Hendrik Dirks Brunsveldt_, die in 1659 Kapitein en
later Schout bij nacht was (_Brandt_, 160, 190, 212; _de Jonge_, II _a_
250, 259; Stamboek, II 59), vermeldt _Brandt_, 155, op 1658 ook nog een
Kapitein _Adriaan Bruinsveld_, die in dat jaar sneuvelde.--Zoo vinden
wij in 1652 een Kapitein _Sipke Fockes_ en in 1665-1673 _Anske Fockes_.
_Brandt_, 444. De zelfde noemt bl. 183, 193, 196 ook den Kolonel _Ernst
van Aylva_ en den Kapitein _Hemmema_, die in 1659 den togt naar _Zweden_
mede maakten, doch denkelijk bij het krijgsvolk behoorden. De laatste
bleef voor _Nijborg_. Bij dezen togt waren 8 compagniën Friezen en 2
eskadrons Friesche ruiterij. _Bosscha_, II 13.--Van den Kapitein
_Schelte Wiglema_ meldt _Brandt_, 41, dat hij in 1653 met al zijn volk
in de lucht vloog. Zoo men wil, stak hij, tusschen twee Eng. schepen
beklemd en geen uitkomst ziende, door overmaat van moed, zelf de lont in
't kruid.--Nog vonden wij als Kapiteins van het Friesche Collegie
genoemd: _Reinier Sickema_ of _Sekema_, _Andries Douwes_, _Andriaan Hens
Kleintje_, _Jan Jans Vijselaar_, _Jacob Binckes_, _Pieter Feijkes
Eijkema_, _Wijtze Beijma_, _Yde Hijlkes Kolaart_, wiens schip Westergoo
in 1672 verbrandde; _Hendrik Jans Camp_, van wien _de Jonge_, II _a_ 78,
een dapper bedrijf vermeldt, enz.--Verder maakte zich verdienstelijk
_Joris Andringa_, die, eerst schrijver op het schip van den Kapt. de
Wildt, sedert 1665 het ambt van Secretaris van _de Ruyter_ bediende en
het dagregister hield, zoodat wij aan zijne zorg vermoedelijk de
naauwkeurige berigten omtrent diens luisterrijkste verrigtingen
verschuldigd zijn. _Brandt_ 396, 513, 549, 862, 912; _de Jonge_, III a
315, b 124, 220. In 1675 werd hij Kapitein op het schip Stad en Lande,
en onderscheidde zich door moed en bekwaamheid. Door bloedverwantschap
en vriendschap was hij aan _de Ruyter_, die hem in een brief Neef
_Andringa_ noemt, zeer verbonden.--Bij den togt naar _Chattam_ waren
_Simon Poppinga_ en _Meindert Jentjes_, kommandeurs van branders, die
voor hun lofwaardig gedrag vereeringen ontvingen. _Brandt_, 583; _de
Jonge_, II _b_ 445, en omtrent andere Friezen III _a_ 124, 130, 145,
269, 292, 380.
Ook vervolgens onderscheidden zich nog andere Friesche zeevaarders,
van welke wij enkel noemen: _Douwe Harkes_, die in 1665 nabij _Tanger_
met veel dapperheid een Engelsch fregat aantastte en veroverde, en
dien het in 1673 gelukte, drie Barbados-en Virginievaarders te
_Amsterdam_ op te brengen (_de Jonge_, II _b_ 243, III _a_ 381).--Van
_Jacob Binckes_ hebben wij in den tekst gesproken, doch zouden zijn
leven gaarne nader afzonderlijk bewerkt zien, vooral, dewijl _de Jonge_
op zoo menigvuldige plaatsen van het 3e dl. daarvan belangrijke berigten
heeft medegedeeld.--In 1676 waren verscheidene Friesche schepen (ook
_Barend Hiddes de Vries_ als Kapitein en _Jacob Stellingwerf_ als 1e
Luit.) bij de vloot, welke de Staten onder _Tromp_ en _Evertsen
Denemarken_ te hulp zonden. Deze togt, waarbij zich ook Friesche
vrijwilligers bevonden, is uitvoerig beschreven in het zeldzame en
zonderlinge vers van _Foppe Foppeszoon Junior_: "Aenmerkelike Voyagie na
de Oost-zee enz. By maniere van dagverhaal, in riim, beschreven" enz.,
met vele lofverzen van dergelijke rijmelaars in 1677 bij _Hero Galama_
te _Harlingen_ gedrukt.--Omtrent _Christoffel Middagten_, mede van
_Sexbierum_ geboortig, die tot Kapitein en Schout bij nacht opklom en
zich door geschriften over den scheepsbouw, de scheepvaart en verbeterde
