In het begin moge het veeleer een strijd van de demokraten of liberalen

dier dagen geweest zijn tegen de aristokraten (welke wij ook later onder

andere vormen hebben zien herhalen), dan het uitvloeisel van een

communismus, waartegen het gezond verstand der Friezen zeker

zou opgekomen zijn,--later werd het enkel een strijd tusschen

heerschzuchtige edelen en hunnen aanhang, en tegen het gezag der

Groningers en de vreemde hulpbenden van elders. De Donia-oorlog en de

twist om Bolsward hielden de partijen bestendig tegen elkander in het

harnas, en bragten de gemeene zaak eindelijk ten val, doch tevens

redding aan voor het algemeen belang der ingezetenen. Het denkbeeld

van _J. Douwama_ verdient dus weinig gezag, aangezien het geen krijg

was, waarin het de armen te doen was, om buit te maken en zich

met het veroverde te verrijken. Ook ná dat de oorzaak des geschils

verdwenen was, duurden toch de vijandschappen voort, en werden ze

erfelijke veeten, hatelijk, laag en onverzoenbaar. _Huber_, Hed.

Rechtsgeleertheyt, II 3, noemde het een krijg, "bijna van alle tegen

alle, huis tegen huis, geslacht tegen geslacht, met onderling geweld,

rooven en bloedvergieten." Als bijkomende omstandigheid kan het echter

zijn invloed hebben uitgeoefend, vooral in die dagen van ruwheid en

domheid der lagere standen.--"Die Vetkooper-Partei war die der

Aristokratie," zegt Dr. _von Langenn_, Hertog Albrecht der Beherzte,

238, zeer eenvoudig, en bevestigt mijne boven medegedeelde meening.

_Aant. 13_, op _bladz. 121_.

_De Aanvallen der Hollandsche Graven._

Uit het verschil van staatkundigen toestand en van beider betrekking tot

het keizerrijk tusschen de vrije Friezen benoorden en de door de Franken

veroverde Friezen of Hollanders bezuiden de Reker of de Kinhem (op

bladz. 10, 37, 50, 78 en 99 hier vóór uiteengezet), laat het zich

gereedelijk verklaren, dat de Graven van _Holland_, met dit Graafschap,

als rijksleen, door de Keizers verleid, geen regt hadden op

West-Friesland, het eerste der Zeven vrije Friesche Zeelanden, die geene

leenen kenden en ook aan het Duitsche rijk niet dienstpligtig of

hofhoorig waren, maar den Keizer alleen eerbiedigden als beschermheer

tegen de omringende leenmannen, veelal kleine dwingelanden. Doch dit

onderscheid en de aard van dezen verschillenden toestand, ten gevolge

waarvan de Hollandsche Graven evenmin regt hadden op het tegenwoordige

_Friesland_, is door weinige Hollandsche geschiedschrijvers in het oog

gehouden. Terwijl _Melis Stoke_ met volkomene waarheid kon zeggen:

_Zyt des seecker en ghewis,

Dat het Graefschap van Hollant is

Een stuck van Frieslant ghenomen,_

spreken zij van de Friezen, althans West-Friezen, steeds, als ware

Friesland van Holland afgenomen, en als waren deze opstandelingen, die

beteugeld, wederspannigen, die getuchtigd en bedwongen moesten worden.

In dat geval hadden zij mede reeds vroeger onder de heerschappij dier

Graven moeten geweest zijn, en moest er een feit bestaan, dat zij zich

aan die heerschappij hadden onttrokken. Doch het tegendeel is waar. Het

privilegie van den Roomsch-Koning Graaf _Willem II_, van 1248, en die

der latere Keizers hebben althans de oude volksvoorregten der Friezen

bevestigd, en tevens vroegere regten van anderen op hun land (zoo die al

bestonden) vernietigd; ja zelfs hebben zij de Hollandsche Graven

verboden de Friezen te "molesteren." Zie Charterb. I 94, 399, 593-596;

_Stellingwerf_, Politycq Discours nopende den Staet van Frieslandt,

Fran. 1617, 19. De vraag: _Of de Graven van Holland, regtens, ooit

Heeren van Friesland waren_, is dus ook ontkennend beantwoord door Mr.