Zeekaarten loffelijk onderscheidde, heeft _de Jonge_ IV _a_ 485 goede
berigten medegedeeld.--In 1678 vinden wij vermeld een stoute Friesche
schipper _Barend Fokke_, die toen de reis van _Nederland_ naar _Batavia_
in den, destijds ongehoorden, tijd van 3 maanden en 4 dagen deed, tot
geene geringe verwondering van den Gouverneur-Generaal van _Goens_, dien
hij door het bezorgen van een pakket brieven daarvan overtuigde. Over
_Ceilon_ vertrok hij weder naar het vaderland, zóó spoedig, dat
het bijgeloovige volk hem verdacht hield van met den booze in
verstandhouding te staan. Opmerkelijk is het, dat, zeker om eene andere
reden, ter eere van dezen kloeken zeeman op het eiland: het Kuipertje,
nabij _Onrust_, voor de reede van _Batavia_, een standbeeld is opgerigt,
hetwelk hem, in steen gehouwen, in zijne Friesche kleedij voorstelde. In
1808 is het door den Engelschen Admiraal _Dourie_ vernield, doch later
zijn de stukken daarvan nog gezien door _M. D. Teenstra_, die dit
verhaalt achter een vers ter zijner eere in den Frieschen Volks-Almanak,
1846, 171.
Dat de Generaal _Aylva_ na 1672 niet weder als Luit.-Admiraal op de
vloot is geweest, scheen mede een gevolg te zijn van de bepaling der in
1673 door de Staten aangenomene Poincten reformatoir, art. 36: "Dat het
Admiraelschap van Frieslandt wordt verklaert vacant ende impetrabil te
syn, als werdende verstaen niet compatibel te zyn met eenige hooge
militaire charge te Lande." Charterb. V 963. Evenwel vermeldt _de Jonge_
IV _a_ 309, dat in 1692 na _Aylva's_ dood door Koning _Willem_ (_?_) in
zijne plaats werd benoemd _Frederik Willem_ Graaf _van Bronckhorst
Stirum_, Vice-Adm. der Maze, hoewel hij niet in zee ging, omdat
_Friesland_ te weinig schepen leverde.
De onderstand van het Friesche Collegie verminderde toch van lieverlede
zoodanig, dat het lang werkeloos bleef, en in 1689 slechts 3 schepen:
van Kapt. _Hidde de Vries_, Europa, Kapt. _Jentema_, de Windhond en
Kapt. _D._ (misschien _B._ of _Barend_) _de Vries_, de Brak, te zamen
470 koppen voerende, bij de vloot voegde. Later en nog in 1744 had het
maar twee schepen meer. Zie _Sylvius_, 1689, 203; _de Jonge_, III _b_
390; IV _a_ 44, 48, 72, 174, 274.
* * * * *
Uit den tijd van het diepste verval onzer lands zeemagt, toen echter de
Friezen zoo talrijke koopvaardijschepen en vrachtvaarders in zee hadden;
toen, na het uitbreken van den oorlog tusschen _Engeland_ en
_Frankrijk_, in 1756, zóó vele onzer koopvaarders prijs genomen werden,
dat de Nederl. Jaerboeken van 1758, bl. 923 drie lijsten bevatten van
156 enkel Hollandsche schepen, door de Engelsche kapers geroofd en
opgebragt,--vinden wij nog een loffelijk bedrijf vermeld van _Jan
Binckes_, Kapitein van 's lands oorlogsschip: Maarssen, die den
roemrijken naam van zijn voorzaat _Jacob Binckes_ in eere hield. Tot
bescherming van eene koopvaardijvloot naar _Cadix_ gestevend, wilde hij
den 27 December 1758 de baai dier stad inzeilen, toen het de Engelsche
kapers gelukte, twee der hem aanvertrouwde schepen, gevoerd door de
schippers _Pieter Paauw_ en _Wigle Tjerks Zwart_, van het convooi af te
snijden, met oogmerk om die te _Gibraltar_ op te brengen. Zoodra
ontvangt _Binckes_ geen berigt van deze daad, of hij wendt zijn schip,
zet de roovers alléén na, herneemt zijne schepen uit hunne klaauwen en
komt daarmede den volgenden dag in de baai van _Cadix_ bij de overigen
terug.--Men zie daarover Ned. Jaerboeken, 1758, 562, 1759, 123;
Onmiddelijk Vervolg op _Wagenaar_, XXII 420.
_Aant. 24_, op _bladz. 270_.
_De Friezen aan den Rijn, in 1672._
Het gedrag van het regiment van _Aylva_ bij den overtogt van _Lodewijk
XIV_ over den Rijn, op den 12 Junij 1672, is in het schoone werk van
_Bosscha_, Neêrl. Heldendaden, II 57, wel uitvoerig en naar verdienste
voorgesteld, volgens _Valckenier_, 't Verwerd Europa, XV 455 en andere
bronnen, doch kort daarna heeft D^o. _O. G. Heldring_ deze gebeurtenis
nader onderzocht en toegelicht uit Fransche schrijvers, die in dezen wel
het meeste gezag verdienen. Dat zeer belangrijke stuk is, onder den
titel van: de Overtogt van Lodewijk XIV. over den Rijn, geplaatst in
het 1e dl. van Nijhoff's Bijdragen, 1837, bl. 93. Reeds vroeger heb ik
daarvan een uittreksel gegeven in den Friesche Volks-Almanak voor 1840,
96. Beide verhalen zijn op verscheidene punten aangevuld door de
berigten in het voortreffelijke werk der Heeren _van Sijpestein_ en _de
Bordes_, de verdediging van Nederland in 1672 en 1673, 's Hage 1850, 1e
st. 68 env. In Bijlage I, bl. 95 worden daar bovendien de overige
hoofd-officieren en kapiteins van dit regiment, uit 8 kompagniën
bestaande, met name opgenoemd. Dat al de in den tekst genoemde personen
daartoe behoorden, is mij mede gebleken uit de Resolutiën van Gedep.
Staten, waarin ik van bijna allen de aanstellingen heb gevonden. De
namen verschillen echter eenigzins, als: b. v. _Douwe van Ipema_, _Haje
Twernbergen_ en _Twenbergen_, _Bernhardt Hekman_, _Bavius Romeda_. In
laatst vermelde Bijlage komen tevens de namen voor van eene menigte
Friesche Officieren, die in het leger van den staat dienden.--Zeker
behoef ik geene verschooning te vragen, dat ik wegens de belangrijkheid
van dit feit hieromtrent uitvoeriger ben geweest dan omtrent andere
bijzondere punten, alsmede dat ik al het in 1672 en 1673 voorgevallene
breeder heb behandeld dan het overige.
_Aant. 25_, op _bladz. 281, 294_.
_De Burgerwapening in 1672 en 1673_,
ook ten aanzien van _Friesland_ in het vermelde werk van Prof.
_Siegenbeek_, 122, 144 eervol vermeld, was destijds van veel belang, en
mogt met den gelukkigsten uitslag worden bekroond. Er zijn omtrent het
uittrekken der burgers van onderscheidene steden en grietenijën
bijzonderheden bewaard, welke ik echter hier niet kan mededeelen.
Aangaande de uittogten van 1672 heeft Mr. _A. Telting_ vele medegedeeld
in zijne twee bijdragen: Oer B. Bekker, de Fulleniussen, in it Bloedjier
1672, geplaatst in het Friesch Jierboeckjen foar 1835, en Brief van
Goslik Colonna, Hopman over eene Compagnie Franeker burgers, aan den
Magistraat van _Franeker_, voorkomende in de Vrije Fries, I 70. Nog
meerdere bijzonderheden omtrent de snelle oproeping van den derden man
in 1673 heb ik gevonden in een hoogst zeldzaam werkje van dien zelfden
_Colonna_, getiteld: Journaal ofte Dagh-register van de uyttocht der
Burgerlycke Manschap, van de Provintie van Vrieslandt, uytgetogen in den
Jaare 1673. Bevattende al 't geene is voor-gevallen van den dagh onses
uyt-tocht, als zynde den 16. Augusti 1673. tot den dagh van onse
weder-komst, zynde den 5. October des selven jaars. Beschreven door
Goslingh Colonna. Te Bolsward by Hans Hanssen Gyselaer, Drucker en
Boekv. 1673, 4^o.