_A. van Halmael Jr._ in een stuk in 't Mengelwerk der Leeuw. Courant van

25 Junij 1833; alsmede in de Voorrede van zijn treurspel: Radboud de

tweede, Leeuw. 1839, welke stukken met de hem zoo eigene grondigheid

zijn behandeld.

Doch onnaauwkeurige voorstellingen van Friesche zaken bij de Hollandsche

geschiedschrijvers zijn zeer algemeen. Zoo vond ik, bij het lezen van

een aantal boeken ten behoeve der behandeling van dit werk, mij ook

bitter teleurgesteld, dat ik in de beroemde Geschiedenis van het Nederl.

Zeewezen, van Jhr. Mr. _J. C. de Jonge_, niets vond van de voor dat

tijdvak zoo hoogst belangrijke Zeetogten der Hollandsche Graven naar

Friesland; geen woord van de togten van Graaf _Floris V_ in 1286 en 1292

over de pas ontstane en voor de uitbreiding van het zeewezen zoo

belangrijke Zuiderzee, bepaaldelijk om _Stavoren_ te winnen; geen woord

over den belangrijken zeetogt van _Willem IV_ in 1345 derwaarts, en geen

verhaal, maar slechts eene aanhaling van de verbazende toerustingen van

_Albrecht van Beijeren_, in 1396 env. waaromtrent er in de Hollandsche

en Friesche Charterboeken zoo vele belangrijke stukken en bij de

geschiedschrijvers zoo talrijke berigten voorkomen. Voor zoover die mij,

als ongeletterde, bekend zijn, heb ik ze opgenoemd in de Geschiedk.

Beschrijv. van Leeuwarden, I 55 en 303, en verwijs ik derwaarts, om niet

in noodelooze herhalingen te vallen. Later vond ik daarvan eene

uitvoerige beschrijving in de Vaderl. Chronyk, Leijd. en Amst. 1784,

296-911 of het einde, waarvan ik echter geen gebruik meer heb kunnen

maken. Ik blijf die togten steeds beschouwen als een zeer merkwaardig

punt in de geschiedenis van _Holland_ zoowel als van _Friesland_,

hetwelk grootelijks verdiende nader te worden opgehelderd. Ook daarom

heb ik deze herhaalde togten, door velen dikwijls met elkander verward,

bij eene nadere omwerking meer uitgebreid, en zelfs breeder dan het

overig gedeelte van dit werk voorgesteld.

_Aant. 14_, op _bladz. 128_.

_De toestand van Friesland in de 15e eeuw_

moge hier donker gekleurd voorkomen,--ieder, die de bijzonderheden

daarvan bij onze historieschrijvers wil nagaan, zal mij moeten

bijvallen, dat die toestand destijds deerniswaardig was. Ik heb dien ook

kortelijk vermeld in de Geschiedk. Beschrijv. I 76, 105 en dáár bij

meerdere aangehaalde schrijvers ook gewezen op het belangrijk tafereel,

door _Kempo van Martena_ daarvan opgehangen (Charterb. II 3). _Peter_ en

_Worp van Thabor's_ Kronyken; de Geschriften van _Jancko Douwama_;

_Westendorp_, Jaarboek van Gron. II; _van Halmael's_ Schieringers en

Vetkoopers en Ats Bonninga; tallooze plaatsen in het Charterboek en vele

andere werken, welke ik zou kunnen aanhalen, mogen het bevestigen.

_Aant. 15_, op _bladz. 135_.

_De Saksische Regering_,

hoe kort die ook duurde, heeft zeker een zeer gunstigen invloed gehad op

den staatkundigen, stoffelijken en burgerlijken toestand van

_Friesland_. _Het voordeel, hetwelk de Friezen trokken uit de

overheersching van Albrecht van Saxen_, is door den Heer _J. D.

Ankringa_ opzettelijk aangewezen in eene voorlezing, geplaatst in de

Vrije Fries, IV 379. Hij noemt daarin als de voornaamste voordeelen:

1^o. de verdrijving van kwaadwillige vijanden, bijzonder van de

hatelijke Groningers; 2^o. de orde en regelmaat van bestuur en het

daaruit voor ieder voortspruitend ongestoorde genot van zijne

bezittingen, vooral door de invoering van den Provincialen Raad en

Geregtshof, waardoor de behandeling van zaken en de regtspleging op een

goeden voet gebragt werden; 3^o. eene betere beveiliging van de zee,

door het verbeteren van de sluizen en zeeweringen te bevelen, waardoor

de overstroomingen later zijn verminderd, en 4^o. vermeerdering van

vruchtbare landerijen, door het bedijken van _het Bildt_.--Het breidelen

en vernietigen van de partijschappen der Schieringers en Vetkoopers,

waardoor er rust en eenheid onder de Friezen ontstond, en het vereenigen

der drie, vroeger op zich zelven staande en elkander vaak vijandige,

Gooën, als _Oostergoo_, _Westergoo_ en _Zevenwouden_ tot één geheel,

door één belang verbonden, voeg ik daarbij, als voordeelen van niet

minder gewigt. In de Geschiedk. Beschrijv. I 105-136 heb ik de mij

bekende schrijvers over dit tijdvak opgenoemd. Thans ben ik bijna geheel

_Martena's_ Landboek gevolgd.--Uit al het vorenstaande blijkt, dat de

regten en vrijheden des volks in vele opzigten door den Saks werden

geëerbiedigd, en dat het eigenlijk te veel gezegd is, wanneer men het

Saksische _bestuur_ eene overheersching noemt, en de vrijheid der

Friezen als verloren beschouwt. Dit denkbeeld is mede reeds bestreden

door _Stellingwerf_ in het aangeh. zeldzame Polityck Discours, bl. 24.

De verdere ontwikkeling hiervan zou te dezer plaatse tot te groote

uitvoerigheid leiden, doch verdiende weleens nader in het licht te

worden gesteld. Wanneer het volk werkelijk was overwonnen geweest, had

de Saks ook de magt gehad om het Leenstelsel hier in te voeren. Doch in

den Keizerlijken giftbrief was zijn gezag als Erf-Potestaat of

Gubernator beperkt, en bleven de Friezen, onder de bescherming des

rijks, in het bezit van hunne vroegere voorregten, welke daarin erkend

werden. Zie Charterb. I 786 env.

_Aant. 16_, op _bladz. 146_.

_Groote Pier._

Veel is over dezen merkwaardigen man geschreven, zonder dat er nog van

hem eene volledige levensbeschrijving is bewerkt. Ik hoop daartoe nieuwe

bijdragen en oogpunten te hebben geleverd, na vroeger in het Mengelwerk

der Leeuw. Cour. van 1834, N^o. 20, hierover iets te hebben gegeven.

Voor hem, die dit onderwerp nader zou willen behandelen, verwijs ik

(buiten de in de noten aangehaalde) naar de volgende schrijvers:

_Scharlensis_, 113; _Winsemius_, 421; _Schotanus_, 567, 607 env.; _Sybe

Jarichs_, Corte Chronyck in de Analecta van Brouërius van Nidek, 461;

_Eggerik Beninga_, Hist. van Oostfriesl. in Matthæus, Analecta, IV 550;

_Foeke Sjoerds_, Beschrijv. I 818; Levensb. van verm. Mannen, I 45;

_Kok_, Vad. Woordb. XIV 16; _Halma_, Toneel der V. Ned. 382; Neêrl.

Heldendaden ter Zee, I 92; _Napjus_, Sneek, 40; _Gabbema_, Leeuw. 336,

342; _van Leeuwen_, Kronyk, 152, 435; _Greidanus_, Naaml. der Franek.

Pred. 64; benevens eene verh. in de Prov. Friesche Cour. 1851, N^o. 6

env. het uitvoerigste en beste stuk over dit onderwerp.

De krijgsbedrijven van _Groote Pier_ heb ik met opzet eenigzins

uitvoeriger behandeld, omdat het algemeen gevoelen over dezen persoon

zoo onbestemd of liever zoo ongunstig is, vooral bij Hollandsche

schrijvers. De door mij zoo hoog geachte Jhr. Mr. _de Bosch Kemper_

noemt hem in zijn voortreffelijk werk: Geschiedk. Onderzoek naar de

Armoede in ons vaderland, Haarlem 1851, bl. 69, nog: "de Geldersche

Zeeroover _Groote Pier_." Even verkeerd is de voorstelling van den Heer

_D. R. Erdbrink_ te Enkhuizen, in het Leeskabinet voor Mei 1852, ook als

hij meent, dat _Pier_ de Saksische Zwarte Hoop, groot 3 à 4000 man, in

1517 op zijne vloot van _de Lemmer_ naar _Noord-Holland_ zou hebben

overgevoerd.

_Aant. 17_, op _bladz. 155_.

_Worp van Thabor's Kronyk_

bestond tot dusverre alleen in Handschrift, en wel in verscheidene ex.

op verschillende plaatsen. Dr. _J. G. Ottema_ heeft van alle bekende ex.

een uitvoerig verslag gegeven in de Vrije Fries, III 105, waarna het

Friesch Genootschap de drie eerste, in het latijn geschrevene, boeken in

1847 heeft uitgegeven, onder den titel van Worperi Tyaerda ex

Renismageest, Chronicorum Frisiae libri tres. Het vierde boek, in het

nederduitsch van dien tijd geschreven, is in 1850 en 1851 gevolgd onder

den titel van: Kronijken van Friesland, bevattende de geschiedenis van

de vijftiende eeuw. De door mij gegevene uittreksels zijn genomen uit

het 1e boek, volgens eene vertaling van den Hoogleeraar _P. J. Veth_,

die in den elfden jaarg. van de Gids, bl. 552, een aanprijzend verslag

van deze belangrijke Kronyk heeft gegeven. Van den schrijver is weinig

meer bekend, dan dat hij zich naar zijne geboorteplaats _Rinsumageest

Worp van der Geest_ noemt, en eerst Monnik, daarna Supprior, vervolgens

Procurator en in 1523 Prior was van het bekende klooster _Thabor_, onder

_Tirns_ nabij _Sneek_, waarin hij in 1538 is overleden. Men verwarre

zijn werk echter niet met de Kronyk of Historie van Vriesland, door

_Peter Jacobsz. van Thabor_ of _Petrus Thaborita_, door _Visser_ en

_Amersfoordt_ uitgegeven in het Archief voor Vaderlandsche, en

inzonderheid Vriesche Geschiedenis, Oudheid-en Taalkunde, Leeuw.

1824-28, 3 st., welk niet minder belangrijk werk ik ook veelmalen heb

geraadpleegd.

Eene dergelijke, doch uitvoeriger, algemeene beschrijving van

_Friesland_, van omstreeks eene halve eeuw later, bevat het eerste boek

van _Ubbo Emmius_, Rerum Frisicarum Historia, waarvan de eerste druk is

van Franeker, 1596. Eene andere, kortere algemeene beschrijving van

_Friesland_ is in 1616 gegeven door Do. _J. Bogerman_, destijds

Predikant te _Leeuwarden_, in de opdragt van zijn werkje: Praxis verae

poenitentiae, door Dr. _J. G. Ottema_ vertaald medegedeeld in de Vrije

Fries, II 215. Al deze beschrijvingen zijn, even als zoo vele verzen van

_Starter_ van dien tijd, hooggestemde lofredenen op dit land, hetwelk

_Bogerman_, wegens overvloed van ligchamelijke en geestelijke

zegeningen, (toen reeds) _een dal van vettigheid_ noemde.

_Aant. 17 (moest zijn 18)_, op _bladz. 159_.

_De beroemde Friezen_,

uit omstreeks het midden der 16e eeuw, in den tekst vermeld, waarbij ik

nog vele andere had kunnen voegen, komen bijna allen, met min of meer

uitvoerige levensschetsen, voor in het werkje van _Suffridus Petrus_, de

Scriptoribvs Frisiæ, geschreven en voor het eerst uitgegeven te Keulen

in 1593. Voorzeker baart het groot getal personen, in de tien laatste

decaden van dit werkje vermeld, verwondering, in vergelijking met het

getal beoefenaren der wetenschappen, welke andere provinciën des

vaderlands, zelfs _Holland_, tot 1593 hadden opgeleverd.

_Aant. 19_, op _bladz. 166_.

_De Geschiedenis der Kerkhervorming in Friesland_

is in 1842, voortreffelijk bewerkt, uitgegeven door _E. J. Diest

Lorgion_, waar meer uitvoerige berigten, dan ik hier en vervolgens kon

mededeelen, worden gevonden. Vele oorzaken en aanleidingen van de

reformatie in dit gewest zijn mede uit allerlei bronnen nagespoord en

grondig behandeld in het uitmuntende werk: Geschiedenis der

Doopsgezinden in Friesland, door _S. Blaupot ten Cate_, Leeuw. 1839,

alsmede in het belangrijk werk: De Doopsgezinden en hunne herkomst, van

_J. H. Halbertsma_, Dev. 1843. Nog andere wetenswaardige berigten

omtrent dit tijdvak en de latere geschiedenis van de Lutherschen in

_Friesland_ en te _Leeuwarden_ komen voor in de Bijdragen tot de

geschiedenis der Evang.-Luthersche Kerk in de Nederl. verzam. door _J.

C. Schultz Jacobi_ en _F. J. Domela Nieuwenhuis_, Utr. 1844, 5e stuk,

bl. 166. Wie dus omtrent de voorvallen van dit merkwaardige tijdperk

nader wenscht ingelicht te worden, zal daartoe in genoemde werken ruime

gelegenheid vinden.

_Aant. 20_, op _bladz. 118_.

_De Verbondene Edelen._

De hoofdbron der geschiedenis van dit onderwerp is en blijft nog steeds

het belangrijke werk van den Hoogl. _J. W. te Water_, Historie van het

Verbond en de Smeekschriften der Ned. Edelen, Middelb. 1776-96, 4 st.

waarvan de Geschiedenis der Watergeuzen, van Do. _A. P. van Groningen_

een waardige tegenhanger is. Ik acht mij echter verpligt, hier bijzonder

te vermelden, dat het eerste werk voor geene provincie van meer gewigt

en belang is dan voor _Friesland_. Eensdeels, omdat het getal Edelen,

welke daarin met kortere of langere levensschetsen vermeld zijn, uit

deze provincie daarin vier maal grooter is dan van de overige 16

provinciën, en alzoo blijk levert zoowel van de talrijkheid als de

vrijheidszucht van den toenmaligen Frieschen Adel;--anderdeels, omdat de

berigten aangaande de geslachten en verrigtingen dezer bondgenooten

daarin het meest uitvoerig zijn behandeld, ten gevolge der talrijke

mededeelingen, welke de schrijver mogt ontvangen van de Heeren _Ulbe_ en

_Eduard Marius van Burmania_, welke van zoo veel belang waren, dat hij

dáárom zijn werk aan laatstgenoemden Oudheidkundige uit dankbaarheid

opdroeg, terwijl die hulp in de opdragt eervol wordt vermeld.

Na ruim twintig jaren tijdsverloop herinner ik mij thans nog met veel

genoegen, dat mijn edele begunstiger en vriend wijlen Jhr. _I. Æbinga

van Humalda_ mij in 1828 met dit werk bekend maakte, en dat ik toen, na

herhaalde lezing, van die 108 Friesche Verbondene Edelen biographische

Tabellen vervaardigd- en met vele bijzonderheden uit andere schrijvers

en geslachtlijsten aangevuld heb. Uit vrees van nog niet in staat te

zijn iets goeds te kunnen leveren, kon ik toen niet bewilligen in het

aanbod van Do. _J. H. Halbertsma_, om deze tabellen voor mij uit te

geven.

Doch _Friesland_ heeft nog eene andere betrekking op dit onderwerp,

welke ik hier mede gaarne herinner, omdat het een der sieraden onzer

Nederlandsche letterkunde geldt. Nog vóór _te Water_ dit onderwerp

historisch toelichtte, heeft Jhr. _Onno Zwier van Haren_, in zijne

afzondering te _Wolvega_, de verdiensten dier Edelen en bijzonder der

Watergeuzen, door de dichtkunst verheerlijkt. In een ruwen vorm

verschenen in 1769 voor het eerst zijne verzen: Aan het Vaderland, later

en vooral in 1776 veel vermeerderd en verbeterd herdrukt onder den titel

van: de Geuzen. Na zoo herhaalde lezing van dit heerlijk dichtstuk, door

zulke belangrijke aanteekeningen toegelicht, zou ik zeer wenschen, dat

het, vooral in _Friesland_, meer algemeen bekend ware. Wetenschap en

kunst zijn daarin vereenigd en met zoo vele streelende vaderlandsche

herinneringen vereenzelvigd, dat het verstand en hart, gevoel en smaak

te zamen goed doet. Ik heb daarover, in verband met het leven des

vereerden dichters, meer uitvoerig gehandeld in den Friesche

Volks-Almanak voor 1837, 50.

_Aant. 21_, op _bladz. 222_.

_De Friesche Staatstwisten_,

welke, na de vroeger in den tekst reeds vermelde geschillen, bijzonder

tusschen de Landen en Steden, over het bekomen van den vierden stem in

den staat, vooral sedert 1593, gevoerd zijn, vindt men vrij uitvoerig

medegedeeld in de volgende werken: _Winsemius_, Chronique, 820, 828,

847-871, 891, 898;--_van Reijd_, Ned. Oorlogen, 200, 410, 418;--_van den

Sande_, Ned. Hist. ten vervolge op _van Reijd_, 29, 57, 69, 98, 121,

162, 173, 178, 186, 197, 205;--Charterboek, V 164, 274, 278, 333, 341,

358, 367;--Register op de Staats-resolutiën, 411, 478, 511, 695;--_van

Aitzema_, Saken van Staet en Oorlogh, 4^o. II 116, 211, 626, 633, 643,

800; III 160, 265, 344, 348, 522; 63, 81; 10, 292, 520, 528;--_Kok_,

Vad. Woordenb. XVI 594; benevens vele stukken in het Provinciaal en

Stedelijk Archief van _Leeuwarden_.

Al deze en meerdere schrijvers over dit onderwerp zijn door mij gelezen,

met oogmerk, om die gebeurtenissen te behandelen. Doch, daar ze voor

eene beknopte behandeling niet vatbaar waren, en eene uitvoerige

voorstelling van oorzaken, verband en gevolgen mijn bestek ver te buiten

zou gaan, zoo heb ik daarvan _moeten_ afzien, en deze gebeurtenissen

enkel met een woord vermeld op de Tijdrekenk. Lijst. Bij eene

uitvoeriger behandeling van de Friesche Geschiedenis zullen ze alle in

het licht gesteld moeten worden.

* * * * *

In al die onlusten zien wij mede telkens den strijd herhalen tusschen de

vrienden van behoud en vooruitgang, en tusschen de democraten en de

aristocraten dier dagen; een strijd, welke in elke eeuw op eene andere

wijze vernieuwd wordt, zoolang het volk het besef zijner regten en

krachten behoudt en, niet door vrede of weelde ontzenuwd, inslaapt of

doof wordt voor zijn belang. In weerwil van al de goede eigenschappen

van den vervolgens door mij geschetsten Regeringsvorm van _Friesland_,

en ondanks eene algemeene verkiesbaarheid en alzoo een democratisch

beginsel de grondslag daarvan scheen uit te maken, heeft de welwikkende

en geleerde _Ulrik Huber_ aangewezen, dat de Aristocratie zich in

_Friesland_ van de teugels van het bewind had verzekerd. (Zie _Huber_,

Hedend. Rechtsgeleerth. Leeuw. 1699, II 11, 53 env., en _Vreede_,

Geschied- en Letterk. Herinneringen, Gor. 1836, II 65.) En was dit

wonder? "In een land, waarin van ondenkelijke tijden af de

oorspronkelijke oppermagt werd bezeten door de Edelen en Eigenerfden,

dat is, de bezitters van onroerende goederen, die het regt van stemmen

in gemeene zaken hadden," kon het niet anders, of de adel en de

aanzienlijken moesten in het bezit geraken van de oppermagt, van ambten

en bedieningen. De aard van het Stemregt leidde daartoe. Dat daarvan

dikwijls misbruik is gemaakt, is zeer natuurlijk bij al het

aanlokkelijke van magtsuitoefening en vaak kwalijk geplaatste eerzucht

bij onverstandigen. Maar met dat al is het mijne innige overtuiging, op

geschiedenis en overlevering gegrond, dat die Aristocratie, of de

regering van den adel en de aanzienlijken, voor _Friesland_ in de vorige

eeuwen van oneindig meer voordeel dan nadeel is geweest. Zij, die door

aanzienlijk grondbezit het meeste belang hadden bij het welzijn van den

staat, en daardoor ook het meeste aanspraak hadden op het bestuur

daarvan; zij stonden door stand, opvoeding, onderwijs en bekwaamheden in

verstandelijke en zedelijke kracht ook meestal veel hooger dan het volk

of wel de burgerstand dier dagen, welke toen minder ontwikkeld was dan

tegenwoordig. En zeker zullen de laatste, die thans meerdere

staats-burgerlijke regten hebben verkregen, onbillijk handelen, als zij

hunne verpligting aan 's lands vroegere overheden en de adellijke en

aanzienlijke familiën niet dankbaar erkennen. Het is dus onkunde of

kwade trouw, wanneer men thans laag valt op of smadelijk spreekt van een

uitvloeisel der vroegere staatsgesteldheid, welke, ja soms is misbruikt

geworden, doch die in 't algemeen heilzaam voor het belang des volks is

geweest.

_Aant. 22_, op _bladz. 246_.

_De Regeringsvorm van Friesland, tijdens de republiek_

is door mij voorgesteld, zoo als zij omstreeks den jare 1770 bestond, om

niet telkens de kleine wijzigingen te vermelden, welke daarin sedert

1580 hadden plaats gehad. De voornaamste schrijvers over dit onderwerp

heb ik in de noten bij ieder onderdeel medegedeeld, doch acht het van

belang, hier nog eenige andere te vermelden, welke deswege nader kunnen

geraadpleegd worden. In zijn ganschen omvang is dit onderwerp behandeld

in _U. Huber_, Heedendaegse Rechts-geleertheyt, soo elders, als in

Frieslandt gebruikelijk, 2e dr. Leeuw. 1699, I 418, II 10 env. alsmede

in de weinig bekende Dissertatie van _E. H. Bergsma_, de antiqua et

hodierna Frisiorum Regiminis forma, Fran. 1779. Nog minder bekend is de

eenvoudige en heldere voorstelling, welke de voortreffelijke _P.

Wierdsma_ daarvan heeft gegeven in de beschrijving van deze provincie,

welke hij bezorgde ten behoeve der Nieuwe Aardrijksbeschrijving, door

_W. E. de Perponcher_, Utr. 1784, welke in het eerste deel bl. 303 is

opgenomen. (De reden daarvan heb ik vermeld in de Nasporingen omtrent de

Middelzee, bl. 52.) Ook in _Knoop_, Teg. Staat of Hist. Beschrijv. van

Friesl. Leeuw. 1763, bl. 328, en in _Busching_, Nieuwe Geographie,

verbeterd door _W. A. Bachiene_, Amst. 1775, IV 1191 komen uitvoerige

beschrijvingen daarvan voor, die ieder op zich zelve belangrijke

bijzonderheden bevatten. Zeer zonderling en hooggestemd is de

beschrijving van _Frieslands_ staatsbestuur van Mr. _Romijn de Hooghe_,

in zijn Spiegel van Staat, Amst. 1706. Het Groot Placaat- en Charterboek

van Vriesland, door de zorg van den Baron _G. F. thoe Schwartzenberg_,

op last der Staten, in 1768 begonnen en in 1795 in het 6e deel met den

jare 1705 geëindigd, bevat een onwaardeerbare schat van historische en

staatsstukken over alle deelen van dit gewest. Eene Verzameling van

Placaten, Reglementen en andere Stukken, door de Staten van Vriesland

geëmaneerd, is in 1748 begonnen, telt tot 1795 6 deelen in 4^o. en is

van toen af tot in 1810 voortgezet in 14 deelen. Ook deze bron heb ik

veel gebruikt.

In de laatste helft der vorige eeuw begon men zich mede meer toe te

leggen op de ~Staatshuishoudkunde~ en ~Statistiek~ dezer provincie. In

de genoemde werken van _Knoop_, _Foeke_ _Sjoerds_, de Tegenw. Staat enz.

zijn daarover bereids belangrijke bijdragen gegeven. Ook _Nicolaas

Ypey_, Hoogleeraar in de Wiskunst en Vestingbouw te _Franeker_, die in

Waterstaatszaken dikwijls door Gedeputeerde Staten geraadpleegd werd,

gaf van zijne bedrevenheid in die vakken blijken in zijne Verhandelingen

over den uitvoer van het Hooi (in 1781 bekroond en met die van _Eelke

Alta_ en _Sjoerd Meinerts_ te _Harlingen_ uitgegeven) en over de Quotae,

Harl. 1784. Zeer belangrijk is mede het werkje van den lateren

Hoogleeraar _Seerp Gratama_, de gelukkige Toestand van Friesland

betoogd, Harl. 1795. Uit deze thans weinig meer voorkomende geschriften

wil ik de volgende bijzonderheden, tot kenschetsing van dit tijdvak,

mededeelen.

Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken · 第 37 / 41 段