De schrijver was toen "Excersiti-meester, Serjant en Sijpel-schrijver
van de Burgerij der stadt Franequer," onder den kapt. _Johannis Ennema_,
die met 65 koppen in twee ligters over _Sneek_ en _Terhorne_ te
_Heerenveen_ aankwamen, te gelijk met de burgers van _Leeuwarden_ en
_Sneek_, na het vernemen van ontmoedigende berigten en het ontmoeten
van verscheidene "schepen met gevluchte goederen." Nadat zij naar
_Joure_ gezonden waren, werd het berigt van het naderen van den vijand
spoedig vervangen door dit, dat "de Bisschopsche volkeren wederom waren
vertrocken." Den 27 en 29 Aug. hielden de drie regimenten _Oostergoo_,
_Westergoo_ en de Steden, bestaande uit 27 compagniën, te _Joure_ eene
"magnevyckelycke inspectie" voor Prins _Maurits_, Graaf _Hendrik_, den
Generaal _Aylva_ en de Gedeputeerden. Den 4 Sept. vertrokken 12
compagnien over _Heerenveen_ (langs 79 vonders of houten!) naar het
retranchement _Gorredijk_, dat hij 1760 treden in omvang bevond. Daar
zoo min als op de vorige plaats viel er iets voor, dat inspanning
vorderde of vermelding verdient.
Over den uittogt van 1673 is bijzonder uitvoerig de Holl. Mercurius,
153, die zelfs de resolutie van Gedeputeerden tot dadelijke uittrekking
bevat, welke niet in het Charterboek voorkomt.
Met een woord herinner ik hier, dat de datums der feiten in de stukken
van dien tijd dikwijls 10 dagen verschillen, dewijl de eene schrijver de
dagteekening van den ouden en de ander die van den nieuwen stijl volgde.
Eerst 1 Jan. 1701 is de laatste in _Friesland_ aangenomen. Volledige
verklaringen omtrent dat belangrijk punt bevat de Hist. Verhandeling
over den Nieuwen Stijl, van wijlen mijn vriend den Hoogl. Mr. _J. W. de
Crane_, geplaatst in Visser en Amersfoordt, Archief, 1827, 2e dl.
Bovendien heeft laatstgenoemde geleerde in zijne Letter- en
Geschiedkundige Verzameling van eenige Biographische Bijdragen en
Berigten, Leeuw. 1841, 63, eene beschrijving gegeven van de Memoriale
Annotatien van _Horatius Vitringa_, welk Handschrift, thans bij het
Friesch Genootschap bewaard en meermalen door mij aangehaald, mij groote
diensten heeft bewezen, ook omdat de voornaamste gedrukte Staatsstukken
van dien tijd daarin mede zijn opgenomen.
_Aant. 26_, op _bladz. 350, 351_.
_De toestand der Kerk en des Volks._
A. Al moge het oordeel van Godgeleerden, als boetpredikers, over den
zedelijken toestand hunner tijdgenooten eenzijdig en overdreven geacht
worden, toch is het een feit, dat in 1648 D^o. _Adr. Hasius_, pred. te
Leeuwarden, geliefde te zeggen in een werkje, getiteld: Den Geestelycken
Alarm, tot schrick der Godtloosen en troost der Vroomen enz. (ruim 800
bladz. groot): "Sooder oyt een tijdt gheweest is, in dewelcke allerhande
sonden en grouwelen d'overhandt genomen hebben, 't is nu sulck een
tijdt. Krom en verdraeyt is het gheslachte der menschen, dat wy nu
beleven, ja soo verkeert, dat den meesten hoop in het boose gheleghen
zijn. De godtloosheydt is by vele soo hoogh geklommen, dat se de toppen
van de ware Godtsaligheydt 't eenemael, ghelijck als overdeckt heeft."
En dat gaat zoo voort, nog wel in eene Opdragt aan den Stadhouder en de
Gedeputeerden. Met even donkere kleuren schetste D^o. _H. Witzius_ in
1669 den toestand der kerk in zijn: Twist des Heeren met zijn Wyngaert.
En deze was een man van gezag, waarom hij zes jaren later te _Franeker_
tot Hoogleeraar werd beroepen.
B. Ofschoon een strafwetboek geen bewijs levert van de heerschende
ondeugden eener natie, zoo leveren toch de van tijd tot tijd
uitgevaardigde plakkaten veeleer blijken van voorzieningen tegen
heerschende gebreken en misdrijven.
Van zoodanige plakkaten der Staten van Friesland vermelden wij ten
bewijze slechts deze weinige, waarvan sommige herhaaldelijk werden
uitgevaardigd: 1619, verhooging der strafbepaling op overspel; 1622,
tegen het mesvechten en doodslaan, het ontheiligen van den sabbath enz.;
1629, tegen luije bedelaars, landloopers, vagabonden, deugnieten enz.,
die 't land zóó onveilig maakten, dat men, toen boevejagten met geweer
ontoereikend waren, in 1654 tot oprigting van een Tucht- en Werkhuis
voor hen moest besluiten; 1652, tegen het haarplukken en doodslaan;
1654, tegen brandstichters; 1661, tegen 't onbehoorlijk zuipen en
slempen op de lijkmaaltijden (zie bladz. 260 hier vóór); 1667, tegen 't
ijdel zweren en vloeken; 1671, tegen de ongeregeldheden en kwade
gedragingen van knechten en dienstmaagden; 1686, tegen duellen en
krakeelen enz.; terwijl de klagten over ergerlijke, kettersche en
zedelooze boeken zóó dikwijls herhaald werden, dat niemand sedert 1667
langer een boek mogt uitgeven, tenzij het door de regering of de klassis
onderzocht en goedgekeurd ware. Zóó groot was de vrijheid in de
republiek, ten gevolge van het misbruik! Zie dit alles breeder in het
Charterboek, V 254, 269, 323, 467, 539, 567, 568, 635, 653, 661, 757,
774, 775, 805, 1257.
C. Ten aanzien van het gedrag en de handelwijze der Hervormde
Predikanten zie men de berigten van D^o. _Diest Lorgion_, de Hervormde
Kerk, 123 en 340, waar de punten van beschuldiging en verbetering der
_Franeker_ klassis van 1662 voorkomen, waaruit ik op bl. 382 reeds
eenige zinsneden heb medegedeeld.
_Aant. 27_, op _bladz. 447_.
_Besluit._
Hoe ruime stof zou er aanwezig zijn, indien ik hier in bijzonderheden
wilde vermelden, hoedanig de Gelukkige Toestand van Friesland, sinds die
in 1795 door _Gratama_ werd geschetst (zie bl. 338 hier vóór), thans is
toegenomen en verbeterd! Met de bevolking, welke in 1744 slechts 135,000
en in 1796 161,000 zielen bedroeg en thans (1852) tot ruim 251,000 is
gestegen, zijn toch de middelen van bestaan en de bronnen van
volkswelvaart toegenomen; hebben wij onschatbare voorregten ten aanzien
van godsdienstige denkbeelden en van onderwijs en opvoeding ontvangen;
mogten wij onze staatkundige en burgerlijke betrekkingen verbeterd zien,
en werd de overtuiging gevestigd, dat wij, bij aanwending van
verstandelijke kennis en ijver, in den toestand onzer gronden en
bezittingen, in de voorwerpen van nijverheid en handel een aantal
voorwerpen bezitten, die voor duurzame ontwikkeling en toenemende
uitbreiding vatbaar zijn. Doch nadat ik de mij in dit werk gestelde
perken reeds verre ben overschreden, moet ik de vermelding daarvan
overlaten aan de behandeling van eene Statistieke en Plaatselijke
Beschrijving van Friesland. Of ik die, bij wijze van uitbreiding mijner
uitverkochte Aardrijkskundige Beschrijving van Friesland, van 1840,
eerlang zal kunnen, zal mogen bewerken;--of ik daartoe, bij mijn
bestendigen lust en liefde voor dit onderwerp, waarvoor ik zooveel heb
verzameld, onder al de menigvuldige zorgen voor beroep, ambt en
letterkundige betrekkingen, tijd en krachten zal bezitten;--dit mag ik
hopen, doch voorshands niet als een bepaald voornemen doen gelden. Na
aan deze, God dank! eindelijk voltooide Geschiedenis zoo lange jaren en
zoo ingespannen gewerkt te hebben, zullen de vermelde bewerking van een
Beroemd Friesland, en meer nog de groote moeite aan het toezigt op de
naauwkeurige uitvoering van den Nieuwe Atlas van Friesland (met zoo veel
regt een belangrijk voorwerp van naauwlettende zorg!) mij vooreerst te
veel bezig houden, om aan het volbrengen van eene taak te denken, welke
met dien Atlas een schoon geheel zou kunnen vormen, de eer en roem onzer
heerlijke provincie waardig!
Om deze te bevorderen, en om bij voortduring nuttig te mogen zijn voor
mijne landgenooten, wier toegenegenheid ik dankbaar erkenne, daartoe
schenke de Algoede mij verder lust, kracht en zegen! Veel, zeer veel
blijft er na al het bewerkte nog te verrigten over, om Frieslands
geschiedenis en letterkunde zoodanig te behandelen, en uit tot dusverre
ontoegankelijke of weinig bekende bronnen voor het algemeen toe te
lichten, als de waardigheid vordert van eene provincie en van een volk,
wier belangrijkheid ook vreemden meer en meer erkennen, en waaromtrent
een beroemd Fransch schrijver mogt getuigen: